< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Kan de werknemer een beroep doen op dwaling omdat hij bij het aangaan van de beëindigsovereenkomst niet wist dat de overeengekomen opzegtermijn nietig was?

Uitspraak



RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8717053 HA VERZ 20-80

uitspraak: 3 november 2020

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats verzoeker] ,

verzoeker,

gemachtigde: mr. R. Aolad Si M’hammad,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PanCompany B.V., gevestigd te Den Bosch,

verweerder,

gemachtigde: mr. E. Dubbeldam.

Partijen worden hierna aangeduid als [verzoeker] en PanCompany.

1. Het verloop van de procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

het verzoekschrift met bijlagen;

het verweerschrift met bijlagen.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 september 2020.

2. De vaststaande feiten

2.1

Als door de ene partij gesteld en door de andere partij niet weersproken staat het volgende tussen partijen vast.

2.2

[verzoeker] is op 1 juni 2017 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst getreden van PanCompany. Partijen hebben de tussen hen gemaakte afspraken - voor zover hier van belang - als volgt op schrift gesteld:

15. Opzegging/Ontbinding

1. Werknemer kan de gesloten arbeidsovereenkomst beëindigen per aangetekend schrijven met inachtname van een opzegtermijn van 2 maanden. De overeenkomst kan slechts tegen het einde van iedere kalendermaand worden opgezegd.

2.3

PanCompany heeft [verzoeker] in 2019 tewerkgesteld bij Boskalis in Papendrecht. Op 29 augustus 2019 heeft [verzoeker] gezegd dat hij per 1 november 2019 als zzp’er aan de slag wil bij Vopak en dus uit dienst wil treden bij PanCompany. Daarna heeft de volgende correspondentie tussen partijen plaatsgevonden:

Op 7 oktober 2019 heeft [verzoeker] - voor zover hier van belang - geschreven:

Zoals telefonisch besproken, hierbij mijn ontslag brief.

In de ontslagbrief stond - voor zover hier van belang:

Met deze brief wil ik het dienstverband beëindigen per omgaande.

PanCompany heeft in reactie geschreven:

Hierbij bevestig ik ontvangst van je ontslagbrief.

De contractueel eerst mogelijke uitdiensttredingsdatum bij PanCompany is 1 januari 2020.

Zoals met jou besproken gaan we in overleg met Boskalis om te onderzoeken of je opdracht door een PanCompany collega overgenomen kan worden, zodat je eerder uit dienst kan. Dit pakt [naam] op richting Boskalis. We hebben verder afgesproken dat in het eventuele geval dat Boskalis afziet van jouw vervanging door een PanCompany collega en tevens jouw inhuurovereenkomst (t/m 31 december 2019) tussentijds opzegt, jij per de beëindigingsdatum bij PanCompany uit dienst treedt. Verder stel ik voor dat je in dat geval afziet van de provisie over de laatste volledig gewerkte kalendermaand voor uitdiensttreding en uitkering van je restant verlofsaldo na oktober bij de eindafrekening (160 uur), ter compensatie van de omzet- en winstderving van PanCompany als gevolg van jouw vervroegde uitdiensttreding. Graag hierop jouw akkoord.

[verzoeker] heeft als volgt gereageerd:

Hierbij mijn akkoord met onderstaande.

[verzoeker] heeft direct daarna nog het volgende geschreven:

Ik wil nog wel het volgende vragen, mocht het zover komen dat ik moet afzien van de provisie en mijn verlof dagen. (ik ga er niet vanuit, want vertrouw erop dat jullie dat gewoon goed kunnen oppakken)

Wil ik graag een berekening van de provisie en de verlofdagen wat het mij in principe zou kosten?

PanCompany heeft daarop als volgt gereageerd:

Op basis van je huidige forecast (en waarbij oktober de laatste volledige kalendermaand is):

Verlof: 160 uur * 14,42 = 2307,20 bruto

Provisie over oktober: ((136 uur * 90)6525)*0,65 = 3714,75 bruto

2.4

[verzoeker] is overeenkomstig de tussen partijen gemaakte afspraken per 1 november 2019 uit dienst gegaan en gaan werken voor Vopak.

3. Het geschil

3.1

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

de tussen PanCompany en [verzoeker] bestaande beëindigingsovereenkomst te vernietigen;

PanCompany te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van € 2.500,-- bruto per maand vanaf 1 november 2019 tot aan het moment dat de arbeidsovereenkomst geldig zal zijn geëindigd;

PanCompany te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de vakantietoeslag van € 200,-- bruto per maand vanaf 1 november 2019 tot aan het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

PanCompany te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW over het achterstallig salaris en vakantietoeslag over de maanden november 2019 tot en met juli 2020;

PanCompany te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het achterstallig salaris over de maanden oktober 2019 tot en met juli 2020 (€ 22.500), vakantietoeslag over de maanden november 2019 tot en met juli 2020 (€ 1.800) en de hierboven genoemde wettelijke verhoging;

PanCompany te veroordelen tot het verstrekken van correcte loonstroken, alsmede een jaaropgave over 2019;

PanCompany te veroordelen om [verzoeker] binnen 7 dagen na betekening van de beschikking toe te laten tot zijn eigen werkzaamheden als werknemer;

subsidiair:

de gevolgen van de beëindigingsovereenkomst te wijzigen ter opheffing van het nadeel dat [verzoeker] bij instandhouding van die overeenkomst lijdt als bedoeld in artikel 6:230 lid 2 BW ;

PanCompany te veroordelen tot betaling van de emolumenten over de maand oktober 2019, van in totaal € 4.647,58, met de wettelijke rente vanaf iedere datum van verschuldigdheid;

primair en subsidiair:

PanCompany te veroordelen een onmiddellijk opvorderbare dwangsom van € 500 te betalen aan [verzoeker] voor iedere dag dat zij in gebreke blijft te voldoen aan de door de rechter uit te spreken veroordeling;

PanCompany te veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten ex artikel 6:96 BW aan [verzoeker] ad € 1.000;

PanCompany te veroordelen in de (na)kosten van onderhavige procedure, het salaris van de advocaat/gemachtigde daaronder begrepen.

3.2

[verzoeker] legt het volgende aan zijn verzoek ten grondslag. In de arbeidsovereenkomst zijn partijen een opzegtermijn van twee maanden overeengekomen. Dit beding is vernietigbaar omdat in de arbeidsovereenkomst niet staat dat de opzegtermijn voor PanCompany ten minste vier maanden bedraagt. [verzoeker] was zich hiervan niet bewust toen hij akkoord ging met beëindiging van het dienstverband. Hij heeft daarom gedwaald. Subsidiair stelt hij dat sprake is van misbruik van omstandigheden; meer subsidiair stelt hij dat PanCompany onrechtmatig heeft gehandeld en nog meer subsidiair doet hij een beroep op de redelijkheid en billijkheid.

3.3

PanCompany voert verweer. Op dat verweer zal hierna - voor zover nodig - worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1

Partijen zijn het eens over het volgende. [verzoeker] wilde de arbeidsovereenkomst beëindigen zodat hij per 1 november 2019 voor Vopak kon gaan werken. PanCompany wilde daarmee niet akkoord gaan vanwege het nog tot 31 december 2019 lopende project waarbij [verzoeker] betrokken was. Zij heeft in dat kader gewezen op de opzegtermijn die partijen zijn overeengekomen. In dat kader hebben partijen de hiervoor genoemde afspraken gemaakt.

4.2

[verzoeker] stelt zich terecht op het standpunt dat die opzegtermijn vernietigbaar was nu niet een dubbele opzegtermijn voor de werkgever is overeengekomen. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat een voor de werknemer overeengekomen opzegtermijn vernietigbaar is wanneer voor de werknemer een langere termijn dan de wettelijke termijn geldt maar niet schriftelijk een dubbele termijn voor de werkgever is overeengekomen. [verzoeker] had zijn dienstverband daarom mogen opzeggen met toepassing van de wettelijke opzegtermijn.

4.3

Op grond van artikel 7:672 lid 4 BW is de opzegtermijn voor de werknemer één maand en op grond van artikel 7:672 lid 1 BW dient te worden opgezegd tegen het einde van de maand. Dat betekent dat [verzoeker] op 7 oktober 2019 de overeenkomst per 1 december 2019 had mogen beëindigen.

4.4

[verzoeker] heeft zich primair op het standpunt gesteld dat hij heeft gedwaald op grond van een onjuiste mededeling van PanCompany zoals bedoeld in artikel 6:228 lid 1 onder a BW. Dat standpunt wordt niet gevolgd. PanCompany heeft geschreven dat contractueel de eerst mogelijke uitdiensttredingsdatum 1 januari 2020 was. Die mededeling was op zich juist, want partijen waren immers een opzegtermijn van twee maanden overeengekomen. Het enkele feit dat [verzoeker] dit beding kon vernietigen maakt deze mededeling niet onjuist.

4.5

[verzoeker] heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat PanCompany hem had moeten inlichten dat de voor hem geldende opzegtermijn vernietigbaar was. [verzoeker] heeft niet gesteld dat PanCompany op de hoogte was van de vernietigbaarheid, zodat beoordeeld moet worden of zij dit behoorde te weten en dit vervolgens ook moest mededelen. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat het geval. De regeling met betrekking tot de opzegtermijn heeft als doel om de werknemer te beschermen. Het is vanwege die doelstelling dat de Hoge Raad heeft beslist dat ook de opzegtermijn voor de werkgever schriftelijk moet worden overeengekomen. Een werkgever dient van deze regel op de hoogte te zijn. Op grond van artikel 7:655 lid 1 sub g BW dient de werkgever de werknemer te informeren over de duur van de door partijen in acht te nemen opzegtermijnen of de wijze van berekening van die termijnen. PanCompany behoorde daarom te weten dat de overeengekomen opzegtermijn voor [verzoeker] vernietigbaar was en zij had [verzoeker] daarover moeten informeren. Verder is duidelijk dat deze informatie voor [verzoeker] bij de beëindiging van het dienstverband van belang was en het is aannemelijk dat [verzoeker] de overeenkomst niet onder precies dezelfde voorwaarden zou zijn aangegaan. In zoverre is voldaan aan de vereisten voor dwaling.

4.6

Een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling is niet vernietigbaar wanneer de dwaling in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat hier het geval. De afspraken die partijen ter beëindiging van het dienstverband hebben gemaakt hadden ten doel om tot een oplossing te komen in het tussen hen ontstane geschil. Een dergelijke overeenkomst is minder snel vernietigbaar omdat de overeenkomst juist ten doel heeft om zekerheid te bieden. Verder is sprake van een zuivere dwaling over het recht. Een dergelijke dwaling leidt ook minder snel tot vernietiging omdat in beginsel iedereen wordt geacht de wet te kennen. Daarnaast is van belang dat PanCompany bij het maken van de beëindigingsafspraken [verzoeker] tegemoet is gekomen; ook indien wordt uitgegaan van de wettelijke opzegtermijn. PanCompany heeft [verzoeker] immers toegestaan om te vertrekken per 1 november 2019 terwijl hij anders pas per 1 december 2019 had kunnen vertrekken. PanCompany had er vanwege het nog lopende project bij Boskalis een gerechtvaardigd belang bij dat [verzoeker] langer in dienst zou blijven en [verzoeker] had er belang bij dat hij per 1 november 2019 bij Vopak kon starten. Tot slot is van belang dat [verzoeker] op grond van de wettelijke bedenktermijn nog drie weken had om de overeenkomst te ontbinden, welke termijn hij had kunnen gebruiken om juridische bijstand in te schakelen. Deze omstandigheden tezamen maken dat de dwaling voor rekening van [verzoeker] moet blijven.

4.7

De overige door [verzoeker] genoemde rechtsgronden kunnen evenmin tot vernietiging van de beëindigingsovereenkomst of toekenning van een vergoeding leiden. De feiten die [verzoeker] stelt, kunnen geen beroep op misbruik van omstandigheden dragen en het gestelde handelen van PanCompany is niet onrechtmatig. Een beroep op de redelijkheid en billijkheid stuit af op dezelfde gronden als hiervoor besproken. De verzoeken van [verzoeker] worden daarom afgewezen.

4.8

[verzoeker] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De kantonrechter,

wijst de verzoeken van [verzoeker] af;

veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van PanCompany begroot op € 600,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Joele en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

371

zie HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1192.

artikel 6:228 lid 2 BW

Zie MvT, Kamerstukken II, 17 779, nr. 3, p. 35

Zie bijvoorbeeld HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1739


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature