< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Risicoaansprakelijkheid voor gebrekkige opstallen. Gedaagde doet met succes beroep op art. 6:181 BW hetgeen betekent dat de risicoaansprakelijkheid niet rust op gedaagde als bezitter/eigenaar, maar op de bedrijfsmatige (eind)gebruiker, i.c. eiseres.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/240071 / HA ZA 19-514

Vonnis van 10 juni 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BODYCOTE HARDINGSCENTRUM B.V.,

gevestigd te Venlo,

eiseres,

advocaat mr. H.H.T. Beukers te Eindhoven,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaten mr. I.K.M. Hoffmann en mr. B.A. Heupers, beiden te Enschede.

Partijen zullen hierna ‘Bodycote’ en ‘ [gedaagde]’ genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 26 februari 2020

de akte van Bodycote

de antwoordakte van [gedaagde]

het proces-verbaal van (de via Skype plaatsgevonden hebbende) comparitie van

29 april 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bodycote drijft een onderneming die zich toelegt op warmtebehandeling van metalen en legeringen.

2.2.

[gedaagde] is eigenaar van het bedrijfspand gelegen aan de Nijverheidsstraat 7 te (7482 GZ) Haaksbergen. Het bedrijfspand maakt deel uit van een bedrijventerrein.

2.3.

Bodycote huurt het bedrijfspand van [gedaagde]. Partijen hebben daartoe op

29 augustus 2014 een huurovereenkomst gesloten. In de huurovereenkomst is onder meer bepaald wat onderdeel uitmaakt van het gehuurde. Bijlage 1 bij de huurovereenkomst sluit de in het bedrijfspand aanwezige transformatorruimte uit van het gehuurde.

2.4.

De transformatorruimte betrof een afgesloten ruimte binnen in het bedrijfspand met twee eigen, alleen vanaf de openbare weg toegankelijke toegangsdeuren en een deur, die vanuit transformatorruimte 1 toegang geeft tot de binnenzijde van het pand.

De middenspanning (MS) van het openbare elektriciteitsnet komt binnen in de Magnefix schakelinstallatie. Van daaruit wordt de middenspanning met de als T1 en T2 aangeduide kabels vervoerd naar de transformatoren T1 en T2. In de transformatoren wordt de middenspanning omgezet in laagspanning (LS), waarna de laagspanning via het LS-rek verder wordt getransporteerd voor gebruik. De laagspanning die afkomstig is van T1 wordt ongedeeld gebruikt binnen het bedrijfspand door Bodycote, ten behoeve van de elektriciteitsvoorziening van de processen bij Bodycote. De laagspanning die afkomstig is van T2 wordt gedeeld gebruikt binnen het bedrijfspand van Bodycote en voor elektriciteitsvoorziening elders op het industrieterrein (bijvoorbeeld straatverlichting).

2.5.

De transformatorruimte was aangesloten op het netwerk van Enexis, de netbeheerder. De middenspanningsinstallatie, de aangesloten voedende kabels, een laagspanningsrek en de toonfrequent installaties waren eigendom van Enexis en werden door Enexis beheerd.

2.6.

Fudura was eigenaar van de in de transformatorruimte aanwezige Magnefix en de transformatoren. Bodycote huurde de Magnefix en deze twee transformatoren van Fudura. Fudura pleegde het onderhoud aan de Magnefix en de transformatoren. Fudura bracht daarvoor maandelijks € 200,00 in rekening bij haar opdrachtgever Bodycote.

2.7.

Bodycote en [gedaagde] hadden geen toegang tot de transformatorruimte. Gesteld noch gebleken is dat door of in opdracht van [gedaagde] aanpassingen in de transformatorruimte zijn doorgevoerd of onderhoud heeft plaatsgevonden.

2.8.

Op 14 december 2017 is een brand ontstaan in de inpandige transformatorruimte. De brand heeft schade toegebracht aan het bedrijfspand en de daarin aanwezige zaken.

2.9.

In opdracht van Bodycote, Enexis, Fudura en Crawford & Company (de verzeke-ringsexpert van de opstalverzekeraar van [gedaagde]) heeft DNV GL onderzoek gedaan naar de toedracht van de brand en de daarop volgende verstoring van de elektriciteitsvoorziening. In de rapportage van 19 oktober 2018 staat onder meer:

“DNV GL concludeert dat de brand in het transformatorstation Nijverheidsstraat 7 te Haaksbergen zeer waarschijnlijk is ontstaan door een productiefout in de 16 mm² XPLE-geïsoleerde kabel in fase L2(7) (hypothese 5). Deze kabel zat gemonteerd tussen de Magnefix MF-schakelinstallatie en Transformator TR1.

De productiefout betreft een foutieve interne verbinding tussen de individuele geleiderdraden van de koperen geleiderkern om de geleider tijdens productie te verlengen. Hierdoor kon lokaal een hot-spot ontstaan in de kabel, ten gevolge waarvan het isolatiemateriaal versneld verouderde. Omdat deze kabel relatief laag was belast verliep dit verouderingsproces traag, maar de spanningsvastheid van de isolatie was wel verminderd.

De overige hypothesen 1,2, 3, 4 en 6 werden als (zeer) onwaarschijnlijk gewaardeerd.

(…).

Ten gevolge hiervan is een (smeul)brand ontstaan in de schakelruimte. Een aantal fase-aarde en tweefasen kortsluitingen in de kabel tussen de Magnefix MF-schakelinstallatie en transformator TR1 zijn afgeschakeld door de smeltpatronen in de transformator richting van de Magnefix MF. Door juiste selectiviteit van de beveiligingen hebben deze kortsluitingen niet geleid tot uitschakeling van de voeding vanuit station Demmertweg 4, Haaksbergen. De (smeul)brand is echter niet gestopt en heeft uiteindelijk een drie-fasen kortsluiting veroorzaakt in de kabeleindsluiting van één van de voedende kabelcircuits. Deze drie-fasen kortsluiting werd uitgeschakeld door de voedende vermogensschakelaar in station Demmertweg 4, Haaksbergen. Dit laatste leidde tot de beschreven uitval van 14 aansluitingen, waaronder die van Bodycote.” (...)”.

2.10.

Bodycote heeft [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de door de brand geleden schade. [gedaagde] heeft de aansprakelijkheidsstelling van de hand gewezen.

3 De vordering en de standpunten van partijen

3.1.

Bodycote vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat [gedaagde] jegens Bodycote aansprakelijk is voor de door Bodycote als gevolg van de brand op 14 december 2017 in het bedrijfspand aan de Nijverheidsstraat 7 te (7482 GZ) Haaksbergen geleden schade;

2. [gedaagde] in verband met de sub 1 beschreven aansprakelijkheid veroordeelt om aan Bodycote te betalen € 386.670,99, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, primair vanaf 14 december 2017, subsidiair vanaf 4 december 2018 en meer subsidiair vanaf de dag van dagvaarding, tot aan de dag van algehele voldoening;

3. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis en, indien voldoening binnen die termijn uitblijft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis.

standpunt Bodycote

3.2.

Bodycote stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat [gedaagde] op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk is voor de door Bodycote geleden schade als gevolg van de brand. De kabel die volgens DNV GL ondeugdelijk is gebleken, is door natrekking bestanddeel geworden van de onroerende zaak (artikel 3:4 BW). De kabel verbindt de Magnefix en een transformator (T1) die in twee afgescheiden ruimtes staan. De kabel is gelegen in de cement dekvloer en loopt onder/door de scheidingsmuur. De ondeugdelijke kabel kan niet worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht en behoort tot de opstal (artikel 3:4 lid 2 BW). [gedaagde] is eigenaar van de onroerende zaak aan de Nijverheidsstraat 7 waarop de opstal, het bedrijfspand, is gelegen. De eigenaar wordt vermoed de bezitter van de opstal te zijn (artikel 6:174 lid 5 BW). De opstal voldeed niet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. Een bestanddeel van de opstal bevatte een productiefout, hetgeen heeft geleid tot een gevaar voor personen en/of zaken. De productiefout in de kabel heeft geleid tot ontvlamming met brand in de volledige opstal tot gevolg. De brand heeft geleid tot een aanzienlijke schade voor Bodycote van in totaal € 386.670,99. De schadeposten zijn alle in redelijkheid toe te rekenen aan de onveiligheid van de opstal, specifiek de ondeugdelijkheid van de elektriciteitskabel, aldus Bodycote.

standpunt [gedaagde]

3.3.

betwist dat hij aansprakelijk is voor de door Bodycote geleden schade. Hij beroept zich daarbij – kort gezegd – op de volgende verweren:

- het staat onvoldoende vast dat de brand en daarmee de schade is veroorzaakt door de kabel;

- de kabel is een bestanddeel van de elektrotechnische installaties en de kabel is niet

nagetrokken door het bedrijfspand;

- de installaties zijn, voor zover nagetrokken, nagetrokken door het ‘net';

- [gedaagde] is geen bezitter van de kabel ex artikel 6:174 BW , want Fudura /Enexis is

bezitter nu zij door verjaring een recht van opstal hebben verkregen op de installaties en de kabel een bestanddeel is van de installaties;

- Fudura kan worden aangemerkt als bedrijfsmatig gebruiker van de

transformatorruimte en de daarin aanwezige zaken ex artikel 6:181 lid 1 BW ;

- Bodycote kan worden aangemerkt als bedrijfsmatig gebruiker van de

transformatorruimte en de daarin aanwezige zaken ex artikel 6:181 lid 1 BW ;

- [gedaagde] komt een beroep toe op de exoneratie zoals opgenomen in de artikelen 11.5 en 11.6 van de algemene bepalingen bij de huurovereenkomst.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Deze zaak gaat om de vraag of Bodycote [gedaagde] aansprakelijk kan houden voor de schade die Bodycote heeft geleden als gevolg van de brand die heeft plaatsgevonden op 14 december 2017 in het door Bodycote gehuurde bedrijfspand aan de Nijverheidsstraat 7 te Haaksbergen.

4.2.

Bodycote legt aan haar vordering (alleen) de risicoaansprakelijkheid van de bezitter van een (gebrekkige) opstal ex artikel 6:174 BW ten grondslag. [gedaagde] werpt verschillende verweren op. Het verweer van [gedaagde] slaagt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.3.

Het eerste lid van artikel 6:174 BW bepaalt dat de bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor gevaar oplevert voor onder meer zaken, aansprakelijk is, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt.

4.4.

Vast staat tussen partijen dat op 14 december 2017 brand is ontstaan in de transformatorruimte van het aan [gedaagde] in eigendom toebehorende bedrijfspand aan de Nijverheidsstraat 7 te Haaksbergen, welk bedrijfspand op dat moment was verhuurd aan alleen Bodycote, met als gevolg dat er schade is ontstaan aan onder meer het bedrijfspand.

4.5.

DNV GL heeft onderzoek gedaan naar de oorzaak van de brand. Bodycote heeft bij haar dagvaarding het rapport van DNV GL in het geding gebracht. De rechtbank stelt voorop dat zij voor de beoordeling van dit geschil het rapport van DNV GL als uitgangspunt neemt. [gedaagde] heeft zich weliswaar op het standpunt gesteld dat hij niet gebonden is aan de uitkomsten van het onderzoek, omdat hij geen opdrachtgever was (maar Crawford & Company) en hij ook geen akkoord heeft gegeven op dit rapport, maar dit standpunt wordt verworpen door de rechtbank. Er is (in opdracht van [gedaagde] in persoon) geen ander (tegen)onderzoek uitgevoerd en het is –zoals [gedaagde] zelf ook aanvoert – niet (meer) mogelijk om nader onderzoek uit te laten voeren. Nu [gedaagde] zijn verweer bovendien ook heeft gebaseerd op het rapport van DNV GL en gesteld noch gebleken is dat de wijze van totstandkoming van het rapport, dan wel de inhoud van het rapport, niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, kan [gedaagde] worden gehouden aan de uitkomsten van het rapport van DNV GL. De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van dit rapport en neemt de conclusies van DNV GL over en maakt ze tot de hare.

4.6.

DNV GL concludeert in haar rapport dat de brand in de transformatorruimte aan de Nijverheidsstraat 7 te Haaksbergen - onder uitsluiting van mogelijke andere oorzaken - zeer waarschijnlijk is ontstaan door een productiefout in de 16 mm² XPLE-geïsoleerde kabel (hierna te noemen de kabel). Deze kabel zat gemonteerd tussen de Magnefix MF-schakelinstallatie en Transformator TR1.

4.7.

Niet in geschil is tussen partijen dat het bedrijfspand naar zijn aard heeft te gelden als een onroerende zaak, zijnde een opstal in de zin van artikel 6:174 BW . Partijen verschillen echter van mening wie als bezitter van de opstal moet worden aangemerkt en of de (ondeugdelijke) kabel behoort tot de opstal. Bodycote stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] bezitter is van de opstal waarvan de (ondeugdelijke) kabel onderdeel uitmaakt. [gedaagde] heeft dat standpunt gemotiveerd betwist.

4.8.

Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven wie als bezitter van de opstal moet worden aangemerkt en of de kabel daarvan onlosmakelijk onderdeel uitmaakt. Indien en voor zover de stellingen van Bodycote zouden moeten worden gevolgd en [gedaagde] zou moeten worden aangemerkt als bezitter van de opstal en de kabel (en [gedaagde] dus in beginsel ingevolge artikel 6:174 BW aansprakelijk is voor de door Bodycote geleden schade als gevolg van de brand), heeft te gelden dat [gedaagde] met succes een beroep heeft gedaan op artikel 6:181 BW .

4.9.

Artikel 6:181 BW bepaalt dat de risicoaansprakelijkheid voor gebrekkige opstallen niet rust op de bezitter/eigenaar, maar op de bedrijfsmatige (eind)gebruiker. Niet de bezitter is de aansprakelijke persoon, maar degene die het bedrijf uitoefent en de zaak exploiteert.

4.10.

Naar het oordeel van de rechtbank dient Bodycote mede op basis van de bedrijfsmatig gesloten huurovereenkomst met Fudura te worden aangemerkt als de bedrijfsmatige (eind)gebruiker van de opstal. Bodycote huurde van Fudura de Magnefix en de transformatoren die haar energie leverden ten behoeve van de bedrijfsprocessen in haar onderneming. Fudura stelde de bedrijfsmiddelen ter beschikking aan Bodycote en verleende Bodycote diensten in het kader van de energievoorziening. Bodycote betaalde Fudura daarvoor huurpenningen.

4.11.

Daarnaast heeft te gelden dat het (dagelijks) toegeleverd krijgen van energie, krachtstroom, voor Bodycote essentieel was om de (specifieke) werkzaamheden in haar onderneming - warmtebehandeling van metalen en legeringen - te kunnen uitvoeren. De Magnefix en de transformatoren, alsmede de kabel die de Magnefix en de transformator 1 met elkaar verbond, vormden dan ook een wezenlijk onderdeel van de bedrijfsvoering van Bodycote. Zonder die voorzieningen zou Bodycote immers geen (voldoende) energietoevoer hebben en niet in staat zijn geweest haar werkzaamheden uit te voeren in de mate waarin zij dat deed. Daarbij komt dat enkel Bodycote en geen andere ondernemingen/huishoudens gebruik maakte van de stroomvoorziening van transformator 1 en dus van de kabel die de transformator verbond met de Magnefix.

4.12.

Dat de transformatorruimte in de overeenkomst met [gedaagde] expliciet was uitgesloten van het gehuurde en Bodycote dus bedrijfsmatig gebruiker was van slechts een deel van de opstal en niet van de volledige opstal, zoals Bodycote stelt, maakt, wat daar verder ook van zij, het voorgaande niet anders. Voor de vraag of er sprake is van bedrijfsmatig gebruik maakt het geen verschil of de bedrijfsruimte is gehuurd of niet. Het gaat in de zin van artikel 6:181 BW immers om het feitelijk gebruik van de opstal. Zoals hiervoor onder 4.10. is overwogen was het Bodycote die feitelijk (en exclusief) gebruik maakte van de opstal. Dat Bodycote geen zelfstandige toegang had tot de transformatorruimte maakt het voorgaande evenmin anders.

4.13.

Het ontstaan van de gestelde schade staat ook in voldoende mate in verband met de uitoefening van het bedrijf (slot van lid 1 van artikel 6:181 BW). In het arrest Schavemaker/Little Kids Furniture (HR 24 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3016) heeft de Hoge Raad de tenzij-clausule van artikel 6:181 lid 1 BW nader gepreciseerd: de bedrijfsmatige gebruiker is risicoaansprakelijk voor de opstal, tenzij hij kan aantonen dat de verwezenlijking van het gevaar dat is verbonden aan de gebrekkigheid van de opstal niet met de bedrijfsuitoefening in verband staat. In dat laatste is Bodycote naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd.

4.14.

De stelling van Bodycote dat de onveilige kabel al in het gebouw lag, dat zij geen invloed heeft gehad op de wijze waarop de kabel in het gebouw is verwerkt (kennelijk merendeels vervat in de cementgebonden dekvloer ter plaatse) en dat de kabel al onveilig was c.q. door de aangetoonde productiefout moet zijn geweest vóórdat Bodycote haar intrek nam in het gebouw, betekent niet dat haar bedrijf niets te maken heeft met (het voortbestaan van) het gebrek en dat bedoeld verband ontbreekt. Het was immers aan Bodycote, als bedrijfsmatige gebruiker, om – niet alleen bij aanvang maar ook later en tussentijds – een risico-inventarisatie te maken, (ook) van reeds bestaande en kenbare gebreken, die haar bedrijfsuitoefening voor de opstal met zich bracht. Daarbij moet worden beschouwd of en, zo ja, in hoeverre het specifieke gebruik van de opstal een risico op zaak- en/of personenschade met zich bracht. Het is aan de bedrijfsgebruiker om een geconstateerde gevaarlijke situatie op te heffen en adequate veiligheidsmaatregelen te treffen. Dat heeft Bodycote niet dan wel onvoldoende gedaan. Het was immers Bodycote die zeggenschap over dan wel invloed had op het schadeveroorzakende gebrek in de opstal. Bodycote had een onderhoudscontract met Fudura ten behoeve van het onderhoud aan de Magnefix en de transformatoren. In voldoende mate is komen vast te staan dat de controle en onderhoud door Fudura van de kabels, waaronder deze ondeugdelijke kabel, daar onderdeel van uitmaakte. Zo staat op bladzijde 56 in het rapport van DNV GL “Tijdens het laatste onderhoud van de schakelruimte in 2014 (vast staat tussen partijen dat Fudura toen ook het onderhoud pleegde, toevoeging rechtbank) waren geen opvallende zaken met betrekking tot de kabel geconstateerd”. De verwezenlijking van het aan de opstal verbonden gevaar, de ondeugdelijke kabel, houdt dan ook in voldoende mate verband met de uitoefening van het bedrijf van Bodycote als bedrijfsmatige (eind)gebruiker.

4.15.

Nu [gedaagde] niet aansprakelijk kan worden geacht voor de (veronderstelde) schade van Bodycote als gevolg van de brand, moeten de vorderingen van Bodycote worden afgewezen. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die een ander oordeel kunnen rechtvaardigen.

4.16.

Gelet op het voorgaande behoeven de overige stellingen van partijen, waaronder die over het bezit van de opstal, de exacte plek van (het gebrek in) de kabel, alsmede die over het door [gedaagde] gedane beroep op exoneratie, geen bespreking.

4.17.

Bodycote zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 1.599,00

- salaris advocaat € 6.005,00 (2,5 punt × tarief 2.402,00)

totaal € 7.604,00.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Bodycote in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 7.604,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt Bodycote in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Bodycote niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. A.E. Zweers, M.L.J. Koopmans en K.J. Haarhuis en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature