< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Gebouwenverzekering. Brand. Schadevaststellingsovereenkomst. Verjaring. Stuiting.

Uitspraak



RECHTBANK ROTTERDAM

sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 222609 / HA ZA 04-2330

Uitspraak: 8 maart 2006

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat en procureur mr. A.P.M. Henket,

- tegen -

1. de naamloze vennootschap AMEV SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

procureur: mr. B.J.R. van Tongeren,

advocaat: mr. O.P. van Tricht,

en

2. de besloten vennootschap CRAWFORD & COMPANY (NEDERLAND) B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

procureur mr. J. de Bliek,

advocaat: mr. A. Stendahl.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiser]" respectievelijk "Amev" en "Craw- ford ".

1. Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding van 9 augustus 2004, en de door [eiser] overgelegde producties;

- conclusie van antwoord van Amev;

- incidentele conclusie tot onbevoegdheid tevens houdende (voorwaardelijke) conclusie van antwoord van Crawford, met een productie;

- conclusie van repliek, met producties;

- conclusie van dupliek van Amev, met een productie;

- conclusie van dupliek van Crawford, met producties;

- akteverzoek van [eiser], met producties.

2. Het geschil

De vordering luidt - kort weergegeven - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. Amev te veroordelen om aan [eiser] te betalen € 123.042,21, vermeerderd met de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 4.709,38;

2. Crawford te veroordelen om aan [eiser] te betalen dat gedeelte van het sub 1 gevorderde bedrag dat ten gevolge van verzuimen van Crawford niet voor re-kening van Amev komt;

3. Amev en Crawford te veroordelen in de kosten van het geding.

Amev en Crawford hebben de vordering van [eiser] gemotiveerd betwist. Craw-ford heeft geconcludeerd dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren, met verwijzing naar de sector kanton. Voorts hebben Amev en Crawford geconclu-deerd tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, van [eiser] in de kosten van het geding.

3. De beoordeling

3.1

Tussen partijen staan onder meer de volgende feiten vast:

a. In de nacht van 14 op 15 september 1996 is brand uitgebroken in een ge-bouw aan de Middenweg 18 te Leidschendam, toebehorende aan [eiser] en zijn zakenpartner [X].

b. Ten tijde van het schadevoorval was een door [eiser] en [X] bij Amev afge-sloten gebouwenverzekering van kracht (productie 8 bij dagvaarding).

c. Het verzekerd bedrag van de gebouwenverzekering bedroeg fl. 1.310.000,00.

d. Op 18 september 1998 is tussen enerzijds Amev en anderzijds [eiser] en [X] een "akte benoeming van experts" opgemaakt (productie 9 bij dagvaarding).

e. De akte benoeming van experts vermeldt dat partijen onder meer het vol-gende zijn overeengekomen:

"1. Als uitsluitend bewijs van de grootte van de schade overeenkomstig de polis zal gelden een taxatie gemaakt door twee experts waarvan verzekerde en verzekeraars er ieder één benoemen en als blijk van aanvaarding van hun be-noeming deze akte mede ondertekenen. Door verzekerde is als zodanig benoemd Thomas Howell Nederland te Rotterdam. Door verzekeraars is als zodanig be-noemd EMN Expertise B.V. te Nieuwegein. Als derde expert die bij gebreke aan overeenstemming de grootte van de schade binnen de grenzen van de beide taxaties heeft vast te stellen, wordt benoemd: de heer F.J. Kalis.

2. De experts zullen in de taxatie de waarden van de verzekerde zaken on-middellijk vóór en onmiddellijk na het voorval vermelden, alsmede de herstel-kosten onmiddellijk na het voorval van die zaken die voor herstel vatbaar zijn. De experts zullen tevens het door hen gehanteerde waardebegrip vermelden. Voorts zal in de taxatie het bedrag van bereddingskosten worden vermeld en, indien meeverzekerd, het bedrag van de opruimingskosten.

3. De experts zullen oorzaak en toedracht van de schade beschrijven, als-mede of en zo ja, welke andere verzekeringen er op de verzekerde zaken zijn af-gesloten."

f. De twee benoemde experts hebben in februari 1997 een "akte van taxatie" opgesteld en ondertekend (productie 3 bij conclusie van dupliek van Craw-ford).

g. De akte van taxatie vermeldt dat de opstalschade (basis herbouw) welke is veroorzaakt door de brand van 15 september 1996 door de experts is vastge-steld op fl. 1.253.874,00. Deze schadevaststelling is gebaseerd op een ge-taxeerde waarde voor de brand van fl. 1.427.240,00 en een getaxeerde waarde na de brand van fl. 173.366,00. De opruimingskosten zijn vastgesteld op fl. 94.850,33. De huurderving (acht maanden) is vastgesteld op fl. 74.667,00.

h. Amev heeft tot en met 4 november 1998 de volgende bedragen aan [eiser] betaald:

opstalschade: fl. 1.150.875,00

huurderving: fl. 74.667,00.

i. Amev heeft de voor vergoeding in aanmerking komende opstalschade wegens onderverzekering gecorrigeerd conform de volgende berekening:

1.310.000 (verzekerd bedrag) / 1.427.240 (getaxeerde waarde) * 1.253.874 (vastgestelde schade)= fl. 1.150.875,00.

3.2

[Eiser] grondt zijn vordering tegen Amev op de verzekeringsovereenkomst. [Eiser] stelt dat Amev op grond van de verzekeringsovereenkomst gehouden is een ho-ger bedrag aan schade te vergoeden dan zij tot op heden heeft vergoed. In de vi-sie van [eiser] heeft Amev ten onrechte een correctie toegepast wegens onderver-zekering, is in de getaxeerde waarde na de brand ten onrechte de waarde van de restanten van het hoofdgebouw betrokken, heeft Amev ten onrechte geweigerd een nota van 16 oktober 1996 ter zake van kosten van een deskundige te vergoe-den en heeft Amev een te laag bedrag aan huurderving vergoed.

3.3

Zijn vordering tegen Crawford grondt [eiser] op wanprestatie. [Eiser] stelt dat de vordering op Crawford bestaat uit dat gedeelte van het door [eiser] van Amev ge-vorderde bedrag, dat ingevolge het in deze te wijzen vonnis ten gevolge van ver-zuimen van de zijde van Crawford niet voor rekening van Amev komt.

3.4

De rechtbank verwerpt het verweer van Crawford dat de door [eiser] tegen haar ingestelde vordering door de sector kanton van deze rechtbank dient te worden behandeld en beslist. Weliswaar zou uit het gestelde bij dagvaarding onder 35 sub d kunnen worden afgeleid dat de vordering een beperkte omvang heeft, maar uit het gestelde bij dagvaarding onder 44 "ten zesde" en onder 49 kan wor-den afgeleid dat de vordering van onbepaalde waarde is. Derhalve is de recht-bank bevoegd van de vordering kennis te nemen.

3.5

Beide gedaagden voeren het verweer dat de door [eiser] tegen hen ingestelde vordering is verjaard. Indien deze verweren slagen, komt de rechtbank aan een inhoudelijke behandeling van de geschillen niet toe. Derhalve zal de rechtbank deze verweren als eerste behandelen.

3.6

Amev voert in dit verband aan dat de eventuele vordering van [eiser] op haar vanaf 16 september 1996 opeisbaar was, zodat deze op grond van artikel 3:307 BW op 16 september 2001 is verjaard. [Eiser] stelt dat de verjaring is gestuit doordat hij op 13 september 2001 stuitingsbrieven heeft verzonden aan Amev en aan Van Calcar Assuradeuren B.V. (hierna: "Van Calcar"), gevolmachtigd agent van Amev. [Eiser] heeft bij akteverzoek na conclusiewisseling zes producties overgelegd, aan welke producties [eiser] de conclusie verbindt dat hij de verzen-ding en ontvangst van de stuitingsbrieven van 13 september 2001 heeft bewezen. [Eiser] biedt op dit punt aanvullend bewijs door getuigen aan. Amev betwist bij conclusie van dupliek onder 3.1 dat zij een stuitingsbrief heeft ontvangen. Uit de formulering van de betreffende paragraaf wordt het de rechtbank echter niet duidelijk of Amev ook betwist dat Van Calcar de stuitingsbrief heeft ontvangen en of Amev betwist dat zij en/of Van Calcar de stuitingsbrieven per fax hebben ontvangen.

3.7

Nu Amev nog niet heeft kunnen reageren op de door [eiser] bij akteverzoek over-gelegde producties, dient zij daartoe alsnog in de gelegenheid te worden gesteld. Voorts dient Amev hetgeen zij stelt bij conclusie van dupliek onder 3.1 te verdui-delijken. De rechtbank zal een comparitie van partijen gelasten teneinde Amev daartoe in de gelegenheid te stellen. De comparitie van partijen kan tevens wor-den benut voor het beproeven van een regeling in der minne.

3.8

Crawford voert ter onderbouwing van het door haar gedane beroep op verjaring aan dat de (voorwaardelijke) vordering van [eiser] tegen Crawford een vordering tot schadevergoeding betreft, welke krachtens artikel 3:310 BW is verjaard door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop [eiser] zo-wel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is gewor-den. [Eiser] stelt dat hij bij faxbericht van 9 juli 2002 aan de heer Luijpen, de ex-pert van Crawford, de verjaring van zijn vordering op Crawford heeft gestuit (productie 3 bij conclusie van repliek). Crawford betwist dat het faxbericht van 9 juli 2002 van [eiser] aan expert Luijpen kan worden aangemerkt als een stui-tingsmededeling in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW .

3.9

Artikel 3:317 lid 1 BW bepaalt dat de verjaring van een rechtsvordering tot nako-ming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Een dergelijke schriftelijke mededeling moet worden begrepen in het licht van de strekking van een stuitingshandeling van deze aard: het moet gaan om een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar dat hij er ook na het verstrijken van de verjaringstermijn rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsma-teriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog ingestelde rechtsvor-dering behoorlijk kan verweren.

3.10

De rechtbank is van oordeel dat het faxbericht van 9 juli 2002 van [eiser] aan ex-pert Luijpen de verjaring van een eventuele rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis door Crawford niet heeft gestuit. Het faxbericht vermeldt als re-ferentie "DOC.STUITING/28" en sluit af met de mededeling dat onder voorbe-houd van rechten wordt getekend. Verder bevat het faxbericht slechts een aantal aan de expert voorgelegde vragen, waaronder de vraag of hij blijft bij zijn stand-punt dat hij alleen bereid is bij een onderhoud met Amev aanwezig te zijn, in-dien vooraf vaststaat bij wie hij € 150,00 per uur kan declareren. De rechtbank is van oordeel dat Crawford uit het faxbericht van 9 juli 2002 niet behoefde te be-grijpen, dat [eiser] de verjaring van een eventuele door hem tegen Crawford in te stellen rechtsvordering beoogde te stuiten. Weliswaar vermeldt de referentie op het faxbericht het woord stuiting, maar dat kon, gelet op de verdere inhoud van het faxbericht, ook betrekking hebben op de verhouding tussen [eiser] en Amev. Van een schriftelijke mededeling waarin [eiser] zich jegens Crawford ondubbel-zinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt, is derhalve geen sprake.

3.11

Dat het woord stuiting in de referentie van het faxbericht van 9 juli 2002 naar de intentie van [eiser] inderdaad betrekking had op de verhouding tussen [eiser] en Amev blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het volgende. De op het faxbe-richt aan expert Luijpen vermelde referentie komt, behoudens het getal achter de schuine streep, overeen met de referentie die is vermeld op de stuitingsbrieven van 13 september 2001, welke volgens [eiser] werden verzonden aan Amev en Van Calcar (productie 1 en 2 bij conclusie van repliek). Die stuitingsbrieven ver-melden, anders dan het faxbericht aan expert Luijpen, tevens de woorden "STUITING VERJARINGS-TERMIJN", boven de aanhef en boven iedere pagina van die brieven. Bovendien vermelden die brieven, op bladzijde 6, nogmaals vooraf-gegaan door de woorden "STUITING VERJARINGS-TERMIJN", dat verzekeringne-mer zich uitdrukkelijk alle rechten voorbehoudt met betrekking tot zijn vorde-ringsrecht(en) krachtens de verzekeringsovereenkomst. Indien [eiser] zou hebben beoogd (ook) de verjaring tegen Crawford te stuiten dan lag het in de rede dat hij dat op vergelijkbare wijze zou hebben gedaan als in de brieven gericht aan Amev en Van Calcar, althans op een vergelijkbare ondubbelzinnige wijze.

3.12

[Eiser] stelt dat pas na ontvangst van een onherroepelijk vonnis in deze procedu-re duidelijk wordt of bepaalde kosten al dan niet door Amev worden vergoed. [Eiser] leidt daaruit af dat de schade nog niet is ontstaan en dat de verjarings-termijn ten gunste van Crawford nog niet is aangevangen. De rechtbank acht de-ze conclusie onjuist. Gesteld noch gebleken is dat het [eiser] na de laatste beta-ling door Amev (4 november 1998) niet duidelijk was dat Amev zich op het standpunt stelde ter zake van de brand volledig aan haar verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst te hebben voldaan. Vanaf dat moment was [eiser] be-kend met de zijns inziens uit de gestelde wanprestatie van Crawford voortvloei-ende schade en met de daarvoor aansprakelijk persoon en moet hij geacht wor-den in staat te zijn geweest een rechtsvordering tot vergoeding van de schade in te stellen. Vanaf dat moment liep derhalve de verjaringstermijn ten gunste van Crawford.

3.13

Ten tijde van dagvaarding van Crawford door [eiser] was de verjaringstermijn van vijf jaar van artikel 3:310 lid 1 BW verstreken. Het beroep van Crawford op verjaring slaagt derhalve. Dat betekent dat de vordering van [eiser] tegen Craw-ford - bij eindvonnis - zal worden afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de aan de zijde van Crawford gevallen kosten van het geding.

3.14

Uit proceseconomische overwegingen, mede in verband met een eventueel tus-sen partijen te treffen regeling in der minne, zal de rechtbank reeds thans over-gaan tot behandeling van de inhoudelijke geschilpunten tussen [eiser] en Amev.

3.15

Het eerste geschilpunt tussen [eiser] en Amev betreft de vraag of ten tijde van de brand Amev de verzekeraar was van, zoals [eiser] stelt, alleen het door brand verwoeste gebouw, dan wel van, zoals Amev aanvoert, drie gebouwen aan de Middenweg 18 te Leid-schendam. De schadeafwikkeling heeft plaatsgevonden conform het standpunt van Amev, hetgeen meebracht dat wegens onderverzeke-ring een korting op de uit te betalen schadepenningen werd toegepast.

3.16

De polis biedt naar het oordeel van de rechtbank geen steun aan het standpunt van [eiser]. Het clausuleblad (productie 8 bij dagvaarding) vermeldt achter "RISICOADRES" het adres Middenweg 18 te Rotterdam en voegt daaraan toe: "De gebouwen zijn, in aanvulling op de in het polisblad vermelde bestemming tevens in gebruik als; verhuur, overslag, opslag expeditie, kantoor en kantine." De passage "de gebouwen zijn", duidt er op dat er sprake is van meer dan één verzekerd ge-bouw op het risicoadres. Nu er feitelijk inderdaad meer dan een gebouw op het risicoadres aanwezig was, ligt het voor de hand dat al die gebouwen onder de verzekeringsovereenkomst vallen. Dat die gebouwen op de polis niet apart zijn omschreven, doet daar niet aan af. [Eiser] wijst er weliswaar terecht op dat de beschrijving van de bestemming op de polis en de omschrijving van de bouw-kundige constructie met name betrekking lijken te hebben op het hoofdgebouw, maar dat acht de rechtbank verklaarbaar uit het feit dat de beide andere gebou-wen op het risicoadres van ondergeschikte betekenis waren in relatie tot het hoofdgebouw.

3.17

[Eiser] heeft erkend dat de verzekerde som ten tijde van het schadevoorval fl. 1.310.000,00 bedroeg en dat dit bedrag aanvankelijk was gebaseerd op een taxatierapport van 11 augustus 1991, waarin de drie op het risicoadres aanwezige gebouwen apart werden genoemd en gewaardeerd (conclusie van repliek onder 19). [Eiser] stelt echter dat het er aan het begin van 1995 naar uitzag dat de be-drijfsvoering op de locatie binnen afzienbare termijn zou moeten worden ge-staakt. Om die reden werd volgens [eiser] besloten om geen kosten meer te ma-ken voor een hertaxatie, welke noodzakelijk zou zijn geweest omdat het taxatie-rapport van 11 augustus 1991 slechts drie jaar geldig was. Volgens [eiser] werd mede op advies van Van Calcar besloten om vanaf 6 februari 1995 uitsluitend nog het hoofdgebouw te verzekeren, zulks voor het bedrag dat op 11 augustus 1991 was getaxeerd voor de drie opstallen gezamenlijk, te weten fl. 1.310.000,00, maar exclusief de opruimingskosten en zonder indexeringsclausule. Amev heeft deze stellingen van [eiser] gemotiveerd betwist. Op [eiser] rust krachtens de hoofdregel van het bewijsrecht de bewijslast van deze stellingen. Door de over-gelegde stukken wordt dat bewijs niet, ook niet voorshands, geleverd. Indien het beroep van Amev op verjaring niet slaagt, zal het bewijs van eerdergenoemde stellingen bij een volgend tussenvonnis aan [eiser] worden opgedragen.

3.18

Het tweede geschilpunt tussen [eiser] en Amev betreft, volgens [eiser] (dagvaar-ding onder 39), de vraag of wel of niet een aftrek moet worden toegepast voor restantwaarde. Met toepassing van die aftrek zijn de experts gekomen tot een schadevaststelling van fl. 1.253.874,00. Dat bedrag is immers het verschil tussen de door de deskundigen getaxeerde waarde vóór de brand van fl. 1.427.240,00 en de getaxeerde waarde na de brand van fl. 173.366,00, waarbij in de laatste waarde de restantwaarde van het hoofdgebouw voor een bedrag van fl. 38.366,00 is be-grepen (productie 11B en productie 11C, pagina 4, bij dagvaarding). Bij conclusie van repliek onder 47 stelt [eiser] dat hij de door de experts becijferde schade bij herbouw van de opstal, vastgesteld op fl. 1.253.874,00, niet betwist. Het tweede geschilpunt lijkt derhalve geen behandeling te behoeven. Immers, [eiser] heeft de schadevaststelling waarin de aftrek voor de restantwaarde van het hoofdgebouw is verdisconteerd geaccepteerd . Nu [eiser] bij dagvaarding niettemin de waarde van de restanten van het hoofdgebouw ad fl. 38.366,00 als een nog te vergoeden schadepost opvoert, overweegt de rechtbank als volgt. [Eiser] is in beginsel ge-bonden aan de schadevaststelling door de experts. Dat betreft ook de vaststelling van de restantwaarde van het hoofdgebouw. Weliswaar zijn er bijzondere om-standigheden denkbaar waaronder een dergelijke gebondenheid niet zou be-staan, althans vernietiging van de beslissing tot schadevaststelling mogelijk zou zijn, bijvoorbeeld omdat gebondenheid van [eiser] aan de schadevaststelling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, maar dergelijke (zeer) bijzondere omstandigheden zijn niet door [eiser] gesteld, noch is van dergelijke omstandigheden gebleken.

3.19

Het derde geschilpunt tussen [eiser] en Amev betreft de weigering van Amev om het bedrag van een nota ten bedrage van fl. 1.415,90 van Bax en Spendel te ver-goeden. De achtergrond van dit geschilpunt is blijkbaar dat de door [eiser] inge-schakelde expert met betrekking tot een onderdeel van zijn opdracht waarop hij minder deskundig was een beroep op de expertise van Bax en Spendel heeft ge-daan. De expert heeft echter niet rechtstreeks een opdracht aan Bax en Spendel verstrekt, maar heeft deze opdracht via [eiser] laten lopen, waarna de factuur op naam is gesteld van een aan [eiser] gelieerde vennootschap. Deze factuur is niet verwerkt in de door Amev vergoede kosten van de expert. Het komt de rechtbank voor dat het voor de vraag of de kosten van de nota van Bax en Spendel voor vergoeding door Amev in aanmerking komen geen verschil zou behoren te ma-ken of de benoemde expert, op wiens verzoek Bax en Spendel is ingeschakeld, die kosten zelf heeft voldaan, dan wel deze aan een derde in rekening heeft laten brengen. Amev wordt verzocht zich hieromtrent ter comparitie van partijen uit te laten.

3.20

Het vierde geschilpunt betreft de huurderving. De experts hebben de huurder-ving vastgesteld op fl. 74.667,00. Daarbij zijn zij uitgegaan van "huurpenningen, gederfd over de tijd die normaal nodig is voor herstel in de oude toestand" (artikel 4.4. van de verzekeringsvoorwaarden ), welke tijd zij op acht maanden hebben gesteld. Bij dagvaarding onder 35 sub a stelt [eiser] dat het zo moge zijn dat de hersteltermijn technisch acht maanden was, maar dat de experts toen, vijf maanden na de schade van september 1996, nog niet konden weten dat de as-bestschoning nog eens twee maanden extra zou kosten en dat voor de verkrijging van gemeentelijke herbouwvergunningen en dergelijke nog eens een termijn van vier maanden stond. Wat er ook zij van deze stellingen van [eiser], ook met be-trekking tot dit geschilpunt geldt dat [eiser] tegenover Amev is gebonden aan de schadevaststelling door de experts. Dat gebondenheid van [eiser] aan de schade-vaststelling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, is immers gesteld noch gebleken.

3.21

In afwachting van de ter comparitie van partijen door partijen te verstrekken in-lichtingen zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden.

3.22

Indien een partij verhinderd is op de hieronder vermelde datum, dient deze dat binnen twee weken na uitspraak van dit vonnis bij brief te melden aan de griffie van de rechtbank en daarbij opgave te doen van de verhinderdata van beide partijen voor de komende drie maanden.

4. De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

beveelt [eiser] in persoon en Amev deugdelijk vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is, vergezeld door hun raadslieden, te verschijnen in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. C. Bouwman, op maandag 12 juni 2006 van 13.30 uur tot 15.30 uur teneinde een schikking te beproeven en tot het geven van inlichtingen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

1729


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature