< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 14 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2321) volgt dat de GI niet langer aan de algemene aanwijzingsbevoegdheid van artikel 1:263 Burgerlijk Wetboek (BW) de bevoegdheid kan ontlenen tot het geven van contact beperkende aanwijzingen. Buiten het geval van uithuisplaatsing, waarvoor art. 1:265f BW een bijzondere regeling bevat, dient de GI zich dus steeds op de voet van art. 1:265g BW tot de kinderrechter te wenden wanneer zij voor de duur van de ondertoezichtstelling contact beperkende maatregelen in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht. De GI was dus niet bevoegd een contact beperkende aanwijzing te geven aan de vrouw. De rechtbank verklaart de aanwijzing alleen al om die reden geheel vervallen.

Uitspraak



Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummers / rekestnummers: C/10/557035 / FA RK 18-6645

C/10/561847 / FA RK 18-8802

C/10/571715 / JE RK 19-1100

Beschikking van 21 mei 2019

in de echtscheidingszaak (C/10/557035 / FA RK 18-6645) van:

[naam man] , de man,

wonende te [woonplaats man] ,

advocaat mr. J. van der Stel te Schiedam,

t e g e n

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende te [woonplaats vrouw] ,

advocaat mr. M.J. Hüsen te Rotterdam,

en in de zaak over de schriftelijke aanwijzing vaststelling omgangsregeling (C/10/571715 /

JE RK 19-1100) van:

de vrouw,

betreffende

[naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2015 te [geboorteplaats minderjarige 1] ,

[naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2017 te [geboorteplaats minderjarige 2] .

De rechter merkt als belanghebbenden aan:

de man,

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting

Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Amsterdam.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure in zaak C/10/557035 / FA RK 18-6645 blijkt uit:

het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 20 augustus 2018;

het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek, ingekomen op 6 november 2018;

het verweerschrift op het zelfstandig verzoek met een bijlage;

de brief van de zijde van de vrouw van 26 april 2019.

1.2.

Het verloop van de procedure in zaak C/10/571715 / JE RK 19-1100 blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw van 9 april 2019, ingekomen op

9 april 2019.

1.3.

De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 10 mei 2019.

Bij die gelegenheid zijn verschenen:

de man met zijn advocaat mr. Van der Stel;

de vrouw met mr. K. Logtenberg, die heeft waargenomen voor mr. Hüsen;

de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), ter zitting vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordigster] ;

de GI, ter zitting vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger 1] en [naam vertegenwoordiger 2] .

1.4.

Ter zitting is door mr. Logtenberg een nadere productie overgelegd.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen te Capelle aan den IJssel op 26 februari 2015.

2.2.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

[naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2015 te [geboorteplaats minderjarige 1] ,

[naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2017 te [geboorteplaats minderjarige 2] ,

2.3.

De minderjarigen zijn bij beschikking van 16 oktober 2018 onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 16 oktober 2018 tot 16 juni 2019.

2.4.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

2.5.

Scheiding

2.5.1.

Partijen verzoeken de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

2.5.2.

Op grond van artikel 815, lid twee van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Omdat het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid zes Rv ).

2.5.3.

Door partijen is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid twee Rv overgelegd. Omdat de man voldoende heeft gemotiveerd dat het voor partijen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoek tot echtscheiding.

2.5.4.

Het verzoek tot echtscheiding wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen.

2.6.

Verblijfplaats

2.6.1.

De man verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem zal zijn.

2.6.2.

De vrouw verzoekt aanhouding van dit verzoek dan wel afwijzing. Zij wenst met de man toe te werken naar een co-ouderschapsregeling waarbij de ene minderjarige zijn hoofdverblijfplaats bij de man heeft en de andere minderjarige bij haar.

2.6.3.

Voor de situatie dat partijen op enig moment zouden komen tot een co-ouderschapsregeling, is het niet ongebruikelijk dat de ene minderjarige zijn hoofdverblijfplaats heeft bij de man en de andere minderjarige bij de vrouw. Daarvan is nu geen sprake. De minderjarigen verblijven op dit moment bij de man en niet gebleken is dat hun belang zich hiertegen verzet. In het midden gelaten of de vrouw een juist verzoek heeft gedaan om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen dan wel van één van hen bij haar vast te stellen, zijn er geen gronden aanwezig om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen te wijzigen. De rechtbank zal het verzoek van de man toewijzen.

2.7.

Zorgregeling

2.7.1.

De rechtbank stelt voorop dat tijdens de behandeling ter zitting in positieve zin opvalt dat partijen zich zorgvuldig en weloverwogen uitlaten over de andere partij en dat zij proberen elkaar niet te kwetsen. Partijen proberen constructief te komen tot de beste oplossing voor hun kinderen.

2.7.2.

De GI heeft op 5 april 2019 een schriftelijke aanwijzing vaststelling omgangsregeling gegeven, waarbij het contact tussen de vrouw en de oudste minderjarige wordt beperkt.

De vrouw verzoekt om deze aanwijzing van de GI te vernietigen en een nieuwe zorgregeling op te stellen. Ook in de echtscheidingsprocedure verzoekt zij een – nog nader te bepalen – zorgregeling vast te stellen.

2.7.3.

De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad van 14 december 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2321). Deze uitspraak is ter zitting met partijen, de raad en de GI besproken. Uit deze uitspraak volgt dat de GI niet langer aan de algemene aanwijzingsbevoegdheid van artikel 1:263 Burgerlijk Wetboek (BW) de bevoegdheid kan ontlenen tot het geven van contactbeperkende aanwijzingen. Buiten het geval van uithuisplaatsing, waarvoor art. 1:265f BW een bijzondere regeling bevat, dient de GI zich dus steeds op de voet van art. 1:265g BW tot de kinderrechter te wenden wanneer zij voor de duur van de ondertoezichtstelling contact beperkende maatregelen in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht.

2.7.4.

De GI was dus niet bevoegd een contact beperkende aanwijzing te geven aan de vrouw. De rechtbank verklaart de aanwijzing alleen al om die reden geheel vervallen.

2.7.5.

Niet in geschil is dat er contact tussen de vrouw en de minderjarigen moet plaatsvinden. Partijen verschillen van mening over de wijze en omvang van dit contact.

2.7.6.

De vrouw wil uitbreiding van de huidige zorgregeling. Zij ziet de oudste minderjarige één keer per week twee uur en de jongste minderjarige twee keer per week twee uur. Omdat deze contacten goed verlopen en de minderjarigen goed op haar reageren, wil de vrouw dat dit contact wordt uitgebreid en wil zij uiteindelijk toewerken naar een co-ouderschapsregeling.

2.7.7.

De man onderkent dat de minderjarigen het fijn vinden om tijd met de vrouw door te brengen. Zijn zorg is dat bij de oudste minderjarige nog steeds de angst leeft dat de vrouw hem zal slaan. Deze angst uit hij bij de man door te vragen of de hulpverleners ook bij de omgang aanwezig zullen zijn omdat hij anders bang is dat de vrouw weer gaat slaan. Verder valt de oudste minderjarige na het contact met de vrouw terug in babygedrag, moet hij overgeven en slaapt hij slecht. De man staat pas open voor uitgebreid en onbegeleid contact tussen de minderjarigen en de vrouw als hij zeker weet dat de oudste minderjarige geen angst meer heeft voor de vrouw. Hij kan er wel mee instemmen dat één keer in de week contact tussen de vrouw en de minderjarigen plaatsvindt voor meer dan de huidige twee uur.

2.7.8.

De raad vindt dat toegewerkt moet worden naar een normalisatie voor de minderjarigen waarbij zij contact met beide ouders kunnen ervaren en met hen beiden een band kunnen opbouwen. Hierbij is volgens de raad belangrijk dat de ouders, met hulp van de GI, leren communiceren over de minderjarigen. Het is volgens de raad ook belangrijk dat de man gaat werken aan zijn zorgen over het opnieuw slaan van de minderjarigen door de vrouw en dat hij leert om adequaat te reageren op het (angstige) gedrag van de oudste minderjarige. De raad vindt het in belang van de minderjarigen dat toegewerkt gaat worden naar een logeermoment bij de vrouw en stelt dat, ook omdat de vrouw tijdens het huwelijk van partijen de ouder is geweest die hoofdzakelijk de zorg verleende, het wenselijk is dat partijen toewerken naar een co-ouderschapsregeling.

2.7.9.

De GI onderkent ter zitting dat er ook gekozen kan worden om één keer in de week een langer contact dan twee uur tussen de vrouw en de minderjarigen te laten plaatsvinden. De GI twijfelt of het in het belang is van de minderjarigen om meteen toe te werken naar een logeermoment zoals de raad voorstaat en stelt voor eerst een onbegeleid bezoek van de minderjarigen aan de vrouw met video hometraining te laten plaatsvinden om daarna te evalueren of logeren tot de mogelijkheden behoort.

2.7.10.

De rechtbank acht het belangrijk voor de minderjarigen dat zij contact hebben met de vrouw. De contacten tussen hen zijn goed verlopen. Er is geen sprake van contra-indicaties voor een zorgregeling. Wel is het van belang dat zowel de oudste minderjarige als de man weer vertrouwen krijgt in de vrouw. De vrouw moet daarom de gelegenheid krijgen om te laten zien dat zij dit vertrouwen verdient. De rechtbank zal daarom tussen de vrouw en de minderjarigen een voorlopige zorgregeling vaststellen, als hierna in de beslissing is vermeld. De rechtbank ziet in wat is aangevoerd geen aanleiding om in de frequentie van de contacten onderscheid te maken tussen de twee minderjarigen, zoals de GI heeft gedaan. Het contact zal eenmaal per week plaatsvinden, zodat het aantal keren van overdracht beperkt blijft. Dit is met name belangrijk voor de oudste minderjarige. De rechtbank beslist zoals hierna is vermeld.

2.8.

Huurrecht woning

2.8.1.

De man verzoekt het huurrecht van de woning.

2.8.2.

De vrouw verzet zich niet tegen dit verzoek.

2.8.3.

De rechtbank beslist conform het verzoek, omdat dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond.

2.9.

Ingetrokken verzoeken

2.9.1.

Partijen hebben hun verzoeken ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap ingetrokken. De rechtbank zal deze verzoeken afwijzen.

2.10.

Proceskosten

in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/557035 / FA RK 18-6645:

2.10.1.

Omdat ten aanzien van de zorgregeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt thans ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten.

in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/561847 / FA RK 18-8802:

2.10.2.

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De rechtbank:

in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/557035 / FA RK 18-6645:

3.1.

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op 26 februari 2015 te

Capelle aan den IJssel;

3.2.

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de man zal zijn;

3.3.

stelt vast dat de minderjarigen in het kader van de voorlopige regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de vrouw zullen zijn als volgt;

met ingang van dinsdag 28 mei 2019 gedurende drie weken iedere dinsdag van 12:00 uur tot 17:00 uur onder begeleiding van een deskundige van de GI;

met ingang van dinsdag 18 juni 2019 gedurende drie weken iedere dinsdag van 12:00 uur tot 17:00 uur onbegeleid maar met gebruik van video hometraining, waarbij geldt dat ook bij de man video hometraining zal plaatsvinden, onder supervisie van de GI;

met ingang van dinsdag 9 juli 2019 gedurende drie maanden van dinsdag 12:00 uur tot woensdag 12:00 uur waarbij de minderjarigen één nacht bij de vrouw overnachten;

met ingang van maandag 7 oktober 2019 van maandag 12:00 uur tot woensdag 12:00 uur;

de man brengt de minderjarigen bij de vrouw en de vrouw brengt hen terug bij de man;

3.4.

bepaalt dat de man met ingang van vandaag huurder zal zijn van de echtelijke woning aan de [adres] te [postcode] Capelle aan den IJssel;

3.5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;

en alvorens verder te beslissen:

3.6.

bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de definitieve zorgregeling wordt aangehouden tot 1 december 2019 PRO FORMA, met verzoek aan de advocaten van partijen uiterlijk twee weken vóór laatstgenoemde datum schriftelijk aan de rechtbank te berichten over het verloop van de zorgregeling en daarbij tevens gemotiveerd aan te geven op welke wijze volgens partijen moet worden voort geprocedeerd;

in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/561847 / FA RK 18-8802:

3.7.

wijst af de verzoeken om verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap;

3.8.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in de procedure met zaaknummer / rekestnummer: C/10/571715 / JE RK 19-1100:

3.9.

verklaart de schriftelijke aanwijzing van 5 april 2019 geheel vervallen.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Klomp, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. van Alebeek-Baars op

21 mei 2019.

Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door partijen hoger beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof Den Haag. Een in eerste aanleg niet verschenen partij kan hoger beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze uitspraak aan hem/haar in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend gemaakt.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature