< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Mogelijk te lichtvaardig besloten uitsluiting van experiment 'raadsman bij politieverhoor' leidt niet tot onrechtmatige inverzekeingstelling.

Bij deze beoordeling dient uitgangspunt te zijn dat de wet- en regelgeving géén recht op aanwezigheid van de raadsman bij politieverhoren kent. De Hoge Raad als ook het Europese Hof voor de Rechten van de Mens hebben geoordeeld dat de op deze wet en regelgeving gebaseerde rechtspraktijk niet in strijd is met artikel 6 EVRM (HR 13 mei 1997, NJ 1998, 152 en EHRM 14 december 1999, Dougan, no. 44738/98). De minister van justitie heeft dit kennelijk voor ogen gehad toen hij als uitgangpunt bij het experiment formuleerde dat voor de beoordeling van de rechtmatigheid in de opsporingsfase uitsluitend de vigerende wet- en regelgeving en geldende jurisprudentie leidend is en dat aan de voorwaarden en uitgangspunten van het experiment geen rechten kunnen worden ontleend.

Tegen die achtergrond zal in zijn algemeenheid niet snel geconcludeerd kunnen worden tot zodanige strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde dat hieraan rechtsgevolgen moeten worden verbonden. Bovendien mag van de verdediging worden verwacht dat zij gemotiveerd betoogd dat, met aanmerkelijke veronachtzaming van de belangen van de verdachte, in strijd is gehandeld met de door de minister van justitie geformuleerde uitgangspunten en/of met het (door betrokken partijen opgestelde) protocol.

Uitspraak



RECHTBANK ROTTERDAM, SECTOR STRAFRECHT

Parketnummer: 10/700181-08

RC-nummer: 08/2207

PROCES-VERBAAL EN MOTIVERING BESLISSING EX 59A SV

Naam: [verdachte]

Geboren op: [datum] 1982 [geboorteplaats] (Suriname),

Wonende te: [adres]

Op 25 juli 2008 is de verdachte aan de rechter-commissaris voorgeleid in het kader van de toetsing ex artikel 59a Sv . De rechter-commissaris heeft de inverzekeringstelling van de verdachte rechtmatig geoordeeld. De schriftelijke weerslag van hetgeen tijdens de voorgeleiding is voorgevallen en de schriftelijke weerslag van de mondeling gegeven motivering bij die beslissing zijn hieronder weergegeven.

Voorafgaand aan het verhoor ex 59a Sv heeft de rechter-commissaris telefonisch contact opgenomen met de officier van justitie, omdat het de rechter-commissaris was opgevallen dat de verdachte, in tegenstelling tot één van zijn medeverdachten géén deelnemer was in het experiment ‘raadsman bij politieverhoor’ dat van 1 mei 2008 tot 1 mei 2010 zal plaatsvinden in de politieregio’s Amsterdam-Amstelland en Rotterdam-Rijnmond (hierna: het experiment).

Standpunten van partijen

De officier van justitie deelde -desgevraagd- mede dat in het kader van het experiment in de politieregio Rotterdam-Rijnmond twee speciale verhoorkamers zullen worden ingericht. Op dit moment is er pas één van deze twee klaar en in gebruik genomen. Deze verhoorkamer wordt sinds een week gebruikt voor de eerste Rotterdamse zaak in het kader van het experiment, alsmede voor de zaak tegen de medeverdachte van de verdachte die een paar uur eerder was aangehouden en in verzekering was gesteld. Hierdoor was het niet mogelijk de verdachte ook deel te laten nemen aan het experiment.

De rechter-commissaris heeft deze informatie van de officier van justitie aan de verdachte en zijn raadsman medegedeeld.

De raadsman van de verdachte heeft -zakelijk weergegeven- het navolgende naar voren gebracht.

De verdenking die tegen verdachte is gerezen is een verdenking die volgens het ‘Protocol raadsman bij politieverhoor’ (hierna: het protocol) onder het experiment valt. Op grond van dit protocol had ik als raadsman dienen te worden uitgenodigd om voorafgaand aan het eerste verhoor met mijn cliënt te spreken en had ik bij dat verhoor aanwezig dienen te zijn. Nu dit niet is gebeurd dient de inverzekeringstelling onrechtmatig te worden geoordeeld.

Zoals uit het proces-verbaal blijkt is het verhoor audiovisueel vastgelegd en zie ik niet in dat (het al of niet beschikbaar zijn van) speciale verhoorkamers (zo dit al feitelijk juist is) voorwaarde zouden kunnen zijn voor het al of niet deelnemen aan het experiment. Ter zijde merk ik op dat ik bij de vervolgverhoren, die hoogstwaarschijnlijk komend weekend zullen plaatsvinden, aanwezig wil zijn.

De rechter-commissaris heeft naar aanleiding van het betoog van de raadsman de officier van justitie telefonisch uitgenodigd in zijn kabinet, teneinde hem in de gelegenheid te stellen te reageren op het verweer als ook op het verzoek van de raadsman.

De officier van justitie is niet op deze uitnodiging ingegaan. Telefonisch deelde hij mede dat hij zijn standpunt omtrent (de deelname aan) het experiment reeds had gegeven. In aanvulling daarop deelde de officier van justitie mede dat het verhoor van de verdachte weliswaar audiovisueel was geregistreerd, maar dat daarmee nog niet voldaan was aan de voorwaarden zoals neergelegd in het protocol. Ten aanzien van het verzoek van de raadsman merkte de officier van justitie op dat hij hieromtrent nog contact zou hebben met de raadsman.

Beoordelingskader

In de motie Dittrich c.s. van 25 oktober 2006 (Kamerstukken II 2006-2007, 30 800 VI, nr. 14), is de regering opgeroepen een tijdelijk systeem in te voeren, waarbij de advocaat tijdig de mogelijkheid krijgt aangeboden aanwezig te zijn bij het eerste politieverhoor in zaken waarbij de verdachte wordt beschuldigd van een levensdelict.

De minister van justitie heeft ter uitvoering van deze motie het eerdergenoemd experiment voorbereid. In het kader van deze voorbereiding, de voortgang en de uitvoering van dit experiment heeft de minister van justitie een aantal brieven aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden.

Bij brief van 1 mei 2007 (Kamerstukken II 2006-2007, 30 800 VI, nr. 86) heeft de minister van justitie de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, voor zover hier relevant, als volgt geïnformeerd over de stand van zaken aangaande het experiment en de uitgangspunten die zullen gelden waaronder het experiment dient plaats te vinden:

“(…)

4. Raadsman bij politieverhoor

(…)

Ik realiseer mij dat de uitvoering van het experiment een ingrijpende verandering betekent in de bestaande praktijk van het politieverhoor, dat een cruciaal onderdeel is van het opsporingsonderzoek. Bovendien gaat het om voltooide levensdelicten met in het algemeen een grote maatschappelijke impact; het is een «real life experiment». Dit vereist dat het experiment zorgvuldig wordt ingericht met de grootst mogelijke helderheid over ieders rol, bevoegdheden en verantwoordelijkheden, zodat nadere besluitvorming over het al dan niet voortzetten van de aanwezigheid van de raadsman op een verantwoorde wijze kan plaatsvinden.

(…)

De volgende uitgangspunten gelden:

– Het experiment heeft betrekking op alle misdrijven genoemd in Titel XIX van het Wetboek van Strafrecht. Het moet daarbij gaan om voltooide levensdelicten;

(…)

– Aan de voorwaarden en uitgangspunten van het experiment kunnen geen rechten worden ontleend. Voor de beoordeling van de rechtmatigheid in de opsporingsfase blijven ook tijdens het experiment uitsluitend de vigerende wet- en regelgeving en geldende jurisprudentie leidend.

Audiovisuele in plaats van auditieve registratie

In mijn brief van 11 december jl. heb ik aangegeven dat auditieve registratie van de verhoren een noodzakelijke voorwaarde is voor de uitvoering van het experiment. De bij het experiment betrokken partijen hebben echter aangegeven de voorkeur te geven aan audiovisuele registratie van de verhoren. Door middel van audiovisuele registratie vindt het verhoor ten aanzien van alle betrokkenen (verdachte, verhoorders en raadsman) in optimale transparantie plaats, waardoor optimale verifieerbaarheid mogelijk is. Gelet op de technische aanpassingen die hiervoor benodigd zijn is de inschatting dat het experiment begin 2008 van start kan gaan.

(…)”

Bij brief van 29 juni 2007 (Kamerstukken II 2006-2007, 30 800 VI, nr. 113) heeft de minister van justitie de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, voor zover hier relevant, als volgt geïnformeerd over de stand van zaken aangaande het experiment:

“(…)

Slot

(…)

De verdere uitwerking van het experiment zal onder leiding van mijn departement op regionaal niveau door alle betrokken partijen (politie, Openbaar Ministerie, advocatuur en Raden voor rechtsbijstand) ter hand worden genomen. Vertegenwoordigers vanuit beide deelnemende regio’s zullen daarbij gezamenlijk toewerken naar één gemeenschappelijk protocol waarin de precieze spelregels voor het experiment zijn opgenomen.

(…)”

Bij brief van 9 juli 2008 (Kamerstukken II 2007-2008, 31 200 VI, nr. 180) heeft de minister van justitie de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, voor zover hier relevant, als volgt geïnformeerd over het experiment.

“(…)

Raadsman bij het politieverhoor

In 2007 heeft verdere uitwerking plaatsgevonden van de in mijn brieven van 1 mei 2007 en 29 juni 2007 (Kamerstukken II 2006-2007, 30 800 VI, nrs. 86 en 113) geformuleerde uitgangspunten voor het experiment raadsman bij het politieverhoor. De opzet van het experiment is voorbereid door een werkgroep waarin alle betrokken partijen hebben geparticipeerd (NOvA, politie, OM, Raden voor rechtsbijstand, WODC, departement). Over de voorwaarden waaronder het experiment plaatsvindt is tussen alle deelnemende partijen overeenstemming bereikt.

(…)

Per 1 juli 2008 worden advocaten in de eerstgenoemde twee regio’s in de gelegenheid gesteld om aanwezig te zijn in de verhoorkamer. In 2010 wordt het experiment beëindigd en geëvalueerd.”

Het ‘Protocol pilot raadsman bij politieverhoor van verdachte’ (hierna: het protocol) luidt -voor zover van belang- als volgt.

“(…)

In welke gevallen:

Alle gevallen waarbij er sprake is van een politieverhoor van een verdachte, die wordt verdacht van daderschap als bedoeld in art. 47 Sr, van een voltooid misdrijf uit de titel XIX van het Wetboek van Strafrecht (Misdrijven tegen het leven gericht), ongeacht wanneer het misdrijf is gepleegd.

(…)

Welke verhoren

Alle politieverhoren van de verdachte in de periode van ophouden voor onderzoek en (verlengde) inverzekeringstelling.

(…)

Voorwaarde

Het verhoor moet audiovisueel worden geregistreerd, waarbij de verdachte, de verhoorder(s) en een overzichtsbeeld van de verhoorkamer worden opgenomen. De raadsman moet op een van de beelden duidelijk zichtbaar zijn. Indien audiovisuele registratie onmogelijk is valt het verhoor buiten het experiment en geldt het protocol niet.

(…)”

Beoordeling van het verweer

Bij de beoordeling van het verweer moet worden vooropgesteld dat het experiment, dat naar aanleiding van een motie van een aantal Kamerleden in het kielzog van het ‘Programma versterking opsporing en vervolging’ (Kamerstukken II 2005-2006, 30 300 VI, nr. 32) door de minister van justitie is ontwikkeld, tot doel heeft de rechtspositie van de verdachte van levensdelicten gedurende het opsporingsonderzoek te versterken. Daarnaast mag niet uit het oog worden verloren dat het een experiment betreft, waarvan de resultaten uiteindelijk zullen worden betrokken bij de nadere besluitvorming over het al dan niet (wettelijk) reguleren van de aanwezigheid van de raadsman bij politieverhoren. Ten slotte is van belang dat over de voorwaarden waaronder het experiment plaatsheeft overeenstemming is tussen alle deelnemende partijen (NOvA, politie, OM, Raden voor rechtsbijstand, WODC, departement van justitie).

De verdachte wordt -onder andere- verdacht van het medeplegen van moord/doodslag. Dit is een verdenking van daderschap ex 47 Sr van een voltooid misdrijf uit de titel XIX van het Wetboek van Strafrecht. Op verdachte is derhalve (in beginsel) het protocol van toepassing. Uit het protocol zelf volgt immers dat het protocol geldt voor “alle gevallen” waarbij sprake is van een dergelijke verdenking.

Anders dan de officier van justitie is de rechter-commissaris van oordeel dat het protocol niet simpelweg terzijde kan worden gelegd met als (enige) motivering achteraf en desgevraagd dat de speciaal voor het experiment ingerichte verhoorkamer(s) niet (direct) beschikbaar zou(den) zijn.

Op de eerste plaats stelt het protocol, noch de door de minister van justitie geformuleerde uitgangspunten bij het experiment, immers de eis van gebruik van op bijzondere/speciale wijze ingerichte verhoorkamers. Het protocol stelt in navolging van de minister van justitie op dit punt slechts de eis dat audiovisuele registratie, mogelijk moet zijn. Dat in de onderhavige zaak audiovisuele registratie mogelijk was blijkt uit het feit dat het proces-verbaal vermeldt dat het (eerste) verhoor audiovisueel is geregistreerd.

Het kan de officier van justitie in zijn algemeenheid weliswaar worden toegegeven dat een speciaal ingerichte verhoorkamer voor alle betrokkenen de voorkeur verdient. Geen steekhoudend argument echter mag, en kan zijn dat in een politieregio als Rotterdam-Rijnmond 15 maanden nadat de minister van justitie, op verzoek van de betrokken partijen, akkoord is gegaan met audiovisuele- in plaats van auditieve registratie van het experiment, dat bij aanvang van het experiment op 1 juli 2008 slechts één (al dan niet speciaal voor het experiment ingerichte) verhoorkamer voor het experiment beschikbaar is.

Ook het argument van de officier van justitie dat een (eerdere) doodslagzaak van een week geleden de onderhavige zaak in de weg zit, snijdt geen hout. Het is de rechter-commissaris ambtshalve bekend dat de verdachte in die zaak al reeds enige dagen in bewaring zit en dat derhalve de fase van verlengde inverzekeringstelling voorbij is. Het protocol is op die verdachte dan ook niet meer van toepassing zodat de verhoren in die zaak (zo die überhaupt nog plaatshebben) geen belemmering vormen voor deelname van de verdachte aan het experiment.

Het proces-verbaal van voorgeleiding geeft ook geen inzicht in de beslissing van politie en justitie om de verdachte niet deel te laten nemen aan het experiment.

Uit het voorgaande vloeit voort dat -voor zover thans te beoordelen- (mogelijk) op te lichtvaardige wijze is besloten verdachte niet deel te laten nemen aan het experiment, hetgeen gelet op het doel van het experiment en uit het oogpunt van de beginselen van rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en/of willekeur een slechte ontwikkeling (zou zijn) is.

De rechtspositie van de verdachte van een voltooid levensdelict vereist bij een «real life experiment» als het onderhavige een grote mate van zorgvuldigheid van alle betrokkenen bij het experiment. Ook de minister van justitie is, gelet op zijn

-hiervoor aangehaalde- brief van 1 mei 2007, deze mening toegedaan.

Deze zorgvuldigheid zou enerzijds in een bepaald geval kunnen leiden tot de beslissing om een verdachte niet deel te laten nemen aan het experiment, indien (bijvoorbeeld) het protocol en/of de door de minister geformuleerde uitgangspunten niet kunnen worden nageleefd. Anderzijds vereist dezelfde zorgvuldigheid, gelet op het doel van het experiment en de (genoemde) beginselen van een behoorlijke procesorde, dat voor de verdachte en de andere procesdeelnemers (nog voorafgaand aan een eerste verhoor) volstrekt helder is wat de redenen van een (eventuele) beslissing tot niet deelname aan het experiment zijn.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of voorgaande voorshandse vaststelling van invloed is op is op de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling.

Bij deze beoordeling dient uitgangspunt te zijn dat de wet- en regelgeving géén recht op aanwezigheid van de raadsman bij politieverhoren kent. De Hoge Raad als ook het Europese Hof voor de Rechten van de Mens hebben geoordeeld dat de op deze wet en regelgeving gebaseerde rechtspraktijk niet in strijd is met artikel 6 EVRM (HR 13 mei 1997, NJ 1998, 152 en EHRM 14 december 1999, Dougan, no. 44738/98). De minister van justitie heeft dit kennelijk voor ogen gehad toen hij als uitgangpunt bij het experiment formuleerde dat voor de beoordeling van de rechtmatigheid in de opsporingsfase uitsluitend de vigerende wet- en regelgeving en geldende jurisprudentie leidend is en dat aan de voorwaarden en uitgangspunten van het experiment geen rechten kunnen worden ontleend.

Tegen die achtergrond zal in zijn algemeenheid niet snel geconcludeerd kunnen worden tot zodanige strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde dat hieraan rechtsgevolgen moeten worden verbonden. Bovendien mag van de verdediging worden verwacht dat zij gemotiveerd betoogd dat, met aanmerkelijke veronachtzaming van de belangen van de verdachte, in strijd is gehandeld met de door de minister van justitie geformuleerde uitgangspunten en/of met het (door betrokken partijen opgestelde) protocol.

Het (mogelijk) te lichtvaardig besluiten tot het niet deelnemen van de verdachte aan het experiment raakt de inverzekeringstelling dan ook niet. Hierbij is van belang dat de verdachte voorafgaand aan zijn verhoor de cautie heeft gekregen en hij ook vrijwel steeds van zijn recht om te zwijgen gebruik heeft gemaakt. De verdachte is dan ook niet in zijn (verdedigings)belangen geschaad.

Het verweer van de verdachte wordt dan ook verworpen.

Nu anderszins geen redenen zijn gesteld of gebleken waarom de inverzekeringstelling onrechtmatig zou moet worden geoordeeld is de inverzekeringstelling niet onrechtmatig.

Rotterdam, 27 juli 2008

mr. J.H. Janssen, rechter-commissaris


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature