< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

ACM heeft bestuurlijke boetes opgelegd aan een telecomaanbieder op grond van de Wet handhaving consumentenbescherming en besloten tot publicatie van het boetebesluit. Verzoekster heeft bij online aanbiedingen de onvermijdbare eenmalige kosten niet duidelijk vermeld. Volgens de ACM levert dit een misleidende omissie op. Daarnaast heeft verzoekster op haar website een ‘onbeperkt GB’ abonnement aangeboden waarbij zij aangaf dat internet geldig was in de hele EU, terwijl daar in de EU toch een beperking voor gold. Hiermee heeft verzoekster misleidende informatie gegeven.

Uitspraak



Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/5521

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 december 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[Naam onderneming] , te [plaats] , verzoekster,

en

[de Autoriteit Consument en Markt] (ACM), verweerster.

Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2019 (het boetebesluit) heeft de ACM aan verzoekster bestuurlijke boetes opgelegd tot een bedrag van totaal € 3.907.000.

Bij besluit van 14 oktober 2019 (het publicatiebesluit) heeft de ACM besloten een geschoonde versie van het boetebesluit openbaar te maken.

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het boetebesluit en het publicatiebesluit. Ook heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft – gevoegd met de zaak ROT 19/5520 achter gesloten deuren – plaatsgevonden op 26 november 2019. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Q.R. Kroes en mr. H.L.A. Kooijman. Voorts zijn namens verzoekster verschenen [naam] en [naam] . De ACM heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. Telder, mr. H.E. Noordhoek, mr. I.S. Post, mr. C. van der Spek en mr. E.B.M. Kuijpers.

Na sluiting van het onderzoek zijn de zaken gesplitst voor het doen van uitspraak.

Overwegingen

Wettelijk kader, voorgeschiedenis en besluitvorming van de ACM

1. In de bijlage is het van toepassing zijnde wettelijk kader opgenomen.

2. In 2017 heeft de ACM onderzoek gedaan naar de naleving van wettelijke informatieplichten die gelden bij het aanbieden van producten en diensten via internet door telecomaanbieders. In november 2017 heeft de ACM geconstateerd dat de naleving van deze wettelijke informatieplichten te wensen overliet, wat mogelijk het gevolg zou kunnen zijn van onduidelijkheid van deze informatieplichten. Om die redenen heeft de ACM ‘Uitgangspunten transparante aanbiedingen telecomaanbieders’ (de Uitgangspunten) opgesteld, waarbij de ACM heeft aangegeven dat zij de Uitgangspunten zal gaan hanteren bij het beoordelen van de transparantie van aanbiedingen op websites van telecomaanbieders. In dit verband heeft de ACM verzoekster medio 2018 bericht over de Uitgangspunten, over de verantwoordelijkheid van verzoekster haar websites www.t-mobile.nl en www.ben.nl (hierna ook: de websites) in lijn te brengen met de Uitgangspunten en over de mogelijkheid dat de ACM tot handhaving over kan gaan.

3. Een toezichthouder van de ACM heeft op verschillende tijdstippen in de periode van 2 oktober 2018 tot en met 9 maart 2019 delen van de website www.t-mobile.nl vastgelegd. Op basis hiervan heeft de ACM het volgende vastgesteld. In de uitnodigingen tot aankoop voor zowel abonnementen met toestel als sim only-abonnementen onder de naam “Go” op de website konden consumenten een keuze maken uit diverse bundels. Als de consument vanaf de homepage van de website naar de uitnodiging tot aankoop ging, stond standaard een bundel met 5 of 10 GB aan data geselecteerd. In de lijst met opties stonden ook bundels met: “Onbeperkt GB”. Onder de lijst met mogelijke bundels stond: “Internet: Je kunt je GB’s gebruiken in NL én EU”. Hierdoor werd volgens de ACM de indruk gewekt dat er met de “Onbeperkt GB” bundels geen beperkingen worden gesteld aan het gebruik van data in de EU. De tekst in het pop-up scherm dat verscheen nadat de consument klikt op de link “Meer info” naast het kopje “Kies je bundel” droeg bij aan deze indruk. Daar stond onder het kopje “INTERNET”: “Internet in NL en EU valt binnen je bundel”. Bij de vastlegging in maart 2019 veranderde, na het selecteren van een bundel met “Onbeperkt GB”, de tekst onder de lijst met bundels in “Internet: onbeperkt NL én 14 GB in EU!”. In oktober en december 2018 is niet vastgelegd wat er gebeurde door een Onbeperkt GB bundel te selecteren. Uit de prijsplannen voor het abonnement “Go” blijkt dat in de periode vanaf 12 juni 2018 tot 12 december 2018 bij het abonnement GO Unlimited, de databundel voor gebruik in de EU beperkt was tot 10 GB. Vanaf 12 december 2018 was de beperking voor datagebruik in de EU 14 GB. In de prijsplannen wordt over het gebruik van de databundel in de EU bij het Unlimited abonnement vermeld: “Na het bereiken van de limiet van jouw databundel, wordt de internetverbinding tijdelijk verbroken. Je krijgt vervolgens de keuze om verder te internetten in de EU door het aanschaffen van een GB-aanvuller of door te kiezen voor betalen per MB (Pay for Use).” Volgens de ACM levert dit een overtreding op van artikel 8.8 van de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc) in verbinding met artikel 6:193c, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW). De ACM heeft verzoekster voor deze overtreding gedurende de periode 2 oktober 2018 tot en met 9 maart 2019 een bestuurlijke boete van € 1.953.000 opgelegd.

4. Voorts is door de ACM aan de hand van vastlegging van delen van de website www.ben.nl in de periode van 2 oktober 2018 tot 8 maart 2019 het volgende vastgesteld. Op 2 oktober 2018 en 8 maart 2019 is homepagina van de website vastgelegd. Op die pagina stond op die momenten een sim only-aanbieding onder vermelding van een maandprijs. Deze pagina is volgens de ACM een uitnodiging tot aankoop. Bij de aanbieding op die pagina was niet vermeld dat sprake was van onvermijdbare eenmalige kosten. Dat aansluitkosten van € 14,95 in rekening werden gebracht, bleek pas op de tweede pagina van de uitnodiging tot aankoop waarop de consument kwam nadat hij op het aanbod op de eerste pagina had geklikt. Op de eerste pagina van de uitnodiging tot aankoop was volgens de ACM derhalve essentiële informatie weggelaten. Dit heeft zich volgens verzoekster van 1 tot 28 oktober 2018 en van 22 januari tot 17 maart 2019 voorgedaan. Op 2 oktober 2018 is een webpagina van de website vastgelegd, waarop abonnementen met toestel werden aangeboden. Bij de afbeeldingen van toestellen was een maandprijs vermeld met daarachter een i’tje. Als op het i’tje werd geklikt, verscheen een tekstblok waarin stond dat eenmalige kosten in rekening worden gebracht. Bovenaan de webpagina met de aanbiedingen stond: “Ik ben wettelijk verplicht eenmalig thuiskopieheffing van € 5,69 te rekenen op je eerste factuur. Ben je een nieuwe klant? Dan betaal je € 14,95 aansluitkosten.” Deze tekst bovenaan de pagina was weergegeven in een kleiner lettertype dan de tekst van de filtering die kon worden aangebracht en ook aanzienlijk kleiner dan de bij de afbeeldingen van de toestellen vermelde tekst, zoals het type toestel, de maandprijs en de kenmerken van het abonnement. Omdat de afbeeldingen van de telefoons en de daarbij vermelde maandprijs en tekst veel opvallender waren, trokken die de aandacht van de gemiddelde consument. Deze kon daardoor volgens de ACM gemakkelijk de kleine tekst over de eenmalige kosten die bovenaan de pagina stond over het hoofd zien. Op 8 maart 2019 is een webpagina vastgelegd waarop abonnementen met toestel werden aangeboden. Bij elk toestel was een maandprijs vermeld met daarbij een i’tje. Indien op het i’tje werd geklikt, verscheen een tekstblok waarin was vermeld dat er eenmalige kosten bestaande uit thuiskopieheffing en aansluitkosten gelden. Zonder op het i’tje te klikken was niet zichtbaar dat er onvermijdbare eenmalige kosten in rekening zouden worden gebracht. De afbeeldingen van toestellen met daarbij een maandprijsvermelding vormen uitnodigingen tot aankoop. Doordat daarbij niet direct zichtbaar was dat onvermijdbare eenmalige kosten in rekening werden gebracht, was volgens de ACM essentiële informatie verborgen gehouden. Hierdoor kon de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst nemen dat hij anders niet had genomen. Volgens verzoekster is de website op dit punt op 30 april 2019 aangepast. Bij de vastlegging in december bracht verzoekster tijdelijk geen aansluitkosten in rekening. Dat stond toen wel bij de aanbieding op de homepagina aangegeven. Volgens de ACM levert het voorgaande in de periode van 2 tot 28 oktober 2018 en van 22 januari 2019 tot 8 maart 2019 een overtreding op van artikel 8.8 van de Whc in verbinding met de artikelen 6:193 d en 6: 193e, aanhef en onder c, van het BW. De ACM heeft verzoekster voor deze overtreding gedurende dezelfde periode eveneens een bestuurlijke boete van € 1.953.000 opgelegd.

5. Naar aanleiding van de boeteoplegging heeft de ACM het publicatiebesluit genomen, nadat zij verzoekster de gelegenheid heeft geboden zich daarover uit te laten.

Beoordeling

6. Verzoekster heeft zowel verzocht om schorsing van het boetebesluit als het publicatiebesluit. Van een spoedeisend belang tot schorsing van het boetebesluit is de voorzieningenrechter niet gebleken. Daarbij is van belang dat de betalingsverplichting gelet op artikel 12p, tweede lid, van de Instellingswet Autoriteit Financi ële Markten (de Instellingswet) gedurende 24 weken is geschorst door het maken van bezwaar tegen dat besluit. Voorts is gesteld noch gebleken dat verzoekster niet in staat is om de boetebedragen (na afloop van die termijn) te voldoen. Een schorsing van het boetebesluit is overigens niet noodzakelijk om tot een schorsing van het publicatiebesluit te kunnen komen. Weliswaar is bij beantwoording van de vraag of ten aanzien van het publicatiebesluit een voorziening dient te worden getroffen in de eerste plaats maatgevend of de boeteoplegging aan verzoekster in essentie al dan niet stand zal kunnen houden, maar die vraag kan worden betrokken in de beoordeling van het publicatiebesluit zolang dit niet onherroepelijk is. Voldoende is dus dat niet alleen bezwaar is gemaakt tegen het publicatiebesluit, maar voorts tegen het boetebesluit.

7.1.

Verzoekster betoogt dat geen sprake is van een overtreding van artikel 8.8 van de Whc in verbinding met artikel 6:193c, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW . Verzoekster wijst er op dat de productnaam “Onbeperkt GB”, met de uiting “Internet: onbeperkt NL én 14 GB in EU” vlakbij elkaar stonden en technisch aan elkaar waren gekoppeld: als deze bundel werd aangeklikt, werd automatisch ook deze extra informatie gegeven. Deze informatie was voor elke bezoeker van de website niet te missen, aangezien de consument over deze informatie heen moest scrollen vóórdat hij een bestelling kon plaatsten. Het tevoorschijn komen van deze informatieboodschap bij het aanklikken van het relevante abonnement stond al sinds 1 mei 2017 op de T-Mobile website, anders dan de ACM doet voorkomen. Volgens verzoekster haalt de ACM twee zeer verschillende uitingen op de website uit hun verband om die op suggestieve wijze tot één ‘misleidende uiting’ te combineren. Eerst neemt de ACM de naam van het onbeperkte abonnement: “Onbeperkt GB”. Vervolgens combineert zij deze uiting met een uiting die te vinden is onder een secundair informatiescherm, dat met een hyperlink vanaf de bestelpagina te openen is: “Internet in NL en EU valt binnen je bundel”. De ACM destilleert hieruit dat de uiting “Internet in NL en EU valt binnen je bundel”. Maar die laatste uiting bevindt zich in een apart informatiescherm, dat met een link onder “meer info” open geklikt moet worden. Dit informatiescherm bevat een lange lijst met algemene informatie over de dekking, de snelheid, de tarieven en het buiten-bundel gebruik van alle data- en belbundels. Vrijwel onderaan deze lijst staan de volgende algemene uitingen: “Internet in NL en EU valt binnen je bundel” en “Internet buiten de EU valt buiten je bundel”. Deze uitingen, die algemene informatie geven over alle abonnementen, geven weer dat voor gebruik binnen de EU géén extra internetbundel aangeschaft hoeft te worden, terwijl dit wel het geval is voor internetgebruik buiten de EU. Anders dan de verschillende abonnementsnamen, zien deze uitingen dus juist niet op de hoeveelheid GB’s die verbruikt kan worden, maar op de geografische inzetbaarheid van de bundel. Daarmee zijn de beide uitingen die de ACM combineert, zowel op basis van de context en presentatie als op basis van de inhoud compleet verschillend. Daarbij komt dat de consument deze uitingen in de praktijk niet met elkaar zal combineren. Een consument moet één van de abonnementen uit het keuzemenu kiezen, voordat een bestelling kan worden geplaatst. Alle bezoekers van de bestelpagina zagen daarom de uiting ‘Onbeperkt GB’. Indien deze werd gekozen, verscheen direct de tekst “Internet: Onbeperkt NL én 14 GB in EU” in beeld. De uiting “Internet in NL en EU valt binnen je bundel” stond daarentegen in een extra scherm met algemene info dat de consument eerst actief open moest klikken. Voorts mag de gemiddelde consument naar alle waarschijnlijkheid bekend worden verondersteld met het feit dat voor onbeperkte abonnementen op grond van artikel 4 van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2286 een datamaximum geldt voor gebruik in het buitenland.

7.2.

Verzoekster is een handelaar waarop Afdeling 3A. van Boek 6 van het BW van toepassing is. Afdeling 3A. van Boek 6 van het BW vormt de omzetting van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken (Richtlijn OHP). Op grond van artikel 6:193, eerste lid, aanhef en onder a, van het BW is sprake van een besluit over een overeenkomst wanneer sprake is van een door een consument genomen besluit over de vraag of, en, zo ja, hoe en op welke voorwaarden hij een product koopt, geheel of gedeeltelijk betaalt, behoudt of van de hand doet, of een contractueel recht uitoefent in verband met het product, ongeacht of de consument overgaat tot handelen. Een daadwerkelijk aankoop is dus niet nodig. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:859 (Trento Sviluppo) is overwogen dat de definitie van een besluit over een transactie als bedoeld in artikel 2 van de Richtlijn OHP naar de bewoording ervan een ruime is en dat dit begrip dus niet alleen het besluit omvat om een product al dan niet te kopen, maar tevens het besluit dat daarmee rechtstreeks verband houdt, met name het besluit om de winkel binnen te gaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is bij het doorklikken op een commercieel aanbod op een website evenzeer sprake van een besluit over een transactie en daarmee van een besluit over een overeenkomst in de zin van Afdeling 3A. van Boek 6 van het BW (zie ook de door de ACM genoemde Richtsnoeren van de Europese commissie voor de tenuitvoerlegging van richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken, blz. 42). Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Het Hof) van 26 oktober 2016 (ECLI:EU:C:2016:800) in de zaak Canal Digital Danmark volgt in dit verband nog dat beperkingen qua tijd die bepaalde communicatiemedia, zoals televisiereclame, kunnen meebrengen, niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de beoordeling of een handelspraktijk misleidend is in de zin van artikel 6, eerste lid, van de Richtlijn OHP.

7.3.

Uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot artikel 6:193c van het BW (Kamerstukken II 2006/07, 30928, nr. 3, blz. 15) volgt dat het bij dit artikel gaat om handelspraktijken waarbij de handelaar foutieve, niet op waarheid gebaseerde informatie verstrekt of informatie die door de wijze van presentatie, hoewel feitelijk gezien correct, op de een of andere manier de consument bedriegt. Deze informatie heeft betrekking op de elementen a tot en met g genoemd in het eerste lid van artikel 6:193c van het BW . Het moet daarbij gaan om informatie, waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen dat hij anders niet had genomen (zie ook CBb 30 januari 2014, ECLI:NL:CBB:2014:250 en Rb. Amsterdam (ktr.) 2 augustus 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:5615). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet zich een dergelijk geval voor in dit geval. Daartoe wordt het volgende overwogen.

7.4.

Aan de hand van de printscreens in het dossier, waarvan de relevante gedeelten ter zitting zijn overgelegd, komt de voorzieningenrechter tot het volgende. De bundel “Onbeperkt GB”, suggereert in combinatie met de tekst “Internet: Je kunt je GB’s gebruiken in NL én EU” die op dezelfde webpagina was weergegeven, dat er geen beperkingen golden voor internet in de EU. De tekst “Internet: onbeperkt NL én 14 GB in EU” stond daar niet bij vermeld. Die tekst verscheen – zoals ter zitting ook naar voren is gekomen – slechts na aanklikken van het vakje Onbeperkt GB en bellen. Omdat de consument de tekst “Internet: Je kunt je GB’s gebruiken in NL én EU” in beeld krijgt bij het EU-vlaggetje lijkt die tekst te zien op alle abonnementen die daarboven zijn genoemd. Dat daarbij het abonnement “5 GB + Onbeperkt bellen” is omrand en niet een van de abonnementen “Onbeperkt GB” maakt dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders. Pas nadat een stap in het bestelproces is gezet door een van die abonnementen aan te klikken verschijnt bij het vlaggetje een andere tekst. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarmee sprake van tegenstrijdige, althans misleidende informatie. De stelling van verzoekster dat de gemiddelde consument naar alle waarschijnlijkheid bekend mag worden verondersteld met het feit dat voor onbeperkte abonnementen een datamaximum geldt voor gebruik in het buitenland, kan hier niet aan afdoen. Van de gemiddelde consument mag bij de toepassing van Afdeling 3A. van Boek 6 van het BW niet worden verwacht dat die op de hoogte is van Europese wetgeving voor zover die haaks staat op de tekst van een aanbieding.

8.1.

Verzoekster betoogt dat geen sprake is van een overtreding van artikel 8.8 van de Whc in verbinding met de artikelen 6:193 d en 6: 193e, aanhef en onder c, van het BW. Volgens verzoekster is de vertaalslag van deze bepalingen in de Uitgangspunten onjuist, omdat de Uitgangspunten geen recht doen aan de noodzaak een concrete beoordeling per geval te verrichten, waarbij het economisch gedrag van de gemiddelde consument uitgangspunt is, terwijl de gedraging niet voorkomt op bijlage I van de Richtlijn oneerlijke handelsprakijken (de zwarte lijst). Die zwarte lijst kan niet door de Nederlandse autoriteiten worden aangevuld door bij voorbaat bepaalde omissies als misleidend te bestempelen, daargelaten of daarvan sprake is. Van een misleidende omissie is volgens verzoekster geen sprake omdat de informatie over de aansluitkosten direct zichtbaar is. Volgens verzoekster stond in oktober 2018 bovenaan de toestelpagina van Ben in heldere bewoordingen dat er eenmalige onvermijdelijke kosten waren, en wat de hoogte hiervan was. Deze uiting was volgens haar niet te missen voor de gemiddelde consument, aangezien dit het eerste was wat hij zag op de toestelpagina. Om bij het overzicht van de toestellen te komen, diende hij voorbij deze uiting te scrollen. De ACM erkent dit ook. De ACM stelt daartegenover dat deze boodschap “in een kleiner lettertype” stond, en dat de afbeeldingen van de telefoons op deze pagina “veel opvallender” waren. Hierdoor zou de gemiddelde consument deze informatieboodschap alsnog over het hoofd zien. Blijkbaar heeft de ACM niet alleen aan de vermelding van de informatie getoetst, maar ineens ook het lettertype van de vermelding. Voor zover de ACM verzoekster aanrekent dat de informatie over de onvermijdelijke eenmalige kosten niet direct naast iedere maandprijs-vermelding staat opgenomen, geldt dat naast élke maandprijs deze eenmalige kosten ook onder het blauwe i’tje stonden. Voor wat betreft de sim-only aanbiedingen op 2 oktober 2018, en ook op 8 maart 2019 gold dat wanneer de consument in op de knop “Naar sim only” klikte, belandde die direct op de bestelpagina, waar uit verschillende soorten sim-only abonnementen kon worden gekozen en waar zowel het bestaan als de hoogte van de eenmalige kosten zichtbaar waren in de rechterkolom van het scherm (de bestelbon/het winkelmandje). De laatste gedraging die de ACM verzoekster aanrekent betreft het aanbod van abonnementen met toestellen op 8 maart 2019. Als het blauw omcirkeld i-tje naast de terugkerende abonnementsprijs werd aangeklikt verscheen een tekstblok waarin was vermeld dat er eenmalige kosten bestaande uit de thuiskopieheffing en aansluitkosten in rekening zouden worden gebracht. Voorts werd het bestaan en de hoogte van de eenmalige kosten direct zichtbaar zodra een consument één van deze abonnementen aanklikte. Dan belandde die namelijk op de bestelpagina, die er net zo uitzag als hiervoor beschreven voor sim-only abonnementen. Ten slotte heeft verzoekster aangevoerd dat de ACM in andere dossiers wel de vermelding van bijkomende kosten via een aanklikbare omcirkelde i akkoord heeft bevonden en dat de vergelijkbare “Uitgangspunten voor handhaving van prijstransparantie in de reisbranche” door de ACM anders zijn uitgelegd dan nu het geval is.

8.2.

Uit de artikelen 6:193d, tweede lid, en 6:193e, aanhef en onder c, van het BW volgt dat een misleidende omissie iedere handelspraktijk is waarbij essentiële informatie welke de gemiddelde consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, wordt weggelaten, waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen. In het geval van een uitnodiging tot aankoop is de volgende informatie, voor zover deze niet reeds uit de context blijkt, essentieel: de prijs, inclusief belastingen, of, als het om een product gaat waarvan de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs wordt berekend en, in voorkomend geval, de extra vracht-, leverings- of portokosten of, indien deze kosten redelijkerwijs niet vooraf kunnen worden berekend, het feit dat deze extra kosten moeten worden betaald. Gelet op het derde lid van artikel 6:193d van het BW , doet zich een geval als in artikel 6:193d, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 6:193e, aanhef en onder c, van het BW voor als de genoemde informatie niet wordt weggelaten, maar wordt verborgen of op onduidelijke, onbegrijpelijke, dubbelzinnige wijze dan wel laat verstrekt wordt.

8.3.

Het vierde lid van artikel 6:193d van het BW strekt er niet toe om de consument bescherming te onthouden in die gevallen dat de consument niet aanstonds, maar uiteindelijk wel bij het doen van de bestelling duidelijk wordt welke kosten hij moet voldoen. Het gebruikte communicatiemedium – een website – kent geen beperkingen van tijd of ruimte en is derhalve bij uitstek geschikt om in de aanbieding de prijs met bijkomende kosten aan de consument te verstrekken zonder beperkingen, aldus ook het College van Beroep voor het bedrijfsleven (het College) in zijn uitspraak van 15 mei 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:145). Gelet op het gebruikte communicatiemedium zal daarom aanstonds bij de eerste prijsvermelding op de website duidelijk moeten zijn welke prijs en eventuele bijkomende onvermijdbare kosten voor een abonnement zijn verschuldigd. Indien die kosten niet vooraf kunnen worden berekend, moet gelet op de tekst van artikel 6:193e, aanhef en onder c, van het BW , worden vermeld dat deze extra kosten moeten worden betaald. In de zojuist genoemde uitspraak van 15 mei 2018, die betrekking had op de aanbieding van pakketreizen op een website heeft het College geoordeeld dat de verplaatsing van de vermelding van de bijkomende kosten van onderaan in de footer naar net boven de footer en de later door de handelaar aangebrachte asterisk er niet toe hebben geleid dat de in de aanbiedingen genoemde prijsinformatie volledig was, zodat de handelaar de overtreding daarmee niet heeft beëindigd.

8.4.

De ACM heeft in de Uitgangspunten onder meer vermeld dat bij iedere uitnodiging tot aankoop direct zichtbaar moet zijn wat de totale maandelijkse kosten voor het abonnement en – als daarvan sprake is – het toestel zijn en of er onvermijdbare eenmalige kosten met betrekking tot het abonnement en/of het toestel in rekening worden gebracht (zoals aansluitkosten en een eenmalige bijbetaling voor het toestel). Daarbij wordt ook, op een zodanige wijze dat deze in het oog springt, de volgende prijsinformatie verstrekt, aldus de Uitgangspunten: de maandelijkse abonnementskosten gedurende de contractperiode; de maandelijkse kosten voor het toestel gedurende de contractperiode indien sprake is van koop op afbetaling van een toestel; de soort eenmalige kosten en de hoogte daarvan indien onvermijdbare eenmalige kosten met betrekking tot het abonnement en/of het

toestel in tekening worden gebracht. Blijkens de definities in de Uitgangspunten wordt verstaan onder “In het oog springen”: de informatie die voor consumenten essentieel is om een geïnformeerde keuze te maken, moet in het oog springen: de informatie mag dus niet te

missen zijn. Deze informatie mag onder een deeplink of mouseover worden opgenomen.

mits aan drie voorwaarden is voldaan: (1) de deeplink of mouseover staat direct daar waar

de informatie betrekking op heeft (plaats op webpagina); (2) de informatie in de deeplink

of mouseover bevat daadwerkelijk de informatie die de consument daar verwacht (inhoud

van informatie in combinatie met de plaats op de webpagina en/of de titel van de deeplink);

en (3) de informatie is concreet en begrijpelijk (bijvoorbeeld de soort en de hoogte van de

kosten bij eenmalige kosten). Voor de volledigheid: indien bepaalde informatie alleen in de

FAQ staat én de link(s) naar deze FAQ staat niet direct bij de plaats waarover de

informatie gaat, dan is dus niet voldaan aan deze definitie, aldus de Uitgangspunten.

8.5.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vormen de Uitgangspunten wetsinterpreterend beleid en stellen die geen hogere eisen aan de telecomaanbieders dan de eisen die volgen uit de artikelen 6:193 d en 6:193e, aanhef en onder c, van het BW. Waar het gaat om maandelijkse abonnementskosten zal bij die abonnementskosten moeten worden aangegeven dat er eenmalige vaste kosten zijn indien die in rekening worden gebracht. Dat die kosten verschuldigd zijn moet direct zichtbaar zijn. De voorzieningenrechter merkt in dit verband op dat eenmalige aansluitkosten naar zijn oordeel onderdeel uitmaken van de prijs. De ACM staat blijkens de Uitgangspunten toe dat in dat geval wordt vermeld dat kosten in rekening worden gebracht en dat de hoogte van die eenmalige kosten dan zichtbaar worden na aanklikken van een omcirkelde i. Dat de ACM eerder inzake de aanbieding van pakketreizen toestond dat onvermijdbare kosten zelf kenbaar werden gemaakt via een omcirkelde i naast de prijsvermelding, maakt niet dat de ACM thans ook gehouden is een dergelijke handelwijze toe te staan. Het staat de ACM namelijk vrij om op basis van een voortschrijdend inzicht tot een ander wetsinterpretatie te komen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de ACM terug kunnen komen van haar eerdere standpunt dat het enkel vermelden van de bijkomende kosten en de hoogte daarvan via een omcirkelde i voldoet aan de eisen van de artikelen 6:193 d en 6:193e, aanhef en onder c, van het BW, omdat de enkele vermelding van een omcirkelde i bij de maandelijkse abonnementsprijs eerder lijkt te verwijzen naar informatie over de samenstelling van dit maandelijkse bedrag dan dat het informatie betreft over bijkomende eenmalige kosten. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat dit gewijzigde standpunt niet in strijd komt met de rechtszekerheid, want de ACM heeft verzoekster voorafgaand aan de controlemomenten op basis waarvan nu is gehandhaafd op de hoogte gesteld van de Uitgangspunten.

8.6.

Niet in geschil is dat op de webpagina’s van ben sprake is van een uitnodiging tot aankoop. In de Uitgangspunten is – zoals gezegd – op goede gronden vermeld dat bij iedere uitnodiging tot aankoop direct de onvermijdbare eenmalige kosten met betrekking tot het abonnement of het toestel zichtbaar moet zijn. Voor de sim only-aanbieding blijkt uit de schermafdrukken, die tijdens de controlemomenten in oktober 2018 en maart 2019 zijn gemaakt, dat op het eerste scherm wel een maandprijs is vermeld maar dat geen informatie is te vinden over eenmalige aansluitkosten die wel van toepassing waren. Reeds daaruit volgt dat sprake was van een misleidende omissie met betrekking tot vereiste van een volledige prijsvermelding. Op de schermafdrukken, die tijdens de controlemomenten in oktober 2018 en maart 2019 zijn gemaakt, is op de pagina voor telefoons met abonnement te zien dat bij abonnementen een maandelijkse abonnementsprijs is vermeld, zonder bij de achter de maandelijkse prijs opgenomen omcirkelde i te vermelden dat daar onvermijdbare eenmalige aansluitkosten bijkomen. Ook daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een misleidende omissie die de gemiddelde consument tot een andere aankoopbeslissing zou kunnen brengen dan wanneer die informatie wel direct zichtbaar zou zijn geweest. In oktober 2018 stond bovenaan de webpagina met de aanbiedingen: “Ik ben wettelijk verplicht eenmalig thuiskopieheffing van € 5,69 te rekenen op je eerste factuur. Ben je een nieuwe klant? Dan betaal je € 14,95 aansluitkosten.” De voorzieningenrechter is met de ACM van oordeel dat de plaats en grootte van die tekst, gelet op de afbeeldingen daaronder van de mobiele telefoons met daaronder de vermelding in grote letters van de maandelijkse abonneeprijs en daarnaast in kleine letters de vermelding “Eenmalige toestelbetaling: 0,-” met zich brengen dat bij de gemiddelde consument de indruk kan worden gewekt dat er geen eenmalige onvermijdelijke aansluitkosten waren verbonden aan de afgebeelde abonnementen. Daarom is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ten aanzien van die aanbiedingen sprake van een misleidende omissie. Omdat op de printscreens die in maart 2019 zijn gemaakt de tekst “Ik ben wettelijk verplicht eenmalig thuiskopieheffing van € 5,69 te rekenen op je eerste factuur. Ben je een nieuwe klant? Dan betaal je € 14,95 aansluitkosten.” of een vergelijkbare tekst bovenaan de webpagina ontbrak, geldt dat op dat tijdstip temeer sprake is van een misleidende omissie.

8.7.

De stelling van verzoekster dat die conclusie niet mag worden getrokken omdat deze handelwijze niet is opgenomen op de zwarte lijst gaat niet op, omdat de aanvullende toets dat de gemiddelde consument door deze omissie tot een andere aankoopbeslissing zou kunnen worden gebracht dan wanneer die informatie wel direct zichtbaar zou zijn geweest, is verricht. Zo heeft het College in zijn hiervoor genoemde uitspraak van 15 mei 2018 overwogen dat de handelaar, door in de verschillende aanbiedingen van pakketreizen op haar website een prijs te vermelden die niet alle kosten(componenten) omvat en daarin ook overigens niet te vermelden dat er nog bijkomende kosten zijn en wat de hoogte daarvan is, een consument essentiële informatie heeft onthouden als gevolg waarvan die consument een besluit heeft kunnen nemen over een overeenkomst dat hij anders niet zou hebben genomen. Het voorliggende geval is daarmee vergelijkbaar.

9. Naar zijn aard geldt zowel voor de misleidende informatie in de zin van artikel 6:193c, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW en als voor de misleidende omissie in de zin van de artikelen 6:193 d en 6:193e, aanhef en onder c, van het BW, dat die de gemiddelde consument kunnen misleiden, en dat deze gedragingen naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorts, mede gelet op het gebruikte medium, schade toe (kunnen) brengen aan de collectieve belangen van consumenten, zodat voorts sprake is van inbreuken in de zin van de Whc, zoals de ACM heeft overwogen. Uit artikel 11, tweede lid, van de Richtlijn OHP en de daarop gebaseerde wetgeving volgt overigens dat daadwerkelijke schade niet hoeft te zijn geleden alvorens tot handhaving kan worden overgegaan. Het gaat er dus om dat er in potentie schade (aan de collectieve belangen van consumenten) kan worden toegebracht. Gelet hierop volgt de voorzieningenrechter voorts de ACM in haar standpunt dat sprake is van een overtreding van artikel 8.8 van de Whc en dat de ACM daarom in beginsel bevoegd was om verzoekster bestuurlijke boetes op te leggen op grond van artikel 2.9 van de Whc . ACM heeft voorts in redelijkheid tot oplegging van twee bestuurlijke boetes voor deze overtredingen kunnen overgegaan. Daarbij is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster – anders dan zij betoogt – een verwijt van de overtredingen kan worden gemaakt. Dat sprake is van open normen maakt niet dat het voor verzoekster niet duidelijk kon zijn wat van haar werd verwacht (CBb 25 augustus 2015, ECLI:NL:CBB:2015:285), terwijl de ACM op een eerder moment de Uitgangspunten – die niet afwijken van de wettelijke normen, maar die verduidelijken – bij verzoekster uitdrukkelijk onder de aandacht heeft gebracht.

10. Gelet op artikel 12u van de Instellingswet Autoriteit Financi ële Markten was de ACM gehouden de besluiten tot boeteoplegging met inachtneming van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur openbaar te maken. Uitgangspunt hierbij is dat voor de vraag of ter zake van het publicatiebesluit – en het voorgenomen persbericht – een voorziening dient te worden getroffen in de eerste plaats maatgevend is of de boeteoplegging aan verzoekers – in zijn geheel – al dan niet stand zal kunnen houden. Voor een schorsing van besluit 2 is dus geen aanleiding enkel indien enige twijfel bestaat ter zake van de hoogte van de boetebedragen (CBb (vzr.) 23 januari 2014, ECLI:NL:CBB:2014:7; CBb 7 mei 2014, ECLI:NL:CBB:2014:163 en CBb (vznr) 1 juni 2015, ECLI:NL:CBB:2015:179).

11.1.

Verzoekster betoogt dat sprake is van een wanverhouding tussen de overtredingen en de boetebedragen. In dit verband heeft zij onder meer aangevoerd dat sprake is van een verminderde ernst omdat de consumenten op verschillende plaatsen werden geattendeerd op de aansluitingskosten, dat de boetebedragen het veelvoud bedragen van bestuurlijke boetes die in het verleden voor dergelijke overtredingen zijn opgelegd, terwijl de wetgever met de invoering van een boete gerelateerd aan de omzet niet heeft beoogd dat de ACM hogere boetes zou gaan opleggen (Kamerstukken II 2014/15, 34 190, nr. 3, blz. 4 en blz. 8-9), en dat de boetebedragen op niet transparante en willekeurige wijze zijn vastgesteld, waarbij verzoekster wijst op een relatief vergelijkbare boeteoplegging in een ander dossier, terwijl daarin sprake was van een langere periode van overtreding. Ten slotte wijst zij er op dat zij tezamen met [Naam onderneming] , die zij heeft overgenomen, een recordboetebedrag van in totaal van

€ 6,6 mln. heeft opgelegd gekregen en dat publicatie daarvan reeds vanwege die hoogte onevenredig is.

11.2.

Met het oog op het voorkomen van publicatie van het boetebesluit kan verzoekster dit betoog niet baten. Niet in geschil is dat de boetebedragen die thans aan verzoekster zijn opgelegd zijn gerelateerd aan een percentage dat ligt binnen de bandbreedte van 0,75 en 7,5 promille van haar omzet, dit in overeenstemming met de Boetebeleidsregel (ernstcategorie III) en waarbij op de basisbedragen vanwege samenhang een korting van 25% is toegepast. Dat is aanzienlijk minder dan het wettelijke maximum van 1% van de omzet, dat sinds 1 juli 2016 geldt. De ACM is derhalve binnen de wettelijke bevoegdheidsafbakening gebleven en heeft niet in strijd met haar beleid gehandeld bij de vaststelling van de boetehoogte. Dat thans aan verzoekster in absolute zin aanzienlijk hogere boetes zijn opgelegd dan in het verleden is gebeurd voor soortgelijke gedragingen van anderen maakt dit niet anders, omdat voorheen een aanzienlijk lager boeteplafond gold. Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat de ernst van de gedragingen dermate gering is dat sprake is van een wanverhouding tussen de ernst en de boetehoogte. Ook bestaat geen grond voor het oordeel dat de boetevaststelling willekeurig is omdat de ACM in twee op zich vergelijkbare gevallen dezelfde boete heeft opgelegd, terwijl die niettemin niet volledig vergelijkbaar zouden zijn vanwege een beperkt verschil in de duur van de overtreding. De omstandigheid dat verzoekster en [Naam onderneming] inmiddels behoren tot hetzelfde concern, levert geen dubbele bestraffing op en maakt het totale boetebedrag niet onevenredig (vgl. CBb 12 september 2006, ECLI:NL:CBB:2006:AY8029).

11.3.

De wetsgeschiedenis van de wijziging van een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Economische Zaken, houdende een verhoging van voor de ACM geldende boetemaxima, doet niet af aan wat hiervoor is overwogen. In de memorie van toelichting is onder meer het volgende overwogen (Kamerstukken II 2014/15, 34 190, nr. 3 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-34190-3.pdf), blz. 8-9):

“Vanzelfsprekend kan een verhoging van de boetemaxima er in bepaalde gevallen – als marktorganisaties ondanks het risico op een forse boete toch de regels overtreden – toe leiden dat er een hogere boete wordt opgelegd door de ACM, maar dat is niet de doelstelling van dit wetsvoorstel. Het wetsvoorstel wijzigt dan ook niets aan de wijze waarop de ACM met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel boetes oplegt.

Dat een boete evenredig dient te zijn volgt uit de Algemene wet bestuursrecht (artikelen 3:4, tweede lid, en 5:46, tweede lid ) en is uitgewerkt in de Boetebeleidsregel. Het betekent dat de nadelige gevolgen van de opgelegde boete niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot het doel van de boeteoplegging en dat de boete moet passen bij de aard (ernst en duur) van de overtreding. Dit wetsvoorstel beoogt op geen enkele wijze iets aan dit uitgangspunt te veranderen. Het uitgangspunt van evenredigheid zal bovendien nog explicieter worden verankerd in de Boetebeleidsregel. Verwacht wordt dat de ACM, als gevolg van de voorgestelde maatregelen, alleen hogere boetes zal opleggen indien de boete die zij overeenkomstig de Boetebeleidsregel zou willen opleggen, niet past binnen de huidige boetemaxima. Of deze verwachting terecht is, zal de handhavingspraktijk van de ACM uitwijzen.”

Uit deze passage volgt niet dat de wetgever slechts een hoger boetemaximum heeft willen vaststellen met het oog op de preventieve werking die daar reeds van uit zou gaan en de ACM zodanig aan banden heeft willen leggen dat de ACM feitelijk geen gebruik zou kunnen maken van dit aan het vermogen gerelateerde boetemaximum, wat die wetgeving overigens zinledig zou maken. Wel volgt uit de wetsgeschiedenis dat de ACM zich bij de oplegging van boetes zal moeten (blijven) houden aan het evenredigheidsbeginsel. Gelet op wat hiervoor is overwogen bestaat geen grond voor het oordeel dat het boetebedrag onevenredig is.

12. Gelet op het in artikel 12u van de Instellingswet besloten liggende uitgangspunt dat de ACM overgaat tot openbaarmaking van sanctiebesluiten, terwijl in wat hiervoor is geoordeeld besloten ligt dat de boeteoplegging naar verwachting in essentie in rechte stand zal kunnen houden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat voor een nadere belangenafweging zoals verzoekster die blijkens haar verzoekschrift voorstaat geen plaats is. Voorts heeft de ACM in wat door verzoekster is aangevoerd niet tot het oordeel hoeven komen dat openbaarmaking van het boetebesluit in strijd is of zou kunnen komen met het doel van het aan de ACM opgedragen toezicht op de naleving. En ten slotte heeft de ACM het te publiceren boetebesluit geschoond van gegevens die ingevolge artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur niet voor verstrekking in aanmerking komen. Ook het persbericht zoals de ACM ter zitting heeft gesteld deze te zullen publiceren, voldoet aan deze eisen.

13. Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van het boetebesluit of het publicatiebesluit.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 24 december 2019.

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Bijlage

Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005

betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (“Richtlijn oneerlijke handelspraktijken”)

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

(…)

i. i) uitnodiging tot aankoop: een commerciële boodschap die de kenmerken en de prijs van het product op een aan het gebruikte medium aangepaste wijze vermeldt en de consument aldus in staat stelt een aankoop te doen;

k) besluit over een transactie: een door een consument genomen besluit over de vraag of, en, zo ja, hoe en op welke voorwaarden hij een product koopt, geheel of gedeeltelijk betaalt, behoudt of van de hand doet, of een contractueel recht uitoefent in verband met het product, ongeacht of de consument wel of niet tot handelen overgaat;

(…)

Artikel 6

Misleidende handelingen

1. Als misleidend wordt beschouwd een handelspraktijk die gepaard gaat met onjuiste informatie en derhalve op onwaarheden berust of, zelfs als de informatie feitelijk correct is, de gemiddelde consument op enigerlei wijze, inclusief door de algemene presentatie, bedriegt of kan bedriegen ten aanzien van een of meer van de volgende elementen, en de gemiddelde consument er zowel in het ene als in het andere geval toe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen:

(…)

b) de voornaamste kenmerken van het product, zoals beschikbaarheid, voordelen, risico's, uitvoering, samenstelling, accessoires, klantenservice en klachtenbehandeling, procédé en datum van fabricage of verrichting, levering, geschiktheid voor het gebruik, gebruiksmogelijkheden, hoeveelheid, specificatie, geografische of commerciële oorsprong, van het gebruik te verwachten resultaten, of de resultaten en wezenlijke kenmerken van op het product verrichte tests of controles;

(…)

Artikel 7

Misleidende omissies

1. Als misleidende omissie wordt beschouwd een handelspraktijk die in haar feitelijke context, al haar kenmerken en omstandigheden en de beperkingen van het communicatiemedium in aanmerking genomen, essentiële informatie welke de gemiddelde consument, naargelang de context, nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, weglaat en die de gemiddelde consument er toe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen.

2. Als misleidende omissie wordt voorts beschouwd een handelspraktijk die essentiële informatie als bedoeld in lid 1, rekening houdend met de in dat lid geschetste details, verborgen houdt, op onduidelijke, onbegrijpelijke, dubbelzinnige wijze dan wel laattijdig verstrekt, of het commerciële oogmerk, indien dit niet reeds duidelijk uit de context blijkt, niet laat blijken, en de gemiddelde consument er zowel in het ene als in het andere geval toe brengt of kan brengen een besluit over een transactie te nemen dat hij anders niet had genomen.

3. Indien het voor de handelspraktijk gebruikte medium beperkingen qua ruimte of tijd meebrengt, wordt bij de beoordeling of er informatie werd weggelaten met deze beperkingen rekening gehouden, alsook met maatregelen die de handelaar genomen heeft om de informatie langs andere wegen ter beschikking van de consument te stellen.

4. In het geval van een uitnodiging tot aankoop wordt de volgende informatie als essentieel beschouwd, indien deze niet reeds uit de context blijkt:

(…)

c) de prijs, inclusief belastingen, of, als het om een soort product gaat waarvan de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs wordt berekend, en, in voorkomend geval, alle extra vracht-, leverings- of portokosten of, indien deze kosten redelijkerwijs niet vooraf kunnen worden berekend, het feit dat er eventueel deze extra kosten moeten worden betaald;

(…)

Artikel 1 1

Handhaving

(…)

1. De lidstaten zorgen voor de invoering van passende en doeltreffende middelen ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken, zodat de naleving van deze richtlijn in het belang van de consumenten kan worden afgedwongen.

(…)

2. In het kader van de in lid 1 bedoelde wettelijke bepalingen verlenen de lidstaten aan rechterlijke of administratieve instanties bevoegdheden om, ingeval deze instanties dergelijke maatregelen, rekening houdend met alle belangen die op het spel staan en met name het algemeen belang, nodig achten:

a. a) te bevelen dat de oneerlijke handelspraktijken worden gestaakt of een gerechtelijke procedure in te leiden ter verkrijging van zo’n bevel,

of

b) indien de oneerlijke handelspraktijk nog niet is uitgevoerd, maar op het punt staat te worden uitgevoerd, de praktijk te verbieden of een gerechtelijke procedure in te leiden om de praktijk te laten verbieden,

ook zonder bewijs van daadwerkelijk geleden verlies of schade of van opzet of onachtzaamheid van de handelaar.

(…)

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8:8 1

1. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

(…)

Instellingswet Autoriteit Financiële Markten

Artikel 12 p

1. De werking van een beschikking van de Autoriteit Consument en Markt tot oplegging van een bestuurlijke boete wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen die beschikking, is verstreken.

2. Indien binnen de in het eerste lid bedoelde termijn een bezwaarschrift is ingediend, wordt, in afwijking van het eerste lid, de werking van de beschikking opgeschort met 24 weken gerekend met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze aan de overtreder is bekendgemaakt of, indien dat eerder is, tot de dag na die waarop de beslissing op bezwaar op de voorgeschreven wijze aan de overtreder is bekendgemaakt.

Artikel 12 u

1. De Autoriteit Consument en Markt maakt een door haar genomen beschikking tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie of een bindende aanwijzing, niet zijnde een beschikking als bedoeld in artikel 12v, eerste lid, openbaar met dien verstande dat gegevens die ingevolge artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur niet voor verstrekking in aanmerking komen, niet openbaar worden gemaakt.

2. De openbaarmaking van de beschikking geschiedt niet eerder dan nadat tien werkdagen zijn verstreken na de dag waarop de beschikking aan de overtreder bekend is gemaakt, tenzij de overtreder de beschikking zelf heeft openbaar gemaakt, heeft doen openbaar maken of heeft aangegeven geen bedenkingen te hebben tegen eerdere openbaarmaking.

3. Indien wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht , wordt de openbaarmaking van de beschikking opgeschort totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan of het verzoek is ingetrokken.

4. Indien de openbaarmaking van de beschikking naar het oordeel van de Autoriteit Consument en Markt in strijd is of zou kunnen komen met het doel van het aan de Autoriteit Consument en Markt opgedragen toezicht op de naleving, blijft openbaarmaking achterwege.

(…)

Wet handhaving consumentenbescherming

Artikel 1. 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

f. inbreuk: elke overtreding van een wettelijke bepaling als bedoeld in de bijlage bij deze wet, welke schade toebrengt of kan toebrengen aan de collectieve belangen van consumenten;

(…)

q. wettelijke bepalingen: de communautaire wetgeving ter bescherming van de belangen van de consument bedoeld in de bijlage bij deze wet, zoals geïmplementeerd in het Nederlands recht en het recht van de lidstaten.

Artikel 2. 9

Indien de Autoriteit Consument en Markt van oordeel is dat een inbreuk of intracommunautaire inbreuk heeft plaatsgevonden, kan zij de overtreder opleggen:

a. een last onder dwangsom;

b. een bestuurlijke boete.

Artikel 2.1 5

1. De bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 2.9, bedraagt ten hoogste € 900.000 of, indien dat meer is, 1% van de omzet van de overtreder.

(…)

Artikel 8. 8

Het is een handelaar als bedoeld in artikel 193a, eerste lid, onderdeel b, van Boek 6 van het Burgerlijk wetboek niet toegestaan oneerlijke handelspraktijken te verrichten als bedoeld in Afdeling 3A van Titel 3 van dat boek.

Bijlage bij de Wet handhaving consumentenbescherming

(…)

Richtlijn 2005/29/EG (https://wetten.overheid.nl/BWBR0020586/2019-07-21?celex=32005L0029) van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG (https://wetten.overheid.nl/BWBR0020586/2019-07-21?celex=31984L0450) van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG (https://wetten.overheid.nl/BWBR0020586/2019-07-21?celex=31997L0007), 98/27/EG (https://wetten.overheid.nl/BWBR0020586/2019-07-21?celex=31998L0027) en 2002/65/EG (https://wetten.overheid.nl/BWBR0020586/2019-07-21?celex=32002L0065) van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0020586/2019-07-21?celex=32004R2006) van het Europees Parlement en de Raad (Richtlijn oneerlijke handelspraktijken) (PbEU 2005, L149)

De artikelen 8.8 en 8.11 van de ze wet

Burgerlijk Wetboek Boek 6

Afdeling 3A. Oneerlijke handelspraktijken

Artikel 193 a

1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

(…)

e. besluit over een overeenkomst: een door een consument genomen besluit over de vraag of, en, zo ja, hoe en op welke voorwaarden hij een product koopt, geheel of gedeeltelijk betaalt, behoudt of van de hand doet, of een contractueel recht uitoefent in verband met het product, ongeacht of de consument overgaat tot handelen;

(…)

Artikel 193 b

1. Een handelaar handelt onrechtmatig jegens een consument indien hij een handelspraktijk verricht die oneerlijk is.

(…)

3 Een handelspraktijk is in het bijzonder oneerlijk indien een handelaar:

a. een misleidende handelspraktijk verricht als bedoeld in de artikelen 193c tot en met 193g, of (…)

(…)

Artikel 193 c

1. Een handelspraktijk is misleidend indien informatie wordt verstrekt die feitelijk onjuist is of die de gemiddelde consument misleidt of kan misleiden, al dan niet door de algemene presentatie van de informatie, zoals ten aanzien van:

(…)

b. de voornaamste kenmerken van het product, zoals beschikbaarheid, voordelen, risico’s, uitvoering, samenstelling, accessoires, klantenservice en klachtenbehandeling, procédé en datum van fabricage of verrichting, levering, geschiktheid voor het gebruik, gebruiksmogelijkheden, hoeveelheid, specificatie, geografische of commerciële oorsprong, van het gebruik te verwachten resultaten, of de resultaten en wezenlijke kenmerken van op het product verrichte tests of controles;

(…)

waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen.

(…)

Artikel 193 d

1. Een handelspraktijk is bovendien misleidend indien er sprake is van een misleidende omissie.

2. Een misleidende omissie is iedere handelspraktijk waarbij essentiële informatie welke de gemiddelde consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, wordt weggelaten, waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen.

3. Van een misleidende omissie is eveneens sprake indien essentiële informatie als bedoeld in lid 2 verborgen wordt gehouden of op onduidelijke, onbegrijpelijke, dubbelzinnige wijze dan wel laat verstrekt wordt, of het commerciële oogmerk, indien dit niet reeds duidelijk uit de context blijkt, niet laat blijken, waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen, dat hij anders niet had genomen.

4. Bij de beoordeling of essentiële informatie is weggelaten of verborgen is gehouden worden de feitelijke context, de beperkingen van het communicatiemedium alsook de maatregelen die zijn genomen om de informatie langs andere wegen ter beschikking van de consument te stellen, in aanmerking genomen.

Artikel 193 e

In het geval van een uitnodiging tot aankoop is de volgende informatie, voor zover deze niet reeds uit de context blijkt, essentieel als bedoeld in artikel 193d lid 2:

(…)

c. de prijs, inclusief belastingen, of, als het om een product gaat waarvan de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs wordt berekend en, in voorkomend geval, de extra vracht-, leverings- of portokosten of, indien deze kosten redelijkerwijs niet vooraf kunnen worden berekend, het feit dat deze extra kosten moeten worden betaald;

(…)


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature