< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bijdrage in de kosten met betrekking tot een vervolgopleiding voor kinderen ouder dan 21 jaar. Geen derdenbeding. Op grond van de feiten en omstandigheden van het geval wordt geoordeeld dat is voldaan aan de vereisten van artikel: 6:253 lid 1 jo. lid 4 BW .

Uitspraak



Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/569054 / FA RK 19-1801

Beschikking van 22 november 2019 betreffende de onderhoudsbijdrage

in de zaak van:

[naam vrouw] , de vrouw,

en

[naam kind 1] , de dochter,

wonende te [woonplaats vrouw] , [adres vrouw] ,

advocaat mr. M.M.H.B. Stoffels te Zevenbergen,

t e g e n

[naam man] , de man,

wonende te [woonplaats man] , [adres man]

advocaat mr. C.J.H.E. Jeurissen te Breda.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw en de dochter, ingekomen op 28 februari 2019;

het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 26 april 2019;

de brief met bijlagen van de man van 17 oktober 2019;

de brief met bijlagen van de man van 18 oktober 2019;

de brief met bijlage van de vrouw en de dochter van 23 oktober 2019.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 29 oktober 2019.

Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw en [naam kind 1] , bijgestaan door hun advocaat en de man, bijgestaan door zijn advocaat.

1.3.

Tijdens de behandeling is door de advocaat van de vrouw en [naam kind 1] een pleitnotitie overgelegd.

1.4.

De minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft hier bij brief, ingekomen bij de rechtbank op 29 augustus 2019, gebruik van gemaakt.

2 De vaststaande feiten

2.1.

De vrouw en de man zijn de ouders van de minderjarige:

[naam kind 2] , geboren op [geboortedatum kind 2] 2002 te [geboorteplaats kind 2] ;

en de meerderjarige:[naam kind 1] , geboren op [geboortedatum kind 1] te [geboorteplaats kind 1] .

2.2.

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 26 maart 2012 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Op 19 april 2012 is deze beschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3.

Bij voornoemde echtscheidingsbeschikking is het echtscheidingsconvenant aangehecht. Partijen zijn in voormeld echtscheidingsconvenant – voor zover hier van belang – het navolgende overeengekomen:

“ Gedurende de periode dat het hoofdverblijf van (een van) de kinderen bij hun moeder is c.q. dat moeder de zorg over (een van) de kinderen heeft, zal de man jaarlijks 1/3 deel van zijn bruto vakantiegeld, van zijn bruto 13e maand en 1/3 deel van een eventuele hem toekomende bonus binnen een maand na ontvangst van zijn gelden overmaken naar dezelfde rekening.

In geval van andere inkomsten, bijvoorbeeld voortvloeiend uit een (deels) eigen bedrijf, zal de man ook 1/3 deel daarvan overmaken naar dezelfde rekening.

De man en de vrouw zullen jaarlijks hun jaaroverzicht m.b.t. het loon elkaar doen toekomen.”

2.4.

Bij voornoemde echtscheidingsbeschikking is een ouderschapsplan aangehecht. Partijen zijn in dit ouderschapsplan, ondertekend op 9 februari 2012, – voor zover hier van belang – het navolgende overeengekomen:

“Vader is bereid en in staat met ingang van heden een bijdrage ten titel van kinderalimentatie te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, te weten met een bedrag van € 587,50 per kind per maand, bij vooruitbetaling door vader aan moeder te voldoen op een door haar aan te geven rekeningnummer. De ouders komen overeen dat dit bedrag aan kinderalimentatie ieder jaar in de maand januari wordt geïndexeerd in de zin van art. 1:402 BW.”

en

“Kosten met betrekking tot de minderjarigen, waaronder hobby’s (tennis, theater, zangles etc.) school, boekengeld, schoolkamp, medische zorg, tandarts, reiskosten in verband met een verplichte (studie)stage, orthodontie, steunzolen, logopedie, kosten die niet gedekt worden door de ziektekostenverzekering, worden naar rato van inkomen c.q. draagkracht voldaan door beiden. Tevens zullen de kosten met betrekking tot een vervolgopleiding van de kinderen na hun 21e verjaardag naar rato van inkomen en naar draagkracht door beide ouders op zich genomen worden.”

2.5.

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 16 mei 2018 is de door de man te betalen uitkering in het levensonderhoud van de vrouw gewijzigd en is verder opgenomen:

“3.28. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat de man in verband met de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van 1 januari 2018 € 750,- per maand betaalt, in elk geval totdat de minderjarige de leeftijd van 21 jaar bereikt. Voor wat betreft de kosten van levensonderhoud en studie van de jong-meerderjarige wensen partijen uit te gaan van betaling van een zelfde bedrag door de man. De overige in het ouderschapsplan opgesomde extra kosten ten behoeve van de kinderen worden geacht in voormelde bedragen te zijn verdisconteerd. (…).”

3 De beoordeling

3.1.

Kinderbijdrage

3.1.1.

De vrouw en [naam kind 1] verzoeken te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen een bedrag van € 750,- inclusief de wettelijke indexering over 2019 (dus € 765,-) per maand per kind, aan beide verzoekers zal betalen. De rechtbank begrijpt het verzoek van de vrouw en [naam kind 1] zo dat zij wijziging verzoeken van voormeld ouderschapsplan van 9 februari 2012 in die zin, dat de in dat ouderschapsplan overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van 1 januari 2018 wordt bepaald op een bedrag van € 750,- per maand per kind.

Verder verzoeken de vrouw en [naam kind 1] te verstaan dat de man voor beide kinderen vanaf hun 21e levensjaar tot het moment dat de beide kinderen 25 jaar worden en zij met goede studieresultaten een vervolgopleiding volgen een bedrag van € 765,- per maand per kind aan beide kinderen zal voldoen inclusief wettelijke indexering.

Subsidiair verzoeken de vrouw en [naam kind 1] , indien de rechtbank meent dat er geen overeenstemming tussen partijen is, de man te gelasten zijn IB aangiftes over 2014, 2015, 2016, 2017 en 2018 in het geding te brengen zodat er bepaald kan worden conform productie 2 welk bedrag de man nog extra dient te betalen aan de vrouw voor de kosten van de kinderen zodat partijen kunnen verrekenen welk bedrag de vrouw nog ontvangt van de man terzake van verrekening van bijzondere kosten en/of te bepalen dat de kosten met betrekking tot de vervolgopleiding van de kinderen na hun 21e verjaardag naar rato van inkomen en draagkracht door beide ouders worden opgenomen.

Ontvankelijkheid

3.1.2.

De man en de vrouw hebben afspraken gemaakt in het ouderschapsplan. Dit plan kan ook voor [naam kind 1] rechten scheppen. De rechtbank stelt vast dat de man en de vrouw geen derdenbeding hebben opgenomen in hun ouderschapsplan. Indien geen nadrukkelijk derdenbeding wordt opgenomen kan op grond van de feiten en omstandigheden van het geval worden geoordeeld dat is voldaan aan de vereisten van artikel 6:253 lid 1 jo. lid 4 BW . Daarvoor dient genoegzaam vast te staan dat het meerderjarige kind het beding heeft aanvaard. Het starten van een procedure tot nakoming van het beding is daarvoor voldoende. Dit heeft [naam kind 1] gedaan.

De rechtbank overweegt verder dat in zaken van levensonderhoud, verschuldigd krachtens Boek 1 Burgerlijk Wetboek (BW), de verzoekschriftprocedure als dwingend voorgeschreven dient te worden beschouwd, ook indien tussen partijen een alimentatieovereenkomst is gesloten (ECLI:NL:HR:2003:AF8125). De vrouw en [naam kind 1] hebben de goede rechtsingang gekozen.

Verder overweegt de rechtbank dat geen sprake is van een verkapt hoger beroep. In het geschil dat leidde tot genoemde beschikking van 16 mei 2018 lag geen verzoek tot wijziging van de kinderbijdrage voor.

Gelet op het voorgaande zijn de vrouw én [naam kind 1] ontvankelijk in hun verzoeken.

Bijdrage tot de leeftijd van 21 jaar

3.1.3.

De rechtbank stelt vast dat de man heeft ingestemd met het verzoek van de vrouw en [naam kind 1] tot wijziging van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige/bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie tot de leeftijd van 21 jaar. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

Overeenstemming over de bijdrage vanaf de leeftijd van 21 jaar

3.1.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man en de vrouw afspraken hebben gemaakt over een door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen nadat de kinderen de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt. In het ouderschapsplan is opgenomen dat de kosten met betrekking tot een vervolgopleiding van de kinderen na hun 21e verjaardag naar rato van inkomen en naar draagkracht door beide ouders op zich genomen worden.

Partijen verschillen wel van opvatting over de hoogte van de door de man te betalen bijdrage. De vrouw stelt zich op het standpunt dat partijen tijdens de vorige zitting (op 21 maart 2018) hebben afgesproken dat de man de huidige bijdrage van € 750,- per maand per kind zou doorbetalen ook nadat de kinderen de 21-jarige leeftijd hebben bereikt. De man onderschrijft dat hij de bijdrage van € 750,- per maand per kind zou betalen totdat de kinderen de leeftijd van 21 jaar zouden bereiken, maar dat tussen partijen niet is afgesproken dat hij dit zou doorbetalen nadat de kinderen de 21-jarige leeftijd hebben bereikt. De man stelt dat de kinderbijdrage onderdeel was van de schikkingsonderhandelingen over de partnerbijdrage en dat, omdat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de partnerbijdrage, deze afspraak niet vast staat.

3.1.5.

Vast staat dat tijdens de vorige zitting de kinderbijdrage is besproken. De rechtbank stelt verder vast dat in de vorige beschikking niet in het dictum is opgenomen dat partijen een afspraak hebben gemaakt over de kinderbijdrage. Over een wijziging van de kinderbijdrage lag ook geen verzoek voor. Wel is in de beschikking over de partnerbijdrage van 16 mei 2018 in de berekening van de draagkracht van de man ter bepaling van de hoogte van de door de man te betalen partnerbijdrage rekening gehouden met een bedrag van in totaal € 1.500,- per maand aan kinderbijdrage (€ 750,- voor [geboorteplaats kind 2] en € 750,- voor [naam kind 1] ). Dit is het bedrag dat de man toen (beide kinderen waren nog geen 21 jaar) voor hen betaalde. Dat de man toen dit bedrag betaalde, betekent echter niet dat partijen ter zitting waren overeengekomen dat de man de bijdrage van € 750,- zou doorbetalen nadat de kinderen de leeftijd van 21 jaar zouden bereiken.

De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat partijen (toen) overeenstemming hebben bereikt over de hoogte van de door de man te betalen bijdrage voor de kinderen nadat zij de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt. Het verzoek van de vrouw zal op dit punt worden afgewezen.

Bijdrage vanaf de leeftijd van 21 jaar

3.1.6.

Ter zitting is van de zijde van verzoekers verzocht te bepalen dat de man vanaf het moment dat [naam kind 1] 21 jaar is geworden, maandelijks als zijn deel in de bijdrage van de vervolgopleiding van [naam kind 1] aan haar zal voldoen, totdat zij 25 jaar wordt een bedrag van € 860,- per maand, subsidiair een bedrag van € 765,- per maand. De vrouw verzoekt het bedrag van € 765,- per maand ook vast te stellen voor [geboorteplaats kind 2] , als [geboorteplaats kind 2] 21 jaar is geworden.

3.1.7.

Ter zitting is van de zijde van de man betoogd dat de vrouw en [naam kind 1] ter zitting hun verzoek vermeerderd hebben door pas ter zitting te concretiseren welk bedrag aan de orde is voor een bijdrage na het 21e jaar.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. De vrouw en [naam kind 1] hebben in hun verzoek van 27 februari 2019 ten laatste verzocht “te bepalen dat de kosten met betrekking tot de vervolgopleiding van de kinderen na hun 21e verjaardag na rato van inkomen en draagkracht door beide ouders worden opgenomen”. Daarbij was als productie 10 overgelegd een overzicht van inkomsten en geschatte uitgaven van [naam kind 1] . De uitgaven werden daarbij geschat op een bedrag van € 2.441,35. Ter zitting is dit verzoek beperkt tot de periode van de 21e verjaardag en tot de 25e verjaardag en zijn de uitgaven berekend op € 1.222,-. Ter zitting is ruim de gelegenheid geweest om op deze concretisering te reageren. Van een vermeerdering van het verzoek in strijd met de goede procesorde is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank ziet geen aanleiding het onderzoek te heropenen en de man een nadere termijn voor reactie te gunnen.

3.1.8.

De rechtbank overweegt dat wanneer een kind de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt, niet langer zonder meer een wettelijke onderhoudsverplichting van de ouders jegens dat kind bestaat. Op grond van artikel 1:392 lid 1 BW kan een verplichting tot het verstrekken van levensonderhoud van ouders aan hun kinderen van 21 jaar en ouder door de rechter worden aangenomen, maar uitsluitend – zo volgt uit lid 2 – in het geval sprake is van behoeftigheid aan de zijde van deze kinderen. Daarnaast kan er ook een verplichting tot het verstrekken van levensonderhoud, waartoe ook de studiekosten behoren, bestaan als dit door de ouders is overeengekomen. Partijen zijn het erover eens dat de betreffende bepaling over de kosten met betrekking tot een vervolgopleiding in het ouderschapsplan niet is komen te vervallen en de man daarom gehouden is een bijdrage te betalen. Zij verschillen echter van opvatting over de uitleg van het ouderschapsplan en dan met name over welke kosten onder “kosten met betrekking tot een vervolgopleiding” vallen.

3.1.9.

De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie dient de uitleg van een ouderschapsplan niet plaats te vinden op grond van uitsluitend de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het ouderschapsplan is gesteld (alhoewel die taalkundige betekenis wel van groot belang is), maar komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden aan het convenant redelijkerwijs mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn de omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, van beslissende betekenis. Met name het gedrag van partijen bij de uitvoering van het convenant kan aanwijzingen opleveren omtrent de betekenis die partijen aan hun overeenkomst hebben toegekend.

3.1.10.

Naar het oordeel van de rechtbank brengt een redelijke uitleg van het ouderschapsplan met zich dat, gelet op in het ouderschapsplan gebruikte begrippen, partijen hebben bedoeld om hun kinderen de mogelijkheid te bieden te gaan studeren. Het is daarbij blijkens het ouderschapsplan en het echtscheidingsconvenant de bedoeling van partijen geweest dat de beide dochters, nadat zij hun studie beëindigd hadden, minimale studieschulden zouden hebben.

Zo hebben partijen in het echtscheidingsconvenant afgesproken dat lopende levensverzekeringen na overlijden in eerste instantie zullen worden aangewend voor verlaging van een dan eventueel geldende hypotheek op het huis dan wel (een deel) op rekening gezet zal worden ten behoeve van en met gelijke verdeling onder beide kinderen om bijv. een studie te realiseren. Ook uit de, inmiddels vervallen, 1/3-regeling en de gespaarde € 10.000,- ten behoeve van de studies van de kinderen blijkt de intentie van partijen om voldoende geld opzij te zetten voor de studies van de kinderen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat het gezinsinkomen van partijen tijdens het huwelijk bovengemiddeld was en dat de overeengekomen kinderbijdrage ook aan de hoge kant is. Partijen zijn in het ouderschapsplan verder overeengekomen om kosten met betrekking tot de minderjarigen, waaronder hobby’s (tennis, theater, zangles etc.), school, boekengeld, schoolkamp, medische zorg, tandarts, reiskosten in verband met een verplichte (studie)stage, orthodontie, steunzolen, logopedie, kosten die niet gedekt worden door de ziektekostenverzekering, naar rato van inkomen c.q. draagkracht te voldoen. Deze opsomming is niet limitatief en toont opnieuw aan dat partijen veel kosten van de kinderen hebben willen dekken.

3.1.11.

Gelet op het voorgaande en bezien in het licht dat de ouders belang hechten aan het volgen van een studie, is er geen aanleiding om te veronderstellen dat de kosten met betrekking tot een vervolgopleiding moeten worden beperkt tot collegegeld en boekengeld, zoals de man stelt. De vrouw en [naam kind 1] gaan van een ruimere interpretatie van het begrip “kosten met betrekking tot een vervolgopleiding” uit. Kennelijk, blijkens de door hun advocaat overgelegde pleitnotitie, vatten de vrouw en [naam kind 1] onder de kosten met betrekking tot de vervolgopleiding van [naam kind 1] de volgende kosten:

Huur € 625,-;

Studie per maand € 150,- per maand;

Collegegeld per maand € 172,- per maand;

Introductie EUR € 85,-;

Introductie IBCOM € 55,-;

Exchangepro € 50,-;

Inrichting € 85,-.

3.1.12.

De man heeft deze kosten, met uitzondering van de hoogte van de huur van [naam kind 1] , niet bestreden. De rechtbank acht het redelijk dat wordt uitgegaan van een huur van € 500,- per maand. Omdat de vier laatste kostenposten eenmalige (jaarlijkse) kosten lijken te betreffen, zal de rechtbank deze bedragen door 12 delen en er zodoende een maandelijkse post van maken. De rechtbank komt voor de kosten met betrekking tot de vervolgopleiding van [naam kind 1] dan op het volgende uit:

Huur € 500,- per maand;

Studie per maand € 150,- per maand;

Collegegeld per maand € 172,- per maand;

Introductie EUR € 7,- per maand;

Introductie IBCOM € 5,- per maand;

Exchangepro € 4,- per maand;

Inrichting € 7,- per maand.

Uitgaande van voornoemde bedragen betreffen de kosten van de vervolgopleiding van [naam kind 1] € 845,- per maand.

3.1.13.

De man heeft niet betwist dat de verdeling van deze kosten naar rato van inkomen en draagkracht zou moeten zijn, zoals van de zijde van de vrouw en [naam kind 1] is gesteld. Op grond van de gegevens in het dossier wordt voor de man uitgegaan van een jaarinkomen van € 95.514,- en voor de vrouw van een inkomen van € 40.097,- per jaar. € 95.514,- gedeeld door het inkomen van partijen samen (€ 135.611,-) = 70,4 %

€ 40.097,- gedeeld door het inkomen van partijen samen (€ 135.611,-) = 29,6 %

Het voorgaande betekent dat de man 70,4 % van € 845,- per maand, te weten € 595,- per maand dient bij te dragen met betrekking tot de kosten van de vervolgopleiding van [naam kind 1] .

De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

3.1.14.

De vrouw heeft verzocht dat de man aan [geboorteplaats kind 2] vanaf dat zij 21 is en totdat zij 25 jaar wordt, een bijdrage betaalt ter hoogte van € 765,- exclusief de wettelijke indexering. Op grond van hetgeen onder 3.1.9. tot en met 3.1.13. is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de man aan [geboorteplaats kind 2] vanaf dat zij 21 is en totdat zij 25 jaar wordt, dient bij te dragen met betrekking tot de kosten van de vervolgopleiding van [geboorteplaats kind 2] , waarbij de definitie van deze kosten dient te worden geïnterpreteerd overeenkomstig als voor de kosten van de vervolgopleiding ten aanzien van [naam kind 1] is overwogen. De man heeft de hoogte van de bijdrage aan [geboorteplaats kind 2] van € 765,- niet bestreden, noch dat deze bijdrage dan exclusief de wettelijke indexering is.

De rechtbank zal overeenkomstig het verzoek van de vrouw beslissen.

3.2.

Proceskosten

3.2.1.

De man verzoekt de vrouw en [naam kind 1] te veroordelen in de kosten van de procedure, omdat zij geen enkele maal hebben verzocht mee te werken aan de vastlegging van de bijdrage. Verder stelt de man zich op het standpunt dat er sprake is van een verkapt hoger beroep.

3.2.2.

In een procedure als deze kan slechts sprake zijn van een proceskostenveroordeling indien sprake is van misbruik van procesrecht. Hiervan is sprake als de procesrechtelijke bevoegdheid wordt gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, met name wanneer zonder enig in redelijkheid te respecteren belang de wederpartij in een procedure wordt betrokken met het uitsluitende doel nadeel toe te brengen. Van een dergelijke proceshouding is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen en bepalen dat de proceskosten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten zal dragen.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijzigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 26 maart 2012 en het daarin opgenomen ouderschapsplan van 9 februari 2012 in die zin dat de tussen partijen overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam kind 1] en [geboorteplaats kind 2] met ingang van 1 januari 2018 wordt bepaald op € 750,- per maand per kind, totdat [naam kind 1] onderscheidenlijk [geboorteplaats kind 2] de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt, en waarbij de dit bedrag met ingang van 1 januari 2019 jaarlijks wordt geïndexeerd;

4.2.

bepaalt dat de man in de kosten met betrekking tot een vervolgopleiding van [naam kind 1] , vanaf dat [naam kind 1] 21 is geworden, aan [naam kind 1] zal bijdragen € 595,- per maand totdat [naam kind 1] 25 jaar wordt, waarbij dit bedrag met ingang van 1 januari 2020 jaarlijks wordt geïndexeerd;

4.3.

bepaalt dat de man in de kosten met betrekking tot een vervolgopleiding van [geboorteplaats kind 2] (wanneer zij 21 is geworden) aan [geboorteplaats kind 2] naar rato van inkomen en draagkracht zal bijdragen in de kosten van haar vervolgopleiding naar analogie als voor [naam kind 1] is overwogen, totdat [geboorteplaats kind 2] 25 jaar wordt, waarbij dit bedrag, nadat de bijdrage is aangevangen, jaarlijks wordt geïndexeerd;

4.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.6.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.A. Schreuder, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.A.C. van Dijk op

22 november 2019.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature