< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Vrijspraak. Onvoldoende bewijs dat het zwijgen van de verdachte over de toedracht van het letsel van het slachtoffer heeft geleid tot het ontstaan of verergeren van dat letsel. Daarnaast vrijspraak van het voorhanden hebben van een vuurwapen.

Uitspraak



Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/741031-19

Datum uitspraak: 12 december 2019

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

gemachtigd raadsman mr. M.R. Kok, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 28 november 2019.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Boekhoud heeft gevorderd:

vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde;

bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde;

veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

Aangevoerd is dat de verdachte het pistool samen met de medeverdachte, [naam medeverdachte] , voorhanden heeft gehad. Hij wist dat het pistool in de auto aanwezig was. Hij heeft het [naam medeverdachte] mogelijk gemaakt het pistool uit de auto pakken door de auto voor [naam medeverdachte] open te maken of te houden. Daarmee had de verdachte een machtsrelatie tot het pistool.

4.1.2.

Beoordeling

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van het dossier en de zitting als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Op 10 juli 2019 zat de verdachte in een auto met zijn vriendin [naam slachtoffer] en [naam medeverdachte] , medeverdachte in deze zaak. De verdachte bestuurde de auto. [naam slachtoffer] zat op de bijrijdersstoel en [naam medeverdachte] zat achter haar op de achterbank. Op enig moment had [naam medeverdachte] een pistool in zijn handen. Dat ging af. [naam slachtoffer] werd geraakt in haar onderrug. [naam medeverdachte] en de verdachte hebben [naam slachtoffer] uit de auto geholpen, waarna zij buiten bewustzijn is geraakt. De verdachte heeft 112 gebeld. [naam slachtoffer] is gereanimeerd. Zij heeft, naast de schotwond, hersenletsel opgelopen ten gevolge van zuurstoftekort.

De verdachte is niet op de terechtzitting verschenen en heeft ten overstaan van de rechtbank geen toelichting willen geven op de hem ten laste gelegde feiten. De rechtbank betreurt dat. Met name voor de familie [naam familie slachtoffer] moet dat bijzonder pijnlijk geweest zijn.

Feit 1

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij in de auto op enig moment zag dat [naam medeverdachte] een pistool in zijn handen had. Hij was zich dus op dat moment bewust van de aanwezigheid van het pistool in de auto. Bewijs dat hij al eerder van de aanwezigheid van dat vuurwapen op de hoogte moet zijn geweest ontbreekt.

Tussen het moment dat de verdachte het pistool zag en het moment dat ermee geschoten werd en hij de auto had stilgezet, zat slechts een korte tijd. Die tijd was zo kort dat niet gezegd kan worden dat de verdachte in die periode al de beschikkingsmacht over dat pistool had gekregen. Daarbij weegt ook mee dat hij de bestuurder van de auto was en dat hij in die korte tijd feitelijk geen verandering in de situatie kon brengen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verdachte het pistool niet (mede) voorhanden heeft gehad en zal de verdachte daarvan vrijspreken.

Feit 2

Nadat [naam slachtoffer] door een ander in haar rug is geschoten, is de verdachte onvoldoende open geweest over de exacte toedracht van het incident tegenover het ambulancepersoneel. Weliswaar heeft hij in de 112-melding gezegd dat [naam slachtoffer] in haar rug “geraakt is”, maar hij heeft toen en ook later op straat verzwegen dat er geschoten was met een pistool. De verdachte had meer openheid van zaken kunnen en moeten geven. Hoe lafhartig dit gedrag ook gevonden kan worden, betekent dat nog niet dat door dit nalaten hem (de ernst van) het letsel van [naam slachtoffer] verweten kan worden.

Mede in het licht van de door de officier van justitie weergegeven informatie van de Inspectiedienst Gezondheidszorg en Jeugd bevat het dossier onvoldoende bewijs dat het zwijgen van de verdachte heeft geleid tot het ontstaan of verergeren van het zware letsel van [naam slachtoffer] . Anders gezegd: een causaal verband tussen het handelen of nalaten van de verdachte en het letsel is niet bewezen. Onder deze omstandigheden kan de verdachte van dat letsel geen strafrechtelijk verwijt gemaakt worden.

4.1.3.

Conclusie

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

5 Vorderingen benadeelde partijen

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 1] ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 24.983,67 aan materiële schade en een vergoeding van € 90.000,00 aan immateriële schade (smartengeld, voorschot op).

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 2] ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 17.500,00 aan immateriële schade (affectieschade).

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 3] ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 17.500,00 aan immateriële schade (affectieschade).

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 4] ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 15.000,00 aan immateriële schade (affectieschade).

5.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft toewijzing van de vorderingen gevorderd, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en vermeerdering van het te vergoeden bedrag met wettelijke rente.

5.2.

Beoordeling

De benadeelde partijen zullen in de vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte wordt vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten.

Nu de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

5.3.

Conclusie

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.

6 Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

7 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J. Bade, voorzitter,

en mrs. C.G. van de Grampel en I.M.A. Hinfelaar, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.L. Vedder, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 december 2019.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 10 juli 2019 te Rotterdam

alleen, althans tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1, van de Wet

wapens en munitie,

te weten een pistool, van het merk CZ, type Vzor 50, kaliber 7.65mm,

zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool,

voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 10 juli 2019 te Rotterdam

grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig

de ter plaatse gekomen hulpverlener(s) geen mededeling heeft gedaan van het

feit dat mevrouw [naam slachtoffer] getroffen was door een projectiel (een kogel)

afkomstig uit een vuurwapen,

waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [naam slachtoffer] zwaar

lichamelijk letsel, te weten een hersenletsel en/of inwendige bloedingen in

het lichaam heeft bekomen,

althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of

verhindering in de uitoefening van


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature