< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Echtscheiding . Verzoek tot eenhoofdig gezag afgewezen. Vervangende toestemming wordt verleend voor aanvragen paspoorten minderjarigen en vakanties. Hoofdverblijf en zorgregeling. Voortgezet gebruik eigen woning. Verzoek tot redelijke gebruiksvergoeding afgewezen. Vrouw betaalt helft woonlasten, heeft een laag inkomen en met dubbele woonlasten man wordt rekening gehouden bij bepaling van zijn draagkracht voor de kinderbijdrage. Kinderalimentatie . Bepaling draagkracht man. Inkomensverlies niet verwijtbaar. Gerekend wordt met huidige inkomen van dienstbetrekking man van 24 uur per week. De overige 2 dagen gaat de man in zijn onderneming werkzaamheden verrichten. Hiervoor wordt aangesloten bij zijn inkomen uit 2017. Voor draagkracht vrouw wordt haar verdiencapaciteit bepaald. Afwikkeling huwelijkse voorwaarden. Gezamenlijke woning, man heeft privégelden geïnvesteerd. Vergoedingsrecht.

Uitspraak



Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummers / rekestnummers: C/10/550101 / FA RK 18-3592 en C/10/560657 / FA RK 18-8267

Beschikking van 2 juli 2019 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende te [woonplaats vrouw] , [adres vrouw] ,

advocaat mr. W.F. van Arkel te Hendrik-Ido-Ambacht,

t e g e n

[naam man] , de man,

wonende te [woonplaats man] , [adres man] ,

advocaat mr. C.E. van der Starre te Oostvoorne.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 4 mei 2018;

het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 23 augustus 2018;

het verweerschrift op het zelfstandig verzoek tevens aanvullend verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 18 oktober 2018;

het verweerschrift op het aanvullende verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 7 februari 2019;

de brief met bijlagen van de man van 1 mei 2019;

de brief met bijlagen van de vrouw van 2 mei 2019.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 13 mei 2019, tegelijkertijd met de behandeling van het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen door de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad). Op 13 mei 2019 is de ondertoezichtstelling mondeling uitgesproken.

Bij de behandeling zijn verschenen:

de vrouw met haar advocaat;

de man met zijn advocaat;

de raad, ter zitting vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger 1] ;

de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (hierna: de GI), ter zitting vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger 2] .

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd te Bernisse op 7 augustus 2010.

2.2.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

[naam kind 1] , geboren op [geboortedatum kind 1] 2013 te [geboorteplaats kind 1] ,

[naam kind 2] , geboren op [geboortedatum kind 2] 2013 te [geboorteplaats kind 2] ,

[naam kind 3] , geboren op [geboortedatum kind 3] 2010 te [geboorteplaats kind 3] .

2.3.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

2.4.

Scheiding

2.4.1.

De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

2.4.2.

De man refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. Hij verzoekt tevens de echtscheiding uit te spreken.

2.4.3.

Op grond van artikel 815, lid twee van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Omdat het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid zes Rv ).

2.4.4.

Door partijen is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid twee Rv overgelegd. Omdat zij voldoende hebben gemotiveerd dat het voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank partijen ontvangen in het verzoek tot echtscheiding.

2.4.5.

Het verzoek tot echtscheiding wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen.

2.5.

Ingetrokken verzoek

2.5.1.

De vrouw heeft het verzoek ten aanzien van de partnerbijdrage ingetrokken. De rechtbank zal het verzoek afwijzen.

2.6.

Gezag

2.6.1.

De vrouw verzoekt primair te bepalen dat het gezag over de minderjarigen na de echtscheiding alleen aan haar toekomt.

Subsidiair verzoekt de vrouw vervangende toestemming te verlenen aan haar om passende hulpverlening voor de minderjarigen te regelen, voor het verlengen van de paspoorten van de minderjarigen en voor de volgende vakanties:

22/2 – 3/3 Turkije of Spanje per vliegtuig

27/4 – 5/5 België en Frankrijk per auto en/of

27/7 – 2/8 België en Frankrijk per auto en/of

10/8 – 16/8 België en Frankrijk per auto en/of

24/8 – 30/8 België en Frankrijk per auto .

2.6.2.

De man voert gemotiveerd verweer.

2.6.3.

Op grond van artikel 1:251a BW kan de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien er sprake is van een onaanvaardbaar risico dat een kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kind noodzakelijk is.

2.6.4.

Tussen partijen heerst een strijd. Uit het rapport van de raad blijkt dat de minderjarigen last hebben van deze strijd en dat de minderjarigen in hun belangen geschaad worden wanneer deze niet gestaakt wordt. Er is sprake van een onveilige situatie voor de minderjarigen. De vrouw stelt dat die onveilige situatie alleen door de man is ontstaan, maar heeft deze stelling onvoldoende onderbouwd. Partijen hebben ieder een eigen aandeel in de huidige situatie. Aan beide kanten bestaat onduidelijkheid over de gevolgen van de echtscheiding, zoals de hoofdverblijfplaats van de kinderen, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de woning. Deze onduidelijkheid en de emoties die gepaard gaan met de echtscheiding voeden de strijd. Dit resulteert in het over en weer (onbewust) frustreren van de communicatie tussen partijen, waardoor kwesties als de paspoorten en vakanties niet door partijen in onderling overleg geregeld kunnen worden. Hoewel de communicatie van partijen te wensen over laat, is er echter wel sprake van communicatie. Partijen zijn in staat gebleken afspraken te maken over het plannen van activiteiten met de minderjarigen. Ook maken partijen afspraken over contactmomenten tussen de man en de minderjarigen met behulp van de GI. Hoewel er een risico bestaat dat de minderjarigen klem of verloren raken, is dit risico niet onaanvaardbaar, mede gelet op het feit dat de minderjarigen sinds 13 mei 2019 onder toezicht zijn gesteld. Met de raad verwacht de rechtbank dat binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in de situatie zal optreden. Partijen zijn bereid en in staat de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding samen op zich te nemen. Zoals de raad tijdens de mondelinge behandeling aangaf zijn partijen allebei goede ouders, maar worden zij op dit moment belemmerd in het samen ouder zijn. In aanmerking nemend dat partijen bereid zijn aan de huidige situatie te werken, over de gevolgen van de echtscheiding duidelijkheid zal komen en de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling zal worden opgestart, is het ook niet anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk dat het eenhoofdig gezag wordt toegekend. Gelet hierop is niet voldaan aan de vereisten voor het eenhoofdig gezag op grond van artikel 1:251 a BW.

2.6.5.

Het primaire verzoek zal dan ook worden afgewezen. Toegekomen wordt aan het subsidiaire verzoek.

2.6.6.

Ten aanzien van de verzoeken om vervangende toestemming te verlenen voor de paspoorten geldt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat partijen er momenteel niet in slagen om gezamenlijk te regelen dat de minderjarigen een geldig paspoort in hun bezit hebben. De rechtbank zal de vrouw hier om die reden vervangende toestemming voor verlenen.

2.6.7.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man de toestemmingsformulieren getekend voor de vakanties per auto naar België en Frankrijk voor de periode 24/8 – 30/8 en de periode 10/8 – 16/8. De rechtbank zal daarnaast voor de periode 27/7 – 2/8 vervangende toestemming verlenen aan de vrouw om naar België en Frankrijk per auto op vakantie te gaan. De vrouw heeft gemotiveerd weersproken dat de man niet weet waar ze verblijft in Frankrijk. Daarbij komt dat de vrouw met de minderjarigen al twee keer een vakantie heeft gemist wegens de ontbrekende toestemming van de man.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw aangegeven dat vanwege het ontbreken van de toestemming van de man de vakantie naar Turkije in de periode 22/2 – 3/3 niet is doorgegaan. De vrouw heeft haar verzoek ter zitting in dit kader aangevuld. Zij zou één van genoemde weken in de zomervakantie alsnog naar Turkije willen. Zij weet echter nog niet welke week en waar precies ze precies naartoe gaat. De man heeft aangegeven dat hij pas een toestemmingsformulier wil tekenen indien de exacte data en bestemming bekend zijn. De rechtbank is van oordeel dat niet van de vrouw kan worden verlangd dat zij eerst boekt, een betalingsverplichting op zich neemt en vervolgens de toestemming van de man dient af te wachten. Daarom wordt ook voor de reis naar Turkije voor de drie genoemde periodes vervangende toestemming aan de vrouw verleend. De rechtbank gaat er wel vanuit dat de vrouw zo spoedig mogelijk nadat zij de reis geboekt heeft de data en exacte bestemming aan de man doorgeeft.

2.6.8.

Het verzoek vervangende toestemming aan de vrouw te verlenen om passende hulpverlening in te zetten, wordt afgewezen. In het kader van de lopende ondertoezichtstelling wordt hulpverlening opgestart en de vrouw heeft om die reden geen belang meer bij haar verzoek.

2.7.

Hoofdverblijfplaats

2.7.1.

De man verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen [naam kind 3] en [naam kind 2] bij de vrouw zal zijn en van de minderjarige [naam kind 1] bij hem zal zijn.

2.7.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij verzoekt de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar te bepalen.

2.7.3.

Anders dan de man stelt, heeft de inschrijving van de minderjarigen op het adres van een van de ouders geen betekenis voor het ouderschap en evenmin voor de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De rechtbank volgt de raad in zijn standpunt dat het voor de minderjarigen belangrijker is dat de ouders uitdragen dat zij samen ouders zijn dan dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen over twee adressen wordt verdeeld. Daarom wordt aangesloten bij de feitelijke situatie, wat inhoudt dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben.

2.8.

Zorgregeling

2.8.1.

De man verzoekt een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen waarbij de minderjarigen bij beide ouders ieder even lang verblijven, in die zin dat de minderjarigen tezamen een week bij de vrouw en vervolgens een week bij de man verblijven, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen.

2.8.2.

Daarnaast verzoekt de man de vrouw te verbieden de verzorging van de minderjarigen over te laten aan een au pair.

2.8.3.

De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij verzoekt een advies (ten aanzien van de zorgregeling) te laten uitbrengen door een bijzondere curator zijnde een gedragswetenschapper, dan wel een forensisch mediator zijnde een gedragswetenschapper, in het kader van een ouderschapsonderzoek, dan wel de raad, dit ter beoordeling van de rechtbank en de zaak in afwachting daarvan aan te houden. Daarnaast verzoekt zij een (voorlopige) zorgregeling vast te stellen waarbij de minderjarigen een weekend in de veertien dagen bij de man verblijven, de eerste twee maanden een weekend per 14 dagen van zaterdag 10:00 uur tot maandag 08:45 uur. Indien de minderjarigen vervolgens aangeven hieraan toe te zijn, zou de zorgregeling na deze proefperiode uitgebreid kunnen worden naar een weekend per 14 dagen van vrijdagmiddag uit school tot maandag 08:45 uur.

2.8.4.

Omdat de man woonruimte heeft, verblijven de minderjarigen in het kader van de zorgregeling zoals neergelegd in de beschikking voorlopige voorzieningen van 10 april 2018 bij hem eens per veertien dagen een weekend van zaterdag 10:00 uur tot zondag 17:00 uur en gedurende de helft van de vakanties, die partijen in onderling overleg verdelen. Daarnaast zijn partijen aanvullend overeengekomen dat de minderjarigen wekelijks op donderdag tussen de middag bij de man lunchen.

2.8.5.

De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling te kennen gegeven dat zij het, gelet op de uitgesproken ondertoezichtstelling, niet meer noodzakelijk vindt om de verzoeken die de minderjarigen aangaan aan te houden. De rechtbank volgt de raad niet in het advies een aanvullend raadsonderzoek te gelasten om te kijken welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in het belang van de minderjarigen is. Gelet op de ondertoezichtstelling en de hulpverlening die in dat kader wordt opgestart, is het in het belang van de minderjarigen dat er rust en stabiliteit komt. Nog een onderzoek opstarten terwijl er een ondertoezichtstelling loopt, draagt daaraan niet bij. Bovendien wordt daarmee niet tegemoet gekomen aan de onweersproken wens van de minderjarigen hun vader op korte termijn meer te willen zien. Een nader raadsonderzoek zal tot aanhouding en daarmee vertraging leiden.

De rechtbank gaat voorbij aan de door de man ter zitting geuite gedachte om de minderjarigen ook op donderdag uit school tot vrijdag naar school en gedurende de lunch op vrijdag bij hem te laten verblijven. Dit zou een te grote wijziging in de thans geldende zorgregeling betekenen, die de rechtbank op dit moment niet in het belang van de minderjarigen acht. Rekening dient te worden gehouden met de ingrijpende situatie waarin partijen zich bevinden, waarin de minderjarigen onder toezicht zijn gesteld. Vanuit dat oogpunt moeten partijen leren om met elkaar de verzorging en opvoeding in goede banen te leiden en de voor de minderjarigen meest gunstige situatie te creëren. Daarbij gaat het niet om de wensen van partijen maar om het belang van de minderjarigen. Noodzakelijk is dat er rust komt en dat de zorgregeling in de praktijk uitvoerbaar is. Voorop hoort te staan dat partijen de op te leggen zorgregeling nakomen en dat zij het de minderjarigen gunnen om ook bij de andere ouder een fijn verblijf te hebben. Indien partijen hierin slagen, kan in de toekomst eventueel naar wijziging of uitbreiding van de zorgregeling gekeken worden, waarbij vanzelfsprekend alle feiten en omstandigheden van dat moment een rol spelen. De rechtbank gaat voorbij aan de ongemotiveerde stelling van de vrouw dat het op dit moment niet haalbaar en niet wenselijk is om de weekendregeling uit te breiden. Zij heeft hiertoe onvoldoende gesteld. De man heeft aangegeven dat hij met zijn huidige werkzaamheden kan regelen dat de minderjarigen tot maandag naar school bij hem kunnen verblijven. Net als de raad ziet de rechtbank geen bezwaren tegen uitbreiding van de weekendregeling, in die zin dat de minderjarigen bij de man verblijven een weekend per twee weken van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school. Daarnaast blijft de regeling die partijen zijn overeengekomen voor de donderdag in stand. Op deze manier heeft de man wekelijks contact met de minderjarigen en zijn de minderjarigen gedurende het weekend dat hij de zorg heeft voor hen twee volledige dagen bij hem, zoals door hem voorgesteld. Daarnaast haalt hij de minderjarigen op vrijdagmiddag van school en brengt hij ze maandagochtend naar school, zodat de man ook bij school betrokken is. Omdat de vrouw niet onderbouwd heeft waarom het delen van de vakanties bij helfte in haar ogen een te grote stap is, zal ook dit verzoek van de man worden toegewezen.

2.8.6.

Het verzoek van de man de vrouw te verbieden de verzorging voor de minderjarigen over te laten aan een au pair wordt afgewezen, aangezien hiervoor iedere rechtsgrond ontbreekt.

2.8.7.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de vrouw tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk heeft aangeboden mee te willen werken aan een flexibele zorgregeling indien de man toch langere tijd van huis is in verband met werkzaamheden en/of zijn carrière. Zij heeft verklaard dat dit aanbod ook geldt bij een uitgebreide weekendregeling, zoals de rechtbank nu zal vaststellen. Het aanbod komt er op neer dat als de man bijvoorbeeld drie weken van huis is en de minderjarigen niet ziet, hij daarna drie weekenden de zorg voor de minderjarigen heeft. Dit geldt dan voor maximaal vier weekenden achter elkaar. In het aanbod van de vrouw zal de regeling elke drie maanden bekeken moeten worden en dient ook voor maximaal die periode vooruit gepland te worden. Op die manier zou de man zijn werkzaamheden in de offshore, waarin hij 30 jaar werkzaam is geweest, kunnen oppakken indien hij dat zou willen.

2.9.

Voortgezet gebruik woning

2.9.1.

De vrouw verzoekt het voortgezet gebruik van de woning voor de duur van zes maanden.

2.9.2.

De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt de vrouw te gelasten de woning binnen veertien dagen na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking te verlaten. Indien het voortgezet gebruik wel wordt toegekend verzoekt hij een vergoeding van € 1.250,- per maand te rekenen vanaf de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

2.9.3.

De vrouw woont momenteel samen met de minderjarigen in de echtelijke woning. Zij heeft onbetwist gesteld dat zij is aangewezen op een koopwoning indien zij de echtelijke woning dient te verlaten. Om een koopwoning te kunnen verkrijgen, zal zij gelden beschikbaar dienen te hebben, die zij ofwel uit een voorschot op de uiteindelijke verdeling of als gevolg van de verdeling van de woning ontvangt. De vrouw heeft op dit moment geen financiële middelen om een woning te kopen. Door de vrouw is gemotiveerd gesteld dat zij geen alternatieve woonruimte heeft. Zij heeft voor de beslissing voorlopige voorzieningen tijdelijk in een vakantiepark verbleven. Door de man is niet betwist dat dit niet in het belang van de minderjarigen is. Dat de man de woning uiteindelijk toegedeeld wil krijgen doet bij de beoordeling van het verzoek tot voortgezet gebruik van de woning niet ter zake. De rechtbank zal het voortgezet gebruik van de woning aan de vrouw toewijzen voor een periode van zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

2.9.4.

De door de man verzochte gebruiksvergoeding van € 1.250,-- per maand zal worden afgewezen omdat dit bedrag door hem onvoldoende is onderbouwd. In aanmerking nemend dat de vrouw de helft van de woonlasten betaalt, een laag inkomen heeft en er aan de zijde van de man bij de bepaling van de kinderbijdrage rekening wordt gehouden met zijn dubbele woonlasten, wordt de redelijke vergoeding verbonden aan het voortgezet gebruik van de woning op nihil gesteld.

2.10.

Onderhoudsbijdragen

2.10.1.

De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 391,- per maand per kind met ingang van de datum indiening verzoekschrift, althans op een door de rechtbank te bepalen datum.

2.10.2.

De man voert gemotiveerd verweer.

2.10.3.

Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinderbijdrage in geschil. De rechtbank zal de kinderbijdrage berekenen conform de aanbevelingen opgenomen in het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen (Tremarapport).

De behoefte

2.10.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de minderjarigen op grond van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen in 2018 € 540,33 per maand per kind bedroeg. In haar processtukken heeft de vrouw gesteld dat dit bedrag verhoogd dient te worden met de opvangkosten, maar tijdens de mondelinge behandeling heeft zij verklaard dat deze kosten op het moment niet gemaakt worden, zodat hiermee geen rekening hoeft te worden gehouden. Geïndexeerd naar 2019 stelt de rechtbank de behoefte daarom vast op

€ 551,- per maand per kind.

Draagkrachtberekening

2.10.5.

Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van beider draagkracht.

2.10.6.

Hiertoe dient eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld te worden. Het verzoek van de vrouw de kinderbijdrage op te leggen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift wordt afgewezen. Er gelden voorlopige voorzieningen tijdens de echtscheidingsprocedure. De voorlopige voorziening ten aanzien van de kinderbijdrage behoudt haar kracht tot de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand dan wel tot de mogelijkheid hiertoe vervalt. Als ingangsdatum voor de bijdrage wordt daarom de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand bepaald. Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2019-01.

NBI van de man

2.10.7.

Tijdens het huwelijk was de man op onregelmatige basis werkzaam in de offshore. Bestemming, duur en termijn voor de planning varieerden. Daarnaast was de man de ene keer in loondienst en werd hij de andere keer ingehuurd via zijn eigen bedrijf. Partijen waren daardoor, zo stelt de man onbetwist, aangewezen op een traditionele rolverdeling. De man heeft gesteld dat hij deze werkzaamheden als gevolg van de echtscheiding en zijn zorgtaken voor de minderjarigen niet langer kan uitoefenen. Op dit moment is hij werkzaam als docent op het mbo. Hij verdient hiermee € 2.473,80 bruto per maand voor een 24-urige werkweek. Dit komt volgens de man neer op een jaarloon van € 32.060,-. De vrouw heeft dit jaarloon niet weersproken.

De vrouw stelt dat de man het inkomensverlies zelf teweeg heeft gebracht en dat er geen noodzaak was voor het neerleggen van de werkzaamheden bij [naam bedrijf 1] en [naam bedrijf 2] . Gelet op de gemotiveerde stellingen van de man is de rechtbank van oordeel dat herstel van het inkomen van de man niet kan worden gevergd en overweegt hiertoe als volgt. De werkzaamheden die de man verrichtte tijdens het huwelijk waren zeer onregelmatig. De vrouw heeft niet betwist dat het voor de man zeer lastig dan wel onmogelijk is om de betreffende werkzaamheden na echtscheiding voort te zetten en tegelijkertijd een structurele zorgregeling met de minderjarigen te kunnen uitvoeren. Daarmee is vast komen te staan dat de situatie na het uiteengaan van partijen dusdanig is gewijzigd dat van de man niet gevergd kan worden dat hij deze werkzaamheden voortzet. De vrouw heeft in het kader van de onderbouwde stellingen van de man bovendien niet gemotiveerd betwist dat het voor de man onmogelijk is eenzelfde inkomen als tijdens het huwelijk te genereren met andere werkzaamheden waarvoor de man niet lang en ver hoeft te reizen. Het inkomensverlies is volgens de rechtbank dan ook niet verwijtbaar. Om die reden wordt in de draagkrachtberekening het huidige inkomen van de man tot uitgangspunt genomen. Voor de draagkracht is echter ook van belang het inkomen dat iemand kan worden geacht te verwerven. De rechtbank houdt rekening met een aanvullende verdiencapaciteit aan de zijde van de man. De man is tijdens het huwelijk fulltime werkzaam geweest. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij verklaard dat hij de vereiste papieren heeft gehaald om inspecties aan schepen te kunnen verrichten. Dat betreffen volgens de stellingen van de man kortdurende opdrachten. De man stelt een bewuste afweging te hebben gemaakt om deze werkzaamheden te gaan verrichten via zijn eigen bedrijf ( [naam bedrijf 3] ) en niet in loondienst. Zijn voornemen is deze werkzaamheden twee dagen per week uit te voeren naast zijn huidige dienstbetrekking. Om die reden gaat de rechtbank ervan uit dat hij gedurende twee dagen per week het inkomen kan verwerven gelijk aan 2/5e van zijn jaarinkomen 2017, aldus 2/5e x € 71.138,- bruto =

€ 28.455,-. De rechtbank gaat niet uit van het jaar 2016 omdat tijdens de mondelinge behandeling is vast komen te staan dat de vrouw toen nog op de loonlijst stond van de onderneming van de man. Dat jaar geeft daarom geen volledig beeld van het door de man te verwerven inkomen. Ook 2018 wordt buiten beschouwing gelaten omdat is gebleken dat in dat jaar incidentele extra kosten zijn gemaakt die de winst drukken.

2.10.8.

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man over het jaar 2019 op € 3.176,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van het opgegeven jaarloon als mbo-docent en 2/5 van de jaaropgaaf 2017 van de man):

- bruto jaarloon € 60.515,-

Omdat bij de draagkracht van de man rekening wordt gehouden met inkomsten die hij zal ontvangen omdat hij werkzaamheden in zijn eigen bedrijf gaat verrichten, acht de rechtbank het redelijk rekening te houden met de door de man opgevoerde premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 3.278,- per jaar, die fiscaal aftrekbaar zijn. De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting

- de arbeidskorting

NBI van de vrouw

2.10.9.

De vrouw heeft een dienstverband voor 16 uur per week. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij verklaard meer te kunnen werken zodra zij de echtelijke woning verlaat en niet meer de werkzaamheden voor de bed & breakfast en het onderhouden van het erf hoeft te verrichten. De man heeft gemotiveerd gesteld dat de vrouw voordat zij stopte met werken een jaarinkomen van € 55.000,- verdiende, dat de vrouw hoog opgeleid is en gemakkelijk haar werkzaamheden kan uitbreiden. De rechtbank houdt rekening met de omstandigheid dat de vrouw nu de bed & breakfast runt en het erf dient te onderhouden en het tijd zal vergen, mede gelet op huwelijkse situatie en de zorg voor de minderjarigen, om haar werkzaamheden uit te breiden. Totdat de woning door de vrouw is verlaten wordt daarom rekening gehouden met het door de vrouw gestelde inkomen in de door haar overgelegde draagkrachtberekening van € 1.000,- bruto per maand exclusief vakantiegeld. Daarnaast wordt rekening gehouden met de inkomsten uit de bed & breakfast. Deze inkomsten worden gelet op de door de vrouw overgelegde cijfers op € 448,45 per maand gesteld. De man heeft deze cijfers niet gemotiveerd betwist.

Zodra de vrouw de woning verlaten heeft, wordt haar een verdiencapaciteit van € 2.000,- bruto per maand toegekend, uitgaande van haar huidige inkomen uit loondienst en een dienstverband van 32 uur. De rechtbank zal niet meegaan met de stellingen van de man om de vrouw een verdiencapaciteit van € 35.000,- bruto per jaar toe te kennen aangezien de man zelf gesteld heeft dat partijen een traditionele rolverdeling hanteerden tijdens het huwelijk, wat de verdiencapaciteit van de vrouw negatief heeft beïnvloed, en zij thans ook de zorg voor de minderjarigen heeft.

NBI van de vrouw tot het verlaten van de echtelijke woning

2.10.10.

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw over het jaar 2019 op € 1.968,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):

- basisloon € 1.000,-

- vakantiegeld 8% op jaarbasis

- pensioenpremie € 4,-

Rekening is gehouden met een klein netto inkomen van € 448,- per maand uit de bed & breakfast. Ook is rekening gehouden met het kindgebonden budget van € 5.586,- op jaarbasis.

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting

- de arbeidskorting

- de inkomensafhankelijke combinatiekorting

NBI van de vrouw na het verlaten van de echtelijke woning

2.10.11.

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het toekomstige NBI van de vrouw over het jaar 2019 op € 2.460,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de meest recente salarisspecificaties):

- basisloon € 2.000,-

- vakantiegeld 8% op jaarbasis

- pensioenpremie € 8,-

Rekening is gehouden met het kindgebonden budget van € 5.257,- op jaarbasis.

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting

- de arbeidskorting

- de inkomensafhankelijke combinatiekorting

Draagkracht

2.10.12.

Omdat de man zolang de vrouw in de woning verblijft dubbele woonlasten heeft, zal de rechtbank twee draagkrachtberekeningen maken.

Draagkracht zolang de vrouw in de echtelijke woning woont

2.10.13.

De draagkracht van de man dient, omdat het NBI hoger is dan € 1.625,- in beginsel te worden vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 950)]. Tussen partijen staat echter vast dat de man de helft van de hypotheeklasten van de echtelijke woning voor zijn rekening neemt, terwijl de vrouw deze woning nog bewoont. De rechtbank zal rekening houden met deze betalingsverplichting door in de formule de forfaitaire woonlast (0,3 x NBI) buiten beschouwing te laten en het draagkrachtloos inkomen te verhogen met het saldo van de huidige daadwerkelijke maandelijkse woonlast van de man zoals door hem opgenomen in zijn draagkrachtberekening (productie 4 bij zijn brief van 1 mei 2019) van € 1.166,-, bestaande uit de netto hypotheeklast en de overige kosten met betrekking tot de voormalige echtelijke woning en de huur per maand. De draagkracht van de man bedraagt dus 70% x [ € 3.176,- - (€ 1.166,- + 950,-)] = € 742,- per maand.

2.10.14.

De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 1.625,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [€ 1.968,- – (0,3x € 1.968,- + 950)] en bedraagt € 299,- per maand.

Draagkrachtvergelijking

2.10.15.

Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen lager is dan de behoefte van de minderjarigen kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. De bijdrage van de man is beperkt tot zijn draagkracht.

Zorgkorting

2.10.16.

Gezien de nu vast te stellen zorgregeling van één (lang) weekend per 14 dagen, een wekelijkse lunchpauze en de helft van alle schoolvakanties stelt de rechtbank vast dat de man gemiddeld twee dagen per week de zorg heeft voor de minderjarigen. Hierbij hoort een zorgkorting van 25%.

2.10.17.

Omdat de behoefte van de minderjarigen € 1.653,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 413,- per maand.

2.10.18.

Omdat de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de minderjarigen te voorzien, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. Dit geschiedt als volgt:

Het tekort bedraagt € 612,-, zodat de helft daarvan is € 306,-.

Laatstgenoemd bedrag wordt afgetrokken van de zorgkorting: was € 413,-, zodat resteert

€ 413,- - € 306,- = € 107,-.

Dit restant komt in mindering op de eerder berekende bijdrage: € 742,- - € 107,- = € 635,-.

De aan de man op te leggen bijdrage wordt derhalve: € 635,- per maand ofwel € 212,- per maand per kind.

Conclusie

2.10.19.

Gezien het voorgaande is zolang de man dubbele woonlasten heeft een door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van

€ 212,- per maand per kind in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

2.10.20.

Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.

Draagkracht vanaf het moment dat de vrouw de echtelijke woning heeft verlaten

2.10.21.

De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 1.625,- , vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 950)] en bedraagt € 892,- per maand.

2.10.22.

De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 1.625,- , vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 950)] en bedraagt € 540,- per maand.

Draagkrachtvergelijking voor periode dat de man geen dubbele woonlasten meer heeft

2.10.23.

Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen lager is dan de behoefte van de minderjarigen kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. De bijdrage van de man is beperkt tot zijn draagkracht.

Zorgkorting

2.10.24.

Zoals hiervoor is overwogen, bedraagt de zorgkorting een bedrag van € 413,- per maand.

2.10.25.

Omdat de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de minderjarigen te voorzien, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. Dit geschiedt als volgt:

Het tekort bedraagt € 221,-, zodat de helft daarvan is € 111,-.

Laatstgenoemd bedrag wordt afgetrokken van de zorgkorting: was € 413,-, zodat resteert

€ 413,- - € 111,- = € 302,-.

Dit restant komt in mindering op de eerder berekende bijdrage: € 892,- - € 302,- = € 590,-.

De aan de man op te leggen bijdrage wordt derhalve: € 590,- per maand ofwel € 197,- per maand per kind.

Conclusie

2.10.26.

Gezien het voorgaande is op het moment dat de man niet langer dubbele woonlasten heeft een door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 197,- per maand per kind in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

2.10.27.

Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.

2.11.

Afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden

2.11.1.

De vrouw verzoekt over te gaan tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zoals omschreven in het verzoekschrift in alinea 64 tot en met 74, althans een zodanige beslissing te nemen zoals de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, en daarbij voorwaardelijk in het geval dat de man de woning niet kan of wil overnemen te bepalen dat de woning aan de vrouw wordt toegedeeld onder betaling van de helft van de overwaarde aan de man.

2.11.2.

De man voert gemotiveerd verweer. Hij verzoekt de behandeling van de verzoeken ten aanzien van de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen gedurende drie maanden aan te houden om hem in de gelegenheid te stellen zich voor de te bepalen pro forma datum uit te laten over de wijze van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden/ de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen en over te gaan tot indiening van het formulier verdelen en verrekenen.

2.11.3.

Partijen hebben huwelijkse voorwaarden gemaakt. Volgens de akte van 23 juli 2010 houden de huwelijkse voorwaarden kortgezegd in dat er tussen partijen geen huwelijkse gemeenschap zal bestaan.

2.11.4.

Partijen hebben goederen in gemeenschappelijke eigendom. Dit betreffen zogenaamde eenvoudige gemeenschappen. Hiervan wordt verdeling verzocht. Volledigheidshalve overweegt de rechtbank dat in tegenstelling tot hetgeen partijen stellen voor de eenvoudige gemeenschappen niet als de peildatum de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding te gelden heeft voor omvang/samenstelling of waardering. Partijen hebben de goederen samen in eigendom en deze worden gewaardeerd per de datum van verdeling.

2.11.5.

Ten aanzien van de auto Opel Zafira hebben partijen ter zitting verklaard dat deze auto geen eigendom meer is van partijen gezamenlijk dan wel van één van hen. De verzoeken ten aanzien van de Opel Zafira kunnen daarom als ingetrokken worden beschouwd. De verzoeken worden afgewezen.

2.11.6.

Ten aanzien van de saldi op de bankrekeningen van de minderjarigen, hebben partijen beiden verklaard dat deze saldi niet verdeeld of verrekend dienen te worden aangezien de saldi van de minderjarigen zijn. Voor zover de verzoeken hierop zagen worden deze daarom als ingetrokken beschouwd. De verzoeken worden afgewezen.

2.11.7.

Ten aanzien van het saldo op de en/of rekening bij de Rabobank met rekeningnummer [bankrekeningnummer] hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat dit al verdeeld is. Het verzoek wordt daarom als ingetrokken beschouwd. De verzoeken worden afgewezen.

a. de woning

2.11.8.

De woning is gezamenlijk eigendom van partijen en moet worden verdeeld. Partijen zijn het niet eens over de waarde van de woning.

Dit betekent dat de echtelijke woning dient te worden getaxeerd. De rechtbank bepaalt dat dit op de volgende wijze zal dienen te geschieden.

Voor 8 juli 2019 selecteert de vrouw drie makelaarskantoren, die de woning niet eerder getaxeerd of gewaardeerd hebben en die bekend zijn in de omgeving, en stuurt deze selectie naar de man. Na ontvangst daarvan kiest de man binnen één week, dus voor 15 juli 2019, uit die selectie een makelaar. Daarna verrichten partijen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk 22 juli 2019, de volgende handelingen:

het gezamenlijk invullen en ondertekenen van door de makelaar geleverde formulieren ten behoeve van de opdracht tot taxatie,

aanleveren van door de makelaar verzochte documenten;

betaling van hun deel van de aanbetaling aan de makelaar, binnen de gestelde betalingstermijn van de makelaar,

partijen zijn samen aanwezig bij de taxatie

alle andere handelingen die noodzakelijk zijn voor de taxatie van de woning, waartoe zowel door de makelaar verzocht wordt, binnen de door hem gestelde termijnen.

2.11.9.

In de procedure is er steeds, ook door de vrouw, vanuit gegaan dat de man de woning toegedeeld krijgt indien hij in staat is de toedeling te financieren. Het taxatierapport van de woning wordt geacht voor 1 september 2019 gereed te zijn. De man dient aan de hand van dat rapport de vrouw voor 1 oktober 2019 te berichten of hij de toedeling van de woning kan financieren door de hypothecaire schuld voor zijn rekening te nemen en de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te laten ontslaan. Indien de man hiertoe niet in staat is, heeft de vrouw tot 1 november 2019 om de man te berichten of zij de woning kan financieren door de hypothecaire lening voor haar rekening te nemen en de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te laten ontslaan. Indien zij daartoe ook niet in staat is, dient de woning te worden verkocht.

2.11.10.

Partijen zijn het er over eens dat de hypothecaire schuld in mindering dient te worden gebracht op de waarde van de woning. Ook staat vast tussen partijen dat de vrouw een bedrag van € 83.010,46 van haar aandeel in de overwaarde van de woning aan de man dient te voldoen op grond van een overeenkomst van geldlening. De man heeft gesteld en onderbouwd dat hij vanuit privégelden heeft geïnvesteerd in de woning met een totaalbedrag van € 67.000,-. Op basis van de door de man overgelegde bankafschriften is er een direct verband te leggen tussen de betalingen van [naam] , de voormalig werkgever van de man, waarvan hij na een arbeidsconflict een ontbindingsvergoeding ontving, en de aflossingen kort daarna. De stelling van de vrouw dat er vanuit een ‘gezamenlijkheid’ werd afgelost en dat de gelden die de man heeft ontvangen van een voormalige werkgever als gemeenschappelijk dienen te worden gezien, wordt gepasseerd. Uit de akte huwelijkse voorwaarden blijkt immers dat partijen, op de eenvoudige gemeenschappen na, geen gemeenschappelijk of uit hoofde van een finaal verrekenbeding te verrekenen vermogen hebben. Ook is er geen sprake van een (niet uitgevoerd) periodiek verrekenbeding. De bedragen waarmee de aflossingen zijn voldaan, kunnen dus ook niet worden geacht gezamenlijk te zijn. Er is derhalve sprake van een investering met privé vermogen van de man in de gemeenschappelijke woning en de rechtbank bepaalt dat de man op die grond een vergoedingsrecht heeft op de woning. Op deze vergoeding is de beleggingsleer van toepassing. De man heeft echter niet gesteld hoe hoog het vergoedingsrecht is of op welke wijze de berekening van het vergoedingsrecht op grond van de beleggingsleer dient te worden gemaakt. De man heeft op dit punt niet aan zijn stelplicht voldaan, waardoor de rechtbank de hoogte van het vergoedingsrecht niet kan bepalen. De rechtbank kan dan ook enkel vaststellen dat de man bedoeld vergoedingsrecht heeft.

2.11.11.

De man heeft de rechtbank verzocht de vrouw te gelasten de administratie over te dragen aan de man om op die manier te laten zien dat hij nog meer in de woning heeft geïnvesteerd. De man heeft op dit punt echter niet aan zijn stelplicht voldaan. Het had van hem verwacht mogen worden om concreet aan te geven over welke investeringen het gaat. Dit heeft hij niet gedaan. Daarom wordt zijn verzoek afgewezen. Ook het hiermee samenhangende verzoek om de behandeling aan te houden wordt afgewezen. De man heeft niet aan zijn stelplicht voldaan. Er is daarom geen aanleiding om hem in de gelegenheid te stellen zijn standpunten nader te bepalen en te onderbouwen.

2.11.12.

De vrouw heeft in de door haar ingebrachte stukken om een voorschot op de verdeling van de woning verzocht ter hoogte van de helft van de overwaarde van de woning te verminderen met de schuld van de vrouw aan de man. De vrouw verzoekt geen concreet bedrag en daarom is het verzoek onvoldoende bepaald. Het verzoek zal worden afgewezen.

b. de inboedel

2.11.13.

Tussen partijen is niet in geschil dat de inboedel, met uitzondering van de gereedschappen, apparatuur en machines voor de uitoefening van het bedrijf/de werkzaamheden van de man en het AGA-fornuis van de vrouw, gemeenschappelijk eigendom is. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat alleen gemeenschappelijke goederen kunnen worden verdeeld. Dat de vrouw het AGA-fornuis niet kwijt kan, doet er niet aan af dat het haar eigendom is.

Partijen zijn het er over eens dat de keukenmaterialen, serviezen, glaswerk, bestek, handdoeken, beddengoed en het speelgoed bij helfte verdeeld dienen te worden. De vrouw heeft erkend dat de piano van [naam kind 3] is en haar toebehoort. Deze wordt daarom niet in de verdeling betrokken. De man heeft gemotiveerd betwist dat de iPad, iPhone en laptop van de vrouw zijn aangezien deze zijn betaald door de onderneming van de man. Deze goederen behoren aan de onderneming van de man toe en worden niet in de verdeling betrokken. Ten aanzien van de oude stereotoren, het sonos systeem, de kitchenaid, het espresso apparaat en de fiets erkent de man dat dit eigendommen van de vrouw zijn. Deze goederen worden daarom niet in de verdeling betrokken. Ten aanzien van de overige gemeenschappelijke inboedelgoederen wordt de waarde van de inboedel op een bedrag van € 5.000,- geschat. De vrouw heeft weliswaar gesteld dat de waarde van de inboedel € 50.000,- bedraagt, maar zij heeft in het licht van de betwisting door de man niet onderbouwd dat het gaat om een meer dan gemiddelde inboedel. De inboedel wordt aan de man toegedeeld onder de verplichting een bedrag van € 2.500,- aan de vrouw te voldoen.

De verrekenposten

2.11.14.

De man noemt in het lichaam van zijn processtukken een aantal verrekenposten. Aangezien de vrouw hierop heeft gereageerd en deze verrekenposten tijdens de mondelinge behandeling zijn besproken, overweegt de rechtbank over deze posten als hierna vermeld. Omdat de man op dit punt echter geen concreet verzoek heeft gedaan, kan de rechtbank ter zake deze posten geen beslissingen in het dictum opnemen.

De ziektekosten

2.11.15.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw erkend dat zij vanaf de datum van de beschikking voorlopige voorzieningen haar eigen ziektekosten diende te voldoen. De ziektekostenpremies voor de au pair dienen partijen bij helfte te voldoen omdat zij de verplichting hiertoe samen zijn aangegaan tijdens het huwelijk.

De woonlasten

2.11.16.

Ten aanzien van de woonlasten geldt dat in de beschikking voorlopige voorzieningen er rekening mee is gehouden dat ieder van partijen de helft van de woonlasten voldoet. De man stelt dat de vrouw vanaf januari 2018 de woonlasten bij helfte dient te voldoen. De vrouw stelt dat dit dient te gebeuren met ingang van de datum van de beschikking. De voorlopige voorziening ten aanzien van de kinderalimentatie is ingegaan per 5 februari 2018 zodat de vrouw met ingang van die datum werd geacht de helft van de hypotheekrente voor haar rekening te nemen. De vrouw dient aan de man een bedrag van (4 x € 305,83 x 50%) € 611,66 te voldoen.

De verzekeringen van het woonhuis en de gemeentelijke heffingen

2.11.17.

De vrouw heeft op de verzoeken tot betaling van de verzekeringen van de woning en de gemeentelijke heffingen geen verweer gevoerd, zodat zij deze bedragen aan de man dient te voldoen.

Belastingaangifte 2016

2.11.18.

De man stelt dat de vrouw aan hem een bedrag van € 7.550,- ter zake de teruggave IB 2016 dient te betalen. De vrouw voert verweer. De man heeft niet gesteld op welke grond de vrouw het bedrag aan hem verschuldigd is. De enkele omstandigheid dat partijen gewoon waren de aangiftes op een bepaalde manier in te vullen en een aanslag of teruggaaf feitelijk met elkaar te verdelen dan wel te verrekenen, kan niet tot een vordering van de man op de vrouw leiden. Indien en voor zover de man bedoelt dat hij een vordering heeft op de vrouw omdat de teruggave inkomstenbelasting een post is die aangewend had dienen te worden ter bestrijding van de kosten van de huishouding op grond van artikel 6 en artikel 7 van de akte huwelijkse voorwaarden, heeft de man onvoldoende gesteld om zijn verzoek te onderbouwen. Het had op de weg van de man gelegen inzage te geven in de inkomens en de uitgaven zijnde de kosten van de huishouding over het betreffende jaar en daarmee aan te tonen dat deze niet zijn voldaan zoals voorgeschreven in de akte huwelijkse voorwaarden, hetgeen de man heeft nagelaten. De man heeft ter zake dus geen vordering op de vrouw.

2.12.

Proceskosten

2.12.1.

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op 7 augustus 2010 te Bernisse;

3.2.

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen [naam kind 1] , geboren op [geboortedatum kind 1] 2013 te [geboorteplaats kind 1] , [naam kind 2] , geboren op [geboortedatum kind 2] 2013 te [geboorteplaats kind 2] en [naam kind 3] , geboren op [geboortedatum kind 3] 2010 te [geboorteplaats kind 3] .

bij de vrouw zal zijn;

3.3.

stelt vast dat de minderjarigen in het kader van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man zullen zijn als volgt;

gedurende een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school, alsmede wekelijks op donderdag tussen de middag voor de lunch en gedurende de helft van de vakanties en feestdagen door partijen in onderling overleg nader te bepalen;

3.4.

verleent vervangende toestemming voor het aanvragen van de paspoorten van de minderjarigen;

3.5.

bepaalt dat deze vervangende toestemming strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de man;

3.6.

verleent vervangende toestemming voor het op vakantie gaan met de minderjarigen in de periode 27/7 – 2/8 naar België en/of Frankrijk en/of Turkije en in de periodes 10/8 – 16/8 en 24/8 – 30/8 naar Turkije;

3.7.

bepaalt dat deze vervangende toestemming strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de man;

3.8.

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tot zij de echtelijke woning heeft verlaten als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, telkens bij vooruitbetaling zal uitkeren € 212,- per maand per kind;

3.9.

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de dag dat de vrouw de echtelijke woning heeft verlaten, maar niet eerder dan met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, telkens bij vooruitbetaling zal uitkeren € 197,- per maand per kind;

3.10.

bepaalt dat de vrouw, als zij ten tijde van de inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de registers van de burgerlijke stand de echtelijke woning aan [adres] (Bernisse), die aan de man (mede) toebehoort of ten gebruike toekomt, bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de beschikking, zulks tegen een redelijke vergoeding, welke op nihil wordt gesteld;

3.11.

gelast de wijze van verdeling van de woning zoals weergegeven onder de rechtsoverwegingen 2.11.8 tot en met 2.11.10;

3.12.

gelast de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke inboedel zoals weergegeven onder de rechtsoverweging 2.11.13;

3.13.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;

3.14.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.15.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Fiege, voorzitter, tevens kinderrechter, en mr. A.J. van Dijk en mr. L. Berghuis-Knijff, rechters, tevens kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.A.C. Smulders op 2 juli 2019.

Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door partijen hoger beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof Den Haag. Een in eerste aanleg niet verschenen partij kan hoger beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze uitspraak aan hem/haar in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend gemaakt.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature