< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Ontzegging omgang. Man stelt dat hij geen drugs meer gebruikt en onderbouwt dit met drugstesten waaruit verhoogde waarden blijken. De stelling dat deze verhoogde waarden door medicijngebruik komen, onderbouwt hij niet. Rechtbank ziet geen aanleiding voor een raadsonderzoek. Verzoek van de vrouw tot ontzegging van de omgang wordt toegewezen.

Uitspraak



Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/578755 / FA RK 19-6391

Beschikking van 18 november 2019 betreffende de voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht

in de zaak van:

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende te [woonplaats vrouw] , [adres vrouw] ,

advocaat mr. H.C. van Asperen te Rotterdam,

t e g e n

[naam man] , de man,

wonende te [woonplaats man] , gemeente [gemeente] , [adres man] ,

advocaat mr. A.E. Voorvaart-Kuik te Breda.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 24 juli 2019;

het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op

27 augustus 2019;

- de brief met bijlagen van de vrouw van 15 oktober 2019.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 12 november 2019.

Bij die gelegenheid zijn verschenen:

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

de man, bijgestaan door zijn advocaat;

de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), ter zitting vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] .

2 De vaststaande feiten

2.1.

Uit de vrouw is geboren de minderjarige:

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2011 te [geboorteplaats minderjarige] .

2.2.

De man heeft de minderjarige erkend.

2.3.

De vrouw oefent alleen het ouderlijk gezag uit over de minderjarige.

2.4.

Partijen hebben op 14 oktober 2016 een ouderschapsplan opgesteld en ondertekend.

3 De beoordeling

3.1.

De vrouw verzoekt de man het recht op omgang te ontzeggen.

3.1.1.

De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt – in het kader van voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv – hervatting van de tussen partijen overeengekomen regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling), waarbij de minderjarige eens in de veertien dagen een weekend bij de man verblijft en tijdens de helft van de schoolvakanties en feest- en verjaardagen, alsmede hervatting van de belregeling.

3.1.2.

Uitgangspunt van artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. Op grond van artikel 1:377a, derde lid BW wordt het recht op omgang slechts ontzegd indien (…):

b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang (…).

3.1.3.

De rechtbank is met de raad van oordeel dat het uitgangspunt is dat drugs en verantwoord ouderschap niet samengaan. De man erkent dat hij tot september 2018 drugs heeft gebruikt en dat het hem al vier tot vijf jaar vanwege financiële problemen niet lukt om op zichzelf te wonen. Tussen partijen is in geschil of de man nu nog steeds drugs gebruikt. Omdat de vrouw zich onderbouwd op het standpunt stelt dat de man ook nu nog drugs gebruikt en omdat het gaat over de situatie van de man, rust op de man de plicht de stelling van de vrouw te weerleggen. Daarvoor legt hij verschillende drugstesten over. De vrouw wijst erop dat uit die drugstesten – anders dan de man stelt – juist blijkt dat de man nog steeds drugs gebruikt. Zij stelt dat de man in één van de testen een sterk verhoogde amfetaminespiegel heeft en dat hij benzodiazepines in zijn bloed heeft. Dit duidt volgens de vrouw op drugsgebruik, omdat speedgebruikers (amfetamine) de negatieve effecten afdekken met deze kalmerende middelen (benzodiazepine). Ter weerlegging daar van stelt de man dat deze verhoogde waarden in de drugtesten voortkomen uit zijn medicijngebruik. Deze stelling onderbouwt hij niet (bijvoorbeeld met een verklaring van zijn huisarts), terwijl de vrouw aanvullend stelt dat deze verhoogde waarden niet door medicijngebruik kunnen komen, omdat deze medicijnen vanwege hun verslavende werking hooguit voor twee maanden worden voorgeschreven.

Ook de enkele stelling dat de moeder van de man, waar hij inwoont, al een aantal jaar pleegmoeder is, onderbouwt niet dat hij geen drugs gebruikt. De man erkent nota bene dat hij tot september 2018 en dus in de periode dat zijn moeder pleegmoeder is, wel drugs gebruikte.

Voor de rechtbank komt dus vast te staan dat de man nog steeds drugs gebruikt.

3.1.4.

Gelet op het uitgangspunt dat drugs en verantwoord ouderschap niet samengaan, is de man kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat tot omgang. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een raadsonderzoek. Het verzoek van de vrouw tot ontzegging van de omgang zal dan ook worden toegewezen, onder gelijktijdige afwijzing van het verzoek van de man.

Zodra de man onderbouwt dat hij blijvend gestopt is met het gebruiken van drugs, kan hij – ook als dat binnen een jaar is – op grond van gewijzigde omstandigheden opnieuw verzoeken tot omgang, eerst bij de vrouw zelf en indien nodig, bij de rechtbank.

3.2.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1.

ontzegt de man het recht op omgang met de minderjarige voor een periode van een jaar;

4.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.3.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Klomp, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.A.C. van Dijk op

18 november 2019.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature