< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Inhoudsindicatie:

Incidentele vordering tot niet-ontvankelijkverklaring, nu dagvaarding niet tijdig is aangebracht, en incidentele vordering tot verwijzing naar de kamer voor kantonzaken, nu zaak gelet op beloop van de vordering door de kantonrechter beoordeeld dient te worden.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/572355 / HA ZA 19-358

Vonnis in incident van 4 september 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOLLAND DUURZAAM B.V.,

gevestigd te Alblasserdam,

eiseres in conventie in de hoofdzaak,

verweerster in reconventie in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. M.J. Goedhart te Rotterdam,

tegen

1 [naam gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 1] ,

2. [naam gedaagde 2],

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

gedaagden in conventie in de hoofdzaak,

eisers in reconventie in de hoofdzaak,

eisers in het incident,

advocaat mr. R. van Biezen te 's-Gravenhage.

Eiseres zal hierna Holland Duurzaam genoemd worden. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk (in mannelijk enkelvoud) [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding d.d. 9 april 2019 (2x);

de akte overleggen producties, zijdens Holland Duurzaam;

de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie tevens incidentele vordering tot niet ontvankelijkheid tevens incidentele vordering tot onbevoegdheid, met producties;

de conclusie van antwoord in het incident, tevens akte vermeerdering eis, met producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten in het incident

2.1.

Op 16 april 2019 heeft de advocaat van Holland Duurzaam de op 9 april 2019 aan [gedaagden] betekende dagvaardingen per Falk Courier naar de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht gezonden om aan te brengen op de rol van woensdag 17 april 2019.

2.2.

De dagvaardingen zijn door de rechtbank op 17 april 2019 om 08:27 uur ontvangen.

2.3.

Per e-mail d.d. 18 april 2019 heeft de griffie van de rechtbank partijen, voor zover van belang, het volgende geschreven:

"In bovengenoemde zaak hebben wij vandaag de dagvaarding en overige stukken ontvangen maar wij hebben kunnen constateren dat ze wel op tijd naar ons verzonden zijn.

Om deze reden is vandaag alsnog de zaak ingeschreven onder nummer 572355 HA ZA 19-358. (...)"

2.4.

De advocaat van [gedaagden] heeft tegen de inschrijving op de rol door de rechtbank bezwaar gemaakt.

2.5.

In reactie op dit bezwaar heeft de rolrechter per e-mail d.d. 18 april 2019, voor zover van belang, het volgende aan partijen laten berichten:

"De omstandigheden van het geval geven er aanleiding toe de inschrijving te accepteren (en dus niet ongedaan te maken).

Voor zover nodig met toepassing van artikel 1.14 L.r. "

3 De vordering in de hoofdzaak

De vordering van Holland Duurzaam luidt om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat de koopovereenkomst tussen Holland Duurzaam en [gedaagden] met betrekking tot de Opel Ampera met kenteken [kentekennummer] per 26 maart 2019 is ontbonden;

II. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om medewerking te verlenen aan het op naam van Holland Duurzaam stellen van de Opel Ampera met kenteken [kentekennummer] , zulks op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag met een maximum van € 50.000,00;

III. te verklaren voor recht dat [gedaagden] hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade aan het voertuig, veroorzaakt door waardevermindering, slijtage en zaakschade;

IV. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om aan Holland Duurzaam te voldoen de schade aan het voertuig, veroorzaakt door waardevermindering, slijtage en zaakschade, nader op te maken bij staat;

V. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen aan Holland Duurzaam te voldoen een bedrag van € 4.000,00, althans door de rechtbank in goede justitie te bepalen, als voorschot op voornoemde bij staat op te maken schadevergoeding, welk bedrag binnen vijf dagen na het wijzen van het vonnis voldaan dient te zijn, bij gebreke waarvan de wettelijke rente verschuldigd zal zijn tot aan de dag der algehele voldoening;

VI. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om aan Holland Duurzaam te voldoen de kosten van het beslag, van de gerechtelijke bewaring en de proceskosten en wel binnen vijf dagen na het wijzen van het vonnis, bij gebreke waarvan de wettelijke rente over de kosten verschuldigd zal zijn tot aan de dag der algehele voldoening;

VII. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de nakosten.

4 De vordering in het incident

4.1.

De vordering van [gedaagden] luidt om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

In het incident tot niet ontvankelijkheid:

1. Holland Duurzaam niet ontvankelijk te verklaren;

2. Holland Duurzaam te veroordelen in de kosten van de procedure in het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee dagen na het in deze te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

In het incident tot onbevoegdheid:

1. dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart en de zaak te verwijzen naar de kamer voor kantonzaken te Dordrecht, primair met restitutie van het betaalde griffiegeld ad € 297,00, subsidiair met veroordeling van Holland Duurzaam tot betaling aan [gedaagden] van de schade van € 297,00 aan onverschuldigd betaald griffierecht;

2. Holland Duurzaam te veroordelen in de kosten van de procedure in het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee dagen na het in deze te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

4.2.

Het verweer van Holland Duurzaam strekt tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagden] in het incident tot niet-ontvankelijkheid en het incident tot onbevoegdheid, met hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het incident.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in het incident

incident tot niet-ontvankelijkverklaring 5.1.

[gedaagden] legt aan zijn vordering tot niet-ontvankelijkverklaring het volgende ten grondslag. Artikel 125 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat het exploit van dagvaarding uiterlijk op de laatste dag voorafgaand aan de roldatum door eiser ter griffie ingediend moet worden. Van gelijke strekking is het in artikel 3.1 Landelijk procesreglement bepaalde. De door Holland Duurzaam uitgebrachte dagvaardingen zijn door de rechtbank pas op de roldatum ontvangen en daarmee te laat ingediend. De dagvaardingen hadden door de rechtbank geretourneerd moeten worden. Voor afwijking door rechtbank van de in artikel 125 lid 2 Rv gegeven regel is geen ruimte.

5.2.

De rechtbank overweegt als volgt. Het door de rechtbank op de rol inschrijven van de dagvaardingen moet als eindbeslissing worden gekwalificeerd. Op een dergelijke beslissing kan de rechter terugkomen in geval bijzondere omstandigheden het onaanvaardbaar zouden maken dat hij aan een dergelijke eindbeslissing zou zijn gebonden.

5.3.

De rechtbank ziet geen aanleiding om op deze beslissing terug te komen. Daarbij acht zij het volgende van belang.

De strekking van het burgerlijk procesrecht is om zoveel mogelijk te bevorderen dat partijen in een eerlijke procedure hun geschil ter beslechting kunnen voorleggen aan een onafhankelijke rechter. Ten behoeve hiervan zijn onder meer bepalingen in het procesrecht opgenomen die betrekking hebben op termijnen die partijen in acht dienen te nemen. Hiermee kan worden voorkomen dat partijen de procedure in hun eigen belang trachten te rekken en/of de wederpartij in de procedure proberen te benadelen. Hier staat tegenover dat partijen fouten kunnen maken waarvan de achtergrond geenszins is om de procedure te willen vertragen en/of de wederpartij te willen benadelen.

Niet gesteld of gebleken is dat Holland Duurzaam met haar handelwijze de procedure heeft proberen te vertragen en/of [gedaagden] heeft proberen te benadelen. De exploiten van dagvaarding zijn tijdig naar de rechtbank verzonden, maar zijn daar niet op de dag vóór de roldatum maar op de dag van de roldatum (maar overigens voor de rolzitting) aangekomen. Dat de advocaat van [gedaagden] hier in negatieve zin de hand in heeft gehad, blijkt nergens uit.

Niet gesteld of gebleken is voorts dat [gedaagden] door een en ander in zijn belang is geschaad. [gedaagden] is tijdig bij dagvaarding opgeroepen voor de rol van 17 april 2019 en is ook bij advocaat verschenen. De zaak is op die roldatum verwezen voor conclusie van antwoord op een termijn van zes weken (woensdag 29 mei 2019). Die conclusie van antwoord is door [gedaagden] op die datum genomen.

Gegeven deze omstandigheden is de sanctie (zie artikel 125 lid 5 Rv) om de aanhangigheid van het geding te laten vervallen niet passend.

Hier komt nog bij dat de aanhangigheid van het geding pas vervalt indien niet binnen twee weken na de eerste roldatum een herstelexploit is uitgebracht. Verondersteld mag worden dat Holland Duurzaam een dergelijk herstelexploit had uitgebracht indien de dagvaarding op de rol van 17 april 2019 was geweigerd. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat ook als zij de dagvaardingen niet op de rol van 17 april 2019 had ingeschreven er daarom geen sprake was geweest van verval van de aanhangigheid van het geding.

5.4.

De conclusie uit het voorgaande is dat de vordering in incident tot niet-ontvankelijkverklaring zal worden afgewezen.

incident tot onbevoegdheid (verwijzing naar de kamer voor kantonzaken)

5.5.

Voor de goede orde stelt de rechtbank voorop dat als gevolg van diverse wetswijzigingen de kamers voor kantonzaken inmiddels onderdeel van de rechtbanken zijn. Dit heeft tot gevolg dat indien een zaak zich ten onrechte bevindt bij de kamer voor kantonzaken of bij de kamer voor andere zaken dan kantonzaken, op de voet van artikel 71 Rv verwijzing volgt naar de andere kamer. Van onbevoegdverklaring van de rechtbank kan derhalve geen sprake meer zijn. De rechtbank begrijpt, mede gelet op hetgeen [gedaagden] verder stelt, dat (enkel) wordt gevorderd verwijzing naar de kamer voor kantonzaken

5.6.

[gedaagden] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. Holland Duurzaam vordert een schadevergoeding voor waardevermindering, slijtage en zaakschade van de auto die zij voor € 15.000,00 wilde verkopen. De gevorderde schadevergoeding wordt begroot op circa € 4.000,00, maar kan nooit hoger zijn dan de gestelde koopprijs van de auto. Uitgaande van een maximale schade ter hoogte van de gepretendeerde koopprijs van € 15.000,00, vermeerderd met beslagkosten en een jaar bewaarkosten zou de vordering maximaal € 19.000,00 belopen.

Op grond van artikel 93 lid 2 Rv is de kantonrechter exclusief bevoegd om kennis te nemen van zaken betreffende vorderingen van onbepaalde waarde, indien er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00. [gedaagden] vordert op grond van artikel 71 lid 2 Rv verwijzing naar de kamer voor kantonzaken.

5.7.

Holland Duurzaam heeft bij akte haar eis vermeerderd als volgt:

Weima te veroordelen om aan Holland Duurzaam te voldoen een bedrag van € 9.353,53, te vermeerderen met primair de wettelijke handelsrente en subsidiair de wettelijke rente vanaf 5 juni 2019 tot aan de dag der algehele voldoening.

Aan deze vordering legt Holland Duurzaam, kort gezegd, ten grondslag dat PowerComfort B.V. aan [gedaagden] diensten heeft verleend waarvoor een bedrag van € 9.353,53 is gefactureerd. [gedaagden] heeft het gefactureerde bedrag niet voldaan. PowerComfort heeft deze vordering aan Holland Duurzaam gecedeerd.

5.8.

Holland Duurzaam heeft als verweer aangevoerd dat indien wordt uitgegaan van de waarde van de auto van € 15.000,00 en de schade aan de auto wordt begroot op een bedrag van € 4.000,00 dat dan de vordering, samen met de bij vermeerderde eis ingestelde vordering en de kosten van het beslag en de gerechtelijke bewaring, de kantongrens van € 25.000,00 ruimschoots overschrijdt, zodat de zaak in behandeling kan blijven bij de civiele kamer van de rechtbank.

5.9.

De rechtbank overweegt dat vorderingen van onbepaalde waarde in beginsel worden behandeld en beslist door de civiele kamer van de rechtbank. Dit is slechts anders indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat de totale waarde van de vorderingen geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00. De rechtbank is van oordeel dat dit laatste zich in de onderhavige zaak niet voordoet, nog daargelaten de eisvermeerdering waarop nog beslist zal moeten worden.

Voor de beoordeling van de totale waarde van de vorderingen dient te worden uitgegaan van de waarde van de auto ad € 15.000,00, de gevorderde schade aan het voertuig, ter zake waarvan een voorschot is gevorderd van € 4.000,00 maar welke schade (aanmerkelijk) meer kan bedragen, de kosten van beslag ad € 1.133,71 en de kosten van de gerechtelijke bewaring die volgens opgave van [gedaagden] zelf € 2.735,50 bedragen. Nu de schade meer dan € 4.000,00 kan bedragen, kan, mede gelet op de overige gevorderde bedragen, niet worden gezegd dat er duidelijk aanwijzingen zijn dat de totale waarde van de vorderingen geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00.

5.10.

Holland Duurzaams mocht, volgens de hoofdregel van artikel 93 sub b Rv, de vordering dus bij de civiele kamer van deze rechtbank aanbrengen. De incidentele vordering tot verwijzing naar de kamer voor kantonzaken zal daarom worden afgewezen.

proceskosten

5.11.

[gedaagden] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

6. De beslissing

De rechtbank

in de incidenten:

6.1.

wijst het gevorderde af,

6.2.

veroordeelt [gedaagden] in de kosten van de incidenten, aan de zijde van Holland Duurzaam tot op heden begroot op € 543,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee dagen na het in deze te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,

6.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak:

6.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 18 september 2019 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een comparitie.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Koekebakker en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.

2111/1582

griffier: rechter:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature