< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Pride-zaken; Vrijspraak voor deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.

Uitspraak



Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/960131-15

Datum uitspraak: 19 juli 2018

Verstek

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaaktegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen en zonder bekende feitelijke woon- of

verblijfplaats in Nederland.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 12 september 2017, 20 februari 2018 en 5 juli 2018.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officieren van justitie mrs. L.B. Haneveld en J.F. de Boer (hierna: de officier van justitie) hebben gevorderd:

bewezenverklaring van het tenlastegelegde, te weten zowel deelneming aan een terroristische organisatie als training voor terrorisme;

veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren;

de gevangenneming van de verdachte.

4 Aanwezigheidsrecht

De verdachte is op geen van de terechtzittingen verschenen.

De rechtbank stelt voorop dat het aanwezigheidsrecht één van de meest fundamentele rechten van een verdachte is, dat valt binnen het in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) verankerde recht op een eerlijk proces. Uitgangspunt is dan ook dat zoveel mogelijk in het werk wordt gesteld om de verdachte ter terechtzitting aanwezig te laten zijn. Zeker indien de verdachte heeft aangegeven bij zijn berechting aanwezig te willen zijn of wanneer hij (in het buitenland) is gedetineerd, kunnen belangen van slachtoffers of het algemene belang van een berechting binnen redelijke termijn niet opwegen tegen het aanwezigheidsrecht, ook niet als de verdachte wel aanwezig is geweest bij een eerdere procedure (EHRM 14 februari 2017, appl. no. 30749/12, Hokkeling v. The Netherlands, r.o. 62).

Toch behoort berechting buiten aanwezigheid van de verdachte tot de mogelijkheden. Uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens valt, kort samengevat, af te leiden dat een berechting buiten de aanwezigheid van de verdachte niet in strijd is met artikel 6 van het EVRM indien de verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht dan wel zich onttrekt aan berechting. In dat laatste geval is in elk geval wel vereist dat de verdachte op de hoogte is van de tegen hem ingestelde strafvervolging en de autoriteiten zich in het bijzonder hebben ingespannen om de verdachte op de hoogte te brengen van de lopende procedure.

De rechtbank oordeelt als volgt.

De verdachte heeft geen afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. De rechtbank kan niet met voldoende mate van zekerheid vast stellen dat de verdachte op de hoogte is van de tegen hem ingestelde strafzaak. De vraag die de rechtbank zich stelt is vervolgens of zich een situatie voordoet die gelijk is aan een onttrekking aan berechting.

Indien, zoals naar Nederlands recht, berechting buiten aanwezigheid van de verdachte mogelijk is, zal in het uiterste geval moeten worden aanvaard dat een strafgeding buiten aanwezigheid van de verdachte wordt gevoerd, ook als niet vast staat dat de verdachte van het bestaan van het geding op de hoogte is. Die consequentie wordt in elk geval aanvaard als de verdachte, die mede door eigen toedoen onvindbaar is, voldoende mogelijkheden zijn geboden om bij zijn strafzaak aanwezig te zijn, omdat andere, zwaarwegende belangen de doorslag geven. Daarbij kan worden gedacht aan het belang dat de samenleving heeft bij openbare berechting binnen redelijke termijn en aan belangen van slachtoffers, familieleden van de verdachte of anderen.

De zaak tegen de verdachte is driemaal aangebracht. Op basis van de (processen-verbaal over de) pogingen tot uitreiking van de dagvaarding en oproepingen kan worden vastgesteld dat de verdachte beweerdelijk is afgereisd naar een strijdgebied, waaruit hij niet wilde terugkeren, dan wel terugkeer op zijn minst genomen moeilijk zou zijn. De rechtbank constateert verder dat de officier van justitie aan zijn inspanningsverplichting om contact te krijgen met de verdachte inhoud heeft gegeven in de eerste plaats door meermalen via het sociale medium Facebook, gericht op Mosul in Irak, advertenties te sturen met als inhoud dat Nederlandse strijders in het desbetreffende gebied strafrechtelijk worden vervolgd en aanduiding van de mogelijkheid om kennis te nemen van de precieze inhoud van de dagvaarding. Dit bericht is vele malen gedeeld en aangenomen mag worden dat dit in brede kring van betrokkenen, waartoe ook de verdachte beweerdelijk behoort, bekend is geworden; en de tweede plaats door de dagvaarding en oproepingen via andere personen, in het bijzonder familieleden, aan de verdachte te laten sturen. De dagvaarding respectievelijk oproepingen voor de zittingen zijn aan de vader van de verdachte verstrekt; hij wenste de akte van uitreiking niet te ondertekenen. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie aldus in voldoende mate aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan.

Er staan daarnaast zwaarwegende belangen op het spel. De officier van justitie verwijt de verdachte dat hij heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie in Syrië en/of Irak. Dit soort feiten vormt een ernstige verstoring van de rechtsorde; zij hangen direct samen met een van de grootste uitdagingen waarvoor Nederland en andere landen in Europa zich zien gesteld, namelijk de opvang van mensen uit die regio die vluchten voor oorlogsgeweld. Het is maatschappelijk gezien van groot belang dat in deze zaken zichtbaar recht wordt gedaan.

De rechtbank oordeelt op grond van het bovenstaande, dat de afwezigheid van de verdachte bij de behandeling van de strafzaak moet worden gelijkgesteld aan de zaken waarin de verdachte zich aan de berechting onttrekt, nu hij kennelijk welbewust naar een strijdgebied is afgereisd, daar voor de justitiële autoriteiten, hoewel die zich in het bijzonder hebben ingespannen om de dagvaarding en oproepingen uit te reiken, onbereikbaar is en de openbare berechting in deze zaak een zwaarwegend, maatschappelijk belang vormt.

5 Vrijspraak

Algemeen

Voor strafbare deelneming aan een organisatie met een terroristisch oogmerk als bedoeld in artikel 140a Sr is vereist dat de verdachte weet, in de zin van onvoorwaardelijk opzet, dat de organisatie het oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Uit jurisprudentie volgt dat van deelneming aan een criminele (terroristische) organisatie sprake is indien een betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten, en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken. Indien vast staat dat de verdachte deel heeft uitgemaakt van een organisatie met het oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven, staat daarmee ook vast dat hij een aandeel heeft gehad in de verwezenlijking van het terroristische oogmerk (rechtbank Rotterdam, 23 maart 2017, ECLI:NL:RBROT:2017: 2258). Dit geldt eens te meer nu een organisatie met het oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven, anders dan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven zonder meer, geen legitiem doel kan hebben en derhalve ook geen activiteiten die op zichzelf legitiem kunnen zijn. Daarom bestaat in dit soort gevallen geen noodzaak om te onderscheiden tussen verschillende vormen van deelneming. Dat betekent evenwel niet, dat het enkele verblijven en vestigen in het strijdgebied dat onder controle staat van een organisatie met het oogmerk tot het plegen van terroristische misdrijven meebrengt dat de verdachte ook deelneemt aan die organisatie. Anders gezegd, burgerschap onder de macht van een terroristische organisatie brengt niet automatisch lidmaatschap van die organisatie mee (rechtbank Rotterdam, 13 november 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:8858).

Het bovenstaande brengt mee, dat voor bewijs van strafbare deelname aan een organisatie met een terroristisch oogmerk, dat wil zeggen aan de Islamitische Staat (IS) of haar voorgangers dan wel aan Jabhat al-Nusra (JaN) of de opvolgende organisaties, bewijs van aanwezigheid in de desbetreffende strijdgebieden niet volstaat. Er dient aanvullend bewijs te zijn in de vorm van bijvoorbeeld een afbeelding of een (telefoon)gesprek waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de verdachte deelneemt aan een dergelijke organisatie. Daartoe kan ook behoren een schriftelijk bescheid inhoudende een verklaring van een anonieme informant van de algemene inlichtingen en veiligheidsdienst, mits wordt voldaan aan de eisen van artikel 344a van het Wetboek van Strafvordering. Deze bepaling eist dat het bewijs niet uitsluitend of in beslissende mate op dat schriftelijke bescheid mag steunen (eerste lid), de bewezenverklaring (dus) in belangrijke mate steun vindt in andersoortig bewijsmateriaal en door of namens de verdachte niet op enig moment in het geding de wens te kennen is gegeven om de anonieme persoon te ondervragen of te doen ondervragen (derde lid). Daaraan voegt de rechtbank nog toe dat zij met buitengewone voorzichtigheid dient om te gaan met dergelijke verklaringen. Dit betekent, dat de rechtbank slechts acht zal slaan op verklaringen van een anonieme informant die betrouwbaar wordt geacht en waarin bijzonderheden worden opgegeven, als die steun vinden in overige bewijsmiddelen uit het dossier.

Bijzonder

In de zaak tegen de verdachte stelt de rechtbank het volgende vast.

Aan de verdachte is ten laste gelegd, kort gezegd, de deelneming aan de terroristische organisaties IS en JaN in Syrië en/of Irak, alsmede training voor terrorisme in Syrië en/of Irak.

Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de verdachte begin februari 2013 is uitgereisd met als bestemming Syrië. De familie van de verdachte was op dat moment bang dat hij zou worden ingezet om te vechten in de oorlog tegen Syrië. Familieleden zouden ook hebben gemeld dat hij door een imam was aangezet tot de jihad.

Volgens de man die de verdachte en een medeverdachte naar het vliegveld in Duitsland heeft gebracht, hadden zij hem verteld dat zij naar Syrië wilden gaan om de moslimbroeders te helpen.

In het vierde kwartaal van 2016 is anonieme informatie ontvangen waaruit blijkt dat de verdachte zich zou hebben aangesloten bij Jabhat Fatah Al-Sham. Een oordeel over de betrouwbaarheid van deze informatie kan niet worden gegeven en deze informatie bevat geen bijzonderheden die steun vinden in overige bewijsmiddelen uit het dossier. De rechtbank zal dan ook geen acht slaan op deze informatie.

Uit het dossier komt overigens op geen enkele wijze naar voren dat de verdachte zich in Syrië zou hebben aangesloten bij één van de voornoemde terroristische organisaties en voor zover daarvan al sprake zou zijn, wat dan de feitelijke rol van de verdachte is geweest en/of dat er sprake zou zijn geweest van gedragingen die zouden kunnen worden opgevat als deelneming aan die organisatie.

Het gegeven dat de verdachte na zijn uitreis naar Syrië zou zijn verbleven in de nabijheid van een medeverdachte die naar eigen zegge lid is van IS, een Kalasjnikov heeft en in Sham (IS-gebied) is, is hiertoe onvoldoende.

Uit het bovenstaande volgt dat evenmin is vast komen te staan dat de verdachte een training voor terrorisme heeft gevolgd.

Conclusie

Het tenlastegelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

6 Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

7 Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.L.M. Boek, voorzitter,

en mrs. J.J. Bade en D.L. Spierings, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Meulendijk, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank 19 juli 2018.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij

op één of meerdere tijdstippen in de periode van 03 februari 2013 tot en met

05 juni 2017 te Syrië en/of Irak,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

heeft deelgenomen aan een of meer organisatie(s), namelijk Islamitische Staat

(IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of

Iraq and Levant (ISIL) en/of Tahrir al-Sham (voorheen Jabhat Fateh al-Sham

en/of Jabhat al-Nusra), althans (telkens) een aan IS en/of aan Al Qaida

gelieerde organisatie(s), althans (telkens) (een) organisatie(s) die de

gewapende Jihadstrijd voorstaat/voorstaan, welke organisatie(s) tot oogmerk

had(den) het plegen van terroristische misdrijven, te weten,

A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar

lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit

feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van

Strafrecht), (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in

artikel 176a van het Wetboek van Strafrecht ) en/of

B. doodslag (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in

artikel 288a van het Wetboek van Strafrecht ) en/of

C. moord (te) begaan met een terroristisch oogmerk (zoals bedoeld in artikel

289a jo. 83 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

D. de samenspanning en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot

eerder vermelde misdrijven (zoals bedoeld in artikel 176a en /of 289a en/of

96 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) en/of

E. het voorhanden hebben van een of meerdere wapens en/of munitie van de

categorieën II en/of III (zoals bedoeld in artikel 26 lid 1 van de Wet wapens

en munitie) (te) begaan met een terroristisch oogmerk en/of met het oogmerk om

een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken (zoals

bedoeld in artikel 55 lid 1 en/of lid 5 van de Wet wapens en munitie)

(artikel 140a Wetboek van Strafrecht )

en/of

hij

op één of meerdere tijdstippen in de periode van 03 februari 2013 tot en met

05 juni 2017 te Syrië en/of Irak,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

heeft verschaft en/of heeft trachten te verschaffen en/of

- kennis en/of vaardigheden heeft verworven en/of (een) ander(en) heeft

bijgebracht;

tot het plegen van een terroristisch misdrijf en/of een misdrijf ter

voorbereiding en/of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf.

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging

met elkaar, althans alleen

A. zich het radicaal extremistisch gedachtegoed van de gewapende Jihadstrijd

met een terroristisch oogmerk gevoerd door de (terroristische) organisatie

Islamitische Staat (IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of

Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) en/of Tahrir al-Sham (voorheen Jabhat

Fateh al-Sham en/of Jabhat al-Nusra), althans (telkens) een aan IS en/of aan

Al Qaida gelieerde organisatie(s), althans (telkens) (een) organisatie(s) die

de gewapende Jihadstrijd voorstaat/voorstaan, eigen gemaakt en/of

B. zich begeven naar en/of verbleven in het strijdgebied in Syrië, in elk

geval één of meer land(en) deel uitmakende van het/een strijdgebied en/of de

gewapende strijd en/of

C. kennis vergaard over gevechtshandelingen en/of deelgenomen aan

(gevechts)trainingen en/of (daarmee/daarbij) voorbereidingen getroffen voor de

deelname aan de gewapende strijd in Syrië en/of Irak, in elk geval één of meer

land(en) deel uitmakende van het/een strijdgebied en/of de gewapende strijd

en/of

D. in Syrië en/of Irak vuurwapen(s), althans een of meer op

(een)(vuur)wapen(s) gelijkend(e) voorwerp(en), gedragen en/of gebruikt,

althans voorhanden gehad en/of

E. in Syrië en/of Irak deelgenomen en/of bijgedragen aan de gewelddadige

Jihadstijd gevoerd door de (terroristische) organisatie Islamitische Staat

(IS), dan wel Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en/of Islamic State of

Iraq and Levant (ISIL) en/of Tahrir al-Sham (voorheen Jabhat Fateh al-Sham

en/of Jabhat al-Nusra), althans (telkens) een aan IS en/of aan Al Qaida

gelieerde organisatie(s), althans (telkens) (een) organisatie(s) die de

gewapende Jihadstrijd voorstaat/voorstaan;

(artikel 134a Wetboek van Strafrecht )


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature