E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBROT:2011:BR3406
LJN BR3406, Rechtbank Rotterdam, AWB 10/1958 VEROR - T1

Inhoudsindicatie:

De leidingen van eiseressen waarvoor de aanwijzingen tot verlegging zijn gegeven, liggen in de openbare ruimte binnen de gemeente Rotterdam, zodat de Leidingenverordening hierop van toepassing is.

Voorts had verweerder de bevoegdheid om de vergunningen van eiseressen ten behoeve van het project Markthal op grond van artikel 9, onderdeel g, van de Leidingenverordening in te trekken.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel, onder verwijzing naar de leidingen van de Gasunie, faalt nu de Verlegregeling op de Gasunie niet van toepassing was omdat de Gasunie op het moment van het in werking treden van de regeling met de gemeente Rotterdam reeds een overeenkomst had over de wijze waarop de kosten van het verleggen van kabels, leidingen en buizen zouden worden afgerekend.

Er is geen sprake van een ontoelaatbare doorkruising van het privaatrecht, omdat sprake is van een beperkte verstoring van het eigendom en de Leidingenverordening noodzakelijk kan worden geacht om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang. De rechtbank is niet gebleken dat de Leidingenverordening in strijd is met hogere regelgeving.

Er is evenmin in sprake van strijd met het verbod op détournement de pouvoir. De vergunningen zijn ingetrokken omdat dit noodzakelijk was vanwege de uitvoering van werken. Niet is in te zien dat verweerder zijn bevoegdheid heeft aangewend voor een ander doel dan dat waarop de Leidingenverordening ziet. Dat door de verlegging een commercieel project wordt gefaciliteerd maakt dit niet anders.

Verweerder heeft miskend dat aan artikel 3:4 van de Awb een zelfstandige betekenis toekomt naast het in de Verlegregeling neergelegde beleid ten aanzien van schadeloosstelling. Eiseressen hebben gesteld dat zij door de aanwijzingsbesluiten schade zullen leiden van circa 3,5 miljoen euro, waarvoor zij niet worden gecompenseerd. De rechtbank is - onder verwijzing naar artikel 3:2 van de Awb - van oordeel dat het op de weg van verweerder had gelegen om concreet onderzoek te doen naar de vraag of in dit geval sprake is van onevenredige schade die redelijkerwijs niet voor rekening van eiseressen mag blijven. Niet gebleken is dat een dergelijk onderzoek is uitgevoerd. De rechtbank acht het onvoldoende dat de schade die door eiseressen wordt geleden bij voor de gemeente Rotterdam belangrijke projecten zoals de Markthal wel wordt betrokken bij de belangenafweging van het betreffende project maar in die afweging van ondergeschikt belang wordt geacht. Verweerder had een nadere en op de concrete situatie toegespitste onderbouwing moeten verschaffen van het standpunt dat het achterwege laten van schadevergoeding in het geval van eiseressen niet leidt tot strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb .

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2, 3:4 en 7:12 van de Awb .

Zelf in de zaak voorzien is niet mogelijk , omdat de hoogte van de gestelde schade een aangelegenheid betreft ten aanzien waarvan verweerder in zijn onderzoeksplicht tekort is geschoten en waarover partijen zich in de procedure onvoldoende hebben uitgelaten.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie