< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Relatiebeding nietig vanwege ontbreken schriftelijke motivering (artikel 7:653 lid 2 BW). Bij verlenging van de aok voor onbepaalde tijd moet het beding opnieuw schriftelijk worden overeengekomen.

Uitspraak



RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7932176 VV EXPL 19-323

uitspraak: 26 september 2019

vonnis in kort geding ex artikel 254 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam ,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Kühne + Heitz Holland B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

eiseres,

gemachtigde: mr. J. Jong,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. M. Beijneveld.

Partijen worden hierna aangeduid als K+H (eiseres) en [gedaagde] (gedaagde).

1 Het verloop van de procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

Het exploot van dagvaarding van 16 augustus 2019, met producties;

De conclusie van antwoord van [gedaagde] .

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 september 2019. Namens K+H

waren aanwezig [naam 1] , algemeen directeur en [naam 2] , HR manager,

bijgestaan door de gemachtigde. [gedaagde] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

De beide gemachtigden hebben pleitaantekeningen overgelegd. De griffier heeft

aantekeningen gemaakt van wat partijen verder hebben aangevoerd.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

2.1

K+H is een internationaal opererende handelsmaatschappij in voedselproducten met vestigingen in Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk.

2.2

[gedaagde] is op 20 maart 2017 bij K+H in dienst getreden. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd, tot 19 maart 2018. In de schriftelijke arbeidsovereenkomst van 15 februari 2017 staat - voor zover relevant - het volgende vermeld:

“(…)De werknemer treedt per 20 maart 2017 in dienst bij de werkgever in de functie van junior trader.(…)

Op deze arbeidsovereenkomst zijn onze algemene arbeidsvoorwaarden van toepassing die u aantreft op de pagina’s 3 tot en met 9.

(…)

Algemene Arbeidsvoorwaarden

(…)

20. Relatiebeding

 “ “Het is de werknemer zowel tijdens de duur van het dienstverband als binnen een periode van twaalf maanden na beëindiging van dat dienstverband verboden om zonder voorafgaande schriftelijke tostemming van werkgever:

a. werkzaam te zijn ten behoeve van bedrijven of personen die op het moment van beëindiging van de overeenkomst cliënt zijn van werkgever, dan wel gedurende twee jaren voorafgaand aan deze beëindiging cliënt van de werkgever of een daarmee gelieerde onderneming zijn geweest (hierna “relaties”), op welke wijze dan ook, direct of indirect, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet;

b. (…)

- (…)

- Indien werknemer in strijd met zijn verplichtingen uit hoofde van het bepaalde in dit artikel handelt, zal hij, in afwijking van het bepaalde in artikel 7:650 leden 3,4 en 5 BW aan werkgever, zonder dat enige ingebrekestelling is vereist, voor iedere overtreding een niet voor rechterlijke matiging of compensatie (zijdens werknemer) vatbare boetesom verbeuren ten bedrage van vijf maal het laatst geldende bruto maandsalaris van de werknemer en een bedrag van € 1.000,- voor elke dag dat de overtreding voortduurt nadat deze zich het eerst heeft voorgedaan, onverminderd het recht van de werkgever om, daarnaast volledige schadevergoeding te vorderen.(…)”

2.3

De arbeidsovereenkomst is per 17 augustus 2017 omgezet naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dit is schriftelijk bevestigd in de door beide partijen voor akkoord getekende brief van 17 augustus 2017. Daarin staat - voor zover relevant - :

“(…) Alle rechten en plichten zoals vastgelegd in jouw arbeidsovereenkomst opgemaakt d.d. 15 februari 2017 blijven van kracht. (…)”

2.4

K+H heeft [gedaagde] een overzicht ‘Arbeidsvoorwaarden + beloningscomponenten 2018 t.b.v. [gedaagde] ’ en ‘Arbeidsvoorwaarden + beloningscomponenten 2019 t.b.v. [gedaagde] ’ overhandigd. Deze zijn door [gedaagde] ‘voor ontvangst’ getekend. In de overzichten staat - voor zover relevant - het volgende:

“(…)

20. Relatiebeding : ja

(…)

2.5

[gedaagde] heeft de arbeidsovereenkomst met K+H opgezegd tegen 1 juli 2019. De arbeidsovereenkomst is vervolgens met wederzijds goedvinden per 11 juni 2019 beëindigd.

2.6

[gedaagde] is in dienst getreden bij Oakfield (Foods) Limited, een relatie van K+H.

3 De vordering

3.1

K+H heeft (na vermindering van eis) gevorderd om bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

- [gedaagde] te verbieden om voor 10 juni 2020 werkzaam te zijn ten behoeve van bedrijven of personen die op het moment van beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen partijen (10 juni 2019) cliënt zijn van K+H of een daarmee gelieerde onderneming zijn geweest, direct of indirect, tegen vergoeding of om niet, meer in het bijzonder om voor 10 juni 2020 op enigerlei wijze werkzaamheden te verrichten voor Oakfield (Foods) Limited of een daaraan gelieerde onderneming, zulks op straffe van een direct opeisbare boete van

€ 20.000,00 vermeerderd met € 1.000,00 voor iedere dag dat een overtreding voortduurt, alles tot een maximum van € 200.000,00;

- [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2

Aan de vordering heeft K+H – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd. Tussen K+H en [gedaagde] bestaat een rechtsgeldig relatiebeding. Op grond van het relatiebeding is het [gedaagde] verboden in dienst te treden bij Oakfield, een directe relatie van K+H. [gedaagde] heeft het relatiebeding geschonden door in dienst te treden bij Oakfield. K+H heeft belang bij nakoming van het overeengekomen relatiebeding.

4 Het verweer

4.1

[gedaagde] heeft verweer gevoerd.

4.2

Op de standpunten van partijen zal hierna, voor zover relevant, nader worden ingegaan.

5 De beoordeling

5.1

Gelet op de aard van de vordering acht de kantonrechter het spoedeisend belang van K+H gegeven.

5.2

In dit kort geding dient, mede op basis van wat partijen naar voren hebben gebracht, te worden beoordeeld of de vordering van K+H in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd.

5.3

Vaststaat dat het in de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd opgenomen relatiebeding niet een schriftelijke motivering van K+H als bedoeld in artikel 7:653 lid 2 BW (dat het beding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen), bevat. Dit betekent dat het relatiebeding nietig is. Partijen zijn het hierover ook eens. De vraag die partijen verdeeld houdt is of op een later moment, namelijk op 17 augustus 2017 dan wel per 1 januari 2018 of 1 januari 2019, alsnog een rechtsgeldig relatiebeding is overeengekomen.

5.4

De kantonrechter is met [gedaagde] (voorlopig) van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Hiervoor overweegt de kantonrechter het volgende.

5.5

Het ontbreken van een schriftelijke motivering als bedoeld in artikel 7:653 lid 2 BW brengt mee dat het relatiebeding in de arbeidsovereenkomst van 15 februari 2017 nietig is. Dit betekent in feite dat het relatiebeding niet heeft bestaan. De verlenging van de arbeidsovereenkomst (voor onbepaalde tijd) onder dezelfde voorwaarden, zonder daarbij expliciet het relatiebeding overeen te komen, kan er naar het oordeel van de kantonrechter niet toe leiden dat het nietige relatiebeding alsnog rechtsgeldig wordt. Het relatiebeding moet in dit geval opnieuw schriftelijk worden overeengekomen.

5.6

Dat is in de onderhavige kwestie niet gebeurd. In de door [gedaagde] voor akkoord getekende brief van 17 augustus 2017 waarin de verlenging voor onbepaalde tijd is bevestigd, is geen relatiebeding opgenomen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat aan het schriftelijkheidsvereiste ook kan zijn voldaan als het relatiebeding is opgenomen in een ander document dan de getekende overeenkomst, mits in de getekende overeenkomst wordt verwezen naar het document waarin het relatiebeding is opgenomen (in dit geval de algemene arbeidsvoorwaarden) en dat document ook als bijlage bij het getekende stuk is gevoegd, of de werknemer in het ondertekende document uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij met het relatiebeding akkoord is. Hiervan is in dit geval geen sprake. De brief van 17 augustus 2017 bevat wel een verwijzing naar de arbeidsovereenkomst van 15 februari 2017, maar die arbeidsovereenkomst en de daarbij behorende arbeidsvoorwaarden zijn niet bijgevoegd. Ook heeft [gedaagde] in de brief van 17 augustus 2017 niet uitdrukkelijk verklaard dat hij met het relatiebeding instemt.

5.7

H+K kan niet worden gevolgd in haar standpunt dat het relatiebeding schriftelijk is overeengekomen in de overzichten van arbeidsvoorwaarden per 1 januari 2018 en 1 januari 2019. Vooropgesteld wordt dat [gedaagde] deze overzichten alleen ‘voor ontvangst’ en niet voor akkoord heeft getekend. Het overzicht bevat daarnaast geen uitdrukkelijke verwijzing naar de algemene arbeidsvoorwaarden waarin het relatiebeding is opgenomen. Deze voorwaarden zijn ook niet bijgevoegd. De enkele vermelding ‘relatiebeding: ja’, kan tot slot niet worden opgevat als een uitdrukkelijke verklaring van [gedaagde] dat hij met het relatiebeding heeft ingestemd. Zeker nu [gedaagde] alleen voor ontvangst en niet voor akkoord heeft getekend.

5.8

Uit het voorgaande volgt dat aan het schriftelijkheidsvereiste als bedoeld in artikel 7:653 lid 1 BW is dus niet voldaan. Dit betekent dat tussen partijen geen rechtsgeldig relatiebeding is overeengekomen.

5.9

Het verzochte verbod aan [gedaagde] is daarom niet toewijsbaar. Dat geldt ook voor de nevenvorderingen van K+H.

Proceskosten

5.10

Omdat K+H in het ongelijk wordt gesteld zal zij worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 721,00 aan salaris voor de gemachtigde van [gedaagde] . De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

Uitvoerbaar bij voorraad

5.11

Dit vonnis wordt ten aanzien van de proceskosten, zoals [gedaagde] vordert, ‘uitvoerbaar bij voorraad’ verklaard. Dit betekent dat K+H aan de veroordeling tot betaling van de proceskosten moet voldoen, ook als, indien en voor zover dit mogelijk is, in hoger beroep wordt gegaan tegen dit vonnis.

6 De beslissing

De kantonrechter,

rechtdoende in kort geding:

wijst de vorderingen van K+H af;

veroordeelt K+H in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de kant van [gedaagde] begroot op € 721,00 aan salaris voor de gemachtigde, en indien K+H niet binnen veertien dagen na aanschrijving vrijwillig aan dit vonnis heeft voldaan, € 120,00 aan nasalaris. Ook is K+H de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over deze bedragen verschuldigd vanaf de veertiende dag na de uitspraak van dit vonnis tot de dag van volledige voldoening.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. E. van Schouten en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

34650


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature