E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBROT:2014:10938
Rechtbank Rotterdam, 10/691421-05

Inhoudsindicatie:

Meervoudige raadkamer; hoger beroep van de officier van justitie tegen de beslissing van de rechter-commissaris tot afwijzing van de op grond van artikel 126m Sv door de officier van justitie gedane vorderingen (telefoontap), die zijn gedaan in verband met een ontnemingsonderzoek in het kader waarvan de rechter-commissaris een machtiging heeft afgegeven tot het heropenen van het SFO na einduitspraak, als bedoeld in artikel 126fa Sv (nader SFO).

De rechtbank is van oordeel dat de vordering telefoontap dient te worden beoordeeld op basis van het aparte toetsingskader, zoals dat in artikel 126m Sv gegeven wordt. De rechter-commissaris heeft zich daarom ten onrechte beperkt tot de vraag of deze bevoegdheid kan worden toegepast in het kader van het SFO.

Het toetsingskader van artikel 126m Sv is in dit geval niet anders dan wanneer de vordering zou zijn gedaan in het kader van een ontnemingsprocedure, waarin geen SFO is geopend of in het kader van een strafrechtelijk onderzoek.

De rechtbank overweegt dat een SFO als bedoeld in artikel 126 Sv of een nader SFO als bedoeld in artikel 126fa Sv ook valt onder het begrip opsporingsonderzoek in de zin van artikel 132a Sv. Geen van beide zijn in artikel 132a Sv uitgezonderd en ook de wetgever spreekt van opsporing dat is gericht op financiƫle aspecten van een strafbaar feit, hetgeen met name bij een SFO het geval is. Het onderzoeksbelang daarbij is immers niet alleen het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel, maar ook het achterhalen van dit voordeel dan wel vermogensbestanddelen welke toebehoren aan de veroordeelde ten behoeve van het leggen van conservatoir beslag.

Naar het oordeel van de rechtbank kan ook worden geconcludeerd dat de wetgever de toepassing van bevoegdheden met het oog op dit onderzoek ook mogelijk heeft willen maken na een veroordeling in de strafzaak en dat daarom een veroordeling kan worden aangemerkt als de hoogste graad van verdenking.

Het vooroverwogene leidt tot de conclusie dat de rechter-commissaris de vorderingen van de officier van justitie niet op de door haar genoemde formele gronden heeft mogen afwijzen.

De rechtbank heeft het beroep daarom gegrond verklaard en de beslissing van de rechter-commissaris vernietigd.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie