< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

De eigenaren van Chickfriend en Chickclean zijn door de rechtbank veroordeeld tot 12 maanden celstraf. De twee Barnevelders hebben willens en wetens honderden pluimveestallen ontsmet met een bestrijdingsmiddel waar het verboden en schadelijke fipronil in zat. Zij verwaarloosden het belang van voedselveiligheid, zorgden voor gezondheidsrisico’s, milieuschade en een enorme economische schade.

Uitspraak



RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08-997504-17 (P)

Datum vonnis: 12 april 2021

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 21 december 2020, 10, 11 en 29 maart 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie

mr. D. van Ieperen en mr. F.A. Demmers en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman

mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte telkens in de periode van 1 januari 2015 tot en met 12 februari 2018 al dan niet samen met [medeverdachte] :

feit 1: feitelijk leiding heeft gegeven aan het verkopen van een middel dat de werkzame stof fipronil bevatte door [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] wetende dat dit middel voor het leven of de gezondheid schadelijk is en die schadelijkheid heeft verzwegen;

feit 2 en feit 3: feitelijk leiding heeft gegeven aan het voorhanden of in voorraad hebben van biociden zonder toelating, door [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] ;

feit 4 en feit 5: feitelijk leiding heeft gegeven aan het op de markt aanbieden en/of gebruiken van biociden zonder toelating, door [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] ;

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1.

[bedrijf 1] v.o.f. (KvK [nummer 1] ) en/of [bedrijf 3] v.o.f. met handelsnaam

[bedrijf 2] (KvK [nummer 2] )

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2015 tot en met 12

februari 2018, te Barneveld en/of Lunteren en/of Nederhemert en/of Wageningen en/of elders in Nederland, en/of België

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen

meermalen, maar in ieder geval eenmaal,

(telkens), een waar/waren, te weten

‐ Dega en/of Dega16 en/of Dega P en/of Fyprorein en/of Fyproclean en/of Mentho-

boast, (telkens) bevattende de werkzame stof Fipronil,

heeft/hebben verkocht en/of te koop heeft/hebben aangeboden en/of heeft/hebben

afgeleverd,

wetende dat (een of meer van) die waar/waren voor het leven of de gezondheid schadelijk is / zijn,

terwijl die [bedrijf 1] v.o.f. en/of die [bedrijf 3] v.o.f. en/of hun mededader(s) (telkens) dat schadelijk karakter hebben/heeft verzwegen;

zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met [medeverdachte] ,

tot bovenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of feitelijk leiding heeft gegeven aan

bovenomschreven verboden gedraging(en);

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

[bedrijf 1] v.o.f. (KvK [nummer 1] ) en/of [bedrijf 3] v.o.f. met handelsnaam

[bedrijf 2] (KvK [nummer 2] )

in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2015 tot en met 12 februari 2018, te Barneveld en/of Lunteren en/of Nederhemert en/of Wageningen en/of elders in Nederland, en/of België

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen

opzettelijk niet aan haar verplichting heeft voldaan om op zorgvuldige wijze om te gaan met biociden en/of de daarbij behorende werkzame stoffen,

immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(s)

- Dega en/of Dega16 en/of Dega P en/of Fyprorein en/of Fyproclean en/of Mentho-boast,

bevattende (telkens) de werkzame stof Fipronil

op de markt gebracht en/of gebruikt en/of verkocht en/of te koop aangeboden en/of afgeleverd,

waardoor zij en/of haar mededader(s) wist(en), dan wel redelijkerwijs had(den) kunnen

vermoeden, dat door dit handelen en/of nalaten gevaar ontstond en/of kon ontstaan voor een mens en/of voor een dier en/of voor de bodem en/of voor het water;

zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met [medeverdachte] ,

tot bovenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of feitelijk leiding heeft gegeven aan

bovenomschreven verboden gedraging(en);

2.

[bedrijf 1] v.o.f. (KvK [nummer 1] ) en/of [bedrijf 3] v.o.f. met handelsnaam

[bedrijf 2] (KvK [nummer 2] )

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2015 tot en met 12

februari 2018, te Barneveld en/of Lunteren en/of Nederhemert en/of Wageningen en/of

elders in Nederland, en/of

België

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen

meermalen, maar in ieder geval eenmaal,

(telkens), opzettelijk, een of meer biocide(n), te weten

‐ Dega en/of Dega16 en/of Dega P en/of Fyprorein en/of Fyproclean en/of Mentho-boast

en/of

‐ Miteclean

voorhanden of in voorraad heeft gehad,

terwijl (telkens) dat/die biocide(n) niet ingevolge de "Wet gewasbeschermingsmiddelen

en biociden" was/waren toegelaten;

zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , tot

bovenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of feitelijk leiding heeft gegeven aan

bovenomschreven verboden gedraging(en);

3.

[bedrijf 1] v.o.f. (KvK [nummer 1] ) en/of [bedrijf 3] v.o.f. met handelsnaam

[bedrijf 2] (KvK [nummer 2] )

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2015 tot en met 12

februari 2018, te Barneveld en/of Lunteren en/of Nederhemert en/of Wageningen en/of

elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen

meermalen, maar in ieder geval eenmaal,

(telkens), opzettelijk, een of meer biocide(n), te weten

‐ Formaline en/of

‐ Kilcox en/of

‐ Envirex en/of Virex en/of

‐ Neporex en/of

‐ Fatal en/of

‐ Lurectron,

voorhanden of in voorraad heeft gehad,

terwijl (telkens) dat/die biocide(n) niet ingevolge de "Wet gewasbeschermingsmiddelen

en biociden" was/waren toegelaten;

zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , tot

bovenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of feitelijk leiding heeft gegeven aan

bovenomschreven verboden gedraging(en);

4.

[bedrijf 1] v.o.f. (KvK [nummer 1] ) en/of [bedrijf 3] v.o.f. met handelsnaam

[bedrijf 2] (KvK [nummer 2] )

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2015 tot en met

12 februari 2018, te Barneveld en/of Lunteren en/of Nederhemert en/of Wageningen

en/of elders in Nederland, en/of

België

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen

meermalen, maar in ieder geval eenmaal,

(telkens), opzettelijk, heeft/hebben gehandeld in strijd met artikel 17, eerste, vijfde en /of

zesde lid van verordening (EU) Nr. 528/2012 of de ter uitvoering daarvan vastgestelde

verordeningen,

immers heeft/hebben die [bedrijf 1] v.o.f. en/of die [bedrijf 3] v.o.f. en/of

hun mededader(s)

een of meer biocide(n), te weten

‐ Dega en/of Dega16 en/of Dega P en/of Fyprorein en/of Fyproclean en/of Mentho-boast

en/of

‐ Miteclean

op de markt aangeboden en/of gebruikt,

terwijl (telkens) voor die biocide(n) geen toelating overeenkomstig die verordening was

verleend,

zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , tot

bovenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of feitelijk leiding heeft gegeven aan

bovenomschreven verboden gedraging(en);

5.

[bedrijf 1] v.o.f. (KvK [nummer 1] ) en/of [bedrijf 3] v.o.f. met handelsnaam

[bedrijf 2] (KvK [nummer 2] )

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 01 januari 2015 tot en met 12

februari 2018, te Barneveld en/of Lunteren en/of Nederhemert en/of Wageningen en/of

elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen

meermalen, maar in ieder geval eenmaal

(telkens), opzettelijk, heeft/hebben gehandeld in strijd met artikel 17, eerste, vijfde en /of

zesde lid van verordening (EU) Nr. 528/2012 of de ter uitvoering daarvan vastgestelde

verordeningen,

immers heeft/hebben die [bedrijf 1] v.o.f. en/of die [bedrijf 3] v.o.f. en/of

hun mededader(s)

een of meer biocide(n), te weten

‐ Formaline en/of

‐ Kilcox en/of

‐ Envirex en/of Virex en/of

‐ Neporex en/of

‐ Fatal en/of

‐ Lurectron,

op de markt aangeboden en/of gebruikt,

terwijl (telkens) voor die biocide(n) geen toelating overeenkomstig die verordening was

verleend,

zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , tot

bovenomschreven feit opdracht heeft gegeven en/of feitelijk leiding heeft gegeven aan

bovenomschreven verboden gedraging(en).

3 De voorvragen

3.1

De geldigheid van de dagvaarding

3.1.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft partiële nietigheid van de dagvaarding bepleit, voor zover het gaat om het onder feit 1 primair ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe gesteld dat de dagvaarding onduidelijk is, omdat niet is gespecificeerd op welke gevaren de tenlastelegging ziet. Hoewel strikt juridisch bekeken, de strafbaarstelling in artikel 174 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) ook kan zien op dieren, blijkt dat niet uit de onderhavige dagvaarding. Wanneer andere gevaren, dan de gevaren voor mensen, onder de dagvaarding worden geschaard, dient de dagvaarding in zoverre nietig te worden verklaard.

3.1.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de dagvaarding voldoende duidelijk en feitelijk is omschreven, zodat de dagvaarding geldig is. Het in de tenlastelegging opgenomen element “leven of gezondheid” is een bestanddeel afkomstig uit de wettekst en betreft, zoals blijkt uit jurisprudentie, wetsgeschiedenis, plaatsing van het artikel in titel VII Sr en de literatuur, het leven en de gezondheid van mens èn dier. De lezing van de raadsman is derhalve een te beperkte interpretatie van het bestanddeel. Deze interpretatie blijkt ook reeds uit het appelschriftuur van het Openbaar Ministerie ter zake de gevangenhouding van verdachten, waar op pagina 8 is opgenomen: “(..) vooropgesteld moet worden dat blijkens de memorie van toelichting bij artikel 174 Strafrecht onder gezondheid de gezondheid van mensen, dieren en planten moet worden gevat.”.

3.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding ziet op waren die schadelijk zijn voor het leven of de gezondheid van mens, dier en/of plant en dat dit ook uit het dossier blijkt. Tijdens de zitting is gebleken dat het bij de verdediging bekend was dat de verdenking daar mede op zag. De tenlastelegging voldoet naar het oordeel van de rechtbank dan ook aan de eisen gesteld door artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), nu het voor alle procespartijen duidelijk is wat de inzet van het geding is. Ten aanzien van feit 1 primair is de rechtbank van oordeel dat voldoende concreet is op welke mogelijke gevaren het gemaakte verwijt betrekking heeft, nu uit de jurisprudentie, wetsgeschiedenis, plaatsing van het artikel in titel VII Sr en de literatuur duidelijk de reikwijdte van artikel 174 Sr volgt. Dat in het onderhavige geval in de tenlastelegging niet feitelijk is uitgeschreven welke schade zich heeft voorgedaan, maakt dit niet anders. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman omtrent de nietigheid van de dagvaarding en stelt vast dat deze geldig is.

3.2

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.2.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie, op grond van het wettelijke uitgangspunt van artikel 94 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) en het geldende handhavingsbeleid – waaraan het Openbaar Ministerie zich ondubbelzinnig heeft gecommitteerd –, niet tot strafvervolging mocht overgaan en dat het Openbaar Ministerie daarom niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van feit 1 subsidiair en de feiten 2, 3, 4 en 5. Hij voert daartoe aan dat uit artikel 94 Wgb volgt dat alleen in (zeer) ernstige gevallen, of als de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven, een strafvervolging kan worden ingesteld. In het zogenoemde Handhavingsdocument voor de Wgb van 26 augustus 2008 wordt een nadere invulling gegeven aan het in artikel 94 van die wet genoemde afstemmingsvereiste. De raadsman heeft gesteld dat het Openbaar Ministerie onvoldoende aan de hand van de in dit Handhavingsdocument genoemde criteria en factoren heeft gemotiveerd dat in het onderhavige geval sprake is van een (zeer) ernstig feit.

3.2.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat er sprake is van duale handhaving, maar dat uit de memorie van toelichting blijkt dat er een nadrukkelijke rol voor het strafrecht blijft, als het gaat om aanmerkelijke en opzettelijke vormen van illegaal middelengebruik. Wanneer strafrechtelijk moet worden opgetreden, dient te worden getoetst aan een aantal criteria die zijn uitgewerkt in een drietal documenten, te weten het Handhavingsdocument voor de Wgb van 26 augustus 2008, de Sanctiestrategie Wgb van 9 maart 2011 en het Algemeen interventiebeleid en het specifiek interventiebeleid. De officier van justitie heeft gesteld dat de Sanctiestrategie van 9 maart 2011 het beleidskader geeft in de onderhavige zaak en dat is voldaan aan de criteria genoemd in de Sanctiestrategie en het Handhavingsdocument. Zo werd er door de gedraging een potentieel gevaarlijke situatie in het leven geroepen voor mens, dier en milieu, hebben de gedragingen ernstige economische gevolgen gehad, werden de feiten in georganiseerd verband gepleegd en zijn er malversaties gepleegd om wederrechtelijk verkregen voordeel te behalen en de kans op ontdekking van het feit tot een minimum te beperken. De officier van justitie heeft gesteld dat het verweer daarom moet worden verworpen en dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

3.2.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, Sv aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek al dan niet strafvervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing en wel in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Zo'n uitzonderlijk geval kan zich voordoen wanneer de vervolging in strijd is met gepubliceerde handhavingsdocumenten, zoals die behorende bij de Wgb, indien die bij verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet zal worden vervolgd.

In de memorie van toelichting bij de Wgb is opgenomen dat strafrechtelijk moet worden opgetreden indien de overtreding maatschappelijke verontrusting of een geschokte rechtsorde oplevert. In het handhavingsdocument voor de Wgb van 26 augustus 2008 staan de volgende, nader uitgewerkte, criteria genoemd:

“het is een overtreding met ernstige gevolgen voor mens, dier of milieu: dat wil zeggen de overtreding heeft ernstige gevolgen veroorzaakt voor mens, dier of milieu, dan wel dreigt die te veroorzaken;

het is een overtreding begaan in georganiseerd verband;

het is een overtreding begaan met behulp van malversaties zoals frauduleuze constructies, omkoping of geweld om wederrechtelijk voordeel te behalen of de kans op ontdekking te minimaliseren;

het is de derde overtreding in een tijdsbestek van 5 jaar; dat wil zeggen herhaalde recidive binnen 5 jaar (…)”

Indien voldaan is aan één van deze criteria kan strafrechtelijk worden opgetreden.

De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie in deze zaak tot strafvervolging mocht overgaan. Daarbij acht de rechtbank de volgende omstandigheden - die al bekend waren op het moment dat het Openbaar Ministerie tot vervolging overging - ten aanzien van het onder 1 subsidiair en 2 tot en met 5 ten laste gelegde feiten van belang:

nu het vermoeden bestond dat verdachte een niet toegelaten middel op de markt heeft gebracht waarvan onduidelijk was welke mogelijke schadelijke gevolgen het middel kon hebben, werd een potentieel gevaar in het leven geroepen voor mens, dier en milieu;

het onderzoek in Nederland startte nadat de NVWA een tip kreeg van het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de Voedselketen, de Belgische toezichthouder op dit gebied, dat fipronil in eieren was aangetroffen bij een Belgisch bedrijf dat door [bedrijf 2] met Dega-16 was behandeld. [bedrijf 1] en [bedrijf 2] waren professioneel opgezette ondernemingen en de verdachten in Nederland werkten onderling samen. Daarnaast maakten zij ook afspraken met hun Belgische leverancier;

tot slot zijn er malversaties gepleegd om wederrechtelijk verkregen voordeel te behalen en de kans op ontdekking van het strafbare feit te minimaliseren. Zo werd er tijdens de eerste controle op 7 juli 2017 bewust bewijsmateriaal verstopt en achtergehouden.

De rechtbank is op grond van vorenstaande overwegingen van oordeel dat van een vervolging in strijd met handhavingsdocumenten niet is gebleken. De rechtbank stelt dan ook vast dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte voor het ten laste gelegde onder 1 subsidiair, 2, 3, 4 en 5.

3.3

De overige voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging. De rechtbank overweegt daarbij ambtshalve dat weliswaar verdachte niet gedagvaard is te verschijnen voor de meervoudige economische kamer van deze rechtbank ook al betreffen enkele ten laste gelegde feiten economische delicten, maar dat zij op grond van artikel 39, tweede lid van de Wet op de economische delicten (WED) toch bevoegd is ook deze economische delicten te berechten, nu deze in samenhang zijn begaan met het eerste primair ten laste gelegde feit, welk geen economisch delict betreft, en waarvan de rechtbank bevoegd is kennis te nemen.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) heeft in juli 2017 een bedrijfsinspectie uitgevoerd bij de vennootschap onder firma [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 2] ), nadat het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, zijnde de Belgische toezichthouder op dit gebied, de NVWA op 19 juni 2017 erop had geattendeerd dat bij een Belgisch bedrijf dat door [bedrijf 2] met een product genaamd Dega-16 was behandeld tegen bloedluis, fipronil in de eieren was aangetroffen.

De opdrachtgevers van [bedrijf 2] betroffen pluimveehouders. Uit onderzoeken die vervolgens door de NVWA zijn gedaan bij diverse (Nederlandse) opdrachtgevers van [bedrijf 2] , is gebleken dat het fipronilgehalte in de eieren van deze opdrachtgevers hoger was dan de norm die de NVWA hanteerde. Daarop is het bedrijf van [bedrijf 2] verzegeld en zijn in de tweede helft van 2017 aan de betreffende pluimveehouders afvoerverboden opgelegd. Zij mochten vanaf dat moment geen eieren, mest en kippen meer vervoeren. Ook moesten eieren die in de handel waren gebracht, worden teruggeroepen (recall) en vernietigd en werden kippen in de rui gezet, zodat zij een aantal weken geen eieren zouden leggen, of geruimd. Een en ander heeft grote economische en financiële gevolgen gehad voor de pluimveesector.

Op 10 augustus 2017 zijn verdachte (hierna ook te noemen: [verdachte] ) en [medeverdachte] aangehouden, onder meer op verdenking van het feitelijk leiding geven aan overtreding van de Wgb, alsook overtreding van de artikelen 174 en 175 Sr, door de vennootschappen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Ook de vennootschappen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] zijn beide als verdachte aangemerkt.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Ook het onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde kan eveneens wettig en overtuigend worden bewezen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde bepleit. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat wanneer de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde, het niet horen van [getuige 1] een flagrante schending van artikel 6 EVRM oplevert. De raadsman doet een voorwaardelijk verzoek tot het horen van [getuige 1] . Ook heeft de raadsman een voorwaardelijk verzoek gedaan om de NFI-deskundige M.A. Stelling te horen, wanneer de rechtbank niet mee zou gaan in het lezing die de raadsman geeft van het NFI-rapport, te weten dat er geen schadelijkheid was voor het leven of de gezondheid. De raadsman heeft verder gesteld dat het Openbaar Ministerie een onjuiste uitleg geeft aan het bestanddeel ‘schadelijk voor het leven of de gezondheid’ door te stellen dat elk gebruik van een niet-toegelaten biocide een overtreding van artikel 174 Sr geeft. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit voor zover er gevaar is geweest voor mens of dier, gelet op het NFI rapport, en als het gaat om gevaar voor bodem en/of water refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft de verdediging gesteld dat verdachte nooit kwaad opzet heeft gehad.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

4.4.1

Algemene bewijsoverwegingen

4.4.1.1 De ondernemingen

De vennootschap onder firma [bedrijf 3] met handelsnaam [bedrijf 2] is op

1 januari 2014 opgericht door [verdachte] en [medeverdachte] . Op 1 januari 2015 hebben [verdachte] en [medeverdachte] daarnaast de vennootschap onder firma [bedrijf 1] opgericht. Uit de uittreksels van de Kamer van Koophandel (KvK) van beide vennootschappen blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte] enig vennoten waren en dat de ondernemingen op hetzelfde adres stonden ingeschreven, namelijk op het woonadres van [medeverdachte] . De vennootschappen hadden allebei een eigen website, te weten www. [bedrijf 1] .nl en www. [bedrijf 2] .nl. Op de website van [bedrijf 2] werd het bedrijf omschreven als ‘de specialist in bloedluisbestrijding’ die snel en effectief bloedluis kon bestrijden. [bedrijf 1] stond geregistreerd bij IKB Nederland (een keurmerk binnen de dierhouderij) voor ontsmettingswerkzaamheden. Op printscreens die in de ten laste gelegde periode van de websites zijn gemaakt, valt te lezen dat beide vennootschappen dezelfde bedrijfslocatie hadden en dat ze te bereiken waren middels dezelfde 06-nummers. Op de website valt ook te lezen “algemene voorwaarden [bedrijf 2] / [bedrijf 1] ”, waaruit blijkt dat de vennootschappen dezelfde algemene voorwaarden hanteerden en waaruit kan worden afgeleid dat er door [verdachte] en [medeverdachte] zelf niet heel strikt onderscheid tussen beide vennootschappen werd gemaakt. De vennootschappen maakten eveneens gebruik van hetzelfde materieel en hetzelfde ingehuurde personeel. Beide vennootschappen gebruikten de gehuurde loods aan de [adres] te Lunteren als opslaglocatie en om bedrijfsvoertuigen een plek te geven. Ook werd er een voertuig aangetroffen waarop beide bedrijfsnamen stonden vermeld.

Uit verklaringen van pluimveehouders kan worden afgeleid dat er voor de buitenwereld geen onderscheid viel te maken tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , omdat zij als één onderneming naar buiten traden. Zo heeft pluimveehouder [pluimveehouder 1] van [bedrijf 4] verklaard: “als ze moesten ontsmetten en bloedluisbestrijden dan werd dit in de uitvoering als één bedrijf in één keer gedaan met dezelfde machine”. Pluimveehouder [pluimveehouder 2] heeft een soortgelijke verklaring afgelegd, te weten: “Ontsmetten en bloedluisbestrijding gebeurt in 1 behandeling”.

De rechtbank stelt op basis van het hiervoor uiteengezette relaas vast dat, hoewel [bedrijf 1] en [bedrijf 2] op papier verschillende werkzaamheden uitvoerden, hun activiteiten in de praktijk op een zodanig intensieve wijze met elkaar verweven waren, dat de rechtbank hun gedragingen en rol als inwisselbaar beschouwt. De rechtbank zal dan ook bij de bespreking van de feiten en omstandigheden [bedrijf 1] en [bedrijf 2] telkens gezamenlijk bespreken.

4.4.1.2 Het juridisch kader van biociden

Voor de beoordeling van de ten laste gelegde feiten is een goed begrip van de term ‘biocide’ van belang, zodat de rechtbank eerst het juridisch kader daaromtrent uiteen zal zetten.

Biociden vallen onder de reikwijdte van de Wgb en ook de Biocidenverordening of BPR-verordening (EU 528/2012) is van toepassing. De toepassing van biociden in Nederland – en ook binnen Europa – is strikt gereguleerd en biociden mogen alleen voorhanden zijn en op de markt worden aangeboden als ze overeenkomstig de BPR-verordening zijn toegelaten. In artikel 1 Wgb valt te lezen dat gesproken kan worden van een biocide als voldaan is aan de definitie zoals die staat gegeven in artikel 3 lid 1 sub a van de BPR-verordening. Uit dit artikel volgt dat, wil er sprake zijn van een biocide, het middel – kort gezegd – moet bestaan uit een werkzame stof en het doel moet hebben om een schadelijk organisme te vernietigen of af te schrikken of te bestrijden op een andere dan op fysieke of mechanische wijze.

Blijkens artikel 3 lid 1 onder c van de BPR-verordening is een werkzame stof “een stof of micro-organisme met een werking op of tegen schadelijke organismen”. De stof die erin zit moet met andere woorden een beoogd effect bewerkstelligen.

Uit de BPR-verordening volgt dat de werkzame stof in een biocide dient te zijn toegelaten en ook de biocide zelf dient te zijn toegelaten voor de specifieke behandeling waarvoor het middel wordt ingezet. Om een toelating voor de werkzame stof te krijgen dient er een aanvraag te worden gedaan bij het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA). Op de website van het ECHA is een lijst te vinden waarin alle werkzame stoffen die zijn toegelaten, staan opgenomen.

In Nederland is het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) verantwoordelijk voor de toelating van biociden op de Nederlandse markt. Het houdt een register bij dat voor een ieder toegankelijk is en waarin eenvoudig valt te raadplegen of een biocide is toegelaten. Daarnaast moet het toelatingsnummer op het product vermeld staan.

Voor de leesbaarheid van het vonnis zal de rechtbank bij de bespreking van de ten laste gelegde feiten hierna, niet de volgorde zoals opgenomen in de tenlastelegging aanhouden, maar beginnen met bespreking van de feiten 2 en 4. Vervolgens bespreekt de rechtbank feit 1 en tenslotte de feiten 3 en 5.

4.4.2

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 2 en 4

4.4.2.1 Voorhanden hebben/ in voorraad hebben/ op de markt brengen/ gebruiken

Aan verdachten wordt onder 2 verweten dat zij (opzettelijk) de biociden Dega en/of Dega16 en/of Dega P en/of Fyprorein en/of Fyproclean en/of Mentho-boast en/of Miteclean voorhanden en/of in voorraad hebben gehad en onder 4 wordt hen verweten dat zij diezelfde biociden op de markt hebben aangeboden en/of hebben gebruikt. De rechtbank zal bij de beoordeling van deze feiten eerst stilstaan bij de vraag of verdachten deze middelen daadwerkelijk voorhanden hebben gehad en/of hebben gebruikt, alvorens te toetsen of de in de tenlastelegging genoemde middelen als biociden kwalificeren.

Verdachten betrokken de door hen gebruikte middelen grotendeels van de Belgische leverancier [bedrijf 5] BVBA, handelend onder de naam [bedrijf 5] , een bedrijf van [getuige 1] . Uit de administratie van [getuige 1] blijkt dat er vanaf 10 juni 2014 door [getuige 1] facturen worden gestuurd aan [bedrijf 1] en [bedrijf 2] voor middelen ten behoeve van bloedluisbestrijding. Een factuur van 28 mei 2015 is de eerste factuur waarop het middel Miteclean staat vermeld. Het middel genaamd Fyprorein wordt voor het eerst op 25 oktober 2015 op een factuur vermeld en op 6 december 2015 is er door [getuige 1] gefactureerd voor het middel Fyprocleaner. In onderstaande tabel is per jaar de totale hoeveelheid liters van de door [getuige 1] aan [bedrijf 2] gefactureerde middelen Dega-16, Dega 1 L, Dega P, Fyprorein, Fyprocleaner, Mentho-boast en Miteclean weergegeven.

Inkoop

Dega 16

Dega 1L

Dega P

Fyprorein

Fypro-cleaner

Mentho-Boast

Miteclean

2015

135

60

2.177

2016

1.080

47

200

575

1.600

560

2017

2.880

-93

1.145

totaal

3.960

47

107

710

60

1.600

3.882

Op werkbonnen en facturen uit de administratie van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] staan de middelen vermeld die door hen vervolgens werden (door)verkocht aan de pluimveehouders. De werkbonnen en facturen waarop de middelen Fyprorein, Dega-16 en Mentho-Boast staan vermeld, beslaan de periode van 12 november 2015 tot en met 23 juni 2016. [verdachte] heeft ter zitting ook verklaard dat zij de in de tenlastelegging genoemde middelen gebruikten bij de bestrijding van bloedluis. De aangetroffen facturen en werkbonnen zijn verwerkt in onderstaande tabel, die het totaal aantal verkochte liters van een product per jaar weergeeft:

Mentho-boast Dega-16 Fypro

factuur

werkbon

factuur

werkbon

factuur

werkbon

2015

62,5

2016

1.488

1.498

713

696

466

447,5

2017

2.531

2.704

22

22

Totaal

1.488

1.498

3.244

3.400

488

532

Op basis van de facturen en werkbonnen is eveneens vast te stellen dat verdachten over de jaren 2016 en 2017 de middelen bij 283 unieke afnemers hebben toegepast.

[verdachte] heeft ter zitting verklaard dat hij op 12 februari 2018 een aanhangwagen met daarop onder meer jerrycans met de producten Dega-16 en Miteclean op een parkeerplaats nabij het kantoorgebouw van de NVWA te Wageningen heeft geparkeerd, waarna hij dit – door tussenkomst van zijn raadsman – heeft gemeld bij de NVWA. Er heeft onderzoek plaatsgevonden naar de inhoud van de verschillende jerrycans en daaruit bleek dat het onder meer ging om een hoeveelheid van middelen bevattende de stoffen fipronil (Dega-16) en amitraz (Miteclean).

De rechtbank overweegt dat het bestanddeel ‘gebruik’ zoals ten laste gelegd onder 4, in artikel 3, lid 1, onder k van de BPR-verordening, voor zover hier van belang, nader is gedefinieerd als “alle handelingen die met een biocide worden verricht, met inbegrip van de opslag, hantering, menging en toediening ervan”.

De rechtbank concludeert op basis van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden dat [verdachte] en [medeverdachte] de in de tenlastelegging genoemde middelen voorhanden en/of in voorraad hebben gehad en op de markt hebben aangeboden en/of hebben gebruikt.

4.4.2.2 Biociden

Zoals reeds uiteengezet onder 4.4.1.2 kwalificeert een middel als een biocide wanneer het een werkzame stof bevat en het als doel heeft schadelijke organismen te vernietigen of af te schrikken of op andere dan op fysieke of mechanische wijze te bestrijden.

[verdachte] en [medeverdachte] gebruikten de middelen Dega-16 en Miteclean om bloedluis te bestrijden. Bloedluis is een mijt die het bloed uit de kip zuigt, wat kan leiden tot bloedarmoede, vermindering van eierproductie en verhoogde vatbaarheid voor ziektes. Bloedluis is derhalve een schadelijk organisme. Het middel werd gespoten op de omgeving en de inrichting van een pluimveestal en uit verklaringen van getuigen volgt dat het middel effectief was en dat de bloedluis (lang) wegbleef. Zo verklaarde pluimveehouder [pluimveehouder 2] : “De resultaten vanuit de bloedluisbehandeling van stal 1 waren goed, de luis bleef weg” en getuige [getuige 3] heeft verklaard: “Voor de bloedluis was het Dega-16 en dat was ook een eigen product. Natuurlijk hielp het middel wel want anders waren ze niet door heel Nederland gereden”. [verdachte] zelf heeft ook verklaard dat het middel Dega-16 heel goed hielp tegen bloedluis. Dat het middel werkzaam was, betekent dat daaruit kan worden afgeleid dat er een werkzame stof in zat.

[verdachte] heeft verklaard dat [getuige 1] hem in juni 2016 heeft verteld dat de stof fipronil in Dega-16 zat. Op verschillende plekken in de bedrijfsvoertuigen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] is fipronil aangetroffen. Ook in de rugspuit, waarmee [verdachte] en [medeverdachte] de ontsmettingsbehandeling uitvoerden in de stallen, is fipronil aangetroffen. In het bedrijfsvoertuig dat geparkeerd stond in de loods aan de [adres] werden meerdere verpakkingen aangetroffen waarin een middel met de werkzame stof amitraz bleek te zitten. De getuige [getuige 2] was gedurende een deel van de ten laste gelegde periode als zzp’er werkzaam voor [bedrijf 5] BVBA. Tijdens zijn verhoor werd hem de verklaring van [getuige 1] voorgehouden inhoudende dat [bedrijf 2] de producten Fiprorein, Fiproclean en Menthol-Boost kocht en dit zelf mengde en dat dit product later Dega-16 ging heten. [getuige 2] verklaarde daarop dat hij dit al vermoedde en dat het door [bedrijf 2] of [getuige 1] werd gemengd om het minder opvallend te maken. In een whatsapp bericht dat getuige [getuige 2] op 10 april 2016 stuurde aan [verdachte] staat geschreven: “Als ik wat schuif en goede afspraken kan maken met jullie dan kan ik rond de koers leveren van: -Fypro: 93,72, -Mite: 46,89, - [bedrijf 5] : 52,17. Laat maar weten of dit interessant kan zijn als jullie overlegd hebben. Ter verduidelijking, zelfde fabriek, zelfde hoeveelheid werkz. stoffen etc.”

Op basis van voorgaande bewijsmiddelen komt de rechtbank tot de conclusie dat fipronil de werkzame stof was in de middelen Dega-16, Dega 1 L, Dega P, Fyprorein, Fyprocleaner, Mentho-boast en dat deze middelen biociden waren, nu zij werden gespoten ter bestrijding van het schadelijke organisme bloedluis.

Op basis van voorgaande bewijsmiddelen komt de rechtbank daarnaast tot de conclusie dat amitraz de werkzame stof was in het middel Miteclean en dat ook dit middel een biocide was dat werd gespoten ter bestrijding van het schadelijke organisme bloedluis.

4.4.2.3 De toelating van de biociden

Zoals onder 4.4.1.2 staat beschreven kan op de site van het ECHA eenvoudig bekeken worden of een werkzame stof is toegelaten. Fipronil staat sinds 1 oktober 2013 op de lijst met toegelaten stoffen en is toegelaten om gebruikt te worden in een biocide voor de bestrijding van insecten, acariciden en andere geleedpotigen.

In het register van het Ctgb kan worden nagegaan of de toepassing van een bepaalde biocide is toegelaten. Blijkens het biocidenregister van het Ctgb was een biocide met de werkzame stof fipronil in Nederland niet toegelaten voor bloedluisbestrijding. Ook de biocide Miteclean met de werkzame stof amitraz is in Nederland niet toegelaten. Voor beide middelen bestond eveneens geen Europese toelating.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat Dega, Dega-16, Dega 1 L, Dega P, Fyprorein, Fyprocleaner, Mentho-boast en Miteclean geen toegelaten biociden zijn.

4.4.2.4 Opzet

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient de term ‘opzettelijk’ in het economisch strafrecht te worden uitgelegd als ‘kleurloos’ opzet. Dat betekent dat verdachtes opzet slechts gericht hoefde te zijn op de gedraging zelf (te weten het voorhanden hebben van niet-toegelaten biociden) en niet op de wederrechtelijkheid van die gedraging. Voorwaardelijk opzet is hierbij voldoende. Niet vereist is dat het opzet van verdachte ook gericht is geweest op het niet naleven van de op de hem rustende wettelijke verplichtingen. Dat verdachte naar eigen zeggen niet wist dat dat de middelen biociden waren die niet waren toegelaten, staat aan het bewijs van het opzet daarom niet in de weg.

Volgens verdachten geloofden zij hun leverancier, de heer [getuige 1] , die zou hebben gezegd dat fipronil een legaal middel was om bij bloedluisbestrijding te gebruiken. Van verdachten, die handelen in het economisch verkeer, mag echter worden verwacht dat zij op de hoogte zijn van de voor hen van toepassing zijnde regelgeving. Dit geldt temeer nu verdachten zich presenteerden als specialisten in de bestrijding van bloedluis en zij naar eigen zeggen bekend zijn met de pluimveesector en ook weten dat bloedluis daar een groot probleem is. Zij wilden daarvoor een oplossing bieden en dachten die te hebben gevonden met het middel Dega. Een middel waardoor de bloedluis beduidend langer wegbleef dan bij enig ander middel. Van professionele spelers op de (commerciële) markt mag deskundigheid worden verwacht van het terrein waarop zij zich begeven en dat zij op de hoogte zijn van de specifieke regelgeving die van toepassing is op hun activiteiten. Van hen mag daarnaast worden verwacht dat zij onderzoek doen en nagaan of het is toegelaten dat zij een bepaald ‘wondermiddel’ bij een voedsel producerend bedrijf gebruiken. Verdachten hebben diverse middelen bij [getuige 1] ingekocht en bij de bestrijding van bloedluis gebruikt, zonder enige – eigen – controle of deze middelen wel waren toegelaten. [verdachte] heeft verklaard dat [getuige 1] hem in juni 2016 heeft verteld dat de stof fipronil in Dega-16 zat, maar verdachten hebben ook toen geen nader onderzoek gedaan en zijn gewoon doorgegaan met het toepassen van het middel Dega-16 en de daarmee samenhangende “Dega-middelen”. Een dergelijk onderzoek hebben zij ook nagelaten ten aanzien van de door hen gebruikte middelen Fyprorein, Fyprocleaner, Mentho-boast en Miteclean.

De rechtbank is van oordeel dat op grond daarvan wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte] , als leidinggevenden van [bedrijf 2] en [bedrijf 1] , met hun handelen minst genomen bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat zij niet-toegelaten biociden voorhanden en/of in voorraad hadden en hebben aangeboden en/of gebruikt.

4.4.2.5 Feitelijk leidinggeven en medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor strafbaarheid van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] is voldaan, aangezien deze rechtspersonen geadresseerde zijn van de norm en de verboden gedragingen aan hun kunnen worden toegerekend, nu deze bij uitstek gelden als gedragingen verricht in de sfeer van deze rechtspersonen en aan hen dienstig zijn geweest. De rechtbank acht het opzet van deze rechtspersonen ook wettig en overtuigend bewezen, gelet op de door de vennoten verrichte handelingen en het door hen gevoerde beleid zoals hiervoor beschreven.

Ter zitting hebben [verdachte] en [medeverdachte] beiden verklaard dat zij gedurende de gehele ten laste gelegde periode in gezamenlijk overleg het bedrijfsbeleid en de bedrijfsvoering binnen de vennootschappen bepaalden en vaak samen de feitelijke handelingen in het kader van de bloedluisbestrijding hebben uitgevoerd. Mede gelet hierop acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte] tezamen en in vereniging feitelijk leiding hebben gegeven aan de verboden gedragingen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] .

De rechtbank spreekt [verdachte] vrij van het in vereniging plegen van de tenlastegelegde feiten tezamen met de vennootschappen. Bij bewezenverklaring van medeplegen in de voorliggende tenlastelegging, die gericht is op het feitelijk leidinggeven door verdachte aan een strafbare feit gepleegd door de vennootschap, zou dat betekenen dat onder meer bewezen verklaard wordt het feitelijk leidinggeven aan het eigen (mede)plegen. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet mogelijk in strafrechtelijke zin feitelijk leiding te geven aan eigen gedragingen, zodat verdachte van het tezamen en in vereniging plegen mèt de vennootschappen moet worden vrijgesproken.

4.4.3

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 1 primair

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan het verkopen, te koop aanbieden, of afleveren van middelen bevattende de werkzame stof fipronil, terwijl hij wist dat die stof schadelijk is voor het leven of de gezondheid maar dat schadelijk karakter heeft verzwegen.

4.4.3.1 Waren verkopen/ te koop aanbieden/ afleveren

De rechtbank heeft reeds hiervoor onder 4.4.2.1 de conclusie getrokken dat [verdachte] en [medeverdachte] , als leidinggevenden van [bedrijf 2] en [bedrijf 1] , de in de tenlastelegging genoemde middelen voorhanden en/of in voorraad hebben gehad en op de markt hebben aangeboden en/of hebben gebruikt. Onder 4.4.2.1 zijn de feiten en omstandigheden vastgesteld, op basis waarvan de rechtbank die conclusie heeft getrokken en de rechtbank volstaat daarom met een korte opsomming van de belangrijkste punten en een verwijzing naar hetgeen zij eerder heeft overwogen.

Verdachten presenteerden zichzelf en hun vennootschappen als professionele bloedluisbestrijders. Op basis van werkbonnen en facturen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] kan worden vastgesteld dat dit middel aan 283 unieke afnemers is afgeleverd en dat dit middel werd verkocht als onderdeel van hun bloedluisbestrijding.

De rechtbank stelt vast dat [verdachte] en [medeverdachte] , als leidinggevenden van [bedrijf 2] en [bedrijf 1] , de middelen Dega en/of Dega16 en/of Dega P en/of Fyprorein en/of Fyproclean en/of Mentho-boast gedurende de ten laste gelegde periode te koop hebben aangeboden, verkocht, afgeleverd en zelf hebben toegepast.

4.4.3.3 Schadelijk karakter

De rechtbank dient vervolgens vast te stellen of de onder 1 genoemde middelen schadelijk zijn voor het leven of de gezondheid in de zin van artikel 174 Sr . De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor vaststelling van het schadelijk karakter niet is vereist dat de schade optreedt bij ieder (normaal) gebruik door elke mogelijke consument. Voldoende is dat vastgesteld wordt dat schade kan optreden als gevolg van elk gebruik waarmee redelijkerwijs rekening moet worden gehouden.

Zoals door de rechtbank reeds onder 3.1.3 vastgesteld, valt onder het bestanddeel ‘schadelijk voor het leven of de gezondheid’ het leven en de gezondheid van mensen, dieren en planten.

Onder 4.4.2.3 heeft de rechtbank reeds vastgesteld dat Dega-16 een biocide is. Het gebruik van biociden is aan strikte Europese en nationale regelgeving onderworpen en mag slechts in beperkte situaties en onder strikte voorwaarden worden gebruikt. Uit overweging 1 van de BPR-verordening volgt dat dit onder andere zo is omdat door de intrinsieke eigenschappen en de bijpassende gebruikspatronen biociden gevaren kunnen inhouden voor mensen, dieren en het milieu. Fipronil is niet opgenomen in bijlage 1 van de Verordening (EU) nr. 37/2010, wat betekent dat het niet is toegelaten dit middel toe te passen bij voedselproducerende dieren, vanwege de gevaarlijke eigenschappen van het middel. Door middelen bevattende de werkzame stof fipronil toch te gebruiken hebben verdachten in strijd gehandeld met een strikt wettelijk kader, waardoor sprake was van een ongecontroleerd gebruik van een gevaarlijke stof bij voedselproducerende bedrijven.

Het toegepaste gebruik door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] bestond eruit dat de middelen Dega, Dega-16, Dega P, Fyprorein, Fyproclean, Mentho-boast, alle met de werkzame stof fipronil, werden gespoten in stallen met en zonder kippen ter bestrijding van bloedluis. Door biociden op deze manier te gebruiken is te verwachten dat deze middelen ook op het voer, de mest, de kip en in het ei terechtkomen. Kippen en eieren die gegeten worden door mensen en mest die onder meer als bemesting op landbouwgrond wordt uitgereden. Verdachten hebben geen enkele voorzorgsmaatregel genomen om verspreiding van fipronil op genoemde wijze te voorkomen. Uit onderzoek aan eieren en genomen monsters van mest van bedrijven waar verdachten bloedluisbestrijding hebben gedaan, is ook daadwerkelijk gebleken dat fipronil in de kippen, eieren en mest terecht is gekomen. Meerdere pluimveehouders hebben verklaard dat zij hun mest uitrijden over hun eigen landbouwgrond dan wel dat het via derden wordt uitgereden over landbouwgronden, zodat ook bemesting, naast het consumeren van kippen en eieren, geldt als een gebruik waarmee verdachten redelijkerwijs rekening hadden moeten houden.

De vraag wat de gevaren zijn van het gebruik van het middel fipronil in kippenstallen wordt in het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 31 juli 2019 als volgt beantwoord: “Fipronil breekt langzaam af onder de vorming van metabolieten die een vergelijkbare toxiciteit als fipronil zelf vertonen. Bij een ongecontroleerd gebruik van de stof fipronil in kippenstallen kan hierdoor een langdurige contaminatie van de kippen, eieren en mest optreden. Er is een risico voor een ongecontroleerde blootstelling van de boeren en een risico op verspreiding buiten de stallen met langdurige negatieve effecten op het milieu, bijvoorbeeld ook door het verspreiden van verontreinigde mest. Specifiek kan genoemd worden het risico voor bijen en het aquatisch milieu.”

Het NFI heeft ook onderzocht of Dega-16 in dit concrete geval gevaarlijk kon zijn. Gelet op de toepassing van Dega-16 door [verdachte] en [medeverdachte] en hun vennootschappen is in het rapport onderscheid gemaakt tussen schadelijkheid voor leven of gezondheid van mensen bij de toepassing van de biociden door middel van verneveling in de pluimveestal, schadelijkheid voor leven of gezondheid van mensen door het eten van besmette eieren en gevaar voor leven of de gezondheid van mensen en dieren door het uitrijden van met fipronil besmette mest.

Uit het NFI rapport volgt dat de AOEL (Acceptable Operator Exposure Level) kan zijn overschreden, indien de pluimveehouder via een onbeschermde huid of via nat geworden werkkleding in contact is geweest met de nevel. Pluimveehouders hebben verklaard dat zij geen beschermende kleding of maskers hoefden te dragen als zij direct na de bloedluisbehandeling de stal ingingen. Zo verklaarde [pluimveehouder 1] : “Het middel was niet slecht voor je. De boer kon gewoon vijf minuten later de stal weer in als het rustig in de stal was” en [pluimveehouder 3] verklaarde: “Ook als ik naar achteren liep, dus in de volle nevel werd ik niet gewaarschuwd. Sterker nog; ze zeiden dat ik er zo in kon lopen”. De rechtbank is van oordeel dat er derhalve een reële kans bestond dat er gevaar voor de gezondheid kon optreden voor pluimveehouders die na de behandeling weer in de stallen rondliepen en werkten.

Met betrekking tot de aangetroffen fipronil in eieren concludeert het NFI op basis van de vastgestelde waardes, zoals de aanvaardbare dagelijkse inname (ADI), dat de risico’s op gevolgen voor de lange termijn zeer klein zijn. Het NFI rekent met de waarde van 0,39 mg/kg, en komt tot de conclusie dat, uitgaande van een gemiddelde ei-consumptie, de inname bij de rekenwaarde onder norm van de ADI blijft. Dat er in het concrete geval, op basis van de gemeten waardes, geen concrete gezondheidsschade voor mensen te verwachten is, betekent niet dat gezondheidsschade voor mensen nooit kan optreden. Bij de ongecontroleerde toepassing van de biociden zoals door verdachten uitgevoerd is het niet uitgesloten dat er zodanige fipronil-waardes gemeten kunnen worden dat daadwerkelijke gezondheidsschade voor mensen, met name jonge kinderen, kan optreden. Zoals hiervoor overwogen kan bewezenverklaring van artikel 174 Sr volgen, niet alleen indien daadwerkelijk gezondheidsschade is opgetreden, maar voldoende is dat dergelijke schade kan optreden.

Blijkens het NFI rapport kunnen voorts bij de concentraties fipronil, zoals die specifiek in dit geval in de mest zijn aangetroffen, met zekerheid “schadelijke effecten verwacht worden voor bodemdieren en het aquatisch milieu”.

Gelet op het hiervoor overwogene en in het bijzonder in aanmerking nemende de inhoud van het NFI rapport is de rechtbank van oordeel dat de middelen die de werkzame stof fipronil bevatten, schadelijke gevolgen voor het leven of gezondheid kunnen veroorzaken als gevolg van het gebruik waarmee [verdachte] en [medeverdachte] redelijkerwijs rekening hadden moeten houden.

4.4.3.4 Wetende dat

Het bestanddeel ‘wetende dat’ ziet op het gegeven dat de verdachte met de schadelijke aard van de waren bekend is en is een uitdrukking van opzet die ook het voorwaardelijk opzet omvat.

Zoals gezegd waren verdachten steeds in een professionele hoedanigheid bezig met de uitoefening van bloedluisbestrijding. De rechtbank acht het van belang dat verdachten geen leken waren, maar professioneel gebruikers en zichzelf ook op die manier naar buiten toe hebben gepresenteerd. Verdachten moeten als professioneel bloedluisbestrijder hebben geweten dat biociden streng gereguleerd zijn en schadelijk zijn voor het leven of de gezondheid.

Door een niet-toegelaten biocide te gebruiken bij dieren die bestemd waren voor de voedselketen, zonder onderzoek te (laten) doen naar de mogelijke gevolgen daarvan, maakt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachten bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat zij middelen gebruikten die schadelijk waren voor het leven of de gezondheid.

4.4.3.5 Dat schadelijke karakter verzwijgende

Resteert de vraag of verdachte voor de pluimveehouders, die hem, [medeverdachte] , en de door hun gedreven vennootschappen inhuurden om in hun stallen de bloedluis te bestrijden, het schadelijk karakter van die middelen heeft verzwegen.

De afnemers van de biociden, de pluimveehouders, zullen ongetwijfeld uit hoofde van hun beroep kennis dragen omtrent de mogelijke schadelijke gevolgen van het gebruik van biociden. Dat ontheft verdachten echter niet van de plicht, telkens nog eens in het bijzonder te waarschuwen voor die schadelijke gevolgen.

[verdachte] heeft verklaard dat op het etiket van Dega-16 niet stond dat er fipronil in zat. Verschillende pluimveehouders hebben verklaard dat [verdachte] en [medeverdachte] niet precies wilden zeggen wat er in het middel zat en ook werden zij niet gewaarschuwd voor mogelijke schadelijke gevolgen voor mens, dier of milieu.

De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte] zich schuldig hebben gemaakt aan overtreding van het bepaalde in artikel 174 Sr .

4.4.3.6 Feitelijk leidinggeven en medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor strafbaarheid van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] is voldaan, aangezien deze rechtspersonen geadresseerde zijn van de norm en de verboden gedragingen aan hen kunnen worden toegerekend, nu deze bij uitstek gelden als gedragingen verricht in de sfeer van deze rechtspersonen. De rechtbank acht het opzet van deze rechtspersonen ook wettig en overtuigend bewezen, gelet op door de vennoten verrichte handelingen en het door hen gevoerde beleid zoals hiervoor beschreven.

Ter zitting hebben [verdachte] en [medeverdachte] beiden verklaard dat zij gedurende de gehele ten laste gelegde periode in gezamenlijk overleg het bedrijfsbeleid binnen de vennootschappen bepaalden en beslisten hoe dit moest worden uitgevoerd.

De rechtbank acht gelet op het hiervoor overwogene en in het bijzonder de centrale rol die [verdachte] binnen de vennootschappen heeft gespeeld, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen met [medeverdachte] opzettelijk feitelijk leiding heeft gegeven aan het verkopen en/of afleveren van waren, wetende dat deze voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn, terwijl dat schadelijk karakter werd verzwegen door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] .

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het tezamen en in vereniging plegen van dit feit mèt de vennootschappen. Bij bewezenverklaring van medeplegen in de voorliggende tenlastelegging, die gericht is op het feitelijk leidinggeven door verdachte aan een strafbare feit gepleegd door de vennootschap, zou dat betekenen dat bewezen verklaard wordt het feitelijk leidinggeven aan het eigen (mede)plegen. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet mogelijk in strafrechtelijke zin feitelijk leiding te geven aan eigen gedragingen, zodat verdachte van het tezamen en in vereniging plegen mèt de vennootschappen moet worden vrijgesproken.

4.4.3.6 Voorwaardelijke verzoeken

Zoals blijkt uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen heeft de rechtbank de getuigenverklaringen van [getuige 1] niet gebruikt voor het bewijs, zodat reeds daarom het voorwaardelijk verzoek [getuige 1] als getuige te horen wordt gepasseerd.

Het voorwaardelijk verzoek de deskundige M.A. Stelling te horen wordt eveneens afgewezen, nu in het voortraject de rechter-commissaris de verdediging reeds de mogelijkheid heeft geboden om vragen aan de deskundige te stellen en de verdediging hiervan geen gebruik heeft gemaakt. Daarnaast wordt thans door de verdediging onvoldoende gemotiveerd welke vragen zij – alsnog – aan de deskundige zou willen stellen.

4.4.4

Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 3 en 5

4.4.4.1 Redengevende feiten en omstandigheden

Hetgeen hiervoor onder 4.4.1.2 omtrent de regulatie en toelating van biociden is overwogen geldt eveneens voor de onder de feiten 3 en 5 genoemde middelen.

Op 7 juli 2017 hebben twee inspecteurs van de NVWA een controle uitgevoerd in een loods gelegen aan de [adres] te Lunteren, zijnde een bedrijfspand gehuurd door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Daar troffen zij een aantal van de op de tenlastelegging onder 3 en 5 genoemde middelen aan. Vervolgens heeft er op 10 augustus 2017 een doorzoeking van onder andere deze loods en de zich daarin bevindende bedrijfswagen plaatsgevonden, waarbij verschillende middelen in beslag zijn genomen. [verdachte] heeft ter zitting verklaard dat het klopt dat de in de tenlastelegging genoemde middelen in de loods gelegen aan de [adres] te Lunteren zijn aangetroffen en dat het zo kan zijn dat deze middelen niet-toegelaten biociden zijn.

De in de tenlastelegging opgenomen middelen zullen hierna afzonderlijk en achtereenvolgend worden besproken.

Formaline

Tijdens de controle op 7 juli 2017 werd gezien dat er vijf bussen van 20 liter per stuk in de loods stonden en op 12 juli 2017 werden twee verpakkingen aangetroffen in de bedrijfswagen met kenteken 7-VXX-77. Op 10 augustus 2017 zijn vijf bussen van elk 20 liter in beslag genomen. Op het etiket stond het opschrift “formaldehyde 37%, cans 20 ltr, 21,6 kg, Breustedt Chemie B.V.”.

Formaldehyde 37% is een biocide, nu het als een ontsmettingsmiddel werd gebruikt. Blijkens het biocidenregister van het Ctgb was de formaline die bij [bedrijf 1] / [bedrijf 2] werd aangetroffen gedurende de ten laste gelegde periode geen toegelaten biocide.

Uit de administratie van [bedrijf 1] volgt dat zij in de jaren 2016 en 2017 in totaal 24.060 liter formaline heeft ingekocht. Uit de boekhouding van [bedrijf 1] valt af te leiden dat zij in de periode van 2015 tot en met 10 augustus 2017 in totaal (ongeveer) 33.594 liter formaline heeft gebruikt en afgeleverd. [verdachte] heeft verklaard dat de formaline werd gebruikt voor de ontsmetting van pluimveestallen.

Kilcox

Op 7 juli 2017 werden in de loods tien flessen van 25 liter, een fles van 7,5 liter en zes lege flessen van het middel Kilcox aangetroffen. Op het etiket viel te lezen “een ontsmettingsmiddel met hoog rendement voor de ondersteuning van het management van ernstige ziekten (met inbegrip van coccidiosis en cryptosporidiose)”. De ziekten coccidiosis en cryptosporidiose worden veroorzaakt door parasieten en dat zijn schadelijke organismen. Nu Kilcox kennelijk tot doel had om schadelijke organismen te vernietigen kan worden geconcludeerd dat het een biocide is. Blijkens het biocidenregister van het Ctgb was Kilcox gedurende de ten laste gelegde periode geen toegelaten biocide in Nederland.

Blijkens de administratie van [bedrijf 1] zijn in 2016 in totaal 91 flessen ingekocht bij [bedrijf 5] BVBA. Op 33 ontsmettingsformulieren staat vermeld dat Kilcox is gebruikt en werkzaamheden met dit middel zijn onder andere in Dalfsen verricht.

Envirex en Virex

In de loods waren 67 zakken aanwezig met daarop de naam van het product “Envirex”. De tekst op het etiket was in het Engels en de vertaling van die tekst was: “Sterk absorberend hygiënisch stalstrooisel voor melkkoeien, varkens, pluimvee en paarden. Samenstelling: bevat een natuurlijk mengsel van silicaat, etherische oliën en plantenextracten met gewichtspercentage 2 van het biocideproduct VIREX”.

Tevens werden er 33 emmers á 10 kg gezien, met daarop als productnaam “Virex”. Ook dit etiket was in het Engels en vertaald stond daar onder meer te lezen: “Dit desinfecteermiddel is goedgekeurd voor desinfectie daar waar gebruik van een goedgekeurd product vereist is volgens de beheersingsmaatregelen voor de volgende specifieke ziekte(n) beschikkingen: mond-en-klauwzeer, blaasjesziekte en pluimveeziekten”.

Hieruit komt naar voren dat Virex een desinfectiemiddel is dat wordt ingezet ter beheersing van onder andere mond-en-klauwzeer, blaasjesziekte en pluimveeziekten en hiermee had het als doel om schadelijke organismen te vernietigen of af te schrikken of op andere dan op fysieke of mechanische wijze te bestrijden. Het middel Virex is daarom aan te merken als biocide en omdat het middel Envirex 2 procent van het middel Virex bevat is Envirex ook aan te merken als biocide. Op de verschillende verpakkingen stond telkens geen Nederlands toelatingsnummer.

Uit een viertal facturen die [bedrijf 5] aan [bedrijf 1] stuurde blijkt dat in 2016 in totaal 158 verpakkingen Envirex en 72 verpakkingen Virex zijn ingekocht door [bedrijf 1] . In een e-mail van 31 december 2016 die [medeverdachte] namens [bedrijf 2] aan Corné de Bruin stuurde is te lezen dat op dat moment de voorraad van Envirex 60 stuks en van Virex 30 stuks is. In verkoopfacturen van [bedrijf 1] is te lezen dat deze middelen aan Nederlandse pluimveehouders zijn geleverd.

Neporex

In de loods werden ook 22 zakken Neporex aangetroffen. Op het etiket van dit product stond vermeld: “toegestaan is uitsluitend het gebruik als insecticide ter bestrijding van vliegenlarven in mest en andere broedplaatsen in stallen en hokken.” Hieruit volgt dat Neporex een biocide is, nu het was bedoeld ter bestrijding van de vliegenlarven, zijnde schadelijke organismen. Het betrof een niet toegelaten middel in Nederland.

Uit de administratie blijkt dat van dit middel door [bedrijf 2] in 2016 vier zakken van vijf kilogram zijn ingekocht en in 2017 zestien zakken van vijf kilogram door [bedrijf 1] . [verdachte] heeft verklaard dat de Neporex is ingekocht bij [bedrijf 5] in België en dat het bestemd was voor de handel. Uit verkoopfacturen blijkt dat dit middel is geleverd aan Nederlandse pluimveehouders.

Fatal

In de loods werden diverse verpakkingen Fatal haverkorrels en Fatal pasta aangetroffen. Blijkens de verpakkingen was het middel bestemd om ratten en muizen te bestrijden. Ratten en muizen zijn schadelijke organismen. Geconcludeerd kan worden dat Fatal een biocide is nu het middel bedoeld was om muizen en ratten mee te vernietigen of af te schrikken of op andere dan op fysieke of mechanische wijze te bestrijden.

Op de verschillende aangetroffen verpakkingen werd telkens geen toelatingsnummer aangetroffen. Daaruit lijdt de rechtbank af dat Fatal een op grond van de Biocidenverordening niet een in Nederland toegelaten biocide was.

Uit een factuur van 8 mei 2016 uit de aan- en verkoop administratie van [bedrijf 5] blijkt dat [bedrijf 1] een zak Fatal haverkorrels van 5 kg heeft ingekocht. [verdachte] heeft verklaard de Fatal te hebben ingekocht.

Lurectron

Tot slot werd in de loods 1 spuitbus Lurectron aangetroffen, op welke verpakking stond te lezen “tegen vliegende en kruipende insecten” en “Werkzame stof Dichloorvos, Toelatingsnummer 11016N”. Het middel heeft aldus de bedoeling om vliegende en kruipende insecten – zijnde schadelijke organismen – te bestrijden, en is daarom een biocide. Hoewel op de verpakking een toelatingsnummer staat blijkt uit het Ctgb register dat de toelating van Lurectron per 1 november 2012 was ingetrokken en dat er een opgebruiktermijn was vastgesteld tot 1 november 2013.

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte] opzettelijk, in de zin van willens en wetens, de onder 3 en 5 genoemde niet-toegelaten biociden voorhanden en/of in voorraad hadden en hebben aangeboden en/of gebruikt.

4.4.4.2 Feitelijk leidinggeven en medeplegen

De rechtbank zal hier iets korter bij stilstaan nu dit reeds onder 4.4.2.4 en 4.4.3.6 al is besproken.

De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor strafbaarheid van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] is voldaan, aangezien deze rechtspersonen geadresseerde zijn van de norm en de verboden gedragingen aan hun kunnen worden toegerekend, nu deze bij uitstek gelden als gedragingen verricht in de sfeer van deze rechtspersonen. De rechtbank acht het opzet van deze rechtspersonen ook wettig en overtuigend bewezen, gelet op door de vennoten verrichte handelingen en het door hen gevoerde beleid zoals hiervoor beschreven.

De rechtbank acht gelet op het hiervoor overwogene en in het bijzonder de centrale rol die [verdachte] en [medeverdachte] samen binnen de vennootschappen hebben gespeeld, wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] samen met [medeverdachte] opzettelijk feitelijk leiding hebben gegeven aan de gedragingen door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] .

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het tezamen en in vereniging plegen mèt de vennootschappen, omdat feitelijk leidinggeven aan eigen (mede)plegen niet goed denkbaar is.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primair.

[bedrijf 1] v.o.f. (KvK [nummer 1] ) en [bedrijf 3] v.o.f. met handelsnaam

[bedrijf 2] (KvK [nummer 2] )

in de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 augustus 2017, in Nederland en België

meermalen, waren, te weten

‐ Dega en/of Dega16 en/of Dega P en/of Fyprorein en/of Fyproclean en/of Mentho-

boast, bevattende de werkzame stof Fipronil,

hebben verkocht en/of te koop hebben aangeboden en/of hebben afgeleverd,

wetende dat die waren voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn,

terwijl die [bedrijf 1] v.o.f. en die [bedrijf 3] v.o.f. dat schadelijk karakter hebben verzwegen,

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen;

2.

[bedrijf 1] v.o.f. (KvK [nummer 1] ) en [bedrijf 3] v.o.f. met handelsnaam

[bedrijf 2] (KvK [nummer 2] )

in de periode van 1 januari 2015 tot en met 12 februari 2018, in Nederland,

meermalen, opzettelijk, biociden, te weten

‐ Dega en/of Dega16 en/of Dega P en/of Fyprorein en/of Fyproclean en/of Mentho-boast

en/of

‐ Miteclean

voorhanden of in voorraad heeft gehad,

terwijl die biociden niet ingevolge de "Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden" waren toegelaten;

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen;

3.

[bedrijf 1] v.o.f. (KvK [nummer 1] ) en [bedrijf 3] v.o.f. met handelsnaam

[bedrijf 2] (KvK [nummer 2] )

in de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 augustus 2017, in Nederland,

meermalen, opzettelijk, biociden, te weten

‐ Formaline en/of

‐ Kilcox en/of

‐ Envirex en/of Virex en/of

‐ Neporex en/of

‐ Fatal en/of

‐ Lurectron,

voorhanden of in voorraad heeft gehad,

terwijl die biociden niet ingevolge de "Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden" waren toegelaten;

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen;

4.

[bedrijf 1] v.o.f. (KvK [nummer 1] ) en [bedrijf 3] v.o.f. met handelsnaam

[bedrijf 2] (KvK [nummer 2] )

in de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 augustus 2017, in Nederland, en/of

België

meermalen, opzettelijk, hebben gehandeld in strijd met artikel 17, eerste, vijfde en /of

zesde lid van verordening (EU) Nr. 528/2012 of de ter uitvoering daarvan vastgestelde

verordeningen,

immers hebben die [bedrijf 1] v.o.f. en die [bedrijf 3] v.o.f.

biociden, te weten

‐ Dega en/of Dega16 en/of Dega P en/of Fyprorein en/of Fyproclean en/of Mentho-boast

en/of

‐ Miteclean

op de markt aangeboden en/of gebruikt,

terwijl voor die biociden geen toelating overeenkomstig die verordening was verleend,

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen;

5.

[bedrijf 1] v.o.f. (KvK [nummer 1] ) en [bedrijf 3] v.o.f. met handelsnaam

[bedrijf 2] (KvK [nummer 2] )

in de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 augustus 2017 in Nederland,

meermalen, opzettelijk, hebben gehandeld in strijd met artikel 17, eerste, vijfde en /of

zesde lid van verordening (EU) Nr. 528/2012 of de ter uitvoering daarvan vastgestelde

verordeningen,

immers hebben die [bedrijf 1] v.o.f. en die [bedrijf 3] v.o.f. biociden,

te weten

‐ Formaline en/of

‐ Kilcox en/of

‐ Envirex en/of Virex en/of

‐ Neporex en/of

‐ Fatal en/of

‐ Lurectron,

op de markt aangeboden en/of gebruikt,

terwijl voor die biociden geen toelating overeenkomstig die verordening was verleend,

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met [medeverdachte] , feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedragingen.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten, zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 51 en 174 Sr en artikel 43 Wgb . Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1 primair

het misdrijf: medeplegen van feitelijk leiding geven aan medeplegen van waren verkopen, te koop aanbieden of afleveren, wetende dat zij voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn en dat schadelijk karakter verzwijgende, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

feit 2 en feit 3

het misdrijf: medeplegen van feitelijk leiding geven aan medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 43, derde lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden , opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

feit 4 en feit 5

het misdrijf: medeplegen van feitelijk leiding geven aan medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 43, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden , opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van twee jaren. Als bijkomende straf heeft de officier van justitie gevorderd verdachte voor de duur van drie jaren te ontzetten uit enig beroep binnen de agrarische sector, waarbij werkzaamheden worden verricht met biociden, gewasbeschermingsmiddelen of enige andere vorm van bestrijdings- en/of reinigingsmiddelen, alsmede uit werkzaamheden waarbij verdachte op enige andere wijze in aanraking komt met biociden, gewasbeschermingsmiddelen of enige andere vorm van bestrijding- en/of reinigingsmiddelen.

Met betrekking tot de onder verdachte in beslaggenomen aanhangwagen heeft de officier van justitie gevorderd dat deze verbeurd zal worden verklaard.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt bij het bepalen van de straf rekening te houden met het feit dat verdachte al in voorlopige hechtenis heeft gezeten, er beslag ligt op alles wat hij heeft en hij aanzienlijke schulden heeft. Verdachte is 28 jaar oud en heeft een jong gezin. De raadsman stelt dat verdachte een mogelijke geldboete wellicht kan betalen, maar acht het beter dat het geld wordt gebruikt om de slachtoffers te compenseren. De raadsman adviseert op te leggen een gevangenisstraf waarvan de duur van het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijke deel kan een flinke proeftijd worden verbonden en eventueel zou daarnaast een taakstraf kunnen worden opgelegd.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het op de markt brengen van fipronil, waarvan hij wist, of in ieder geval had kunnen en moeten weten, dat dit schadelijk was voor het leven of de gezondheid, terwijl hij dit schadelijk karakter voor de afnemers verzweeg. Op nationaal en Europees niveau is strenge regelgeving ontwikkeld. Alleen die biociden die uitgebreid onderzocht zijn, kunnen, na ter toetsing te zijn voorgelegd aan het Ctgb, worden toegelaten en geregistreerd. Verdachte heeft geen verzoek tot toelating van de Dega-middelen, bevattende de werkzame stof fipronil gedaan. Door dit middel zomaar op de Nederlandse markt te brengen, heeft verdachte het doel dat met de nationale en Europese regelgeving op het gebied van de gezondheid van mensen en dieren en van het milieu wordt gediend, doorkruist. Het op de markt brengen van dergelijke middelen is streng gereguleerd voor een goede reden; het kan namelijk schadelijke gevolgen hebben voor mensen, dieren en het milieu.

In het onderhavige geval heeft het handelen ook daadwerkelijk grote maatschappelijke gevolgen gehad. In 2016 en 2017 hebben ongeveer 283 pluimveehouders – hetgeen neerkomt op ongeveer 20 % van het totale aantal pluimveehouders in Nederland – hun stallen met Dega-16 laten reinigen door [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Als gevolg van de daarin vervatte verboden werkzame stof fipronil moesten uiteindelijk miljoenen kippen worden gedood en zijn tientallen miljoenen eieren vernietigd. Honderden bedrijven hebben langere tijd hun productie stil moeten leggen en de economische schade is voor velen van hen enorm geweest. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij alleen voor ogen had dat hij een product beschikbaar had waarmee hij én het bloedluisprobleem ogenschijnlijk kon oplossen én snel geld kon verdienen en is daarbij te makkelijk voorbijgegaan aan de gevaren en risico’s van dat product voor mens, dier en milieu.

Verdachte geeft beperkt inzicht in zijn handelen en wijst op de rol van de NVWA en stelt dat zij [bedrijf 1] en [bedrijf 2] hadden moeten waarschuwen. De rechtbank overweegt dat, wat er wellicht ook te zeggen valt over de rol van de NVWA en de pluimveehouders die ook een eigen verantwoordelijkheid hadden voor hetgeen er in hun stallen gebeurde, dit geenszins afdoet aan de verantwoordelijkheid van verdachte om telkens te waarschuwen voor de schadelijke gevolgen, vooral als de betreffende pluimveehouder vroeg om de samenstelling van het door verdachte gebruikte middel, hetgeen herhaaldelijk het geval was. Verdachte wist dat fipronil de werkzame stof was van Dega-16, wist dat het een niet toegelaten biocide was, wist of had op de hoogte kunnen zijn van de gevaren en risico’s van die stof en heeft het desondanks als bestrijdingsmiddel toegepast bij voedselproducerende bedrijven, waarbij te verwachten was dat die verboden biocide op enigerlei wijze in de voedselketen en het milieu zou terechtkomen. Dat is bijzonder verwijtbaar. Voedselveiligheid is een groot goed en van eminent belang voor de volksgezondheid, waarmee zeer zorgvuldig moet worden omgegaan, in het bijzonder door degenen die direct of indirect in de voedselproductie werkzaam zijn. Verdachte heeft dit belang ernstig veronachtzaamd en daarmee gezondheidsrisico’s in het leven geroepen, milieuschade en enorme economische schade veroorzaakt.

Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met de inhoud van het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 3 maart 2021. Uit dit rapport komt naar voren dat de eventuele strafrechtelijke gevolgen verdachte de nodige zorgen baren en dat hij daardoor al geruime tijd stress ervaart. Ook de omvangrijke media-aandacht is een belastende factor geweest voor zowel verdachte als zijn gezin. Verdachte heeft een vrouw en twee kleine kinderen en werkt als zzp’er in de aanleg van zonnepanelen. Het gezin heeft geen schulden, maar in het kader van de onderhavige (ontnemings)zaak is er wel beslag gelegd op hun koopwoning. Ondanks de gevolgen van de onderhavige zaak heeft de reclassering de indruk dat verdachte zich zo goed mogelijk inzet in het belang van zijn gezin. Het risico op recidive wordt door de reclassering ingeschat als laag en zij adviseren een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden.

De rechtbank heeft geconstateerd dat verdachte blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie van 17 november 2020 eenmaal eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit, maar dat er geen sprake is van relevante recidive. De rechtbank weegt dit noch in strafverzwarende, noch in strafmatigende zin mee.

Voor wat betreft het recht op berechting binnen een redelijke termijn overweegt de rechtbank dat de Hoge Raad als uitgangspunt heeft geformuleerd dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is begonnen en zich geen bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan die afwijking van dit uitgangspunt rechtvaardigen. De rechtbank stelt vast dat verdachte op 10 augustus 2017 is aangehouden en in verzekering is gesteld in verband met de ten laste gelegde feiten. Dit geldt als startpunt van de redelijke termijn. Het vonnis wordt gewezen op 12 april 2021, ongeveer drie jaren en acht maanden na aanvang van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden met een jaar en acht maanden. Die overschrijding is echter te verklaren door de omvang en gecompliceerdheid van de zaak, nu het gaat om feiten die naar hun aard en omvang lastig in korte tijd te onderzoeken zijn en er op verzoek van de verdediging ook getuigen in het buitenland zijn gehoord. De rechtbank zal daarom volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en hieraan geen verdere consequenties voor de strafoplegging verbinden.

Gelet op de aard, ernst en omvang van de strafbare feiten, in het bijzonder de in het leven geroepen risico’s voor het leven en de gezondheid, de vele benadeelden en de grote economische en financiële gevolgen van de strafbare gedragingen, kan naar het oordeel van de rechtbank vanuit het oogpunt van generale preventie niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur. Rekening houdend met de ook voor verdachte en zijn gezin grote negatieve gevolgen die de vervolging en de media-aandacht met zich mee heeft gebracht acht de rechtbank een kortere gevangenisstraf op zijn plaats dan gevorderd. Dat anderen wellicht ook enig verwijt treft acht de rechtbank minder van belang. Dat doet immers niets af aan de verwijtbaarheid van de verdachte voor zijn bewezen verklaarde strafbare gedragingen. Alles afwegende acht de rechtbank het passend en geboden om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden. De tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal daarop in mindering worden gebracht. Aangezien het recidivegevaar door de reclassering als laag wordt ingeschat ziet de rechtbank geen aanleiding daarenboven nog een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank acht het om die reden evenmin opportuun om aan verdachte het door de officier van justitie geëiste beroepsverbod op te leggen.

7.4

Het inbeslaggenomen voorwerp

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de onder verdachte in beslag genomen aanhangwagen, aangezien het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

8 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 57 Sr en 1a, 2 en 6 van de Wet economische delicten.

9 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair

het misdrijf: medeplegen van feitelijk leiding geven aan medeplegen van waren verkopen, te koop aanbieden of afleveren, wetende dat zij voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn en dat schadelijk karakter verzwijgende, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

feit 2 en feit 3

het misdrijf: medeplegen van feitelijk leiding geven aan medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 43, derde lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden , opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

feit 4 en feit 5

het misdrijf: medeplegen van feitelijk leiding geven aan medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 43, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden , opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- gelast de teruggave van de aanhangwagen aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Melaard, voorzitter, mr. M.B. Werkhoven en

mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Seuters, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 12 april 2021.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit met proces-verbaalnummer 136596 (onderzoek Landseer). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Uittreksel Kamer van Koophandel, pagina 67.

Uittreksel Kamer van Koophandel, pagina 50.

AMB-00269, pagina 2634.

AMB-00317, pagina 2761; DOC-04701, pagina 9809; DOC-04699, pagina 9807; DOC-04700, pagina 9808.

DOC-03099, pagina 8187 e.v.??

AMB-00317, pagina 2762 en 2763; G010-00001, pagina 711; G016-00001, pagina 749.

AMB-00317, pagina 2761.

AMB-00269, pagina 2641; DOC-00768

AMB-00317, pagina 2763 en 2764.

G028-0001, pagina 834.

G026-0001, pagina 818.

Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 918.

Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 918.

AMB-00302, pagina 2716.

DOC-03440, pagina 8549.

DOC-03443, pagina 8552.

DOC-10957, pagina 11543.

AMB-00302, pagina’s 2716 en 2717; DOC-10965, pagina 11551; DOC-10966, pagina 11552.

DOC-03566 tot en met DOC-03577, pagina’s 86666 tot en met 8677.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 maart 2021, voor zover inhoudende, de verklaring van verdachte.

AMB-00302, pagina 2716.

Toelichting tabel: De hoeveelheden in de tabel zijn bij de werkbon de som van alle verkopen. Bij de tellingen voor de hoeveelheid op factuur is er in sommige gevallen op factuur iets anders dan het betreffende middel gefactureerd. In deze gevallen is het aantal liter van de werkbon bij het aantal opgeteld. Bij de verkopen van Dega 16 in 2017 zijn bijvoorbeeld 2 bloedluisbehandelingen gefactureerd, op de werkbon zagen wij dan het gebruikte aantal liter Dega 16 staan. Dit aantal is dan bij de facturen opgeteld.

Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 945; AMB-00302, pagina 2719; DOC-03580 tot en met DOC-03582.

AMB-00287, pagina’s 2675 en 2676; Het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 maart 2021, voor zover inhoudende, de verklaring van verdachte.

AMB-00288, pagina 2684.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 maart 2021, voor zover inhoudende, de verklaring van verdachte.

G027-00001, pagina 824; G028-00001, pagina 833.

G026-00001, pagina 818.

G036-0001, pagina 879.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 maart 2021, voor zover inhoudende, de verklaring van verdachte.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 maart 2021, voor zover inhoudende, de verklaring van verdachte.

AMB-0003, pagina 1112 tot en met 1116; DOC-00169 tot en met DOC-00181, pagina’s 5199 tot en met 5211

Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 958; DOC-00725, pagina 5767.

Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 987; DOC-00696 pagina 5738.

V-08-00002, pagina’s 531 en 532.

DOC-JIT-03289, pagina 8383.

Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 943; AMB-00222, pagina 2527.

Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 982.

Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 919.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 maart 2021, voor zover inhoudende, de verklaring van verdachte.

AMB-00302, pagina’s 2716 en 2717; DOC-03566 tot en met DOC-03577, pagina’s 8666 tot en met 8677.

DOC-04072 (ongenummerd, want digitaal verstrekt totaalbestand)

G027-00001, pagina 824; G028-00001, pagina 833; G026-00001, pagina 818; G036-0001, pagina 879.

Het NFI rapport ‘onderzoek naar aanleiding van het gebruik van fipronil en amitraz houdende middelen in kippenstallen’ van drs. M.A. Stelling, pagina 14 onder ‘Samenvattend:’.

Het NFI rapport ‘onderzoek naar aanleiding van het gebruik van fipronil en amitraz houdende middelen in kippenstallen’ van drs. M.A. Stelling.

Het NFI rapport ‘onderzoek naar aanleiding van het gebruik van fipronil en amitraz houdende middelen in kippenstallen’ van drs. M.A. Stelling, pagina 22 onder 4.4.

De ADI staat meestal aangegeven in milligram per kilo lichaamsgewicht. Omdat de ADI wordt aangegeven per kilogram lichaamsgewicht is de aanvaardbare dagelijkse inname voor lichte mensen en kinderen dus lager dan voor mensen die zwaarder zijn.

Het NFI rapport ‘onderzoek naar aanleiding van het gebruik van fipronil en amitraz houdende middelen in kippenstallen’ van drs. M.A. Stelling, pagina 29 onder 5.12.

Het NFI rapport ‘onderzoek naar aanleiding van het gebruik van fipronil en amitraz houdende middelen in kippenstallen’ van drs. M.A. Stelling, pagina 31 onder 6.2.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 maart 2021, voor zover inhoudende, de verklaring van verdachte.

G07-00001, pagina 694; G026-00001, pagina 817; G027-00001, pagina 826.

AMB-00004, pagina 1117 tot en met 1119.

AMB-00045, pagina’s 1351 tot en met 1353; AMB-00208, pagina’s 2497 tot en met 2499.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 maart 2021, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.

AMB-00004, pagina’s 01119 en 1120; AMB-00208, pagina’s 2497 tot en met 2499.

AMB-00045, pagina’s 3151 tot en met 1353.

DOC-02775, pagina 7819.

G037-00001, pagina 893.

Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 991.

AMB-0289, pagina 2685.

Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 992; DOC-02944 tot en met DOC-02946, pagina’s 7993 tot en met 7995.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 maart 2021, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte.

DOC-03548, pagina 8649; DOC-03549, pagina 8650.

Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 994.

G037-00001, pagina 893.

Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 995.

AMB-0289, pagina 2686.

DOC-03316 pagina 8417; DOC-03317, pagina 8418; DOC-03318, pagina 8419.

DOC-03540, pagina 8641; DOC-03541, pagina 8642.

DOC-03544, pagina 8645; DOC-03545, pagina 8646.

Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 999; AMB-00215, pagina 2514.

DOC-03324 tot en met DOC-03327, pagina’s 8425 tot en met 8428.

DOC-02528 tot en met DOC-02529, pagina’s 7571 en 7572.

DOC-11140, pagina 11730; DOC-11188, pagina 11778; DOC-11191, pagina 11781.

AMB-00208, pagina’s 2497 tot en met 2499.

Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 1001.

Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 1002.

AMB-0289, pagina 2686; DOC-03320, pagina 8421; DOC-03321, pagina 8422.

AMB-0208, pagina 2498.

DOC-10456, pagina 11032; DOC-10029, pagina 10605.

DOC-03180 tot en met DOC-03184, pagina’s 8269 tot en met 8273.

DOC-03180 tot en met DOC-03184, pagina’s 8269 tot en met 8273.

AMB-00289, pagina’s 2687; DOC-03359, pagina 8468.

AMB-00208, pagina’s 2497 tot en met 2499.

Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 1004; AMB-00208, pagina’s 2497 tot en met 2499.

Relaasproces-verbaal zaak 1, pagina 1005.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature