< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Kort geding, meewerken verkoop woning. Ondanks dat partijen met elkaar een affectieve relatie hadden worden de proceskosten niet gecompenseerd. Veroordeling in de werkelijke proceskosten.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/565698 / KG ZA 19-20

Vonnis in kort geding van 3 juni 2019

in de zaak van

[naam eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres],

eiseres,

advocaat mr. R.W. de Gruijl te Rotterdam,

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde,

advocaat mr. Chr.E. Pfeiffer te Hellevoetsluis.

Partijen worden hierna [naam eiseres] en [naam gedaagde] genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 17 januari 2019, met producties;

de brief van [naam gedaagde] van 6 februari 2019, met producties;

de mondelinge behandeling gehouden op 7 februari 2019;

de pleitnota van [naam gedaagde];

de door [naam gedaagde] ter zitting overgelegde producties;

het faxbericht van [naam eiseres] gedateerd 5 mei 2019, ontvangen op 6 mei 2019;

het faxbericht van [naam gedaagde] van 6 mei 2019;

het faxbericht van [naam eiseres] van 15 mei 2019.

1.2.

De zaak is pro forma aangehouden voor drie maanden om partijen in de gelegenheid te stellen overeenstemming te bereiken over de verkoop van de woning en over de overige financiële afwikkeling van de beëindigde samenleving tussen partijen.

1.3.

Na het verstrijken van de termijn van drie maanden hebben partijen bericht dat zij er niet uit zijn gekomen. [naam eiseres] heeft in het faxbericht van 6 mei 2019 een eiswijziging opgenomen. [naam gedaagde] heeft zich hiertegen verzet in het faxbericht van 6 mei 2019 wegens strijd met de goede procesorde.

1.4.

Partijen hebben de voorzieningenrechter verzocht om vonnis te wijzen.

1.5.

Vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

[naam eiseres] en [naam gedaagde] hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. De relatie is in februari 2018 beëindigd.

2.2.

Partijen hebben tijdens de relatie gezamenlijk een woning aan de [adres] (hierna: de woning) in eigendom gekregen. Partijen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de in 2008 afgesloten hypotheeklening van € 270.000,00.

2.3.

[naam eiseres] heeft na het eindigen van de relatie de woning verlaten. Partijen hebben afgesproken dat [naam gedaagde] de eigenaarslasten, waaronder de maandelijkse hypotheekbetalingen, voldoet. [naam gedaagde] woont nog steeds in de woning.

3. Het geschil

3.1.

[naam eiseres] vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [naam eiseres] te machtigen om de woning te gelde te maken en te bepalen dat de woning moet worden verkocht. [naam eiseres] vordert daarnaast dat [naam gedaagde] wordt bevolen om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning, waarbij door de makelaar de vraag- en verkoopprijs, zo veel mogelijk in overleg met partijen, wordt vastgesteld en te bepalen dat [naam gedaagde] alles in het werk stelt om de woning verkoop klaar te maken en te houden en zijn medewerking verleent aan bezichtigingen van de woning;

II. [naam gedaagde] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 5000,00 per dag dat hij de hiervoor gevorderde medewerking niet verleent en het verkooptraject frustreert, met een maximum van € 50.000,00;

III. te bepalen dat indien [naam gedaagde] niet binnen een week na betekening van dit vonnis zal meewerken aan de verkoop en levering van de woning dit vonnis op grond van artikel 3:300 lid 2 het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in de plaats treedt van een in wettige vorm opgemaakte akte strekkende tot ondertekening door [naam gedaagde] van de koopovereenkomst, alsmede van de door de notaris op te stellen akte van levering;

IV. [naam gedaagde] te veroordelen om de woning uiterlijk een dag voor de leveringsdatum te ontruimen, met al het zijne en de zijnen en met afgifte van de sleutels aan [naam eiseres] of de makelaar, op straffe van een dwangsom van € 25.000,00;

V. [naam gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[naam eiseres] grondt haar vorderingen op de artikelen 3:178, 3:185 en 3:300 BW. [naam gedaagde] betaalt sinds februari 2018, ondanks de afspraken van partijen, niet meer mee aan de maandelijkse hypotheeklasten. Hij weigert mee te werken om de woning volledig over te nemen of te verkopen aan een derde. [naam eiseres] heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen omdat zij van de hypotheekverstrekker heeft vernomen dat deze voornemens is om beslag te leggen op de woning en deze openbaar te verkopen gelet op de betalingsachterstand die [naam gedaagde] heeft laten ontstaan. [naam eiseres] wenst niet langer in onverdeeldheid te blijven, vooral niet nu de hypotheekhouder executiemaatregelen heeft aangekondigd.

3.3.

[naam gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van [naam eiseres] met een veroordeling in de volledige proceskosten. De vorderingen moeten worden afgewezen wegens een gebrek aan voldoende spoedeisend belang. De betalingsachterstand in de maandelijkse hypotheekbetalingen is niet pas na het vertrek van [naam eiseres] uit de woning ontstaan, maar zijn begonnen in maart 2013 toen partijen nog samenwoonden. De achterstanden zijn ontstaan door het handelen en nalaten van [naam eiseres]. Vanaf 2016 is [naam gedaagde] gaan aflossen op de schulden. In juli 2018 heeft [naam gedaagde] hulp gezocht bij een budgetbeheerder voor het inventariseren van alle schulden en om een executoriale verkoop van de woning te voorkomen. De bank heeft toegezegd niet tot executie over te gaan. Het is in het belang van beide partijen dat eerst zoveel mogelijk wordt afgelost op de hypothecaire geldlening en de achterstand wordt ingelopen, zodat de woning kan worden verkocht zonder dat partijen met een (hoge) restschuld achterblijven.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter gaat aan het bezwaar van [naam gedaagde] tegen de wijziging van eis door [naam eiseres] voorbij omdat [naam gedaagde] in de gelegenheid is geweest om inhoudelijk op de wijziging van eis, die bovendien beperkt is van omvang, te reageren.

4.2.

Artikel 254 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bepaalt dat de voorzieningenrechter in spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd is om deze te geven. Van een spoedeisende zaak in vorenbedoelde zin is sprake als van de eiser niet kan worden gevergd dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.

4.3.

Dat in dit geval sprake is van een spoedeisende zaak, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk. [naam eiseres] heeft de in dat verband door haar gestelde feiten – in het licht van de betwisting daarvan door [naam gedaagde] – onvoldoende onderbouwd. Overwogen wordt het volgende.

4.4.

[naam eiseres] heeft gesteld dat [naam gedaagde] de maandelijkse lasten niet voldoet en dat de bank heeft aangekondigd executiemaatregelen te treffen. Zij heeft dit niet nader onderbouwd. [naam gedaagde] heeft daarentegen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij de maandelijkse termijnen voldoet en dat hij een betalingsregeling met de bank heeft getroffen om de achterstand in te lopen. Hij heeft bovendien een bericht van de bank overgelegd waaruit blijkt dat de bank geen aanleiding ziet om de hypotheek op te zeggen zolang de betalingsregeling ter aflossing van de achterstand wordt nagekomen. [naam eiseres] heeft aangevoerd dat zij er geen vertrouwen in heeft dat [naam gedaagde] de betalingsregeling zal nakomen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit niet gerechtvaardigd is nu er reeds geruime tijd aanzienlijk wordt afgelost door [naam gedaagde] op de schuldenlast en hij wordt begeleid door budgetbeheer. Gelet op het voorgaande is het niet aannemelijk dat [naam eiseres] binnen afzienbare tijd door de bank zal worden aangesproken op haar verplichting tot terugbetaling van de hypothecaire geldlening. Van een spoedeisend belang van [naam eiseres] bij haar vorderingen is daarom niet gebleken.

4.5.

Alleen al omdat onvoldoende aannemelijk is dat in dit geval sprake is van een spoedeisende zaak, moeten de vorderingen worden afgewezen. Daarbij komt nog dat het belang van [naam gedaagde] bij afwijzing van de vorderingen op dit moment zwaarder weegt dan het belang van [naam eiseres] bij toewijzing daarvan. De stelling van [naam eiseres] dat de achterstand in de betalingen van de maandelijkse hypotheektermijnen zijn ontstaan nadat [naam eiseres] de woning heeft verlaten is niet onderbouwd. [naam gedaagde] stelt daarentegen, onder verwijzing naar de door hem in geding gebrachte bankafschriften, dat de schulden zijn ontstaan vanaf maart 2013 en dat deze voornamelijk te wijten zijn aan het doen en nalaten van [naam eiseres]. [naam gedaagde] heeft daarnaast onderbouwd gesteld dat er naast de achterstand in de hypotheeklasten ook overige gezamenlijke schulden zijn ontstaan in de periode dat partijen nog samenwoonden. [naam gedaagde] lost deze gezamenlijke schulden af, (blijkbaar) zonder bijdrage van [naam eiseres]. Door deze omstandigheden verkeert [naam gedaagde] vooralsnog niet in de gelegenheid om het eigenaarsdeel van [naam eiseres] in de woning over te nemen. De voorzieningenrechter acht het in het belang van beide partijen als eerst zoveel mogelijk wordt afgelost op de hypothecaire geldlening en de achterstand wordt ingelopen, zodat [naam gedaagde] het aandeel van [naam eiseres] in de woning kan overnemen of de woning kan worden verkocht zonder dat partijen met een (hoge) restschuld achterblijven. Tenslotte is nog van belang dat ter zitting is gebleken dat [naam eiseres] bij het verlaten van de woning (nagenoeg de volledige) huisraad heeft meegenomen. De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande en met inachtneming van het feit dat partijen nog geen afspraken hebben gemaakt over de verdere verdeling van de gemeenschap, van oordeel dat een belangenafweging (ook) met zich brengt dat de vorderingen worden afgewezen. In het kader van de verdeling van de gemeenschap is er nog te veel te doen voordat zulke verstrekkende maatregelen zoals door [naam eiseres] gevorderd kunnen worden toegewezen.

4.6.

Ten aanzien van de proceskostenveroordeling wordt als volgt overwogen. Hoewel partijen een affectieve relatie met elkaar hadden, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de proceskosten te compenseren. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat uit het verhandelde ter zitting en de stukken blijkt dat het niet aan [naam gedaagde] te wijten is dat hij het eigenaarsdeel van [naam eiseres] niet heeft kunnen overnemen en dat [naam eiseres] zonder enige onderbouwing en ten onrechte stelde dat [naam gedaagde] de hypotheeklasten niet heeft betaald na haar vertrek uit de woning en de bank executiemaatregelen heeft aangekondigd. Voor een volledige proceskostenveroordeling zijn bijzondere omstandigheden vereist, zoals bijvoorbeeld het geval dat de eiser het instellen van de vordering gelet op de evidente ongegrondheid ervan, achterwege had behoren te laten. In deze zaak is de voorzieningenrechter van oordeel dat [naam eiseres] haar vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen. In die omstandigheid ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor een proceskostenveroordeling die afwijkt van het liquidatietarief. In de omstandigheid dat [naam gedaagde] zijn werkelijke kosten niet onderbouwt, wordt aanleiding gevonden om een bedrag van € 2.500,00 toe te kennen.

4.7.

[naam eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [naam gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 297,00

- salaris advocaat € 2.500,00

Totaal € 2.797,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [naam eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [naam gedaagde] tot op heden begroot op € 2.797,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2019.

2180/2009


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature