< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Een grote afvalstoffenverwerker uit Varsseveld is veroordeeld voor de verkeerde opslag van asbest en accu’s. De rechtbank Overijssel legt geldboetes op aan drie BV’s en veroordeelt de eigenaar en een medewerker tot taakstraffen en voorwaardelijke celstraffen. Zij hebben zich ook schuldig gemaakt aan vervalsen van rekeningen en brieven.

De eigenaar is veroordeeld tot een taakstraf van 200 uur en een voorwaardelijke celstraf van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaar. De opslag en de vervalsingen gebeurden onder zijn leiding. Een medewerkster (32) is schuldig aan het maken van valse rekeningen en brieven. Zij krijgt een taakstraf opgelegd van 120 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 3 jaar.

De exploitatiemaatschappij krijgt een boete opgelegd van 50.000 euro, waarvan 20.000 voorwaardelijk. De milieutak en de recycling BV moeten 80.000 euro betalen, waarvan 30.000 euro voorwaardelijk. De BV’s krijgen een proeftijd van 3 jaar.

Uitspraak



RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummers: 08-994536-19 + 08-994570-19 (gev.ttz.) (P)

Datum vonnis: 3 juni 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdacht bedrijf] B.V.,

gevestigd te [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 10 en 14 december 2020 en 19 april 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.L. van Kooten en van hetgeen door de wettelijk vertegenwoordiger van verdachte [wettelijk vertegenwoordiger] en de raadslieden mrs. M. Hendriks en M. van Leeuwen advocaten te Nijmegen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging van 19 april 2021, - voor zover toegestaan -, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Parketnummer 08-994536-19

feit 1: in de periode van 11 februari 2018 tot en met 12 juli 2018 in Varsseveld samen met anderen in strijd met een voorschrift van de omgevingsvergunning heeft gehandeld, door accu’s niet volgens de voorschriften op te slaan.

feit 2: op 12 juli 2018 in Varsseveld samen met anderen in strijd met een voorschrift van de omgevingsvergunning heeft gehandeld, door asbest te accepteren en niet volgens de voorschriften op te slaan.

feit 3 tot en met feit 7: in de periode van 10 februari 2016 tot en met 25 mei 2018 in Varsseveld samen met anderen meerdere nota’s contante inkoop en meerdere begeleidingsbrieven valselijk heeft opgemaakt door een handtekening te zetten op de plaats waar:

- [naam 1] ;

- [naam 2] en/of [naam 3] ;

- [naam 4] ;

- [naam 5] ;

- [naam 6] ,

hadden moeten ondertekenen met het oogmerk om deze nota’s en begeleidingsbrieven als echt te doen gebruiken.

Parketnummer 08-994570-19

feit: op 12 juli 2018 in Varsseveld samen met anderen opzettelijk accu’s vanuit Duitsland naar Nederland heeft overgebracht zonder de vereiste kennisgeving dan wel de vereiste toestemming overeenkomstig de EG- verordening overbrenging van afvalstoffen.

Voluit luidt de (gewijzigde) tenlastelegging aan verdachte, dat:

Parketnummer 08-994536-19

1

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 februari 2018 tot en met 12 juli 2018 te Varsseveld in de gemeente Oude IJsselstreek, tezamen en in vereniging met één of meer andere rechtspersonen en/of met één of meerdere natuurlijke personen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, heeft gehandeld in strijd met één of meer voorschrift(en) dat/die verbonden was/waren aan een omgevingsvergunning die betrekking had op (een)

activiteit(en) als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten de krachtens de Wet milieubeheer bij besluit(en) van 29 juni 2006 met kenmerk MPM 6986 en/of beschikking van 9 mei 2011 (zaaknummer2010-016734/MPM19603) door Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland aan

[medeverdacht bedrijf 1] B.V. verleende (revisie)vergunning voor de inrichting gelegen aan de [adres 2] , kadastraal bekend gemeente Varsseveld, [kadastrale gegevens] , aangezien de accu's niet werden opgeslagen in vloeistofdichte en/of zuurbestendige bakken en/of containers (vergunningvoorschrift 9.7, bijlagendossier ordner 3 p. B1105) en/of werden de accu's niet opgeslagen in bakken in een daartoe bestemde overdekte opslagloods, zodanig dat deze tegen inregenen zijn beschermd (vergunningvoorschrift 4.6, bijlagendossier 3 p. B1094);

Zaaksdossier inrichting gebonden overtredingen, Z1-Z7

2

zij op of omstreeks 12 juli 2018 te Varsseveld in de gemeente Oude IJsselstreek, tezamen en in vereniging met één of meer andere rechtspersonen en/of met één

of meerdere natuurlijke personen, althans alleen, al dan niet opzettelijk, heeft gehandeld in strijd met een voorschrift dat verbonden was aan een omgevingsvergunning die betrekking had op (een) activiteit(en) als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten de krachtens de Wet milieubeheer bij besluit(en) van 29 juni 2006 met kenmerk MPM 6986 en/of beschikking van 9 mei 2011 (zaaknummer

2010-016734/MPM19603) door Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland aan

[medeverdacht bedrijf 1] B.V. verleende (revisie)vergunning voor

de inrichting gelegen aan de [adres 2] , kadastraal bekend

gemeente Varsseveld, [kadastrale gegevens]

, aangezien binnen de inrichting (op asbest locatie 2 en asbest locatie 3, bijlagendossier ordner 5, B1980) asbesthoudend afval werd geaccepteerd en/of opgeslagen dat niet in dubbel plastic van minimaal 0.2 cm dik was verpakt en/of dat niet was opgeslagen in afgesloten containers, althans niet in

containers afgesloten door een dekzeil (vergunningvoorschrift 9.15, bijlagendossier ordner 3, p. B1105);

Zaaksdossier inrichting gebonden overtredingen, Z1-Z7

3

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 februari 2016 tot en met 26 augustus 2017 te Varsseveld in de gemeente Oude IJsselstreek, (telkens) tezamen en in vereniging met één of meer andere rechtspersonen en/of met één of meerdere natuurlijke personen, althans alleen, 21, althans één of meer, nota's contante inkoop en/of 21, althans één of meer, begeleidingsbrieven (zie het schema opgenomen in bijlagendossier 4, p.

B1742-1745), waaronder:

- een nota contante inkoop dd. 1 maart 2016 (bijlagendossier ordner 5, p. B1908), en/of

- een begeleidingsbrief dd. 1 maart 2016 (bijlagendossier ordner 5, p. B1909), en/of

- een nota contante inkoop dd. 1 september 2016 (bijlagendossier ordner 5, p. B1920), en/of - een begeleidingsbrief dd. 1 september 2016 (bijlagendossier ordner 5, p. B1921), en/of

- een nota contante inkoop dd. 1 mei 2017 (bijlagendossier ordner 5, p. B1942), en/of

- een begeleidingsbrief dd. 1 mei 2017 (bijlagendossier ordner 5, p. B1943), en/of

- een nota contante inkoop dd. 21 juli 2017 (bijlagendossier ordner 5, p. B1950), en/of

- een begeleidingsbrief dd. 21 juli 2017 (bijlagendossier ordner 5, p. B1951),

zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk (in strijd met de waarheid) heeft opgemaakt en/of heeft vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken en/of vervalsen, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat de op deze nota('s) contante inkoop en/of begeleidingsbrief/begeleidingsbrieven genoemde (hoeveelheid) accu's in werkelijkheid niet door de afzender en/of ontdoener zijn afgegeven

op de [adres 2] en/of [adres 1] en/of dat op de nota('s) contante inkoop valselijk een handtekening was geplaatst die moest doorgaan voor die van [naam 1] , zulk (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst

te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

PV deelonderzoek [naam 1] , ZOL-125 p. Z32

4

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 maart 2016

tot en met 11 november 2017 te Varsseveld in de gemeente Oude IJsselstreek, (telkens) tezamen en in vereniging met één of meer andere rechtspersonen en/of met één of meerdere natuurlijke personen, althans alleen, 27, althans één of meer, nota's contante inkoop en/of 27, althans één of meer, begeleidingsbrieven (zie het schema opgenomen in bijlagendossier 4, p.

B1787-1788), waaronder:

- een nota contante inkoop dd. 11 april 2016 (zie bijlagendossier 1 p. B278), en/of

- een begeleidingsbrief dd. 11 april 2016 (zie bijlagendossier 1 p. B279), en/of

- een nota contante inkoop dd. 21 december 2016 (zie bijlagendossier 1, p. B282), en/of

- een begeleidingsbrief dd. 21 december 2016 (zie bijlagendossier 1, p. B283), en/of

- een nota contante inkoop dd. 24 maart 2017 (zie bijlagendossier 1, p. B294), en/of

- een begeleidingsbrief dd. 24 maart 2017 (zie bijlagendossier 1, p. B295), en/of

- een nota contante inkoop dd. 1 november 2017 (zie bijlagendossier 1, p. B300), en/of

- een begeleidingsbrief dd. 1 november 2017 (zie bijlagendossier 1, p. B301),

zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk (in strijd met de waarheid) heeft opgemaakt en/of heeft

vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken en/of vervalsen, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat de op deze nota('s) contante inkoop en/of begeleidingsbrief/begeleidingsbrieven genoemde (hoeveelheid) accu's in werkelijkheid niet door de afzender en/of ontdoener zijn afgegeven op de [adres 2] en/of [adres 1] , en/of dat op de nota('s) contante inkoop valselijk een handtekening was

geplaatst die moest doorgaan voor die van [naam 2] en/of [naam 3] , zulk (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

PV deelonderzoek [naam 3] VOF Deventer , zol-114 p. Z36

5

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 februari 2016 tot en met 30 mei 2018 te Varsseveld in de gemeente Oude IJsselstreek, (telkens) tezamen en in vereniging met één of meer andere rechtspersonen en/of met één of meerdere natuurlijke personen, althans alleen, 65, althans één of meer, nota's contante inkoop en/of 63, althans één of meer,

begeleidingsbrieven (zie het schema opgenomen in bijlagendossier 4, p. B1824-1827), waaronder:

- een nota contante inkoop dd. 23 februari 2016 (bijlagendossier ordner 1, p. B3), en/of

- een begeleidingsbrief dd. 23 februari 2016 (bijlagendossier ordner 1, p. B4), en/of

- een nota contante inkoop dd. 31 augustus 2016 (bijlagendossier ordner 1, p. B39), en/of

- een begeleidingsbrief dd. 31 augustus 2016 (bijlagendossier ordner 1, p. B40), en/of

- een nota contante inkoop dd. 29 maart 2017 (bijlagendossier ordner 1, p. B59), en/of

- een begeleidingsbrief dd. 29 maart 2017 (bijlagendossier ordner 1, p. B60), en/of

- een nota contante inkoop dd. 21 augustus 2017 (bijlagendossier ordner 1, p. B81), en/of

- een begeleidingsbrief dd. 21 augustus 2017 (bijlagendossier ordner 1, p. B82), en/of

- een nota contante inkoop dd. 8 mei 2018 (bijlagendossier ordner 1, p. B140), en/of

- een begeleidingsbrief dd. 8 mei 2018 ( (bijlagendossier ordner 1, p. B141),

zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk (in strijd met de waarheid) heeft opgemaakt en/of heeft vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken en/of vervalsen, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat de op deze nota('s) contante inkoop en/of begeleidingsbrief/begeleidingsbrieven genoemde (hoeveelheid) accu's in werkelijkheid niet door de afzender en/of ontdoener zijn afgegeven

op de [adres 2] en/of [adres 1] , en/of dat op de nota('s) contante inkoop valselijk een handtekening was geplaatst die moest doorgaan voor die van [naam 4] , zulk (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst

te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

PV deelonderzoek [bedrijf 1] , ZOL-116 p. Z40

6

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 mei 2016 tot en met 23 maart 2018 te Varsseveld in de gemeente Oude IJsselstreek, (telkens) tezamen en in vereniging met één of meer andere rechtspersonen en/of met één of meerdere natuurlijke personen, althans alleen, 27, althans één of meer, nota's contante inkoop en/of 27, althans één of meer, begeleidingsbrieven (zie het schema opgenomen in bijlagendossier 4, p.

B1787-1788), waaronder:

- een nota contante inkoop dd. 17 mei 2016 (zie bijlagendossier 1, p. B155), en/of

- een begeleidingsbrief dd. 17 mei 2016 (zie bijlagendossier 1, p. B156), en/of

- een nota contante inkoop dd. 14 december 2016 (zie bijlagendossier 1, p. B164), en/of

- een begeleidingsbrief dd. 14 december 2016 (zie bijlagendossier 1, p. B155), en/of

- een nota contante inkoop dd. 12 mei 2017 (zie bijlagendossier 1, p. B188), en/of

- een begeleidingsbrief dd. 12 mei 2017 (zie bijlagendossier 1, p. B189), en/of

- een nota contante inkoop dd. 4 oktober 2017 (zie bijlagendossier 1, p. B204), en/of

- een begeleidingsbrief dd. 4 oktober 2017 (zie bijlagendossier 1, p. B205), en/of

- een nota contante inkoop dd. 16 februari 2018 (zie bijlagendossier 1, p. B214), en/of

- een begeleidingsbrief dd. 16 februari 2018 (zie bijlagendossier 1, p. B215),

zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk (in strijd met de waarheid) heeft opgemaakt en/of heeft vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken en/of vervalsen, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat de op deze nota('s) contante inkoop en/of begeleidingsbrief/begeleidingsbrieven genoemde (hoeveelheid) accu's in werkelijkheid niet door de afzender en/of ontdoener zijn afgegeven

op de [adres 2] en/of [adres 1] , en/of dat op de nota('s) contante inkoop valselijk een handtekening was geplaatst die moest doorgaan voor die van [naam 5] , zulk (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

PV deelonderzoek [naam 5] Enschede , ZOL-118 p. Z45

7

zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 februari 2016 tot en met 25 mei 2018 te Varsseveld in de gemeente Oude IJsselstreek, (telkens) tezamen en in vereniging met één of meer andere rechtspersonen en/of met één of meerdere natuurlijke personen, althans alleen, 76, althans één of meer, nota's contante inkoop en/of 71, althans één of meer,

begeleidingsbrieven (zie het schema in bijlagendossier 4, p. B1748-1753), waaronder:

- een nota contante inkoop dd. 13 mei 2016 (bijlagendossier ordner 2, p. B507), en/of

- een begeleidingsbrief dd. 13 mei 2016 bijlagendossier ordner 2, p. B508), en/of

- een nota contante inkoop dd. 17 januari 2017 (bijlagendossier ordner 2, p. B560), en/of

- een begeleidingsbrief dd. 17 januari 2017 (bijlagendossier ordner 2, p. B561), en/of

- een nota contante inkoop dd. 10 maart 2017 (bijlagendossier ordner 2, p. B573), en/of

- een begeleidingsbrief dd. 10 maart 2017 (bijlagendossier ordner 2, p. B574), en/of

- een nota contante inkoop dd. 8 maart 2018 (bijlagendossier ordner 2, p. B674), en/of

- een begeleidingsbrief dd. 8 maart 2018 (bijlagendossier ordner 2, p. B675),

zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk (in strijd met de waarheid) heeft opgemaakt en/of heeft vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken en/of vervalsen, bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat de op deze nota('s) contante inkoop en/of begeleidingsbrief/begeleidingsbrieven genoemde (hoeveelheid) accu's in werkelijkheid niet door de afzender en/of ontdoener zijn afgegeven

op de [adres 2] en/of [adres 1] , en/of dat op de nota('s) contante inkoop valselijk een handtekening was geplaatst die moest doorgaan voor die van [naam 6] , zulk (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst

te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

PV deelonderzoek [naam 6] , ZOL-119 p. Z50

Parketnummer 08-994570-19

zij op of omstreeks 12 juli 2018 te Varsseveld in de gemeente Oude IJsselstreek, in elk

geval in Nederland en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met één of meer andere

rechtspersonen en/of met éen of meerdere natuurlijke personen, althans alleen, al dan niet

opzettelijk éen of meer handelingen heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35 van

de EG-Verordening overbrenging van afvalstoffen, immers heeft verdachte afvalstoffen,

te weten accu’s, overgebracht van Duitsland naar Nederland, terwijl er geen

kennisgeving overeenkomstig de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen aan alle betrokken bevoegde autoriteiten was gedaan en/of terwijl er geen toestemming overeenkomstig de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen van alle betrokken bevoegde autoriteiten was gegeven;

3 De voorvragen

Ten aanzien van het bij parketnummer 08-994536-19 onder 1 en 2 tenlastegelegde

Door de verdediging is – onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad - betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, nu er sprake is geweest van een gedoogbeleid door het bevoegd gezag. Ter onderbouwing heeft de verdediging aangevoerd dat uit de overgelegde stukken en de verklaring van mr. Poels blijkt dat het bevoegd gezag heeft berust in de situatie met betrekking tot de opslag van accu’s en asbest.

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde. Een dergelijk uitzonderlijk geval doet zich onder meer voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt dat hij niet zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend, kan zulk gerechtvaardigd vertrouwen dat vervolging achterwege zal blijven evenwel in de regel niet worden ontleend.

De rechtbank overweegt dat op 29 juni 2006 een revisievergunning Wet Milieubeheer aan [medeverdacht bedrijf 1] voor diverse percelen is verleend. Op één van deze percelen is verdachte gevestigd. In deze vergunning is de wijze van het opslaan van accu’s en asbest expliciet genoemd. De vergunning is naar aanleiding van aanvragen van verdachte aangepast, maar niet ten aanzien van het opslaan van accu’s en/of asbest. Van het gedogen van het in strijd met de omgevingsvergunning en de daarin vervatte voorschriften omtrent het opslaan van accu’s en asbest is niet gebleken. Door de verdediging is dit weliswaar gesteld, maar er is geen schriftelijke overeenkomst overgelegd waarin dit naar voren komt. Evenmin zijn stukken overgelegd op grond waarvan verdachte redelijkerwijs in de veronderstelling kon verkeren dat er sprake was van een gedoogsituatie in afwijking van uitdrukkelijke vergunningsvoorschriften. Dat er geen schriftelijke overeenkomst is, wordt bovendien bevestigd door de toezichthouder van de Omgevingsdienst Achterhoek [toezichthouder] . Hij heeft ter terechtzitting op 10 december 2020 verklaard dat er door hem in het dossier geen aanvullende afspraken of gedoog afspraken met het bevoegd gezag gemaakt in de tenlastegelegde periode zijn aangetroffen.

Nu niet is gebleken van een handelwijze van het Openbaar Ministerie die in strijd is met de grondslagen van het strafproces verwerpt de rechtbank het beroep op het vertrouwensbeginsel en is zij van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging.

Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat de gevoegde dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Ten aanzien van het onder 08-994570-19 tenlastegelegde

De rechtbank overweegt – ten overvloede nu de verdediging slechts het ne bis in idem beginsel ter sprake heeft gebracht zonder daaraan een conclusie te verbinden – dat er van een dubbele vervolging in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht geen sprake is. Er is immers niet gebleken dat verdachte eerder vervolgd is. Daarbij merkt de rechtbank op dat bovendien alle partijen die zich bezighouden met de invoer en uitvoer van afvalstoffen zich moeten houden aan de Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (EVOA) en in beginsel ieder voor zich op de rol die zij daarbij hebben vervuld, strafrechtelijk kunnen worden aangesproken.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat de gevoegde dagvaardingen geldig zijn, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van het parketnummer 08-994536-19

De officier van justitie acht het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Volgens haar aan de rechtbank overgelegde schriftelijke requisitoir heeft de officier van justitie haar standpunt tot bewezenverklaring van het voornoemde onderbouwd en toegelicht.

Kort gezegd baseert de officier van justitie de bewezenverklaring van het tenlastegelegde op:

Accu’s (onjuist opslaan):

- de aan verdachte verleende beschikking van 29 juni 2006;

- het op 12 juli 2018 in de open lucht op het terrein aan de [adres 2] aantreffen van accu’s;

- de luchtfoto’s genomen op 11 februari 2018, 24 maart 2018 en 9 juli 2018;

- de verklaring van getuige [getuige 1] ;

- de verklaring van KAM coördinator [getuige 2] en

- de verklaring van toezichthouder [toezichthouder] .

Asbest (onjuist opslaan):

- de aan de verdachte verleende beschikking van 29 juni 2006;

- het op 12 juli 2018 op twee locaties aantreffen van asbest in drie niet afgesloten containers met bijbehorende overzichtsfoto’s;

- het onderzoek van het monster genomen uit de groene container op locatie;

- de verklaring van getuige [getuige 3] en

- de verklaring van KAM coördinator [getuige 2] .

Valsheid in geschrift:

- de verklaring van [getuige 4] over de gang van zaken binnen de administratie van [verdacht bedrijf] met betrekking tot de accu’s, het opmaken van de begeleidingsbrieven en het zetten van de krul op deze brieven;

- de verklaring van [getuige 3] dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op kantoor bij de weegbrug aan de [adres 2] werken en dat er per klant een template opgemaakt kan worden voor een begeleidingsbrief;

- de verklaring van [getuige 2] dat de kasbonnen opgemaakt worden door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en zij tevens de contante betalingen aan de ontdoeners verrichten;

- de verklaringen van de ontdoeners [naam 1] , [naam 2] , [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] dat zij in het geheel geen of in ieder geval niet de hoeveelheden accu’s hebben geleverd op de aangetroffen nota’s contante inkoop en begeleidingsbrieven en dat er door hen geen begeleidingsbrieven werden opgemaakt;

- de gegevens van de Kamer van Koophandel waaruit blijkt dat [naam 1] , [bedrijf 1] en [naam 6] éénmanszaken zijn;

- de controles bij de ODRA, de RDW en onder meer [bedrijf 3] ;

- het handschriftonderzoek.

Toerekening aan verdachte

De officier van justitie heeft onder verwijzing naar, onder meer:

- de gegevens van de Kamer van Koophandel;

- het voor de buitenwacht bekend zijn als één bedrijf [bedrijfsnaam] , terwijl dit een groep van ondernemingen betreft waar meerdere B.V.’s onder geschaard zijn;

- het in dienst zijn van diverse werknemers bij telkens één van deze B.V.’s terwijl zij werkzaamheden verrichten voor alle B.V.’s;

- de naam van verdachte op de begeleidingsbrieven van [naam 3] en [bedrijf 1] ,

zich op het standpunt gesteld dat de handelingen met de documenten die zien op de ontvangst van de accu’s werden uitgevoerd door werknemers van ondernemingen van de groep [bedrijfsnaam] en behoren tot de normale bedrijfsvoering van verdachte. Zodoende kunnen deze handelingen verdachte aangerekend worden.

Ten aanzien van het parketnummer 08-994517-20

De officier van justitie acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Ter onderbouwing van de bewezenverklaring heeft zij gewezen op het aantreffen van de vrachtwagen met daarin accu’s op de weegbrug, de verklaring van de chauffeur, de door hem overgelegde documenten en het ontbreken van een EVOA-formulier.

4.2

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het parketnummer 08-994535-19

De verdediging heeft volgens haar aan de rechtbank overgelegde pleitnota een integrale vrijspraak van alle tenlastegelegde feiten betoogd. Dit standpunt heeft zij onderbouwd en toegelicht, kort gezegd, op de navolgende wijze.

Accu’s

Er is geen bewijs dat de voorschriften 9.7 tot en met 9.12 van de omgevingsvergunning zijn overtreden. Het op 12 juli 2018 aantreffen van de accu’s op het buitenterrein aan de [adres 2] betreft overslag van accu’s en geen opslag van accu’s. Met betrekking tot de overslag van accu’s is er niets opgenomen in de omgevingsvergunning. Daarbij heeft de verdediging verwezen naar de verklaringen van toezichthouder [toezichthouder] , KAM coördinator [getuige 2] en medewerker [getuige 3] waaruit naar voren komt dat de milieuvergunning onduidelijk was, er bij het laden en lossen van accu’s rekening gehouden moest worden met de weersomstandigheden en de in- en uitvoer van accu’s heel snel verliep.

Ook heeft de verdediging gewezen op de weersomstandigheden rondom 12 juli 2018.

Asbest

Er is geen bewijs dat al bij de acceptatie van asbesthoudend materiaal binnen de inrichting er sprake was van een ondeugdelijke verpakking. In voorschrift 9.15 staat genoemd dat asbesthoudend materiaal uitsluitend mag worden geaccepteerd als dat in dubbel plastic is verpakt met watervaste tape en in een afgesloten container is opgeslagen. Bovendien is het mogelijk dat het scheuren dan wel loslaten van de afdekking bij het op- en aftakelen en het vervoeren van dergelijk materiaal heeft plaatsgevonden.

Valsheid in geschrift

De verdediging heeft aangevoerd dat zij niet over alle beschikbare camerabeelden beschikt en daardoor een onvolledig procesdossier heeft. Het recht op een eerlijk proces is verdachte daardoor ontnomen. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat al het bewijsmateriaal dat met de ontdoeners verband houdt uitgesloten dient te worden.

Door de verdediging is niet betwist dat [medeverdachte 2] de inkoopbonnen voor zover het gewicht en prijs betreft heeft opgemaakt. De handtekening heeft zij echter niet gezet en zijn door de betreffende ontdoeners er opgezet. Voor deze stelling heeft de verdediging een tweetal alternatieve scenario’s geschetst. Het eerste scenario is dat de ontdoeners om financiële redenen omzet hebben verzwegen en ten behoeve daarvan bonnen hebben vernietigd. Dit is gelet op de door de opsporingsambtenaren aangekondigde informatieverzoek bij de ontdoeners heel aannemelijk en wordt ook ondersteund door de verklaring van terreinmedewerker [naam 7] . Nu niet is onderzocht of door de ontdoeners de gehele administratie is overgelegd, kan aan de door hen overgelegde documenten en hun verklaringen daaromtrent geen enkele bewijswaarde worden toegedicht.

Het tweede alternatieve scenario is dat er door één of meerdere derde(n) identiteitsfraude is gepleegd door onder de naam van de op de dagvaarding vermelde ontdoeners accu’s te leveren aan [bedrijfsnaam] . Dit scenario wordt ondersteund door de verklaring van ontdoener [naam 3] inhoudende dat hij in het verleden eerder slachtoffer is geweest van dergelijke fraude.

De verdediging heeft betoogd dat de verklaringen van de ontdoeners niet betrouwbaar zijn en heeft aangevoerd dat:

- de verklaringen van [naam 4] tegenstrijdigheden vertonen;

- [naam 5] aantoonbaar liegt gelet op de overgelegde Whats App berichten tussen hem en [medeverdachte 1] . Daaruit valt op te maken dat hij met enige regelmaat prijzen van accu’s opvraagt terwijl hij onder meer verklaard heeft nooit accu’s naar [bedrijfsnaam] te hebben gebracht;

- [naam 6] heeft verklaard de levering van accu’s zelf te doen, terwijl dit haaks staat op de verklaring van terreinmedewerker [naam 7] die verklaart dat [naam 6] met een oudere man kwam en er zelf niet altijd bij was. Door de verdediging is aanvullend een foto overgelegd waarop de gele grondverzetwagen van [naam 6] op het terrein te zien is in de tenlastegelegde periode;

- [naam 1] heeft verklaard dat hij al 2,5 jaar geen zaken meer heeft gedaan met [bedrijfsnaam] , terwijl medewerker [naam 8] heeft verklaard dat [naam 1] in 2016 regelmatig bij [bedrijfsnaam] is geweest en dat hij in 2017 een schriftelijk dienstverleningscontract met hem heeft gesloten.

Ter onderbouwing van de bepleite vrijspraak heeft de verdediging voorts een accountantsrapportage van H. Kersten overgelegd en gewezen op het handschriftonderzoek waaruit voortvloeit dat de handtekeningen op de inkoopbonnen niet overeenkomen met het handschrift van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Ten aanzien van de begeleidingsbrieven heeft de verdediging opgemerkt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] niet werkzaam waren op de administratie en de begeleidingsbrieven een andere bewijsbestemming hebben dan de inkoopbonnen. Bovendien was de gebruikelijke werkwijze dat de accu’s gewogen werden, er eventueel een begeleidingsbon werd opgemaakt en er niet contant werd uitbetaald voordat er getekend was. Het opmaken van valse bonnen kan dan ook niet aan de B.V.’s worden toegerekend.

Ten aanzien van het parketnummer 08-994517-20

De verdediging heeft vrijspraak betoogd en daartoe erop gewezen dat verdachte vervolgd wordt voor een feit dat mede veroorzaakt is door het handelen van het Openbaar Ministerie. Verdachte heeft geen opdracht gegeven voor het overbrengen van de accu’s naar Varsseveld en wordt vervolgd voor het overbrengen van accu’s die niet voor haar bestemd waren.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het bij parketnummer 08-994536-19

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde .

Bewijsmiddelen

Op 27 mei 2003 heeft Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland een aanvraag van [medeverdacht bedrijf 1] B.V ontvangen voor het veranderen en in werking hebben van de gehele inrichting. De inrichting is onder meer bestemd voor het op- en overslaan van diverse (gevaarlijke) afvalstoffen en het verwerken van diverse (gevaarlijke) afvalstoffen. De inrichting is gelegen aan de [adres 1] , de [adres 2] en de [adres 3] in Varsseveld, kadastraal bekend bij de (toenmalige) gemeente Wisch, [kadastrale gegevens] . De eerste drie adressen betreffen één aaneengesloten terrein. Op 29 juni 2006 is bij besluit MPM 6986 door Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland de vergunning in het kader van de Wet Milieubeheer verstrekt aan [medeverdacht bedrijf 1] B.V voor de duur van 10 jaar. In de aanvraag heeft [bedrijfsnaam] aangegeven de accu's op een milieu hygiënisch verantwoorde wijze op te zullen slaan. De accu’s worden opgeslagen in daarvoor geschikte vloeistofdichte en zuurbestendige bakken die zijn geplaatst in een bedrijfshal. De loods is voorzien van een vloeistof kerende vloer. In voorschrift 9.7 is de wijze van opslaan van accu’s opgenomen:

Accu’s

De opslag van oude accu's moet geschieden in vloeistofdichte en zuurbestendige bakken. De inhoud van een bak dient ten minste gelijk te zijn aan de vloeistofinhoud van de daarin opgeslagen accu's. De bakken moeten in de daartoe bestemde overdekte opslagloods zijn opgesteld, zodanig dat deze tegen inregenen zijn beschermd.

Op 6 mei 2010 heeft de provincie Gelderland de 8.19 WM-melding geaccepteerd. Dit betreft het vergroten van de opslag van 50m3 naar maximaal 500m3. Hierbij wordt dit ondergebracht in een nieuw te bouwen hal. Daarbij is opgetekend dat de opslag van accu’s alleen mag plaatsvinden in bedrijfshal 1, gevestigd op het adres [adres 2] . Voorschrift 9.7 is niet gewijzigd bij de door Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland aan verdachte verleende beschikking van 9 mei 2011 (zaaknummer 2010-016734/MPM19603).

Op 11 februari 2018, 24 maart 2018 en 9 juli 2018 zijn luchtfoto’s genomen van de gezamenlijke inrichting van verdachte en [medeverdacht bedrijf 2] B.V., gelegen aan de [adres 2] en [adres 1] . Uit onderlinge vergelijking van de verschillende foto’s blijkt dat op alle drie data opslag van accu’s op het terrein in de buitenlucht plaatsvond. Op voornoemde data zijn er grote hoeveelheden losse accu’s in de buitenlucht zichtbaar. Deze zijn niet in bakken geplaatst en niet tegen regen beschermd. Ook zijn er verspreid over het bedrijfsterrein diverse bakken met accu’s, niet tegen inregenen beschermd, waargenomen.

Op 12 juli 2018 hebben toezichthouders van de Omgevingsdienst Achterhoek geconstateerd dat er oude accu’s in bakken op het buitenterrein aan de [adres 2] worden opgeslagen. Verbalisant [verbalisant 1] constateert dat er naast het kantoor met de weegbrug diverse bakken met accu’s op pallets staan. Ook ziet hij op andere plekken op het bedrijfsterrein buiten diverse bakken met accu’s op pallets staan. In de bedrijfshal zijn geen bakken met accu’s geplaatst. Op het terrein ziet de verbalisant een blauwe container staan gevuld met accu’s. Aan de onderzijde van deze container ziet hij een gat zitten, zodat de container niet vloeistofdicht is.

Getuige [getuige 1] verklaart op 12 juli 2018, als volgt:

…’Ik ben werknemer in vaste loondienst bij [bedrijfsnaam] .

… Ik ben het meeste met accu’s bezig.

(V) Worden er ook afvalstoffen gemend binnen de inrichting van [bedrijfsnaam] ?

(A) Nee. De accu’s worden niet in de hal opgeslagen maar op het terrein.

Getuige [getuige 2] verklaart op 19 december 2018, als volgt:

…’Ik ben KAM coördinator bij [bedrijfsnaam] .

(V) Welke onderneming is volgens u verantwoordelijk voor de opslag voor accu’s?

(A) Dat valt onder de vergunning van de exploitatiemaatschappij. De handel is echter van [medeverdacht bedrijf 2] BV.

(V) Waar en hoe horen de accu’s opgeslagen te worden volgens de milieuvergunning?

(A) Volgens de milieuvergunning moeten ze opgeslagen worden in een hal.

… Er mag geen water bij komen’.

Op 4 december 2020 verklaart getuige [getuige 3] , als volgt:

…’Ik sta op de loonlijst van [verdacht bedrijf] B.V.

… Ik ben planner voor alle BV’s van [bedrijfsnaam] .

(V) Wat is uw rol bij het doen van meldingen bij het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen?

(A) Ik doe de meldingen bij het LMA.

(V) Welke onderneming is verantwoordelijk voor de opslag van accu’s?

(A) Ik ga uit van [medeverdacht bedrijf 2] B.V.

Op 10 december 2020 verklaart getuige [toezichthouder] ter terechtzitting, als volgt:

…’Mijn beroep is toezichthouder bij de Omgevingsdienst Achterhoek.

…Uit de vergunning blijkt wel duidelijk dat de accu’s in een bak moeten worden opgeslagen en onder een afdak.

… De bakken moeten vloeistofdicht zijn.

… Volgens de vergunning is het niet toegestaan om de accu’s even buiten te laten staan voor het laden en lossen.

Bewijsoverwegingen

Uit voorgaande bewijsmiddelen blijkt dat op het bedrijfsterrein van [bedrijfsnaam] aan de [adres 2] in Varsseveld handel in accu’s plaatsvindt. Hiervoor is door Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland een vergunning aan [medeverdacht bedrijf 1] B.V verleend in het kader van de Wet Milieubeheer. Vanaf 1 oktober 2010 is deze vergunning gelijkgesteld met een omgevingsvergunning bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wet algemene bepalingen Omgevingsrecht.

De omgevingsvergunning betreft een vergunning die ziet op regels die gelden binnen het gesloten terrein van de inrichting. In voorschrift 9.7 is vastgelegd dat accu’s opgeslagen dienen te worden in vloeistofdichte en zuurbestendige bakken. De bakken moeten daarnaast in een overdekte opslagloods zijn opgesteld, zodat deze tegen inregenen beschermd zijn. Uit de genomen luchtfoto’s en de constatering door de toezichthouders van de Omgevingsdienst Achterhoek en verbalisant [verbalisant 1] is af te leiden dat dit voorschrift structureel niet wordt nageleefd in de periode van 11 februari 2018 tot en met 12 juli 2018 en dat (in ieder geval op 12 juli 2018) de bedrijfshal in kwestie niet (meer) wordt gebruikt als overdekte opslagloods voor bakken met accu’s. Getuige [getuige 1] bevestigt dit door zijn verklaring dat de accu’s niet in de hal maar op het terrein werden opgeslagen. Met betrekking tot dit buiten aantreffen van de accu’s heeft de verdediging betoogd dat er geen sprake was van opslag maar van overslag van de accu’s op het bedrijfsterrein van [bedrijfsnaam] . De rechtbank heeft geconstateerd dat noch in de omgevingsvergunning noch in het hiervoor genoemde voorschrift 9.7 gesproken wordt van overslag van accu’s. De omgevingsvergunning is duidelijk en kan in het licht van het stringent wettelijk systeem betreffende de binnen de inrichting geldende vergunde handelingen met betrekkingen tot gevaarlijke afvalstoffen niet anders worden opgevat dan een verbod op het buiten de hal - al dan niet tijdelijk - opslaan van accu’s. Dit wordt ook onderstreept door de verklaring van KAM coördinator [getuige 2] en de verklaring van toezichthouder [toezichthouder] . Een ruimere interpretatie zoals de verdediging voorspiegelt is dan ook niet aan de orde. Voor het opslaan in de buitenruimte had [medeverdacht bedrijf 1] B.V. zich tot het bevoegde gezag moeten wennen met het verzoek de vergunning te wijzigen.

Toerekening aan verdachte

De rechtbank stelt voorop dat een rechtspersoon als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt indien de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn wanneer zich een of meer van de hiernavolgende omstandigheden voordoen, zo bepaalde de Hoge Raad in het Drijfmest-arrest:

het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit andere hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;

de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;

de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag volgens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kan worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

De hiervoor genoemde handel en het opslaan van accu’s zijn gedragingen die passen in de normale bedrijfsvoering van verdachte. De gedraging bestaande uit het in strijd met de voorschriften van de omgevingsvergunning buiten op het bedrijfsterrein aan de [adres 2] (gemeente Varsseveld) opslaan van accu’s kan in redelijkheid aan verdachte worden toegerekend nu zij de administratie rondom de accu’s en de meldingen aan het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (LMA) verwerkt.

Opzet

Gelet op artikel 2 van de Wet op de economische delicten en de tenlastelegging moet worden beoordeeld of de gedragingen al dan niet opzettelijk zijn verricht. Opzet en/of wetenschap is geen bestanddeel van de tenlastegelegde overtreding van de Wet Algemene Bepalingen omgevingsrecht. Het ontbreken van wetenschap van de verboden gedraging is niet aan de orde. Volgens vaste jurisprudentie volstaat kleurloos opzet. In dit geval is het voldoende dat er opzet was op het binnen de inrichting in strijd met de omgevingsvergunning buiten de opslagloods en niet in vloeistofdichte containers opslaan van accu’s zonder enige bescherming tegen inregenen.

De rechtbank is van oordeel dat uit de inhoud van de genoemde bewijsmiddelen genoegzaam volgt dat er sprake is geweest van opzet in voormelde zin.

Medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat artikel 2.25 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bepaalt dat een omgevingsvergunning geldt voor eenieder die het project uitvoert waarop zij betrekking heeft. De omgevingsvergunning is zodoende niet gekoppeld aan de persoon van de houder, maar volgt als het ware het project – en daarmee de bedrijventerreinen waarvoor de vergunning is verleend - en heeft derhalve een zaaksgebonden karakter.

De verboden gedraging betreft het binnen de inrichting opslaan van accu’s in niet vloeistofdichte containers in de buitenruimte, zijnde een niet vergunde opslagplaats, waarbij de accu’s niet beschermd zijn tegen inregenen. Zoals uit de genoemde bewijsmiddelen blijkt vindt de handel in accu’s plaats door [medeverdacht bedrijf 2] B.V. en verdachte. Namens [medeverdacht bedrijf 2] worden de accu’s ontvangen, waarna namens verdachte onder meer de ontvangsten gemeld worden aan het LMA. Aldus is sprake van een vervlochten bedrijfsvoering, hetgeen ook uit de verklaring van getuige [getuige 3] blijkt. Tenslotte heeft de vergunninghoudster [medeverdacht bedrijf 1] B.V. de verboden wijze van opslag op haar terrein toegestaan. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met voornoemde B.V.’s.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank overweegt daartoe dat uit het verhandelde ter terechtzitting en uit het procesdossier niet is gebleken dat verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij het opslaan van asbest binnen de [bedrijfsnaam] . Uit een offerte van [bedrijf 4] in Eindhoven gericht aan de [medeverdacht bedrijf 1] B.V. komt naar voren dat deze B.V. samen met [bedrijf 5] B.V. zich bezig houdt met het opslaan en afvoeren van asbesthoudende materialen. Niet is vast te stellen dat verdachte op het gebied van deze werkzaamheden (nauw en bewust) met deze B.V.’s heeft samengewerkt, zodat een vrijspraak dient te volgen.

Valsheid in geschrift

Ten aanzien van het onder 3 tot en met 7 tenlastegelegde

Door de verdediging is het verweer gevoerd dat alle bewijsmiddelen aangaande de ontdoeners uitgesloten dienen te worden vanwege het voor de verdediging niet beschikbaar zijn van alle camerabeelden. Het uitsluiten van bewijs is volgens de verdediging de enige passende vorm van compensatie.

De officier van justitie heeft betoogd dat in het procesdossier alle beschikbare camerabeelden en bijbehorende stukken zitten.

De rechtbank overweegt dat uit artikel 6 EVRM het recht op een eerlijk proces voortvloeit. Schending van dat recht is volgens de Hoge Raad zo ernstig dat het noodzakelijk kan zijn om te bepalen dat het bewijs waar die schending op ziet niet mag worden gebruikt. (bewijsuitsluiting). De verdediging heeft gesteld dat zij niet over alle camerabeelden beschikt en derhalve alle verklaringen en stukken aangaande de ontdoeners niet bruikbaar zijn voor het bewijs. Dit is een stelling die de rechtbank niet kan volgen. Met betrekking tot de camerabeelden heeft de officier van justitie aangegeven dat al het beschikbare beeldmateriaal zich in het procesdossier bevindt. Ter onderbouwing daarvan heeft zij de hele gang van zaken met betrekking tot het delen van deze beelden met de verdediging geduid. De rechtbank overweegt dat zij deze gang van zaken aannemelijk acht en is van oordeel dat door de verdediging niet aannemelijk is gemaakt dat er daadwerkelijk camerabeelden door het Openbaar Ministerie zijn achtergehouden. Ten overvloede wordt overwogen dat, voor zover het om belastende verklaringen dan wel stukken gaat, de verdediging de mogelijkheid heeft gehad om deze te toetsen, door bijvoorbeeld de ontdoeners als getuigen te laten horen. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging en zal geen processtukken van het bewijs uitsluiten.

Vrijspraken

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde

In de op 12 juli 2018 in beslag genomen fysieke administratie van [bedrijfsnaam] zijn 72 ondertekende nota’s contante inkoop met bijbehorende begeleidingsbrieven, gedateerd in de periode van 17 februari 2016 tot en met 30 mei 2018, aangetroffen. Op de nota’s contante inkoop staat dat er accu’s zijn geleverd door [bedrijf 1] te Enschede en dat deze zijn ondertekend door eigenaar [naam 4] waarbij een handtekening is geplaatst. Op de begeleidingsbrieven staat als afzender, ontdoener en vervoerder [bedrijf 1] vermeld. In de daartoe bestemde vakken is geen handtekening geplaatst. In het vak voor de handtekening van de ontvanger is een krul geplaatst.

[naam 4] heeft uit zijn eigen administratie 8 nota’s contante inkoop voor leveringen van accu’s in 2016 overgelegd. Deze nota’s zijn ook in de in beslaggenomen administratie aangetroffen. Hij verklaart daarnaast op 4 september 2018 dat hij in 2016 en 2017 accu’s heeft geleverd aan [medeverdacht bedrijf 2] B.V., maar niet de hoeveelheden die uit de administratie van [bedrijfsnaam] naar voren komen. Hij heeft geen begeleidingsbrieven van de leveringen accu’s die hij vervoerd heeft naar [bedrijfsnaam] .

Op 6 november 2018 worden aan [naam 4] 19 nota’s contante inkoop getoond. Op de nota’s van 18 april 2016 en 4 juli 2016 herkent [naam 4] de handtekening niet als zijn eigen handtekening.

Overweging

De rechtbank overweegt dat uit de bijlage van het verhoor van [naam 4] op 6 november 2018 blijkt dat aan hem niet de nota’s contante inkoop nader gespecificeerd in de tenlastelegging zijn getoond. Ook zijn er geen begeleidingsbrieven aan hem getoond. De rechtbank stelt vast dat gelet op deze constatering er onvoldoende wettig bewijs is om vast te stellen dat de in de tenlastelegging genoemde 65 nota’s contante inkoop en 63 begeleidingsbrieven vals zijn opgemaakt en voorzien zijn van een valse handtekening. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 5 tenlastegelegde.

Ten aanzien van het onder 7 tenlastegelegde

In de op 12 juli 2018 in beslag genomen fysieke administratie van [bedrijfsnaam] zijn 111 ondertekende nota’s contante inkoop met bijbehorende begeleidingsbrieven, gedateerd in de periode van 29 februari 2016 tot en met 25 mei 2018, aangetroffen. Op de nota’s contante inkoop staat dat er accu’s zijn geleverd door [naam 6] en dat deze zijn ondertekend door eigenaar [naam 6] waarbij een handtekening is geplaatst. Op 71 begeleidingsbrieven staat als afzender, ontdoener en vervoerder [naam 6] vermeld. In de daartoe bestemde vakken is geen handtekening geplaatst. De begeleidingsbrieven zijn steeds op dezelfde wijze kennelijk door middel van een printer afgedrukt.

[naam 6] heeft uit zijn eigen administratie 35 nota’s contante inkoop voor leveringen van accu’s aan verdachte in 2016 tot en met medio 2018 overgelegd. 34 nota’s worden ook aangetroffen in de in beslaggenomen administratie. Hij verklaart daarnaast op 4 september 2018 dat hij denkt op jaarbasis ongeveer 20 keer bij verdachte accu’s te leveren. Aan [naam 6] worden 6 nota’s contante inkoop en 6 begeleidingsbrieven getoond, waaronder de in de tenlastelegging genoemde nota’s van 10 maart 2017 en 17 januari 2017. De handtekeningen op deze nota’s herkent hij niet als zijn eigen handtekening.

Getuige [naam 7] heeft ter terechtzitting op 10 december 2020 verklaard dat hij ontdoener [naam 6] wel kent. Volgens [naam 7] kwam [naam 6] met een grondverzetwagen met een oudere man, maar deze oudere man kwam ook wel eens alleen. [naam 7] heeft verklaard dat zij ongeveer twee keer per week kwamen.

Getuige [naam 8] heeft ter terechtzitting op 14 december 2020 verklaard dat hij ontdoener [naam 6] wel kent en dat zij meestal met zijn tweeën kwamen met een geel oprijwagentje met daarop de accu’s. Hij verklaarde dat er ook wel eens een derde man bij was die [naam 9] heette.

Overweging

De rechtbank overweegt dat door de verdediging is aangevoerd dat er door of namens [naam 6] meer accu’s aan verdachte zijn geleverd dan blijkt uit zijn administratie. Dit scenario wordt ondersteund door de verklaringen van getuigen [naam 7] en [naam 8] .

[naam 6] heeft zelf verklaard dat hij ongeveer 20 keer per jaar accu’s aan verdachte levert, terwijl uit zijn overgelegde administratie blijkt dat er 12 leveringen in 2016 zijn geweest en 14 leveringen in 2017. De discrepantie kan mogelijk verklaard worden door leveringen van de ‘oudere man’ en/of ‘ [naam 9] ’ namens [naam 6] . Deze ontbrekende leveringen zouden tevens een verklaring kunnen zijn voor het niet door [naam 6] herkennen van de handtekening op de aan hem getoonde nota’s contante inkoop. Voor de rechtbank is het derhalve niet onaannemelijk dat namens [naam 6] andere betrokkenen accu’s hebben geleverd en zij voor ontvangst van geldbedragen hebben getekend op de nota’s contante inkoop.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de in de tenlastelegging opgenomen 76 nota’s contante inkoop en 71 begeleidingsbrieven vals zijn opgemaakt en voorzien zijn van een valse handtekening. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 7 tenlastegelegde.

Bewezenverklaringen

Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde

Op 12 juli 2018 is er een doorzoeking geweest op de adressen [adres 2] , [adres 3] en de [adres 1] . In de in beslag genomen fysieke administratie worden 28 ondertekende nota’s contante inkoop met bijbehorende begeleidingsbrieven, gedateerd van 10 februari 2016 tot en met 26 augustus 2017, aangetroffen, geleverd door [naam 1] en dat deze zijn ondertekend door eigenaar [naam 1] waarbij een handtekening is geplaatst. Op de begeleidingsbrieven staat als afzender, ontdoener en vervoerder [naam 1] te Arnhem vermeld met als bestemming [adres 2] . De begeleidingsbrieven zijn steeds op dezelfde wijze kennelijk door middel van een printer bedrukt. Als kenteken wordt op de begeleidingsbrief steeds genoemd: DE-RD-EN. Geen van de begeleidingsbrieven was ondertekend, uitgezonderd een krul in de kolom van de ontvanger waar een handtekening geplaatst zou moeten zijn.

Op 4 september 2018 heeft [naam 1] twee nota’s contante inkoop overgelegd. Een nota van 18 februari 2016 en één van 9 maart 2016 met een totaalgewicht van 1.150 kilo accu’s. De overgelegde nota van 9 maart 2016 bevindt zich ook tussen de 28 nota’s in de fysieke administratie van [verdacht bedrijf] B.V.

[naam 1] verklaart dat hij in 2016 twee keer accu’s aan [verdacht bedrijf] B.V. geleverd heeft, maar niet de hoeveelheden die uit de administratie van [bedrijfsnaam] naar voren komen. Ook verklaart hij dat hij in 2017 geen accu’s naar [bedrijfsnaam] heeft gebracht, maar dat er wel een container met oud ijzer door [bedrijfsnaam] is opgehaald.

Aan [naam 1] worden 22 nota’s getoond. Op 21 nota’s herkent hij de handtekening niet als zijn eigen handtekening. De handtekening op de nota van 9 maart 2016 herkent hij als zijn eigen handtekening.

Verbalisant [verbalisant 2] relateert op 12 februari 2019 dat op de fysiek inbeslaggenomen nota’s uit de administratie van [bedrijfsnaam] , geen enkele handtekening, voor zover deze duidelijk zichtbaar was, overeenkwam met - of leek op - de handtekening van [naam 1] , die vermeld stond op de nota contante inkoop van 9 maart 2016.

Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde

Op 12 juli 2018 is er een doorzoeking geweest op de adressen [adres 2] , [adres 3] en de [adres 1] . In de in beslag genomen fysieke administratie worden 14 nota’s contante inkoop met bijbehorende begeleidingsbrieven aangetroffen die betrekking hadden op de inkoop van accu’s van [naam 3] . De nota’s contante inkoop, gedateerd van 18 maart 2016 tot en met 11 november 2017, hebben betrekking op de inkoop van accu’s, soms in combinatie met een andere afvalstof van [naam 3] , door [medeverdacht bedrijf 2] B.V. De nota’s zijn voorzien van verschillende handtekeningen bij de regel “voldaan per kas”. De begeleidingsbrieven zijn steeds op dezelfde wijze kennelijk door middel van een printer bedrukt. Op de begeleidingsbrieven staat als afzender, ontdoener en vervoerder [naam 3] vermeld. De locatie van herkomst is [adres 4] . De ontvanger is [verdacht bedrijf] B.V. op het adres [adres 2] . Locatie van bestemming is [adres 1] . Bij kenteken is vermeld DE-RD-EN. De formulieren zijn niet ondertekend en in het vak “handtekening ontvanger” is steeds een krul geplaatst.

Getuige [naam 2] verklaart op 12 juli 2018, als volgt:

…’

(V) Wat is uw functie bij [naam 3] V.O.F.?

(A) Ik ben werkgever en werknemer. Ik ben vennoot.

(V) Wat is uw relatie tussen uw bedrijf en [verdacht bedrijf] dan wel [medeverdacht bedrijf 2] ?

(A) Niks, We doen daar al heel lang geen zaken meer mee. Ik ken het bedrijf wel, het zit in Varsseveld en Goor.

(V) Aan welk bedrijf geeft u uw accu’s nu af?

(A) De laatste paar jaar aan [bedrijf 3] uit Kampen.

Uit LMA-gegevens blijkt dat [naam 3] in 2016 bijna 9 ton (8.825 kilo) en in 2017 ruim 8 ton (8.645 kilo) accu’s in zeven vrachten heeft afgegeven aan [bedrijf 3] B.V. in Kampen. [naam 3] is door de gemeente Deventer aangeschreven naar aanleiding van een milieucontrole op 15 november 2016. Uit deze aanschrijving blijkt dat het bedrijf al jaren geen zaken (meer) doet met [bedrijfsnaam] . In 2016 tot 12 juli 2018 heeft het bedrijf uitsluitend 21 ton accu’s aan [bedrijf 3] in Kampen afgegeven.

Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde

Op 12 juli 2018 is er een doorzoeking geweest op de adressen [adres 2] , [adres 3] en de [adres 1] . In de in beslag genomen fysieke administratie worden 27 nota’s contante inkoop en 32 begeleidingsbrieven aangetroffen die betrekking hadden op de inkoop van accu’s van [naam 5] te Enschede. De nota’s contante inkoop, gedateerd van 17 mei 2016 tot en met 23 maart 2018, hebben betrekking op de inkoop van accu’s, soms in combinatie met een andere afvalstof, van [naam 5] , door [medeverdacht bedrijf 2] B.V. De nota’s zijn voorzien van verschillende handtekeningen bij de regel “voldaan per kas”. De begeleidingsbrieven zijn steeds op dezelfde wijze kennelijk door middel van een printer bedrukt. Op de begeleidingsbrieven staat als afzender, ontdoener en vervoerder [naam 5] te Enschede vermeld. Locatie van bestemming is [adres 1] . Bij kenteken is vermeld DE-RD-EN. De formulieren zijn niet ondertekend en in het vak “handtekening ontvanger” is steeds een krul geplaatst.

Op 18 september 2018 verklaart [naam 5] , als volgt:

…’Ik ben de eigenaar van [naam 5] .

(V) Heeft u in 2016, 2017 en 2018 afval accu’s afgegeven aan [bedrijfsnaam] ?

(A) in 2018 heb ik wel accu’s aan [bedrijfsnaam] afgegeven. Van 2016 en 2017 moet ik dat eerst nakijken.

(V) Kloppen de door [bedrijfsnaam] gemelde hoeveelheden?

(A) Nee, dit klopt helemaal niet.

(V) Welke hoeveelheden heeft u wel afgegeven?

(A) Ik heb in 2018 twee keer een vracht accu’s afgegeven aan [bedrijfsnaam] . Deze heb ik nog nooit zelf gebracht, ze worden altijd hier bij mijn bedrijf afgehaald door [bedrijfsnaam] en hierbij vindt nooit een contante betaling plaats. Ik heb nog nooit een dubbeltje contant betaald gekregen van [bedrijfsnaam] . Betalingen gaan altijd alleen maar via de bank.

(A)…Mijn contactpersoon is [medeverdachte 1] .

(O) Wij tonen u een aantal kopieën van bonnen met betrekking tot kasbetalingen van [bedrijfsnaam] aan u.

(V) Kent u deze bonnen?

(A) Nee, ik ken deze niet.

(V) Welke van deze bonnen hebben betrekking op levering van afgedankte accu’s door u?

(A) Geen enkele.

(V) Wie plaats een handtekening op deze bonnen?

(A) De handtekening is niet van mij’.

Uit de door [naam 5] op 24 september 2018 overgelegde administratie volgt een combinatie van creditfacturen en begeleidingsbrieven en één creditfactuur en omschrijvingsformulier.

Verbalisant [verbalisant 3] relateert op 11 februari 2019 dat op de fysiek inbeslaggenomen nota’s uit de administratie van [bedrijfsnaam] , geen enkele handtekening overeenkwam met de handtekening van [naam 5] , gezet onder zijn getuigenverklaring.

Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 3, 4 en 6 tenlastegelegde

Getuige [getuige 2] verklaart op 19 december 2018, als volgt:

…’Ik ben KAM coördinator bij [bedrijfsnaam] .

(V) Waar worden de kasbonnen/nota’s opgemaakt?

(A) Als er per kas wordt uitbetaald dan gebeurt dat bij de [adres 2] .

(V) Bij contante betaling; de kasbon, wie maakt de nota op?

(A) Dat is [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] .

(V) Door wie wordt de nota uitbetaald?

(A) Per kas door 1 van beiden dan.

(V) Welke onderneming is volgens u verantwoordelijk voor de opslag voor accu’s?

(A) Dat valt onder de vergunning van de exploitatiemaatschappij. De handel is echter van Recycling BV’.

Op 4 december 2020 verklaart getuige [getuige 3] , als volgt:

…’Ik sta op de loonlijst van [verdacht bedrijf] B.V.

… Ik ben planner voor alle BV’s van [bedrijfsnaam] .

(V) Wat is uw rol bij het doen van meldingen bij het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen?

(A)Ik doe de meldingen bij het LMA.

(V) Wanneer wordt er een begeleidingsbrief opgemaakt en wie bepaalt dit?

(A) Ik weet niet hoe dat in deze gevallen gebeurt. Ik weet wel dat je per klant een template kunt opmaken waardoor je met een druk op de knop een begeleidingsbrief kan printen. Ik kan me voorstellen dat als je een inkoop wilt boeken in [naam 13] je er een begeleidingsbrief bij print. Je hebt dan gelijk alle juiste gegevens zoals afvalstroomnummer’.

Getuige [getuige 4] verklaart ter terechtzitting op 10 december 2020, als volgt:

…’Ik werk sinds oktober 2012 bij [bedrijfsnaam] . Volgens mijn contract ben ik administrateur.

…De kasbonnen worden opgemaakt aan de [adres 2] .

…Degene die aan de weegbrug zit maakt de kasbon op voor de contante betaling. Karin maakte ze op. Dat heeft [medeverdachte 2] gedeeltelijk overgenomen, maar ook [medeverdachte 1] . Ik maakte zelf ook wel eens kasbonnen op.

…Het ligt aan de hoeveelheid die gebracht wordt of er ook een geleidebrief bij moet. Soms hebben klanten die zelf bij zich, anders maken we de brief op kantoor. Als een bedrijf het komt brengen moet er in ieder geval een geleidebrief bij. Bij particulieren hoeft dat niet. De kasbonnen gaan naar de administratie en dan wordt er achteraf op kantoor een brief bij gemaakt, aan de hand van de kasbon.

…De krul op de brieven wordt er door de administratie opgezet als de brief is aangemaakt en achter de bon is geniet. Dat is een administratieve handeling.

Op 11 juli 2019 om 09:04:37 uur voert [medeverdachte 1] een gesprek met ‘ene’ [naam 10] over bonnen en diverse ontdoeners. Dit getapte gesprek bevat onder meer het navolgende:

…’

[naam 10] : Even voor de bonnetjes [medeverdachte 1] , kan dat?

[medeverdachte 1] : Ja je hebt de prijzen gezien he?

[naam 10] : [naam 14] (fon) met knipijzer 12 ton 0.80

[medeverdachte 1] : ..9..0..80……23..

[naam 10] : [naam 15] (fon) een bouwhal hier uit Ede (fon) met bedrijfsafval ..2460…

[medeverdachte 1] : ….2960…

Op 13 juli 2018 om 08:44:22 uur voert [medeverdachte 1] een gesprek met [naam 10] over het aanpassen van bonnen. Dit getapte gesprek bevat onder meer het navolgende:

…’

[naam 10] : [medeverdachte 1] , de bonnen van gisteren heb ik zelf even aangepast.

[medeverdachte 1] : Hmm, Hmm

[naam 10] : Bepaalde bakken heb ik gewoon behoorlijk wat boven op gegooid, dus vandaar. Ik denk je hebt zat aan je hoofd, dus ik denk ik heb het zelf even opgelost, ja.

[medeverdachte 1] : Ja is goed.

Ter terechtzitting op 19 april 2021 heeft [medeverdachte 1] , wettelijk vertegenwoordiger van [medeverdacht bedrijf 2] B.V., als volgt verklaard:

‘Alle inkomende accu’s zijn voor Recycling. Ik weet niet waarom op sommige nota’s contante inkoop [verdacht bedrijf] B.V. staat’.

Algemene bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 3, 4 en 6 tenlastegelegde

Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario dat de ontdoeners [naam 1] , [naam 3] en [naam 5] meer accu’s hebben geleverd dan zij aangeven is op basis van de stukken in het procesdossier niet aannemelijk geworden

Door de verdediging is ook het verweer gevoerd dat geen onderzoek is gedaan naar de volledigheid van de door de ontdoeners overgelegde administratie en de overgelegde stukken daarom geen enkele bewijswaarde hebben. De rechtbank verwerpt dit verweer reeds omdat de enkele stelling van de verdediging dat er voorafgaand aan de invordering een informatieverzoek gedaan is niet impliceert dat daardoor de gehele administratie niet overgelegd is.

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde

Uit voorgaande bewijsmiddelen blijkt dat in de periode van 10 februari 2016 tot en met 16 augustus 2017 in Varsseveld 21 nota’s contante inkoop en 21 (bijhorende) begeleidingsbrieven vals zijn opgemaakt en voorzien zijn van een valse handtekening. Op deze documenten is namelijk ingevuld dat [naam 1] te Arnhem in de voorgenoemde periode diverse hoeveelheden accu’s aan [medeverdacht bedrijf 2] B.V. heeft geleverd, waarna er door [naam 1] een handtekening op de nota’s contante inkoop zou zijn gezet. Dit terwijl [naam 1] heeft verklaard dat hij in 2016 tweemaal accu’s naar [bedrijfsnaam] heeft gebracht en in 2017 helemaal niet. Deze verklaring acht de rechtbank mede gelet op de constatering van verbalisant van den Hoek dat de handtekeningen op de aan [naam 1] getoonde nota’s contante inkoop niet overeenkomen met de handtekening van [naam 1] zelf betrouwbaar. Het enkele feit dat door een medewerker van [bedrijfsnaam] is verklaard dat hij [naam 1] regelmatig op het bedrijfsterrein heeft gezien is onvoldoende om de verklaring van [naam 1] als onbetrouwbaar aan te merken. [naam 1] heeft immers verklaard dat hij wel enkele keren accu’s heeft gebracht (twee keer in 2016).

Voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de documenten vals zijn opgemaakt en van een valse handtekening zijn voorzien. Naast het valselijk opmaken is de rechtbank voorts van oordeel dat ook wettig en overtuigend bewezen is dat het oogmerk bestond de nota’s contante inkoop en begeleidingsbrieven als echt en onvervalst te gebruiken, namelijk door ze in de administratie op te nemen.

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde

Uit voorgaande bewijsmiddelen blijkt dat in de periode van 18 maart 2016 tot en met 11 november 2018 in Varsseveld 14 nota’s contante inkoop en 14 (bijhorende) begeleidingsbrieven vals zijn opgemaakt en voorzien zijn van een valse handtekening. Op deze documenten is namelijk ingevuld dat [naam 3] te Deventer in de voorgenoemde periode diverse hoeveelheden accu’s aan [verdacht bedrijf] B.V. heeft geleverd, waarna er door [naam 3] een handtekening op de nota’s contante inkoop zou zijn gezet. Dit terwijl één van de vennoten van [naam 3] ; [naam 2] heeft verklaard dat [naam 3] al jaren geen zaken meer doet met [bedrijfsnaam] . Deze verklaring acht de rechtbank betrouwbaar nu de LMA-gegevens het niet leveren van accu’s aan [bedrijfsnaam] ondersteunen.

Door de verdediging is een alternatief scenario geschetst dat er gelet op een eerdere identiteitsfraude andere personen zijn geweest die namens [naam 3] hebben geleverd. De rechtbank acht een dergelijk scenario niet aannemelijk geworden, nu er geen aanwijzingen zijn dat in de periode van 18 maart 2016 tot en met 11 november 2018 14 maal (een) ander(e) perso(o)n(en) zich heeft/hebben voorgedaan als [naam 3] Autodemontagebedrijf gevestigd aan de [adres 4] . De stelling dat de naam [naam 3] een veelvoorkomende naam is, is daarvoor onvoldoende.

Aangezien [naam 3] geen accu’s aan verdachte. heeft geleverd, concludeert de rechtbank dat de documenten vals zijn opgemaakt en van een valse handtekening zijn voorzien. Naast het valselijk opmaken is de rechtbank voorts van oordeel dat ook wettig en overtuigend bewezen is dat de nota’s contante inkoop en begeleidingsbrieven zijn gebruikt, namelijk door ze in de administratie op te nemen.

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde

Uit voorgaande bewijsmiddelen blijkt dat in de periode van 27 mei 2016 tot en met 23 maart 2018 in Varsseveld 27 nota’s contante inkoop en 27 (bijhorende) begeleidingsbrieven vals zijn opgemaakt en voorzien zijn van een valse handtekening. Op deze documenten is namelijk ingevuld dat [naam 5] te Enschede in de voorgenoemde periode diverse hoeveelheden accu’s aan verdachte heeft geleverd, waarna er door [naam 5] een handtekening op de nota’s contante inkoop zou zijn gezet. Dit terwijl [naam 5] heeft verklaard dat hij geen nota’s contante inkoop van verdachte heeft ontvangen, omdat de accu’s opgehaald worden. Hij ontving geen nota’s contante inkoop maar creditfacturen. Door de verdediging is betoogd dat [naam 5] – gelet op de overgelegde Whats Appberichten tussen [medeverdachte 1] en [naam 5] – aantoonbaar liegt. De rechtbank overweegt dat uit deze berichten blijkt dat [naam 5] informeert naar prijzen, maar dat dit informeren niet inhoudt dat er daadwerkelijk accu’s geleverd worden. De rechtbank kan hieruit bovendien niet afleiden of er meer leveringen zijn geweest, dan uit de administratie van [naam 5] blijkt. De rechtbank is van oordeel dat mede gelet op de door [naam 5] overgelegde administratie, die louter creditfacturen bevat en geen nota’s contante inkoop, zijn verklaring als betrouwbaar aangemerkt dient te worden. Het ophalen van accu’s door verdachte betekent immers dat er creditfacturen opgemaakt dienen te worden, op basis waarvan de begeleidingsbrieven worden gemaakt. [naam 5] heeft op 23 aan hem getoonde nota’s de gezette handtekening niet als zijn eigen handtekening herkend. De constatering van verbalisant [verbalisant 3] dat de handtekeningen op de aan [naam 5] getoonde nota’s contante inkoop niet overeenkomen met de handtekening van [naam 5] ondersteunen de conclusie dat dit valse handtekeningen betreft.

Voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de documenten vals zijn opgemaakt en van een valse handtekening zijn voorzien. Naast het valselijk opmaken is de rechtbank voorts van oordeel dat ook wettig en overtuigend bewezen is dat de nota’s contante inkoop en begeleidingsbrieven zijn gebruikt, namelijk door ze in de administratie op te nemen.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 3, 4 en 6 tenlastegelegde

Toerekening aan verdachte en opzet

De rechtbank stelt voorop dat een rechtspersoon als dader van een strafbaar feit kan worden aangemerkt indien de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend.

Gelet op de hiervoor genoemde getuigenverklaringen van [getuige 3] en [getuige 2] zijn de handel en het opslaan van accu’s gedragingen die passen in de normale bedrijfsvoering van verdachte. Om deze handel te registreren, worden er volgens getuige [getuige 4] binnen de [bedrijfsnaam] B.V.’s nota’s contante inkoop en bijbehorende begeleidingsbrieven opgemaakt. Het door werknemers werkzaam op de administratie van [bedrijfsnaam] en daarmee van verdachte opmaken van valse nota’s contante inkoop en begeleidingsbrieven met betrekking tot de ontdoeners [naam 1] , [naam 3] en [naam 5] kan daarom in redelijkheid aan verdachte worden toegerekend.

Bij het gebruik maken van een vals geschrift is vereist dat er minst genomen sprake was voorwaardelijk opzet op het als echt en onvervalst gebruik alsmede op het valse karakter van het geschrift. In het licht van dat vereiste overweegt de rechtbank dat van elk bedrijf mag worden verwacht dat de administratie en het gebruik van documenten uit die administratie een juiste voorstelling geeft van de waarheid. De handelingen van werknemers die administratiewerkzaamheden verrichten, komen gelet op de bijzondere eisen die aan de administratie van een werkgever dienen te worden gesteld, voor rekening van de werkgever. Daarmee acht de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat verdachte op zijn minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er valse nota’s contante inkoop en begeleidingsbrieven in de administratie zijn opgenomen en dat die documenten als echt en onvervalst zouden kunnen worden gebruikt.

De rechtbank is, in het licht van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen in samenhang bezien, van oordeel dat uit de hiervoor genoemde tapgesprekken volgt dat bij verdachte, als onderdeel van de [bedrijfsnaam] , het beleid bestond het niet zo nauw te nemen met de waarheid als het om het opmaken van “bonnen” (administratie) gaat en de rechtbank concludeert dat gelet op het veelvuldig en stelselmatig opnemen van valse documenten in de administratie met betrekking tot accu’s - zoals uit de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen blijkt - binnen het bedrijf het oogmerk bestond de betreffende nota’s contante inkoop en bijbehorende begeleidingsbrieven als echt en onvervalst in de administratie te gebruiken om anderszins niet te verantwoorden afvalstromen administratief af te dekken. Een en ander is voor de rechtspersoon dienstig geweest in het uitgeoefend bedrijf en geeft blijk van opzet binnen en dus van het bedrijf op de verweten gedragingen.

Medeplegen

Zoals uit de genoemde bewijsmiddelen blijkt vindt de handel in accu’s plaats door verdachte en [medeverdacht bedrijf 2] B.V. Namens [medeverdacht bedrijf 2] B.V. worden de accu’s ontvangen, waarna namens verdachte de ontvangsten gemeld worden aan het LMA. Hierbij is sprake van een vervlochten bedrijfsvoering, hetgeen ook uit de verklaring van getuige [getuige 3] en [getuige 4] blijkt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdacht bedrijf 2] B.V.

Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is hetgeen onder 3, 4 en 6 aan verdachte ten laste is gelegd.

Ten aanzien van het parketnummer 08-994570-19 .

Bewijsmiddelen

Op 12 juli 2018 wordt tijdens een controle bij de firma [bedrijfsnaam] in Varsseveld geconstateerd dat er een vrachtwagencombinatie op de weegbrug aan de [adres 2] staat. Na opening van de oplegger zien de controleurs dat de vrachtwagen beladen is met accubakken met oude, gebruikte accu’s. Daarnaar gevraagd verklaarde de chauffeur de accu’s in Duitsland geladen te hebben en geen vervoersdocumenten, vereist in het kader van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (EVOA) te hebben. Op de vrachtbrief (CMR) nr. 0621155 is [bedrijf 6] -GmbH te Inden-Pier als afzender genoemd met de aantekening 25 volle bakken geladen, 1 losse accu. Op de door de chauffeur overhandigde begeleidingsbrief staat als ontvanger [verdacht bedrijf] B.V. [adres 2] genoemd.

De chauffeur van de vrachtwagen, [naam 12] , verklaart op 12 juli 2018, als volgt:

… (V) Wie heeft de opdracht gegeven voor dit transport?

(A) Ik heb de opdracht gekregen van [naam 11] , [naam 11] is de planner bij de [bedrijfsnaam] .

(V) Hoe luidde de opdracht?

(A) ….daarna ben ik naar [bedrijf 6] GmbH in Inden-Pier (Duitsland) gegaan waar ik 25 bakken en 1 losse accu heb geladen. … Ik had opdracht om alles te lossen bij [bedrijfsnaam] in Varsseveld.

(V) Heeft u dit soort transporten vanaf Duitsland vaker?

(A) Af en toe, als ik in Duitsland bakken met accu’s moet laden, moet ik altijd bij [bedrijfsnaam] lossen. Dit gebeurt ongeveer 1 keer per maand gedurende het laatste half jaar.

…Ik rijd bijna altijd voor [bedrijfsnaam] , ik krijg ’s avonds de opdrachten voor de volgende dag.

(V) Laadt u de accu’s altijd op hetzelfde adres in Duitsland.

(A) Nee, dit zijn altijd verschillende adressen.’

Op 4 december 2020 verklaart getuige [getuige 3] , als volgt:

…’Ik sta op de loonlijst van [verdacht bedrijf] B.V.

… Ik ben planner voor alle BV’s van [bedrijfsnaam] .

(V) Wat is uw rol bij het doen van meldingen bij het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen?

(A) Ik doe de meldingen bij het LMA.

(V) Welke onderneming is verantwoordelijk voor de opslag van accu’s?

(A) Ik ga uit van [medeverdacht bedrijf 2] B.V.

Getuige [getuige 2] verklaart op 19 december 2018, als volgt:

…’Ik ben KAM coördinator bij [bedrijfsnaam] .

(V) Welke onderneming is volgens u verantwoordelijk voor de opslag voor accu’s?

(A) Dat valt onder de vergunning van de exploitatiemaatschappij. De handel is echter van Recycling BV.

Bewijsoverweging

Zoals hiervoor ten aanzien van het bij parketnummer 08-994536-19 onder 1 tenlastegelegde is overwogen, kan een rechtspersoon als dader van een strafbaar feit worden aangemerkt indien de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend.

De rechtbank is van oordeel dat uit voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewijs volgt dat verdachte op 12 juli 2018 in Varsseveld tezamen en in vereniging met [medeverdacht bedrijf 2] B.V. opzettelijk accu’s vanuit Duitsland naar Nederland heeft overgebracht zonder de vereiste kennisgeving overeenkomstig de EG- verordening van overbrenging afvalstoffen.

De handel in accu’s is een gedraging die past in de normale bedrijfsvoering van verdachte. Door [getuige 3] is immers de opdracht voor het transporteren van de accu’s gegeven aan de chauffeur en namens verdachte worden de ontvangst van accu’s gemeld aan het LMA. De strafbare gedraging kan dan ook in redelijkheid aan verdachte worden toegerekend. In het kader van het innemen van accu’s door verdachte wordt eerst de vracht gewogen op de weegbrug, waarna de ontvangen vrachten door [getuige 3] , werkzaam bij [verdacht bedrijf] B.V., aan het LMA gemeld worden.

Het door de verdediging opgeworpen scenario dat de chauffeur [naam 12] zich vergist zou hebben acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Zij ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaring van [naam 12] , temeer nu hij verklaart dat hij zelfs één keer per maand dergelijke transporten voor [bedrijfsnaam] doet.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de hiervoor opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bij parketnummer 08-994536-19 onder 1, 3, 4 en 6 tenlastegelegde feiten en het bij parketnummer 08-994570-19 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Ten aanzien van het bij parketnummer 08-994536-19

1

zij op tijdstip(pen) in de periode van 11 februari 2018 tot en met 12 juli 2018 te Varsseveld in de gemeente Oude IJsselstreek, tezamen en in vereniging met andere rechtspersonen, opzettelijk,

heeft gehandeld in strijd met één voorschrift dat verbonden was aan een omgevingsvergunning die betrekking had op (een) activiteit(en) als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, te weten de krachtens de Wet milieubeheer bij besluit(en) van 29 juni 2006 met kenmerk MPM 6986 en/of beschikking van 9 mei 2011 (zaaknummer 2010-016734/MPM19603) door Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland aan haar verleende (revisie)vergunning voor de inrichting gelegen aan de [adres 2] , kadastraal bekend gemeente Varsseveld, [kadastrale gegevens] ,

aangezien de accu's niet werden opgeslagen in vloeistofdichte bakken of containers en werden de accu's niet opgeslagen in bakken in een daartoe bestemde overdekte opslagloods, zodanig dat deze tegen inregenen zijn beschermd (vergunningvoorschrift 9.7).

Zaaksdossier inrichting gebonden overtredingen, Z1-Z7

3

zij op tijdstip(pen) in de periode van 10 februari 2016 tot en met 26 augustus 2017 te Varsseveld in de gemeente Oude IJsselstreek, (telkens) tezamen en in vereniging met een andere rechtspersoon en met meerdere natuurlijke personen, 21, nota's contante inkoop en 21, begeleidingsbrieven waaronder:

- een nota contante inkoop dd. 1 maart 2016 en

- een begeleidingsbrief dd. 1 maart 2016 en

- een nota contante inkoop dd. 1 september 2016 en

- een begeleidingsbrief dd. 1 september 2016 en

- een nota contante inkoop dd. 1 mei 2017 en

- een begeleidingsbrief dd. 1 mei 2017 en

- een nota contante inkoop dd. 21 juli 2017 en

- een begeleidingsbrief dd. 21 juli 2017,

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk (in strijd met de waarheid) heeft opgemaakt of valselijk heeft doen opmaken, bestaande die valsheid hierin dat de op deze nota's contante inkoop en begeleidingsbrieven genoemde (hoeveelheid) accu's in werkelijkheid niet door de afzender of ontdoener zijn afgegeven op de [adres 2] en dat op de nota's contante inkoop valselijk een handtekening was geplaatst die moest doorgaan voor die van [naam 1] , zulk (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

PV deelonderzoek [naam 1] , ZOL-125 p. Z32

4

zij op tijdstip(pen) in de periode van 18 maart 2016 tot en met 11 november 2017 te Varsseveld in de gemeente Oude IJsselstreek, (telkens) tezamen en in vereniging met één andere rechtspersoon en met meerdere natuurlijke personen, 27, nota's contante inkoop en 27, begeleidingsbrieven waaronder:

- een nota contante inkoop dd. 11 april 2016 en

- een begeleidingsbrief dd. 11 april 2016 en

- een nota contante inkoop dd. 21 december 2016 en

- een begeleidingsbrief dd. 21 december 2016 en

- een nota contante inkoop dd. 24 maart 2017 en

- een begeleidingsbrief dd. 24 maart 2017 en

- een nota contante inkoop dd. 1 november 2017 en

- een begeleidingsbrief dd. 1 november 2017,

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk (in strijd met de waarheid) heeft opgemaakt of valselijk heeft doen opmaken bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat de op deze nota's contante inkoop en begeleidingsbrieven genoemde (hoeveelheid) accu's in werkelijkheid niet door de afzender of ontdoener zijn afgegeven op de [adres 2] , en dat op de nota's contante inkoop valselijk een handtekening was geplaatst die moest doorgaan voor die van [naam 2] of [naam 3] ,

zulk (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

PV deelonderzoek [naam 3] VOF Deventer , zol-114 p. Z36

6

zij op (pen) in de periode van 17 mei 2016 tot en met 23 maart 2018 te Varsseveld in de gemeente Oude IJsselstreek, (telkens) tezamen en in vereniging met andere rechtspersoon en met meerdere natuurlijke personen, 27, nota's contante inkoop en 27, begeleidingsbrieven

waaronder:

- een nota contante inkoop dd. 17 mei 2016 en

- een begeleidingsbrief dd. 17 mei 2016 en

- een nota contante inkoop dd. 14 december 2016 en

- een begeleidingsbrief dd. 14 december 2016 en

- een nota contante inkoop dd. 12 mei 2017 en

- een begeleidingsbrief dd. 12 mei 2017 en

- een nota contante inkoop dd. 4 oktober 2017 en

- een begeleidingsbrief dd. 4 oktober 2017 en

- een nota contante inkoop dd. 16 februari 2018 en

- een begeleidingsbrief dd. 16 februari 2018,

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk (in strijd met de waarheid) heeft opgemaakt vervalst of valselijk heeft doen opmaken, bestaande die valsheid hierin dat de op deze nota's contante inkoop en begeleidingsbrieven genoemde (hoeveelheid) accu's in werkelijkheid niet door de afzender of ontdoener zijn afgegeven op de [adres 1] , en dat op de nota's contante inkoop valselijk een handtekening was geplaatst die moest doorgaan voor die van [naam 5] ,

zulk (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

PV deelonderzoek [naam 5] Enschede , ZOL-118 p. Z45

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 4 en 6 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

Ten aanzien van het bij parketnummer 08-994570-19

zij op 12 juli 2018 te Varsseveld in de gemeente Oude IJsselstreek, tezamen en in vereniging met één andere rechtspersoon en met natuurlijke personen, opzettelijk handelingen heeft verricht als bedoeld in artikel 2 onder 35 van de EG-Verordening overbrenging van afvalstoffen, immers heeft verdachte afvalstoffen, te weten accu’s, overgebracht van Duitsland naar Nederland, terwijl er geen kennisgeving overeenkomstig de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen aan alle betrokken bevoegde autoriteiten was gedaan en terwijl er geen toestemming overeenkomstig de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen van alle betrokken bevoegde autoriteiten was gegeven.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Ten aanzien van het bij parketnummer 08-994536-19 onder 1 en 2 tenlastegelegde

Door de verdediging is het standpunt ingenomen dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Namens verdachte is een beroep gedaan op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. Ter onderbouwing daarvan heeft zij gesteld dat verdachte zich juist aan de voorwaarden overeenkomstig het gedoogbeleid heeft gehouden en daarmee volgens de vereisten van de objectief geboden zorgvuldigheid heeft gehandeld.

De rechtbank stelt vast dat, zoals hiervoor is overwogen, er geen sprake is geweest van enige vorm van gedogen door het bevoegd gezag. Aan de omgevingsvergunning waren diverse voorschriften gekoppeld die verdachte bekend waren en waaraan verdachte zich blijkens het hiervoor onder 4.4. overwogene niet heeft gehouden. Bij gebrek aan enige verdere feitelijke grondslag waarop dit verweer is gestoeld, verwerpt de rechtbank dit verweer.

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in:

- de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten ;

- de artikelen 2.1 en 2.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

- het artikel 10.60 van de Wet Milieubeheer ;

- de artikelen 2 en 35 van de Europese verordening betreffende de overbrenging van afvalstoffen en

- artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het parketnummer 08-994536-19

feit 1

het misdrijf: Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3. aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

feit 3, 4 en feit 6 telkens

het misdrijf: Medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het parketnummer 08-994570-19

het misdrijf: Medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet Milieubeheer , opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

6 De strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van het bij parketnummer 08-994536-19 onder 1 en 2 tenlastegelegde

Door de verdediging is het standpunt ingenomen dat verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging. Daartoe is een beroep gedaan op verontschuldigbare rechtsdwaling. Ter onderbouwing is aangevoerd dat verdachte zich er niet van bewust was dat zij de regels overtreden heeft nu er sprake was van een stilzwijgende gedoogbeslissing.

De rechtbank overweegt dat er geen sprake is geweest van enige vorm van gedogen door het bevoegd gezag. Aan de omgevingsvergunning waren diverse voorschriften gekoppeld die verdachte bekend waren en waaraan verdachte zich, zoals hiervoor onder 4.4. is overwogen, niet heeft gehouden. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat, ook al mocht sprake zijn van niet zuiver toegepast handhavingsbeleid, dit verdachte niet ontslaat van eigen verantwoordelijkheid aangaande haar vergunningsverplichtingen. Aldus kan een en ander niet zonder meer tot de conclusie leiden dat verdachte geen enkele mate van schuld heeft gehad aan het haar tenlastegelegde. Bij gebrek aan enige verdere feitelijke grondslag waarop dit verweer is gestoeld, verwerpt de rechtbank ook dit verweer.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

Ten aanzien van het parketnummer 08-994570-19

Door de verdediging is het standpunt ingenomen dat verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging. Daartoe is gesteld dat er sprake is van afwezigheid van alle schuld, zoals ook de Duitse justitiële autoriteiten hebben vastgesteld. Bij gebrek aan enige verdere feitelijke grondslag waarop dit verweer is gestoeld – immers betreft de vervolging door de Duitse autoriteiten alleen al een andere verdachte - , verwerpt de rechtbank dit verweer.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij haar strafeis onder meer gewezen op het structurele karakter en de jarenlange duur van de fraude, het grote risico dat gepaard gaat met het opslaan van accu’s en asbest en de strafrechtelijke documentatie op het gebied van milieufeiten. Zij heeft gevorderd aan verdachte een geldboete van € 50.000, - op te leggen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht bij de bepaling van de strafsoort en strafmaat rekening te houden met het gedoogbeleid en de financiële schade die verdachte heeft geleden. Daarnaast heeft zij naar voren gebracht dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en dat dit bij de strafoplegging verdisconteerd dient te worden.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Aard van de strafbare feiten

Verdachte heeft tezamen met andere rechtspersonen in de periode van 11 februari 2018 tot en met 12 juli 2018 in Varsseveld in strijd met een verleende omgevingsvergunning accu’s in (niet vloeistofdichte) containers opgeslagen op het buitenterrein, zonder enige bescherming tegen inregenen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het in strijd met de EG-verordening overbrengen van accu’s zonder de vereiste kennisgeving. Daarmee heeft zij gehandeld in strijd met EVOA. Deze voorschriften zijn opgesteld om te waarborgen dat het milieu en de gezondheid van de mens worden beschermd. Door werknemers van verdachte zijn valse nota’s contante inkoop en (dientengevolge) bijhorende begeleidingsbrieven opgemaakt. Gelet op de tapgesprekken lijkt dit een onderdeel te zijn van de bedrijfscultuur die heerste binnen [bedrijfsnaam] . Verdachte is dit opmaken van valse documenten toe te rekenen en heeft daardoor misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer heerst ten aanzien van schriftelijke stukken met een bewijsbestemming.

Persoon van verdachte

Ter terechtzitting is gebleken dat verdachte onderdeel is van de [bedrijfsnaam] waar jaarlijks een omzet van 80 miljoen euro wordt gegenereerd. Volgens de wettelijk vertegenwoordiger van verdachte heeft de [bedrijfsnaam] een eigen vermogen van 15 miljoen euro. Uit het uittreksel justitiële documentatie van 15 februari 2021 blijkt dat verdachte op 24 juli 2020 wegens het overtreden van artikel 10.44, lid 1 van de Wet Milieubeheer een strafbeschikking van € 2.000, -. Verdachte heeft in 2009 een transactie ontvangen wegens valsheid in geschrift.

Strafoplegging

De rechtbank overweegt dat in het belang van de volksgezondheid en de bescherming van het milieu wettelijke voorschriften ten aanzien van het vervoer en opslag van gevaarlijke stoffen gelden. Deze regels zijn er om het vervuilen van het milieu zo veel mogelijk tegen te gaan en handelingen met betrekking tot (gevaarlijke) afvalstoffen te reguleren. Door zich niet te houden aan deze regels heeft verdachte voordeel gehad ten opzichte van concurrenten die zich wel aan de geldende voorschriften houden en heeft verdachte op de koop toegenomen dat er schade toegebracht kan worden aan het milieu. De rechtbank rekent dit verdachte als grote speler in de afvalstoffenbranche aan, alsmede het feit dat verdachte pas na bestuursdwang en een vordering onder dwangsom haar handelen heeft aangepast. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het financiële voordeel dat verdachte heeft gehad bij het opslaan van accu’s in de buitenlucht. Door zo te handelen heeft zij geen kosten gemaakt voor de bouw van een nieuwe hal, die zij kennelijk nodig had gehad als zij wel conform de gestelde voorschriften alle door haar verwerkte accu’s in een hal zou hebben opgeslagen.

Met betrekking tot de gepleegde valsheid in geschrift overweegt de rechtbank dat het zeer kwalijk is dat er in het bedrijf waar verdachte feitelijk leidinggevende is documenten behorende tot de administratie vals zijn opgemaakt en voorzien zijn van een valse handtekening. Het verhullen van bedrijfsafvalstromen door middel van valse administratie, het dientengevolge verwerven van een gunstiger concurrentiepositie en het aldus verkrijgen van (niet nader te duiden) financieel gewin, neemt de rechtbank verdachte gelet op de aard en de omvang van het bedrijf en de voorbeeldfunctie die daaruit voortvloeit bijzonder kwalijk. Door het ontstaan van een onbetrouwbaar beeld van de accustromen is het voorts voor de toezichthouder en het LMA onmogelijk geworden om hun taken uit te voeren. Daarnaast heeft verdachte zich niets gelegen laten liggen aan de nadelige gevolgen voor de betreffende ontdoeners, die door het handelen in de problemen zijn gekomen met het bevoegd gezag dan wel dat risico hebben gelopen. Gelet op het fraudebedrag zoekt de rechtbank aansluiting bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht die bij een fraudebedrag tussen de € 10.000,- en € 70.000,- als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf variërend van 2 tot 5 maanden heeft.

De rechtbank is alles overziend van oordeel dat een hogere boete dan die door de officier van justitie is gevorderd, te weten een geldboete van € 80.000,-, passend en geboden is.

Redelijke termijn

De rechtbank stelt voorop dat in art. 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegensde betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van een verdachte door de politie heeft niet steeds als zodanige handeling te gelden. Wel dienen de inverzekeringstelling van een verdachte en de betekening van de dagvaarding als een zodanige handeling te worden aangemerkt. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf de betekening van de dagvaarding op 21 juli 2020.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak en de invloed van de verdediging op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Gelet op de aanvangsdatum, namelijk 21 juli 2020, is er van een formele overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar geen sprake. In dit verband stelt de rechtbank evenwel vast dat het openbaar ministerie de zaak pas op 10 december 2020 voor het eerst ter terechtzitting heeft aangebracht, terwijl het eindproces-verbaal op 16 april 2018 gereed was. Hoewel er dus geen sprake is van een schending van de redelijke termijn, is wel sprake van feiten die van inmiddels enkele jaren geleden dateren en is er geen redelijke verklaring waarom de zaak lang stil heeft gelegen. Gelet daarop ziet de rechtbank aanleiding om een gedeelte van de geldboete voorwaardelijk op te leggen.

Gelet op deze constatering en om verdachte te beletten opnieuw strafbare feiten te plegen is de rechtbank zal de rechtbank een gedeelte van € 30.000, - voorwaardelijk opleggen met daaraan gekoppeld een proeftijd van drie jaren.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14 b, 14c, 23, 24c, 47, 51, 57, 63 en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het bij parketnummer 08-994536-19 onder 2, 5 en 7 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het bij parketnummer 08-994536-19 onder 1, 3, 4 en 6 tenlastegelegde en het bij parketnummer 08-994570-19 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte het bij parketnummer 08-994536-19 onder 1, 3, 4 en 6 tenlastegelegde en het bij parketnummer 08-994570-19 tenlastegelegde meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

het bij parketnummer 08-994536-19 bewezenverklaarde

feit 1

het misdrijf: Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.3. aanhef

en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan door een

rechtspersoon.

feit 3, 4 en feit 6 telkens

het misdrijf: Medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

het bij parketnummer 08-994570-19 bewezenverklaarde

het misdrijf: Medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet Milieubeheer , opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor bewezen het bij parketnummer 08-994536-19 onder 1, 4 en 6 en het bij parketnummer 08-994570-19 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 80.000, - (zegge: tachtigduizend euro);

- bepaalt dat van deze geldboete een gedeelte van € 30.000, - niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren de navolgende voorwaarde(n) niet is nagekomen:

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. Werkhoven, voorzitter, mr. J. Wentink en mr. M. van Berlo, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Doornwaard, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2021.

Buiten staat

Mr. J. Wentink is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069.

HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:742, NJ 2016/388.

Zie het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 en 14 december 2020.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie-eenheid Oost-Nederland, team Milieu van het onderzoek ONRAD17005 ZOLA van 16 april 2018. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

B1986.

B1075.

B1025.

B1105.

B958.

B961.

B1537

B1538, B1540 tot en met B1548.

B1246.

B1466, B1468, B1470 en B1471.

B1467, B1473 en B1474.

G66.

G68, alinea 5.

G69, alinea 1.

G290, alinea 5.

G293, alinea 7, 9 en 10.

G259, G260, alinea 9 en 10 en G262 alinea 13.

Zie het proces-verbaal ter terechtzitting, blad 8, regel 26 en 27.

Zie het proces-verbaal ter terechtzitting, blad 9, regel 38 tot en met 41.

Zie het proces-verbaal ter terechtzitting, blad 10, regel 2, 3, 17 en18.

HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938.

B1529, B1904 tot en met B1961a.

ZOL-078, B1301

Bijlage 7 bij ZOL-078.

ZOL-125, Z34

B1529, Z37, B274 tot en met B302.

G1, alinea 6.

G2, alinea 2 en 4.

B730, B1821.

B1529, Z45, B150 tot en met B224.

G132, alinea 7.

G139 tot en met G150.

G133, alinea 4, 5, 6, 8, 12, 13, 14 en 15.

ZOL-098, B1507 tot en met B1526.

ZOL-118, Z47

G290, alinea 5.

G291, alinea 11, 12 en 13.

G293, alinea 7.

G259, alinea 7 en 9.

G260, alinea 10.

G262, alinea 6.

Zie het proces-verbaal ter terechtzitting, blad 3, regel 3 en 4.

Zie het proces-verbaal ter terechtzitting, blad 4, regel 4 tot en met 8, 15 tot en met 22.

ZOL-211, Bijlage 6 sessie 2709.

ZOL-211, Bijlage 9 sessie 3934.

Zie het proces-verbaal ter terechtzitting van 19 en 21 april 2021.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Inspectie Leefomgeving en Transport Duurzaamheid en Opsporing, afdeling Milieu, nummer ILT-2018-499. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Pagina 2 van 6, alinea 4 en 5 + bijlage 3.

Bijlage 4.

Bijlage 6.

Proces-verbaalnummer: ILT-2018-499/V1, pagina 1 en 2.

G259, G260, alinea 9 en 10 en G262 alinea 13.

G290, alinea 5.

G293, alinea 7, 9 en 10.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature