< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Wet werk en bijstand (Wwb) - eigen vermogen - in aanmerking te nemen waarde van lijfrenteverzekering

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 14/2118

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 oktober 2014 in de zaak tussen

[naam], te [plaats], eiseres,

gemachtigde: mr. A.L. Kuit,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. R. Duivenvoorde.

Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2013 (primair besluit I) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) per 24 juni 2013 afgewezen. Bij besluit van eveneens 6 november 2013 (primair besluit II) heeft verweerder de aan eiseres verstrekte voorschotten teruggevorderd tot een bedrag van € 3.332,-.

Bij besluit van 6 februari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de primaire besluiten gehandhaafd.

Tegen het bestreden besluit heeft eiseres op 20 maart 2014 beroep ingesteld.

De rechtbank heeft eiseres gevraagd om een schriftelijke reactie op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 13 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8393.

De rechtbank heeft verweerder gevraagd om een schriftelijke reactie op de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 juni 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:2443.

Op 9 september 2014 heeft verweerder een verweerschrift ingediend, waarin tevens is gereageerd op de vraag van de rechtbank.

De behandeling van het beroep ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Eiseres heeft op 24 juni 2013 bij verweerder een bijstandsuitkering aangevraagd naar de norm voor een alleenstaande. Tevoren werkte eiseres als zelfstandige.

2.

In het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, stelt verweerder zich op het standpunt dat het eigen vermogen van eiseres op 24 juni 2013 de grens van het volgens de Wwb vrij te laten vermogen overschreed, zodat geen recht bestond op bijstand. Verweerder stelt in het bestreden besluit vast dat het bezwaar zich richt tegen de door verweerder in aanmerking genomen waarde van de twee lijfrenteverzekeringen van eiseres. Verweerder is van opvatting dat voor die waarde moet worden uitgegaan van de afkoopwaarde, zonder rekening te houden met nog door eiseres daarover te betalen loonheffing en revisierente.

3.

Eiseres heeft in haar beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte bij het bepalen van de waarde van de lijfrenteverzekeringen niet daarop de nog door haar te betalen bedragen aan loonheffing en revisierente in mindering heeft gebracht. Als verweerder dat wel had gedaan, was haar vermogen op 24 juni 2013 onder de vrij te laten grens gebleven.

4.

Verweerder heeft in zijn verweerschrift zijn standpunt in zoverre herzien, dat hij thans van opvatting is dat bij het bepalen van de waarde van de lijfrenteverzekeringen van eiseres rekening moet worden gehouden met de af te dragen loonheffing. Dit is volgens verweerder omdat na afkoop de loonheffing direct op het uit te keren bedrag door de verzekeringsmaatschappij wordt ingehouden en afgedragen aan de Belastingdienst. Het resterende bedrag, waarover de betrokkene na afkoop feitelijk kan beschikken, dient in aanmerking te worden genomen als vermogen. Dit geldt niet voor de revisierente, aldus verweerder. Daarvoor ontvangt de betrokkene op een later moment mogelijk een afzonderlijke aanslag van de Belastingdienst van maximaal 20%.

Na aftrek van de loonheffing komt volgens verweerder het vermogen van eiseres op 24 juni 2013 op € 8.945,-. Dit vermogen ligt echter nog steeds boven de grens van het volgens de Wwb vrij te laten vermogen, zodat deze wijziging de afwijzingsgrond onverlet laat, aldus verweerder.

5.

Ter zitting heeft eiseres nog aangevoerd dat verweerder bij de vermogensvaststelling per 24 juni 2013 ten onrechte niet ook een schuld aan haar vader van € 5.000,- heeft betrokken. Bewijs daarvan stelt zij te hebben overgelegd bij haar nieuwe aanvraag van 20 november 2013. Dit bewijs bevindt zich in het dossier en is volgens eiseres ten onrechte door verweerder niet bij het bestreden besluit betrokken.

De rechtbank acht deze grief te laat naar voren gebracht. De rechtbank ziet niet in dat eiseres pas na de uiteenzetting van verweerder over de berekening in het verweerschrift heeft kunnen onderkennen dat de bedoelde schuld niet bij de vermogensvaststelling werd betrokken. In haar bezwaarschrift verwijst eiseres expliciet naar de berekening door verweerder van het vastgestelde vermogen per 24 juni 2013 in het rapport van 6 november 2013 en het bedrag aan schulden dat bij die berekening in aanmerking is genomen. Die berekening is dezelfde als die verweerder in het verweerschrift aanhaalt. De beginselen van een goede procesorde verzetten zich dan ook tegen een beoordeling, zodat de rechtbank aan deze tardief opgeworpen grief voorbijgaat.

6.

Het geschil is hiermee beperkt tot de vraag of verweerder ook de na afkoop van de lijfrenteverzekeringen verschuldigde revisierente op de waarde van die verzekeringen in mindering had moeten brengen.

7.

Artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwb bepaalt dat een alleenstaande recht op bijstand heeft indien er geen in aanmerking te nemen vermogen is.

Op grond van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wwb wordt onder vermogen verstaan: de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden.

Op grond van het tweede lid, aanhef en onder b, van dit artikel wordt niet als vermogen in aanmerking genomen: het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens.

Op grond van artikel 34, derde lid, onder a, van de Wwb gold op 24 juni 2013 voor een alleenstaande een vermogensgrens van € 5.795,-.

8.

Voor de waardebepaling van het in aanmerking te nemen vermogen voor de Wwb is bepalend het feitelijk vermogen waarover de betrokkene bij de beoogde aanvangsdatum van de bijstandsverlening kan beschikken. Niet in geschil is dat na afkoop van de lijfrenteverzekeringen eiseres op 24 juni 2013 kon beschikken over de uitgekeerde waarde minus de afgedragen loonheffing. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de afgedragen loonheffing van 52% naar eiseres zelf stelt te hoog is, zodat zij in de toekomst daarvan met zekerheid nog belastingteruggave zal ontvangen. Deze gebeurtenis wordt echter, eveneens vanwege de vaststelling van het vermogen naar de waarde waarover feitelijk op de peildatum kan worden beschikt, buiten aanmerking gelaten bij de vermogensvaststelling. Diezelfde systematiek brengt met zich dat een belastingschuld die in de toekomst zal worden opgeëist, in dit geval de na afkoop mogelijk verschuldigde revisierente, buiten aanmerking wordt gelaten. De rechtbank ziet bevestiging voor dit oordeel in de uitspraken van de CRvB van 2 maart 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO5033, van 8 juni 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA8340, en van 24 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2135.

9.

Uit het voorgaande volgt dat verweerder op goede gronden de (mogelijk) door eiseres verschuldigde revisierente niet in aanmerking heeft genomen bij het vaststellen van de waarde van de lijfrenteverzekeringen. Verweerder is dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat het eigen vermogen van eiseres op 24 juni 2013 de grens van het volgens de Wwb vrij te laten vermogen overschreed, zodat per die datum geen recht bestond op bijstand.

10.

Het beroep is ongegrond.

11.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Strien, voorzitter, en mr. M.G.L. de Vette enmr. M. Korteweg-Wiers, leden, in aanwezigheid van mr. M. Lammerse, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature