E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBROT:2012:BW5513
LJN BW5513, Rechtbank Rotterdam, AWB 11/3429

Inhoudsindicatie:

Lastgeving onder dwangsom om de verwerking van gegevens betreffende iemands ras, zoals bedoeld in art. 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), te staken en gestaakt te houden en de gegevens betreffende iemands ras die reeds in de "Deelgemeentelijke Organisatie Sluitende Aanpak" (DOSA) zijn verwerkt uit het bestand te verwijderen.

Geboortelandgegevens kunnen worden aangemerkt als persoonsgegevens betreffende iemands ras, als bedoeld in art. 16 van de Wbp. Registratie van deze gegevens in het kader van DOSA kan aangemerkt worden als het verwerken van persoonsgegevens, als bedoeld in art. 1, aanhef en onder b, van de Wbp. De geboortelandregistratie is daarom in beginsel in strijd met art. 16 van de Wbp.

Naar het oordeel van de Rb. strekt het beroep van eiser op art. 18, aanhef en onder b, van de Wbp, en daarmee de beoordeling van het noodzakelijkheidscriterium, zich uit tot de registratie van alle geboortelanden.

De Rb. stelt voorop dat, zoals blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wbp, het noodzakelijkheidscriterium meebrengt dat het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt in redelijkheid niet op een andere, voor de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkene minder nadelige wijze dient te kunnen worden verwerkelijkt. Op degene die persoonsgegevens verwerkt rust de plicht om binnen redelijke grenzen een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van anderen te vermijden dan wel zo beperkt mogelijk te houden. Deze plicht omvat een tweetal aspecten. Allereerst dient men af te zien van de verwerking van persoonsgegevens indien hetzelfde doel ook langs andere weg en met minder ingrijpende middelen kan worden gerealiseerd, bij voorbeeld door de vergaring van anonieme gegevens. Wordt desondanks tot gegevensverwerking overgegaan, dan is van belang dat degene die gegevens wil verwerken in redelijkheid alle eventuele bestaande mogelijkheden benut om de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen te beperken (Kamerstukken II, 1997-1998, 25 892, nr. 3). Naar het oordeel van de Rb. biedt dit laatste ruimte om in een concreet geval niet aan te nemen dat een verwerking van persoonsgegevens noodzakelijk is indien niet aannemelijk is dat er geen andere, voor de bij de gegevensverwerking betrokkene minder belastende wijze van gegevensverwerking kan worden aangewend.

De Rb. is van oordeel dat niet kan worden aangenomen dat de geboortelandregistratie in het kader van DOSA noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het gestelde voorkeursbeleid. Reeds omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er geen andere, minder belastende wijze van gegevensverwerking kan worden toegepast, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verwerking van geboortelandgegevens niet noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de door eiser gestelde voorkeursbehandeling.

Nu de noodzakelijkheid van het gestelde voorkeursbeleid niet vast staat, kan reeds om deze reden niet worden aangenomen dat de uitzonderingsgrond van art. 18, aanhef en onder b, van de Wbp van toepassing is. Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de geboortelandregistratie in het kader van DOSA in strijd is met art. 16 van de Wbp.

Verweerder was daarom bevoegd om aan eiser een last onder dwangsom op te leggen.

Geen concreet zicht op legalisatie, reeds omdat uit het afwijzingsbesluit van 13 juli 2011 blijkt dat verweerder niet bereid was om ontheffing van het verbod van art. 16 van de Wbp te verlenen. Het bestreden besluit is niet onevenredig op de grond dat verweerder eiser niet in de gelegenheid heeft gesteld een toestemmingstelsel te realiseren. Daarbij is van belang dat verweerder gerechtigd was om tegen de overtreding van art. 16 van de Wbp op te treden en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn plannen voor een toestemmingstelsel in een dusdanig vergevorderd stadium verkeerden dat moet worden aangenomen dat oplegging van de last onder dwangsom nadelige gevolgen heeft voor eiser die onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Het beroep is ongegrond.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie