< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Voogdes (oma) is in 2006 overleden. Nadien is niet in het gezag voorzien. Ernstige ontwikkelingsbedreiging minderjarige. Verweer van de moeder tegen de voorlopige voogdij bij de GI en zelfstandig verzoek van de moeder haar met het gezag te belasten. Wettelijk kader 1:253b, 1:253d BW: gegronde vrees dat bij inwilliging van het verzoek van de moeder de belangen van de minderjarige worden verwaarloosd. Gelet op leeftijd minderjarige (bijna 18) en weerstand van de moeder tegen gedwongen kader, vooropige voogdij opgeheven en de moeder belast met het gezag.

Uitspraak



beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaakgegevens: C/10/582848 / JE RK 19-2987

datum uitspraak: 8 november 2019

beschikking beëindiging voorlopige voogdij en belasting ouderlijk gezag

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam kind] ,

geboren op [geboortedatum kind] te [woonplaats kind] , hierna te noemen [naam kind] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,

en

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Dordrecht.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 27 september 2019 en de daaraan ten grondslag liggende stukken,

- het verweerschrift met bijlagen van mr. D.W.M. de Haan, advocaat te Oosterhout, van 7 oktober 2019, ingekomen op diezelfde datum,

- het proces-verbaal van de zitting van de kinderrechter van 7 oktober 2019,

- de brief met bijlagen van mr. De Haan van 24 oktober 2019, ingekomen bij de griffie op diezelfde datum,

- de brief met bijlagen van de Raad van 29 oktober 2019, ingekomen bij de griffie op

30 oktober 2019,

- het faxbericht met bijlagen van mr. De Haan van 8 november 2019, ingekomen bij de griffie op diezelfde datum.

Op 8 november 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- [naam kind] , die voorafgaand aan de zitting is gehoord, op haar verzoek in het bijzijn van mr. De Haan (als vertrouwenspersoon),

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. De Haan,

- een vertegenwoordigster van de Raad, mw. [naam vertegenwoordigster 1] ,

- een tweetal vertegenwoordigers van de GI, dhr. [naam vertegenwoordiger] en mw. [naam vertegenwoordigster 2] .

De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan mw. [naam] , persoonlijk begeleidster van de moeder.

De feiten

[naam kind] verblijft bij de moeder.

Bij beschikking van de kantonrechter te Dordrecht van 16 mei 2002 is [naam grootmoeder] , hierna te noemen de grootmoeder, benoemd tot voogdes over [naam kind] . De grootmoeder is op 19 april 2006 overleden. Bij beschikking van 27 september 2019 is de GI belast met de voorlopige voogdij over [naam kind] .

De standpunten

De Raad heeft ter zitting van 8 november 2019 te kennen gegeven dat er grote zorgen zijn over [naam kind] . De Raad ziet hoogoplopende ruzies tussen de moeder en [naam kind] met verbale en fysieke agressie. Er is sprake van complexe gezinsproblematiek. De moeder heeft veel zorgen over [naam kind] , maar staat ambivalent tegenover de hulpverlening. De moeder komt afspraken niet na. De school meldt dat de situatie de afgelopen periode niet is verbeterd. Bij de moeder is er veel weerstand en vijandigheid naar de GI. Er is de afgelopen periode geen samenwerking met de moeder tot stand gekomen. De Raad ziet grond om in te grijpen in een gedwongen kader, maar vraagt zich af of dat op dit moment uitvoerbaar is. In eerste instantie wilde de Raad een ondertoezichtstelling verzoeken, maar toen bleek dat de moeder geen gezag heeft, is gekozen voor de maatregel van voorlopige voogdij.

De GI heeft ter zitting aangegeven dat het contact met de moeder zeer moeizaam verloopt. Ondanks de inzet van de GI is er geen samenwerking tot stand gekomen tussen de GI en de moeder. De moeder reageert niet op berichten en komt niet op afspraken. [naam kind] is opnieuw op de wachtlijst geplaatst bij Prokino. De moeder geeft aan dat het goed gaat op school, maar de leerplichtambtenaar heeft iets anders verteld, namelijk dat sprake is van veelvuldig schoolverzuim. De leerplichtambtenaar maakt zich zorgen over [naam kind] . Door het gebrek aan samenwerking met de moeder, kan de GI de voorlopige voogdij niet goed uitvoeren. De GI ziet zorgen als de moeder niet doorzet met hulp in het vrijwillig kader.

De moeder meent (nog steeds) dat de voorlopige voogdij moet worden beëindigd en dat zij moet worden belast met het gezag over [naam kind] . Zij heeft dit standpunt als volgt toegelicht. Er is sprake van miscommunicatie, waaronder met de leerplichtambtenaar. De communicatie met de GI verloopt ook moeizaam. De GI zegt op het laatste moment afspraken af. De jeugdbeschermer communiceert niet op een normale manier met de moeder. De moeder is moe van alle verschillende hulpverleners. Bij De Opper is het niet goed gegaan met [naam kind] . [naam kind] is een pubermeisje dat verkeerde keuzes heeft gemaakt. [naam kind] heeft haar eigen fouten ingezien en realiseert zich dat de moeder het goed met haar voor heeft. Het gaat nu goed met [naam kind] en zij heeft een goede band met de moeder. De moeder heeft zelf hulpverlening ingeschakeld in het vrijwillig kader en staat daar voor open. De voorlopige voogdij doet geen recht aan de situatie. De moeder heeft altijd voor [naam kind] gezorgd en heeft altijd in de veronderstelling verkeerd dat zij na het overlijden van haar moeder het gezag over [naam kind] had verkregen. De moeder en [naam kind] staan achter een plaatsing van [naam kind] bij Prokino, maar die plaatsing en de overige benodigde hulpverlening kunnen in het vrijwillige kader worden gerealiseerd.

De beoordeling

Op grond van artikel 1:253b van het Burgerlijk Wetboek (BW) verkrijgt de moeder die ten tijde van haar bevalling onbevoegd was tot het gezag, dit van rechtswege op het tijdstip waarop zij daartoe bevoegd wordt, tenzij op dat tijdstip een ander met het gezag is belast of een voogd het gezag uitoefent. Indien op bedoeld tijdstip een ander het gezag heeft of een voogd het gezag uitoefent, kan de tot het gezag bevoegde ouder de rechtbank verzoeken hem met het gezag over het kind te belasten.

Op het tijdstip dat de moeder bevoegd is geworden om met het gezag te worden belast over [naam kind] , namelijk toen zij meerderjarig werd, was in het gezag over [naam kind] voorzien, in die zin dat de grootmoeder de voogdij uitoefende. De moeder heeft toen dus niet van rechtswege het gezag over [naam kind] verkregen. Evenmin heeft zij destijds een verzoek gedaan om met het gezag over [naam kind] te worden belast.

De kinderrechter constateert dat er in de periode na het overlijden van de grootmoeder op 19 april 2006 tot aan de beschikking van 27 september 2019 ook anderszins niet in het gezag over [naam kind] is voorzien.

Bij beschikking van 27 september 2019 heeft de kinderrechter de GI belast met de voorlopige voogdij over [naam kind] onder de overweging dat het dringend en noodzakelijk werd geacht de belangen van [naam kind] te behartigen en haar in een veilige omgeving te plaatsen. Het verhoor van de moeder en [naam kind] kon op dat moment niet worden afgewacht zonder onmiddellijk gevaar voor [naam kind] .

Ter zitting van 7 oktober 2019 heeft de kinderrechter de beslissing waarbij de GI is belast met de voorlopige voogdij over [naam kind] voorlopig in stand gelaten. Bij gelegenheid van die zitting heeft de moeder verweer gevoerd tegen de uitgesproken voorlopige voogdij en verzocht die te beëindigen. Ook heeft zij het zelfstandige verzoek gedaan te worden belast met het gezag over [naam kind] . De kinderrechter heeft de beslissing aangehouden tot de zitting van 8 november 2019.

Nu is aan de orde de vraag of die voorlopige voogdij de geëigende maatregel is om de belangen van [naam kind] veilig te stellen of dat de moeder (alsnog) met het gezag moet worden belast.

De kinderrechter zoekt voor het antwoord op deze vraag aansluiting bij het bepaalde in artikel 1:253 d in samenhang met artikel 1:253b van het BW . Deze bepalingen zien onder meer op de beoordeling van een verzoek van een inmiddels tot het gezag bevoegde moeder na het openvallen van het gezag.

Op grond van artikel 1:253d lid 1 van het BW kan, indien de voorziening in het gezag komt te ontbreken als bedoeld in artikel 1:253b lid 1 van het BW , de inmiddels gezagsbevoegde moeder met het gezag worden belast. Nu de vader van [naam kind] onbekend is, volgt uit het eerste en derde lid van artikel 1:253d van het BW in onderling verband gelezen, dat van toewijzing van het gezag aan de moeder slechts zou moeten worden afgezien indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen [naam kind] worden verwaarloosd. Een dergelijke gegronde vrees kan naar het oordeel van de kinderrechter bestaan indien wordt voldaan aan het criterium voor ondertoezichtstelling genoemd 1:255 van het BW.

De kinderrechter is van oordeel dat [naam kind] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd als bedoeld in dit artikel. [naam kind] is beïnvloedbaar en vertoont zelfbepalend gedrag. Mede door haar beïnvloedbaarheid en haar (anti)sociale netwerk zijn de spanningen in de thuissituatie in de afgelopen periode dermate hoog opgelopen dat het tot twee maal toe noodzakelijk is geweest om [naam kind] in een vrijwillig kader in een crisisopvangvoorziening te plaatsen. De laatste keer dat dit gebeurde had de moeder [naam kind] de toegang tot de woning geweigerd. Dit is een zeer zorgwekkende situatie te noemen. Daarbij komt dat er (in ieder geval het vorige schooljaar) sprake is van veelvuldig schoolverzuim en slechte leerprestaties. De kinderrechter concludeert dat het de moeder het afgelopen jaar onvoldoende is gelukt om [naam kind] een veilige opvoedingssituatie te bieden waarin zij zich onbelast kan ontwikkelen.

De moeder geeft aan dat sinds [naam kind] na de laatste crisisplaatsing weer bij de moeder woont er sprake is van een positieve ontwikkeling. De GI heeft dit niet kunnen bevestigen, omdat zij in de tijd dat zij bij het gezin betrokken is geen (goede) samenwerking met de moeder heeft weten te bewerkstelligen. Volgens de GI stelt de moeder zich, mede gelet op haar eigen verleden, vijandig op tegenover de GI. Die vijandigheid heeft de kinderrechter ter zitting ook waargenomen.

Gelet op de naderende meerderjarigheid van [naam kind] en (het gebrek aan) samenwerking tussen de moeder en de GI is de kinderrechter echter van oordeel dat hulpverlening in het gedwongen kader niet van toegevoegde waarde zal zijn. De kinderrechter vertrouwt erop dat de moeder haar bereidheid waarmaakt om in het vrijwillig kader de samenwerking te zoeken met de hulpverleners die zij kent en vertrouwt om er voor te zorgen dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [naam kind] wordt opgeheven. De kinderrechter is daarom, ondanks de zorgen over [naam kind] en de zorgwekkende interactie tussen [naam kind] en haar moeder, van oordeel dat [naam kind] het meest is gebaat bij hulpverlening in het vrijwillig kader.

Daarom zal de kinderrechter de eerder uitgesproken voorlopige voogdij opheffen en de moeder met het gezag over [naam kind] belasten.

De beslissing

De kinderrechter:

ontslaat de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West, gevestigd te Dordrecht, van de voorlopige voogdij over de [naam kind] ;

belast [naam moeder] , geboren op [geboortedatum moeder] te Curaçao, met het ouderlijk gezag over [naam kind] ;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2019 door mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. W. Apeldoorn als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 22 november 2019.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshofDen Haag.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature