< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

KG. De door eiser geboden zekerheid in de vorm van een assuradeurenverklaring en een gedeeltelijke bankgarantie is voldoende zekerheid voor opheffing conservatoir beslag.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/547206 / KG ZA 18-285

Vonnis in kort geding van 12 april 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam eiseres 1] ,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. M.A.R.C. Padberg te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam gedaagde 1] ,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.J. Schelling te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [naam eiseres 1] en [naam gedaagde 1] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 23 maart 2018;

de 27 producties van [naam eiseres 1] ;

de 16 producties van [naam gedaagde 1] ;

de mondelinge behandeling op 29 maart 2018;

de pleitnota van [naam eiseres 1] ;

de pleitnota van [naam gedaagde 1] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 12 februari 2017 heeft zich aan boord van het m/s “ [naam schip] ” een explosie voorgedaan met brand als gevolg. [naam tijdbevrachter] was ten tijde van de explosie de tijdbevrachter van “ [naam schip] ”. [naam gedaagde 1] was één van de ‘slot charterers’ (deelbevrachters). Omdat de explosie te herleiden lijkt te zijn tot één van de door [naam gedaagde 1] ter vervoer aangeboden containers, houdt [naam tijdbevrachter] [naam gedaagde 1] aansprakelijk voor haar schade als gevolg van de explosie en de brand. [naam tijdbevrachter] heeft haar vordering op [naam gedaagde 1] voorlopig begroot op $ 38.760.832,60 en voor dat bedrag heeft zij beslag laten leggen ten laste van [naam gedaagde 1] .

2.2.

Ten tijde van voormeld incident had [naam gedaagde 1] een aansprakelijkheidsverzekering bij [naam verzekeraar 1] , welke verzekering was gesloten door bemiddeling van verzekeringsmakelaar [naam eiseres 1] .

2.3.

[naam gedaagde 1] heeft, met tussenkomst van [naam eiseres 1] , de explosie en brand aan boord van het m/s “ [naam schip] ” bij [naam verzekeraar 1] gemeld en haar verzocht zekerheid te stellen voor de beweerdelijke vordering van [naam tijdbevrachter] op [naam gedaagde 1] . Omdat [naam verzekeraar 1] van mening was dat enkele posten, die zien op regres door [naam tijdbevrachter] voor lading gerelateerde averij-grossebijdragen (het AG-deel), niet zijn gedekt onder de aansprakelijkheidsverzekering, wilde zij alleen zekerheid stellen onder de voorwaarde dat [naam gedaagde 1] tegenzekerheid zou stellen voor $ 10.132.645,60. Nadat [naam gedaagde 1] voor dat bedrag een ‘cash deposit’ had gesteld, heeft [naam verzekeraar 1] de verzochte zekerheid gesteld en zijn de beslagen ten laste van [naam gedaagde 1] opgeheven.

2.4.

Omdat [naam verzekeraar 1] (vooralsnog) geen dekking heeft willen verlenen voor het AG-deel, stelt [naam gedaagde 1] zich op het standpunt dat [naam eiseres 1] tekort is geschoten bij het tot stand brengen van een verzekeringspolis die haar risico’s afdoende had moeten dekken en dat [naam gedaagde 1] daardoor schade lijdt. Op 15 december 2017 heeft [naam gedaagde 1] de voorzieningenrechter van deze rechtbank daarom verzocht om ten laste van [naam eiseres 1] conservatoir derdenbeslag te mogen leggen op gelden of geldswaarden die in het verzoekschrift genoemde 14 klanten en relaties van [naam eiseres 1] onder zich hebben dan wel verschuldigd zijn of zullen worden aan [naam eiseres 1] .

Het gevraagde verlof is op 15 december 2017 verleend waarbij de vordering, inclusief rente en kosten, is begroot op $ 11.000.000,-. De termijn als bedoeld in artikel 700 lid 3 Rv is bepaald op 4 weken. Op 18 december 2017 zijn (de) beslagen gelegd onder de in het verzoekschrift genoemde 14 derden.

2.5.

Op 18 december 2017 heeft [naam gedaagde 1] de relatie met [naam eiseres 1] beëindigd althans doen beëindigen.

2.6.

Bij dagvaarding van 19 december 2017 heeft [naam eiseres 1] een kort geding aanhangig gemaakt bij de rechtbank Rotterdam, waarin zij – kort gezegd – primair vordert de gelegde beslagen op te heffen en subsidiair het beslag te beperken tot de aan [naam eiseres 1] toebehorende vermogensbestanddelen en [naam gedaagde 1] op te dragen de derde-beslagenen daarover door de deurwaarder te laten informeren. In reconventie heeft [naam eiseres 2] op de voet van artikel 843a Rv gevorderd [naam gedaagde 2] te veroordelen tot overlegging van alle (jaarlijkse) Certificates of Insurance en alle facturen van [naam verzekeraar 1] aan [naam gedaagde 2] over de jaren dat [naam eiseres 2] via [naam gedaagde 2] is ondergebracht bij [naam verzekeraar 1] , op de grond dat [naam gedaagde 2] zich schuldig heeft gemaakt aan premiefraude.

Bij vonnis van 22 december 2017 met zaaknummer C/10/541381 / KG ZA 17-1375 heeft de voorzieningenrechter, in conventie, [naam gedaagde 1] – kort gezegd – veroordeeld om de beslag leggende deurwaarder te instrueren om alle derde-beslagenen te informeren dat verzekeringspremies die zij aan [naam eiseres 1] moeten betalen niet onder het beslag vallen met uitzondering van de in die verzekeringspremie begrepen commissie, die wordt gesteld op een door [naam eiseres 1] en [naam gedaagde 1] in gezamenlijk overleg vast te stellen bedrag of percentage van het verschuldigde premiebedrag, op straffe van verbeurte van een dwangsom. De vordering in reconventie is afgewezen.

Tegen dat vonnis heeft [naam eiseres 2] bij het gerechtshof Den Haag hoger beroep ingesteld, voor zover het de afwijzing van haar vordering in reconventie betreft.

2.7.

Op 12 januari 2018 heeft [naam eiseres 2] bij de rechtbank Rotterdam de eis in de hoofdzaak ingesteld. Zij vordert daarin een verklaring voor recht dat [naam gedaagde 2] in strijd heeft gehandeld met haar verplichtingen (waaronder de op haar rustende zorgplicht) onder de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht, althans onrechtmatig heeft gehandeld, en dat [naam gedaagde 2] de daardoor aan de zijde van [naam eiseres 2] ontstane schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, dient te vergoeden.

2.8.

Bij e-mail van 17 januari 2018 heeft [naam eiseres 1] aan [naam gedaagde 1] vervangende zekerheid aangeboden om opheffing van de beslagen te bewerkstelligen. Deze zekerheid bestaat uit (a.) de oprichting van een stichting om de door het beslag ingehouden verzekeringspremies en de commissie te scheiden en deze aan de verzekeraars door te betalen respectievelijk onder het beslag te houden (b.) het stellen van een Rotterdams Garantieformulier 2008 met de stichting als waarborg, [naam eiseres 1] als hoofdschuldenaar en [naam gedaagde 1] als gewaarborgde.

[naam gedaagde 1] heeft afwijzend op dat aanbod gereageerd.

2.9.

Bij dagvaarding van 29 januari 2018 heeft [naam eiseres 1] – kort gezegd – in kort geding gevorderd de door [naam gedaagde 1] gelegde beslagen ten laste van [naam eiseres 1] op te heffen onder de opschortende voorwaarde van het stellen van vervangende zekerheid door middel van het oprichten van voormelde stichting en het stellen van een (aangepast) Rotterdam Garantieformulier 2008.

Bij vonnis van 16 februari 2018 met zaaknummer C/10/543386 / KG ZA 18-81 heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het aanbod van [naam eiseres 1] niet is aan te merken als een voldoende vervangende zekerheid en is de vordering van [naam eiseres 1] afgewezen.

2.10.

Daarna hebben partijen verder gecorrespondeerd over onder meer de voorwaarden om te komen tot opheffing van de beslagen. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen.

2.11.

[naam eiseres 1] heeft haar beroepsaansprakelijkheidsverzekering neergelegd bij [naam verzekeraar 2] . Deze beroepsaansprakelijkheidsverzekering kent een verzekerde som van $ 10.000.000,- per verzekeringsjaar en een eigen risico van € 5.000,-.

Daarbij zij opgemerkt dat, hoewel in het door [naam eiseres 1] overgelegde polisblad van haar beroepsaansprakelijkheidsverzekering (1e blad van productie 25) een verzekerde som van EUR 10.000.000,- is vermeld, beide partijen consequent spreken over Amerikaanse dollars, zodat in deze procedure van dat laatste uit zal worden uitgegaan.

3 Het geschil

3.1.

[naam eiseres 1] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad op alle dagen en uren:

Primair

de met het verlof van 15 december 2017 gelegde derdenbeslagen ten laste van [naam eiseres 1] op te heffen onder de opschortende voorwaarde dat:

primair

- [naam eiseres 1] ’s beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar [naam verzekeraar 2] een assuradeurenverklaring heeft afgegeven met een tekst overeenkomstig de als productie 26 bij deze dagvaarding gevoegde assuradeurenverklaring, althans met een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen tekst;

- een garantie is gesteld overeenkomstig het als productie 27 bij deze dagvaarding gevoegde Rotterdams Garantieformulier 2008, althans een garantie is gesteld met een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen tekst;

subsidiair

- [naam eiseres 1] ’s beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar [naam verzekeraar 2] een assuradeurenverklaring heeft afgegeven met een tekst overeenkomstig de als productie 26 bij deze dagvaarding gevoegde assuradeurenverklaring, althans met een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen tekst;

- een garantie is gesteld overeenkomstig het als productie 27 bij deze dagvaarding gevoegde Rotterdams Garantieformulier 2008, althans een garantie is gesteld met een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen tekst;

- een escrowrekening in naam van [naam eiseres 1] en [naam gedaagde 1] bij ABN AMRO Escrow & Settlement, is geopend en [naam eiseres 1] een bedrag van $ 1.200.000,- (één miljoen twee honderdduizend Amerikaanse dollars) heeft gestort op deze escrowrekening;

Subsidiair

[naam gedaagde 1] te verbieden om:

primair

andere conservatoire beslagen te leggen ten laste [naam eiseres 1] terzake van de vermeende beroepsaansprakelijksvordering dan die zijn gelegd met het verlof van 15 december

2017;

subsidiair

ten laste van [naam eiseres 1] conservatoir derdenbeslag te leggen onder (een) bank(en) van [naam eiseres 1] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,- per keer dat [naam gedaagde 1] conservatoir derdenbeslag legt ten laste van [naam eiseres 1] onder (een) bank(en) van [naam eiseres 1] en een dwangsom van

€ 25.000,- per dag dat [naam gedaagde 1] verzuimt een eenmaal ten laste van [naam eiseres 1] onder (een) bank(en) van [naam eiseres 1] gelegde conservatoir derdenbeslag op te heffen.

alles met veroordeling van [naam gedaagde 1] in de kosten van het geding, inclusief nakosten.

3.2.

[naam gedaagde 1] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

4.2.

Primair heeft [naam eiseres 1] , als zekerheid voor het bedrag waarvoor beslag is gelegd

($ 11.000.000,-), een assuradeurenverklaring van haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar [naam verzekeraar 2] in combinatie met een (bank)garantie van $ 2.500.000,- op basis van het Rotterdams Garantieformulier 2008 aangeboden. [naam eiseres 1] heeft, onder overlegging van de polisvoorwaarden van haar beroepsaansprakelijkheidsverzekering, gesteld dat [naam eiseres 1] daarmee voldoende verhaal biedt voor de beweerde vordering van [naam gedaagde 1] , althans dat deze combinatie voldoende vervangende zekerheid biedt aan [naam gedaagde 1] . Dat klemt temeer nu partijen het er over eens zijn dat de vordering voor het AG-deel waarmee [naam gedaagde 1] bedreigd wordt maximaal $ 650.000,- bedraagt, aldus [naam eiseres 1] .

4.3.

[naam gedaagde 1] heeft betwist dat partijen zouden zijn overeengekomen dat sprake is van een vordering van ten hoogste $ 650.000,- op [naam gedaagde 1] en voert aan dat nog steeds uit moet worden gegaan van een summierlijk aannemelijke vordering van $ 11.000.000,-. Voorts meent [naam gedaagde 1] dat het voorstel van [naam eiseres 1] geen zekerheid biedt en het beslag ook niet onnodig maakt. De assuradeurenverklaring bevat teveel voorbehouden en is derhalve geen onvoorwaardelijke dekkingsbevestiging. [naam verzekeraar 2] was alleen bereid om een verdergaande verklaring af te geven, indien [naam aandeelhouder] (een aandeelhouder van [naam eiseres 1] ) een ruggarantie wilde afgeven. Tot het stellen van een ruggarantie is het echter niet gekomen, omdat [naam eiseres 1] de marktconforme vergoeding die [naam aandeelhouder] daarvoor vroeg, niet bereid was te betalen. Daarnaast geldt dat [naam verzekeraar 1] overweegt een zaak te beginnen tegen [naam eiseres 1] in verband met premiefraude, hetgeen een belangrijke uitsluitingsgrond vormt, aldus [naam gedaagde 1] .

4.4.

Wat betreft de aannemelijkheid van de vordering van [naam gedaagde 1] , heeft [naam gedaagde 1] terecht gesteld dat de voorzieningenrechter onder r.o. 5.5. van het vonnis van 22 december 2017 reeds heeft geoordeeld dat, uitgaande van de situatie op dat moment, niet uitgesloten kan worden dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat [naam eiseres 1] onvoldoende heeft gelet op of heeft gekeken naar de polisvoorwaarden, dat [naam gedaagde 1] de daaruit voor haar voortvloeiende schade mogelijk kan verhalen op [naam eiseres 1] en dat [naam gedaagde 1] die schade al heeft geleden doordat zij $ 10 miljoen heeft moeten storten. Nu er geen hoger beroep is ingesteld tegen dit gedeelte van het vonnis, wordt in de onderhavige procedure uitgegaan van dat oordeel. De stelling van [naam eiseres 1] dat partijen zouden zijn overeengekomen dat de schade van [naam gedaagde 1] niet meer dan $ 650.000,- zal bedragen, nog daargelaten dat die stelling door [naam gedaagde 1] is betwist en door [naam eiseres 1] onvoldoende is onderbouwd, en bovendien opvalt dat de beweerde overeenstemming zou dateren van vóór de mondelinge behandeling van het tweede kort geding (zie 2.9.) en daar niet benoemd is, doet niet af aan voornoemde (voorlopig) concreet geleden schade van [naam gedaagde 1] .

4.5.

Ten aanzien van de aangeboden assuradeurenverklaring, als productie 26 bij de dagvaarding overgelegd, wordt het volgende overwogen.

In de assuradeurenverklaring is, voor zover relevant, het volgende vermeld:

“(…)

Op grond van deze verzekeringsovereenkomst heeft [naam eiseres 1] in principe dekking voor de beweerdelijke fout(en) zoals die door [naam gedaagde 1] is (zijn) omschreven in het beslagrekest en de dagvaarding (…). [naam verzekeraar 2] noch [naam eiseres 1] is enige aanspraak tegen [naam eiseres 1] bekend die de verzekerde som van [naam eiseres 1] in het hier relevante polisjaar 1 januari 2017 - 1 januari 2018 kan aantasten en nu dat polisjaar is afgelopen is een dergelijke vordering niet waarschijnlijk. De polis is een claims made polis.

Op grond van de haar thans bekende stukken is [naam verzekeraar 2] niet gebleken dat er gronden zijn om te betogen dat [naam eiseres 1] geen of een beperkte dekking heeft op voornoemde beroepsaansprakelijkheidsverzekering, noch heeft [naam verzekeraar 2] enige aanwijzing dat een dergelijke grond zich in de toekomst zal voordoen.

Indien [naam eiseres 1] op grond van een uitspraak van de rechter die uitvoerbaar is bij voorraad of op grond van een schikking waar [naam verzekeraar 2] partij bij is, gehouden is schadevergoeding te betalen aan [naam gedaagde 1] , in verband met het beweerdelijk tekortschieten van [naam eiseres 1] jegens [naam gedaagde 1] als beschreven in voornoemd beslagrekest en voornoemde dagvaarding, dan zal [naam verzekeraar 2] met inachtneming van voornoemde polisvoorwaarden van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering en binnen de hiervoor aangegeven limiet aan [naam eiseres 1] dekking verlenen en aan [naam gedaagde 1] rechtstreeks voldoen waartoe [naam eiseres 1] jegens haar op grond van voornoemde uitspraak of schikking zal zijn gehouden.

Deze toezegging [naam gedaagde 1] rechtstreeks uit te betalen datgene waartoe [naam verzekeraar 2] jegens [naam eiseres 1] zal zijn

gehouden ingevolge de voornoemde beroepsaansprakelijkheidsverzekering zal in het (onverhoopte) geval van surseance van betaling of faillissement van [naam eiseres 1] slechts plaatsvinden voor het bedrag waarvoor de bewindvoerder of de curator (na verkregen toestemming van de rechter-commissaris) aan [naam verzekeraar 2] toestemming en kwijting verleent.

Deze verklaring is gericht aan [naam gedaagde 1] en is met consent van [naam eiseres 1] opgesteld. [naam gedaagde 1] kan dus bij een vonnis dat uitvoerbaar is bij voorraad naar aanleiding van het geschil als beschreven in de als bijlage 3 overlegde dagvaarding of bij een schikking met (goedvinden van) [naam verzekeraar 2] en [naam eiseres 1] , [naam verzekeraar 2] rechtstreeks aanspreken op betaling van al hetgeen [naam eiseres 1] alsdan aan haar moet betalen, tenzij [naam verzekeraar 2] alsnog nieuwe informatie bekend wordt die de dekking en/of de verzekerde som geheel of deels kan aantasten of een bewindvoerder of curator van [naam eiseres 1] voor rechtstreekse betaling geen toestemming aan [naam verzekeraar 2] verleent. (…)”

4.6.

De bezwaren die [naam gedaagde 1] tegen de tekst van de assuradeurenverklaring heeft geuit, zijn in voorgaande tekst onderstreept en zien op de dekkingsvoorbehouden die [naam verzekeraar 2] maakt in haar verklaring. Hoewel de verklaring daarmee strikt genomen geen onvoorwaardelijke dekking toezegt, is aan de andere kant onvoldoende aannemelijk dat [naam verzekeraar 2] door deze voorbehouden geheel of gedeeltelijk van dekking zal afzien.

Ten eerste wordt in aanmerking genomen dat er sprake is van een claims made polis en dat er inmiddels drie maanden zijn verstreken na het einde van het relevante polisjaar 2017. Voor zover [naam eiseres 1] en [naam verzekeraar 2] bekend, zijn er geen andere claims dan de onderhavige in het relevante polisjaar gemaakt. Bovendien heeft [naam verzekeraar 2] tegenover [naam gedaagde 1] verklaard dat [naam verzekeraar 2] op grond van haar huidige dossier (en dat is min of meer hetzelfde als partijen vandaag hebben) van mening is dat er dekking is. [naam gedaagde 1] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt van mogelijke nieuwe omstandigheden die zouden kunnen afdoen aan dekking en op grond waarvan dan. Het door [naam gedaagde 1] gestelde risico dat in rechte komt vast te staan dat [naam eiseres 1] premiefraude heeft gepleegd, is reeds bekend bij [naam verzekeraar 2] en is dus geen nieuwe omstandigheid. Daarbij heeft te gelden dat de in dat geval vastgestelde onrechtmatige handelwijze van [naam eiseres 1] alleen aan de rechtsverhouding van [naam eiseres 1] jegens [naam gedaagde 1] en/of [naam verzekeraar 1] raakt. Voor de rechtsverhouding tussen [naam eiseres 1] en [naam verzekeraar 2] heeft dat geen invloed, nu die omstandigheid losstaat van de beroepsaansprakelijkheid van [naam eiseres 1] . Desgevraagd heeft mr. [naam advocaat] , de advocaat van [naam verzekeraar 2] die tevens aanwezig was op de zitting, uitdrukkelijk verklaard dat de betreffende stelling van [naam eiseres 1] irrelevant is voor de dekking in deze zaak. [naam gedaagde 1] heeft daar niet meer op gereageerd.

[naam gedaagde 1] stelt ook niet welke, al dan niet uit de beweerde premiefraude voortvloeiende, beperkingen, uitsluitingen in de toepasselijke polisvoorwaarden of door [naam eiseres 1] als verzekerde niet nageleefde verplichting onder de polis aan dekking in de weg zouden kunnen staan. [naam eiseres 1] heeft als productie 25 de toepasselijke polisvoorwaarden overgelegd. Gelet op de artikelen 5 en 7 van SII 2003 BAV Algemeen (010113) ter zake uitsluitingen en artikel 4 van AVB 2003 (010114) alsook artikel 11 van het clausuleblad ter zake bijzondere uitsluitingen is niet gesteld en evenmin aannemelijk dat één van de daarin vermelde uitsluitingen in het onderhavige geval aan de orde is. In zoverre vormt de tekst van de toepasselijke voorwaarden een bevestiging van de uitlatingen van [naam advocaat] .

Ten aanzien van het bezwaar tegen de woorden “in principe” heeft [naam advocaat] aangegeven dat die woorden niet zijn bedoeld als een algemeen voorbehoud, maar aansluiten op de in de verklaring vermelde dekkingsvoorbehouden. [naam advocaat] heeft namens [naam verzekeraar 2] verklaard dat er geen bezwaar is om deze twee woorden door te halen.

Ten slotte heeft [naam gedaagde 1] niet duidelijk gemaakt waarom de zinsnede “met (goedvinden van) [naam verzekeraar 2] ” een onredelijke beperking op de dekking zou kunnen vormen. Zoals [naam eiseres 1] terecht heeft gesteld, ziet deze zinsnede niet op de beslissing tot uitbetaling maar op het eventueel bereiken van een schikking. [naam verzekeraar 2] heeft ter zitting toegelicht dat ook in de polisvoorwaarden is opgenomen dat een eventuele schikking met (goedvinden van) [naam verzekeraar 2] en de verzekerde tot stand moet komen. Deze voorwaarde is niet onbegrijpelijk of onredelijk.

4.7.

In de assuradeurenverklaring is bepaald dat [naam verzekeraar 2] rechtstreeks met [naam gedaagde 1] zal afwikkelen indien [naam eiseres 1] op grond van een schikking of rechterlijke uitspraak in verband met het beslagrekest van 15 december 2017 en de dagvaarding in de bodemzaak van 12 januari 2018 enig bedrag aan [naam gedaagde 1] is verschuldigd. Nu, zoals overwogen, niet aannemelijk is dat sprake is van concrete omstandigheden die een beroep op enig dekkingsvoorbehoud zouden kunnen rechtvaardigen, is voldoende aannemelijk dat de assuradeurenverklaring dekking zal bieden voor de eventuele vordering van [naam gedaagde 1] op [naam eiseres 1] tot een bedrag van $ 10.000.000,-. Daarbij zij opgemerkt dat de woorden “in principe” moeten worden geschrapt.

4.8.

In aanvulling daarop heeft [naam eiseres 1] een bankgarantie op basis van het Rotterdams Garantieformulier 2008 voor een bedrag van $ 2.500.000,- aangeboden, dit om het verschil tussen de assuradeurenverklaring en het bedrag waarvoor beslag is gelegd, zijnde

$ 1.000.000,-, en het eigen risico van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering van € 5.000,- te overbruggen. [naam gedaagde 1] heeft geen bezwaren geuit tegen de tekst van deze bankgarantie.

4.9.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [naam eiseres 1] , met de assuradeurenverklaring die dekking biedt tot een maximum van $ 10.000.000,- in combinatie met een bankgarantie van $ 2.500.000,-, voldoende zekerheid heeft gesteld.

4.10.

De primair gevorderde opheffing van de beslagen zal op de hierna te melden wijze worden toegewezen.

4.11.

Dat betekent dat aan de overige (subsidiaire) vorderingen niet wordt toegekomen.

4.12.

De gevraagde tenuitvoerlegging op alle dagen en uren zal worden afgewezen omdat niet is onderbouwd waarom het nodig is dat buiten kantooruren zou mogen worden geëxecuteerd (artikel 64 Rv).

4.13.

[naam gedaagde 1] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [naam eiseres 1] worden, naast de nakosten, begroot op:

- dagvaarding € 81,00

- griffierecht € 626,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.523,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

heft de met het verlof van 15 december 2017 gelegde derdenbeslagen ten laste van [naam eiseres 1] op onder de opschortende voorwaarde dat:

- [naam eiseres 1] ’s beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar [naam verzekeraar 2] een assuradeurenverklaring heeft afgegeven met een tekst overeenkomstig de als productie 26 bij deze dagvaarding gevoegde assuradeurenverklaring, met dien verstande dat de woorden “in principe” in regel 5 zijn doorgehaald;

- een garantie is gesteld overeenkomstig het als productie 27 bij deze dagvaarding gevoegde Rotterdams Garantieformulier 2008;

5.2.

veroordeelt [naam gedaagde 1] in de proceskosten, aan de zijde van [naam eiseres 1] tot op heden begroot op € 1.523,00;

5.3.

veroordeelt [naam gedaagde 1] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [naam gedaagde 1] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2018.

2091 / 2009


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature