< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Een 36-jarige man en vrouw uit Nieuwleusen zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar omdat zij een deurwaarder probeerden te doden met een stalen pijp en hun voormalig advocaat met de dood bedreigden. Zij moeten aan de deurwaarder een schadevergoeding betalen van iets meer dan 22.500 euro. Zie ook ECLI:NL:RBOVE:2019:4332.

Uitspraak



RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummers: 08/165742-19 en 08/218488-19 (P)

Datum vonnis: 21 november 2019

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1983 in [geboorteplaats] ,

wonende in [adres 1] ,

thans verblijvende in de P.I. Overijssel, HvB Zwolle te Zwolle.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 24 oktober 2019 en 7 november 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S. Markink-Grolman en van hetgeen door verdachte en de raadslieden mr. K.J. Breedijk,

advocaat te Loon op Zand en mr. J.W. Verhoef, advocaat te Uithoorn, naar voren is gebracht.

2 De tenlasteleggingen

De verdenkingen komen er, na wijziging van de tenlastelegging van 7 november 2019 in de dagvaarding met parketnummer 08/165742-19, kort en zakelijk weergegeven, op neer:

in de dagvaarding met parketnummer 08/165742-19, dat verdachte:

feit 1: samen met een ander heeft geprobeerd [slachtoffer 1] te doden, dan wel dat zij hem samen met een ander met voorbedachten raad zwaar heeft mishandeld, dan wel heeft geprobeerd hem met voorbedachten raad zwaar te mishandelen.

feit 2: samen met een ander [slachtoffer 1] heeft afgeperst.

in de dagvaarding met parketnummer 08/218488-19, dat verdachte:

samen met een ander [slachtoffer 2] heeft bedreigd.

Voluit luiden de tenlasteleggingen aan verdachte,

in de dagvaarding met parketnummer 08/165742-19, dat:

feit 1:

zij op of omstreeks 10 juli 2019 te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven,

- meermalen, althans eenmaal, met een metalen/stalen pijp/buis op/tegen het gezicht/hoofd

en/of op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of

- ( vervolgens) meermalen, althans eenmaal op/tegen het gezicht/hoofd en/of op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geslagen/gestompt en/of heeft geschopt/getrapt waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en/of

- ( vervolgens) terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag met een metalen/stalen pijp/buis meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het gezicht/hoofd en/of op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 10 juli 2019 te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 1] , opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken voet en/of een gebroken ellepijp en/of een gebroken kuitbeen, heeft toegebracht door

- meermalen, althans eenmaal, met een metalen/stalen pijp/buis op/tegen het gezicht/hoofd en/of op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan en/of

- ( vervolgens) meermalen, althans eenmaal op/tegen het gezicht/hoofd en/of op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan/stompen en/of te schoppen/trappen en/of

- ( vervolgens) terwijl die [slachtoffer 1] op de grond ligt met een metalen/stalen pijp/buis meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het gezicht/hoofd en/of op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan;

meer subsidiair

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 10 juli 2019 te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

- meermalen, althans eenmaal, met een stalen pijp op/tegen het gezicht/hoofd en/of op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of

- ( vervolgens) meermalen, althans eenmaal, op/tegen het gezicht/hoofd en/of op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geslagen/gestompt en/of heeft geschopt/getrapt waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en/of

- ( vervolgens) terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag met een metalen/stalen pijp/buis meerdere malen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het gezicht/hoofd en/of op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geslagen

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2:

zij op of omstreeks 10 juli 2019 te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van: - een of meer (deurwaarders)documenten, en/of - een autosleutel en/of de daarbij behorende personenauto, en/of - een mobiele telefoon en/of bijbehorende pincode,

in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan de [slachtoffer 1] of aan een derde toebehoorde, door

- te dreigen die [slachtoffer 1] te slaan (met een metalen/stalen pijp/buis), althans te dreigen met enig geweld, en/of daarbij dreigend de woorden toe te voegen: “Je geeft nu jouw autosleutels aan mijn vrouw, anders slaan we opnieuw”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer 1] (terwijl zij en/of haar medeverdachte een metalen/stalen pijp/buis in handen had(den)) richting het woonhuis van verdachte te drijven en/of

- ( vervolgens) (terwijl zij en/of haar medeverdachte een metalen/stalen pijp/buis in handen had(den)) die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen “Geef je telefoon” en/of “Geef de pincode anders werk ik je onder de grond. Als ik daarvoor moet zitten doe ik dat”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen: “Ik heb mijn vader gebeld, die ken je vast wel. Jullie zijn ook bij hem geweest om beslag te leggen, samen met de politie. Hij kent jou ook nog wel. Als hij er is, begint ronde twee”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op/tegen het gezicht/hoofd en/of het lichaam te slaan en/of te stompen en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen: “Haal het niet in je hoofd om aangifte te doen. Geen politie en geen aangifte. Als je het wel doet, kom ik je opzoeken en maak ik je af. Ik heb al je gegevens”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

in de dagvaarding met parketnummer 08/218488-19, dat:

zij op of omstreeks 9 juli 2019 te Paterswolde, gemeente Tynaarlo (DR) en/of te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met en of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] (telefonisch) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen:

- “ Jij hebt er een enorme puinhoop van gemaakt dus jouw laatste dagen zijn geteld. Wij weten jou wel te vinden en zullen jou kapot maken. Jij hebt ons ten gronde gericht dus nu ben jij aan de beurt” en/of

- “ En je gaat maar voor de bijl want we hebben nog wel wat en dat gaan we even geven aan iemand die jou ten gronde richt, prettige avond” en/of

- “ We komen wel even langs,” althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

in de dagvaarding met parketnummer 08/165742-19

Uit het dossier kan worden afgeleid dat [slachtoffer 1] op 10 juli 2019 naar de gezamenlijke woning van verdachte en haar man (medeverdachte [medeverdachte] ) is gegaan en dat daar vervolgens een geweldsincident heeft plaatsgevonden.

De verklaringen die aangever enerzijds en beide verdachten anderzijds daarover hebben afgelegd staan diametraal tegenover elkaar. Zo verklaart [slachtoffer 1] in zijn aangifte dat hij door verdachte en later ook medeverdachte is aangevallen, terwijl de verdachten stellen dat juist aangever de agressor was. Ook over de aard en ernst van het letsel van aangever c.q. het ontstaan ervan bestaat verschil van inzicht. Waar aangever heeft verklaard dat hij onder bedreiging met geweld zijn telefoon, zijn autosleutel en zijn deurwaardersstukken heeft moeten afstaan, stellen de verdachten zich op het standpunt dat aangever deze goederen vrijwillig heeft afgegeven - onder meer - omdat hij spijt had van zijn gedrag in hun richting.

in de dagvaarding met parketnummer 08/218488-19

Daarnaast wordt verdachte verweten dat zij samen met haar man telefonisch [slachtoffer 2] heeft bedreigd. Uit het dossier komt naar voren dat [slachtoffer 2] juridische bijstand heeft verleend aan medeverdachte in een civiele procedure die in eerste aanleg door medeverdachte is verloren. Verdachte en medeverdachte waren blijkens hun eigen verklaringen niet te spreken over de kwaliteit van die juridische bijstand.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

in de dagvaarding met parketnummer 08/165742-19

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de in de dagvaarding met parketnummer 08/165742-19 onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten. Zij heeft zich, zakelijk weergegeven, op het standpunt gesteld dat de verklaring van aangever [slachtoffer 1] met betrekking tot beide feiten voldoende steun vindt in overige bewijsmiddelen in het dossier, waaronder in het bijzonder de over aangever opgemaakte letselrapportage.

in de dagvaarding met parketnummer 08/218488-19

De officier van justitie heeft eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring van de in de dagvaarding met parketnummer 08/218488-19 ten laste gelegde bedreiging van [slachtoffer 2] .

4.3

Het standpunt van de verdediging

in de dagvaarding met parketnummer 08/165742-19

De raadslieden van verdachte hebben vrijspraak van al het onder beide feiten ten laste gelegde bepleit. De rechtbank begrijpt uit het samenstel van gevoerde verweren dat daartoe is aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat uitgegaan moet worden van de juistheid van de verklaringen van verdachte en medeverdachte met betrekking tot de gebeurtenissen van 10 juli 2019, dat de over aangever opgemaakte letselrapportage niet objectief en deskundig tot stand is gekomen en dat de voorbedachten raad niet kan worden bewezen.

in de dagvaarding met parketnummer 08/218488-19

De raadslieden hebben ook vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde bedreiging van [slachtoffer 2] . Daartoe is, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat de in de tenlastelegging genoemde woorden moeten worden gezien als uiting van een zakelijke klacht die verdachte en medeverdachte hadden tegen de wijze waarop aangeefster als advocaat voor medeverdachte had opgetreden. Betoogd is dat in die context de uitdrukkingen "voor de bijl gaan" en "te gronde richten" niet als bedreiging met fysiek geweld kunnen worden aangemerkt. Voorts is door de verdediging in twijfel getrokken dat aangeefster zich werkelijk bedreigd heeft gevoeld door deze woorden, gelet op de omstandigheid dat zij pas enkele dagen later aangifte heeft gedaan.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Overwegingen in de dagvaarding met parketnummer 08/165742-19

De verklaring van aangever (met betrekking tot het onder 1 en 2 ten laste gelegde)

Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer 1] zich op 10 juli 2019 omstreeks 16.30 uur bij de politie in Zwolle heeft gemeld en daar heeft verklaard ernstig te zijn mishandeld door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . De dienstdoende verbalisant heeft, gelet op de pijn en het moeizame bewegen van [slachtoffer 1] een arts opgeroepen, die [slachtoffer 1] vervolgens heeft doorverwezen naar het ziekenhuis.

Op 11 juli 2019 heeft [slachtoffer 1] vervolgens aangifte gedaan en, zakelijk weergegeven, als volgt verklaard. Op 10 juli 2019 is aangever in zijn auto naar de woning van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in [plaats 1] gegaan om exploten uit te reiken. Aangever is daar de oprijlaan opgereden en bij het gesloten toegangshek uitgestapt. Hij zag dat verdachte naar hem toeliep, een stalen pijp van achter een boom pakte en daarmee enkele malen in zijn richting zwaaide. Aangever wist dit te ontwijken maar werd daarna toch twee of drie keer geraakt op zijn bovenlichaam. Vervolgens wist aangever de pijp vast te pakken en weg te draaien, waardoor verdachte op de grond is gevallen. Nadat verdachte weer was opgestaan heeft ze aangever opnieuw meerdere malen met de pijp geslagen.

Op dat moment zag aangever een bus aan komen rijden, waarin medeverdachte [medeverdachte] bleek te zitten. Deze begon met zijn vuisten op hem in te slaan en te schoppen en raakte daarbij het gezicht van aangever. Aangever viel daarbij op enig moment op de grond en zag dat medeverdachte [medeverdachte] een tweede stalen pijp van verdachte overhandigd kreeg. Beide verdachten sloegen hem toen met de stalen pijpen en raakten aangever over zijn hele lichaam. Ook werd daarbij in de richting van zijn gezicht geslagen.

Aangever wist op enig moment weer in de benen te komen en moest vervolgens onder bedreigingen en nieuw geweld van medeverdachte [medeverdachte] zijn autosleutel en zijn telefoon en bijbehorende code afgeven. Verdachte heeft deze autosleutel gebruikt om de auto van aangever te verplaatsen en heeft gegevens uit diens telefoon gefotografeerd. De deurwaardersstukken die tijdens het geweldsincident op de grond waren gevallen zijn door verdachte in de woning gebracht en werden niet aan aangever teruggegeven.

Steunbewijs

De verklaring van aangever vindt in de eerste plaats steun in een over hem opgemaakte letselrapportage van 15 juli 2019. Daaruit blijkt dat aangever op 10 juli 2019 medisch is onderzocht en dat de forensisch arts, S.J. Th. van Kuijk, diverse letsels heeft geconstateerd, die naar beoordeling van de arts zijn ontstaan door direct inwerkend stomp botsend geweld op diverse plaatsen op het lichaam uitgeoefend deels met staafvormige harde voorwerpen. Onderdeel van het geconstateerde letsel zijn meerdere fracturen in de rechter onderarm. Het beeld daarvan is volgens de rapportage karakteristiek voor een zogenaamde pareerfractuur, ontstaan door het afweren van geweld. Daarnaast constateert de arts dat diverse botten in de rechter voet van aangever op meerdere plaatsen zijn gebroken.

De rechtbank heeft, anders dan de raadslieden hebben gesteld, geen reden om aan de objectiviteit en betrouwbaarheid van dit letselrapport te twijfelen. Daarbij overweegt de rechtbank dat de deskundigheid van een forensisch arts zich niet beperkt tot uitsluitend het vaststellen van letsel, maar ook tot het beoordelen van het mogelijke ontstaan ervan. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het letselrapport op geen enkele wijze dat de forensisch arts zich heeft uitgelaten over zaken die buiten zijn deskundigheidsgebied vallen en evenmin dat hij vooringenomen te werk is gegaan. Evenmin heeft de rechtbank reden om te twijfelen aan de objectiviteit en betrouwbaarheid van de conclusie van radioloog M.C. Vermeulen die op 24 juli 2019 constateert dat bij aangever tevens sprake is van een kuitbeenbreuk in het linker been.

De verklaring van aangever vindt in de tweede plaats steun in de verklaring van getuige [getuige] , de vader van verdachte, die op 10 juli 2019 naar de woning van beide verdachten is gegaan en daar beide verdachten en aangever aantrof. Uit zijn verklaring leidt de rechtbank af dat aangever angstig was en er als een zoutpilaar bij stond, dat verdachte en medeverdachte bovendien de controle hadden over de situatie, dat zij degenen waren die bepaalden wat er op hun perceel gebeurde en dat zij niet van plan waren aangever weg te laten gaan.

De aangifte vindt verder steun in de verklaringen van beide verdachten met betrekking tot het verplaatsen van de auto van aangever, het afstaan van zijn telefoon en bijbehorende code en het achterblijven van de deurwaardersstukken die aangever bij zich had in de woning van de verdachten. Dit laatste punt wordt ten slotte ondersteund door een proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dat de deurwaardersstukken inderdaad in de woning van de verdachten zijn aangetroffen.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande dan ook vast dat de verklaring van aangever steun vindt in meerdere bewijsmiddelen en ziet, in het licht daarvan, geen enkele reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die verklaring te twijfelen. De rechtbank zal deze verklaring dan ook gebruiken voor het bewijs.

Alternatief scenario

Tegenover de verklaring van aangever staan de verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . Zakelijk weergegeven houden deze verklaringen in dat verdachte op 10 juli 2019 aangever [slachtoffer 1] aan zag komen rijden, dat zij naar hem toe is gelopen en angstig werd na een opmerking van [slachtoffer 1] , dat zij vervolgens een stalen pijp heeft gepakt en daarmee op de grond heeft geslagen en dat [slachtoffer 1] deze pijp toen heeft afgepakt en haar daarmee op haar hoofd en haar benen heeft geslagen, waardoor zij in de heg viel. Zij heeft in een ommezwaai zich nog afgeweerd door aangever een paar keer met de buis te slaan, maar dit was niet in de richting van zijn gezicht. Daarna pakte aangever haar in een soort wurggreep en heeft verdachte hem hard in zijn hand gebeten. Vervolgens kwam haar man (medeverdachte [medeverdachte] ) aanrijden en heeft hij aangever van haar afgetrokken, waarbij medeverdachte en aangever in een worsteling zijn geraakt. Na dit incident ontstond er een gesprek waarbij aangever vrijwillig zijn autosleutel en zijn telefoon met code heeft afgegeven en toen aangever van het perceel was vertrokken heeft verdachte de deurwaardersstukken bij elkaar geraapt en deze meegenomen haar woning in.

De rechtbank constateert dat zowel verdachte als medeverdachte niet geheel consistent zijn geweest in de verschillende verklaringen die zij bij de politie hebben afgelegd. Zo heeft verdachte in haar eerste verhoor niet verklaard dat aangever haar in een wurggreep zou hebben gehouden noch dat zij hem toen hard gebeten heeft. Ook verklaart ze pas in haar tweede verhoor dat ze zich verweerd heeft en daarbij aangever enkele malen met de stalen pijp heeft geslagen.

Medeverdachte [medeverdachte] verklaart in zijn verhoor van 11 juli 2019 dat hij aangever van zijn vrouw heeft afgetrokken en toen in een worsteling is geraakt, maar dat daarbij geen wapens zijn gebruikt. In zijn verhoor van 13 juli 2019 verklaart hij echter dat hij in een soort

wild-west-worstel partij met aangever kwam, dat zij allebei op de grond lagen en voornamelijk met de buis bezig waren. Deze incongruenties komen de betrouwbaarheid van hun verklaringen niet ten goede.

De rechtbank stelt met betrekking tot het door verdachte en medeverdachte geschetste scenario voorop dat het, hoewel niet zonder meer uitgesloten, in zijn algemeenheid niet erg waarschijnlijk is dat een gerechtsdeurwaarder die uit hoofde van zijn functie met deurwaardersstukken naar een woning gaat, daar aankomt met de intentie om geweld toe te passen. Het dossier bevat behoudens de verklaringen van beide verdachten ook geen concrete aanwijzingen dat het in dit specifieke geval anders is geweest. Dat verdachte volgens haar verklaring uit angst voor de deurwaarder een stalen pijp heeft gepakt, komt de rechtbank in het licht van het voorgaande niet logisch voor, temeer nu verdachte over het ontstaan van die angst slechts heeft verklaard dat de deurwaarder had gezegd dat hij haar een fijne dag zou bezorgen.

Daar komt bij dat het door de verdachten geschetste scenario op geen enkele wijze kan verklaren hoe aangever aan zijn aanzienlijke letsel is gekomen. Hiervoor heeft de rechtbank reeds opgemerkt dat zij het over aangever opgemaakte letselrapport betrouwbaar acht. De rechtbank acht het verder volstrekt onaannemelijk dat, zoals verdachte en medeverdachte ter terechtzitting hebben gesuggereerd, aangever zijn letsel op een later moment aan zichzelf heeft toegebracht.

Uit het dossier blijkt verder dat ook bij verdachte enig letsel is geconstateerd op 12 juli 2019, bestaande uit een kleine buil op het behaarde hoofd en vaag begrensde blauw-paarse huidverkleuringen op haar linker en rechterbeen. Van dit letsel werd volledig functioneel herstel binnen twee weken verwacht. Voor het overige is er geen letsel bij verdachte geconstateerd. Bij medeverdachte [medeverdachte] zijn op 14 juli 2019 enkele plekken op zowel de rugzijde van de linkerhand als op de binnenzijde van de rechterpols aangetroffen die mogelijk passen bij bloeduitstortingen. Voor het overige is er geen letsel geconstateerd. De rechtbank stelt vast dat het bij beide verdachten geconstateerde letsel zeer gering is in verhouding tot het letsel van aangever. Dit relatief beperkte letsel valt naar het oordeel van de rechtbank niet goed te rijmen met de verklaring van verdachte dat zij door aangever is aangevallen en meermalen met een stalen pijp is geslagen.

De lezing van beide verdachten dat aangever vrijwillig zijn autosleutel en zijn telefoon met code - met daarin zakelijke en privégegevens - heeft afgestaan nadat een - ook volgens de verklaring van verdachte - ernstig geweldsincident tussen hen had plaatsgevonden acht de rechtbank evenmin goed te volgen. Bovendien wordt deze lezing weersproken door de verklaring van de vader van verdachte, waaruit kan worden afgeleid dat beide verdachten op dat moment bepaalden wat er op hun perceel gebeurde.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande dan ook tot het oordeel dat het door verdachte en medeverdachte geschetste scenario wordt weersproken door de wettige bewijsmiddelen en dat die lezing ook overigens als volstrekt onaannemelijk terzijde moet worden geschoven.

Overwegingen met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde

Op grond van de verklaring van aangever en de letselrapportage stelt de rechtbank vast - voor zover hier van belang - dat verdachte en medeverdachte op 10 juli 2019 ieder met een stalen pijp meermalen met kracht tegen het lichaam van aangever hebben geslagen. De rechtbank leidt uit deze bewijsmiddelen bovendien af dat verdachte en medeverdachte daarbij ook in de richting van het gezicht van aangever hebben geslagen en dat daarbij de rechteronderarm van aangever is geraakt toen hij deze klappen afweerde.

Voorwaardelijk opzet

De rechtbank ziet zich met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde gesteld voor de vraag of verdachte het opzet heeft gehad om aangever van het leven te beroven. Nu zij telkens heeft ontkend dat zij met een stalen pijp in de richting van het gezicht van aangever heeft geslagen, is uit haar verklaring niet naar voren gekomen wat er ten tijde van het incident in haar is omgegaan. Daarom zal de rechtbank op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden moeten beoordelen of het opzet van verdachte op de dood van aangever gericht was.

Aangever heeft verklaard dat hij de klappen met de stalen pijp in de richting van zijn gezicht met zijn rechteronderarm heeft kunnen afweren. Uit de letselrapportage betreffende aangever blijkt onder meer dat het onderste deel van zijn rechteronderarm fors was gezwollen, dat deze pijnlijk was en dat er afwijkingen waren in de buitencontour. Dit beeld is volgens de forensisch arts karakteristiek voor een zogenaamde pareerfractuur (botbreuk aan buitenzijde onderarm - meestal de ellepijp - ontstaan door afweren van geweld). Uit nader onderzoek is gebleken dat het bot aan de buitenzijde van de pols (ellepijp) inderdaad op meerdere plaatsen gebroken was. De forensisch arts kwalificeert deze verwondingen op de rechteronderarm als duidelijk aanwezige afweerverwondingen. Onder het kopje ‘bijzonderheden’ constateert de forensisch arts dat aangever gezien de duidelijk aanwezige afweerverwondingen op met name de rechter onderarm heeft kunnen voorkomen dat zijn hoofd werd geraakt. Gezien de aard en ernst van de verwondingen op armen, benen en romp had een slag met hetzelfde voorwerp op het hoofd zonder meer tot dodelijk letsel geleid, aldus de forensisch arts.

De rechtbank leidt uit de aard en ernst van dit letsel af dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] met kracht in de richting van het gezicht van aangever hebben geslagen en daarbij het lichaam - de rechter onderarm - van aangever hebben geraakt.

De rechtbank acht algemeen bekend dat zich op het hoofd kwetsbare delen zoals de slaap en de ogen bevinden, waarbij door het uitoefenen van aanzienlijk geweld op juist deze kwetsbare delen de kans aanmerkelijk is dat levensbedreigende situaties ontstaan. Dat aangever in staat is geweest het geweld van zijn gezicht af te weren doet daaraan niet af.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niets naar voren gekomen op grond waarvan aangenomen zou moeten worden dat de verdachte zich van deze kans niet bewust is geweest. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer als gevolg van het handelen van verdachte een levensbedreigende verwonding zou oplopen aan het hoofd waaraan het slachtoffer kon komen te overlijden ook voor de verdachte kenbaar moet zijn geweest. Door desondanks toch meermalen met een stalen buis in de richting van het gezicht van aangever te slaan, heeft zij die kans bewust aanvaard. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de verdachte op zijn minst genomen het voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van aangever.

Strafbare poging

De rechtbank stelt vast dat verdachte en medeverdachte een begin van uitvoering hebben gemaakt aan het plegen van doodslag door meermalen met een stalen pijp in de richting van het hoofd van aangever te slaan. Aan het criterium voor het aannemen van een strafbare poging is derhalve voldaan. Het delict is slechts niet tot voltooiing gekomen door de van de wil van verdachten onafhankelijke omstandigheid dat verdachte zich - met zijn rechteronderarm - heeft kunnen verweren.

Medeplegen

De rechtbank heeft hiervoor op grond van de bewijsmiddelen vastgesteld dat zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] ieder meerdere malen met een stalen pijp in de richting van het gezicht van aangever hebben geslagen. Beide verdachten hebben aldus uitvoeringshandelingen verricht ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde. Uit de bewijsmiddelen volgt genoegzaam dat zij dit geweld in onderlinge afstemming hebben toegepast; er werd onderling gecommuniceerd gedurende de geweldshandelingen en verdachte heeft een (tweede) stalen pijp uit de auto van medeverdachte gepakt en die aan medeverdachte aangereikt, waarna hij aangever ermee heeft geslagen. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook wettig en overtuigend bewezen dat zij in bewuste en nauwe samenwerking met elkaar hebben gehandeld.

Slotsom met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan de aan haar onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag op aangever [slachtoffer 1] .

Het verweer van de verdediging met betrekking tot de voorbedachten raad kan onbesproken blijven, nu dit bestanddeel onder 1 primair niet ten laste is gelegd.

Overwegingen met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank stelt voorop dat het onder 2 ten laste gelegde is toegespitst op het in artikel 317 Sr strafbaar gestelde misdrijf afpersing. Deze bepaling heeft een tweeledige strekking; zij strekt zowel tot bescherming van de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer als tot bescherming van het vermogen van het slachtoffer. Voor een bewezenverklaring ter zake van afpersing moet daarom niet alleen vast komen te staan dat een slachtoffer is gedwongen tot afgifte van een of meer goederen, maar ook dat een verdachte daarbij het oogmerk had zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen.

De rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat zij geen enkele reden ziet om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de verklaring van aangever te twijfelen en dat zij het door de verdachten geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk acht. Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde vindt de aangifte van [slachtoffer 1] steun in de verklaring van verdachte dat zij de auto van aangever heeft verplaatst, dat zij gegevens uit zijn telefoon heeft gefotografeerd en dat zij zijn deurwaardersstukken haar woning in heeft gebracht. De verklaring van medeverdachte [medeverdachte] biedt verdere ondersteuning aan deze gang van zaken en bij een doorzoeking in de woning van de verdachten zijn de deurwaardersstukken ook aangetroffen. De rechtbank stelt op grond van deze bewijsmiddelen dan ook vast dat verdachte, samen met medeverdachte [medeverdachte] , aangever heeft gedwongen tot afgifte van zijn autosleutel en - in het verlengde daarvan - zijn auto, van zijn telefoon en de bijbehorende code, en van de deurwaardersstukken die hij bij zich droeg.

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte het oogmerk had zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen. Onder bevoordeling in de zin van artikel 317 Sr moet worden verstaan iedere verbetering in positie, mits het voordeel economische waarde heeft.

Uit de verklaring van aangever kan worden afgeleid dat het verdachte en medeverdachte te doen was om - kortgezegd - kwijtschelding van hun schulden dan wel het oplossen van hun financiële problemen. De rechtbank merkt daarbij op dat aangever aan deze eis van de verdachten niet heeft voldaan en dat (een poging tot) het tenietdoen van een inschuld als zodanig ook niet aan verdachte ten laste is gelegd.

Op grond van de stukken ontstaat de indruk dat de verdachten aangever tot afgifte van voornoemde goederen hebben gedwongen en de controle over zijn auto en zijn

(contact-)gegevens als extra pressiemiddel hebben ingezet om te voorkomen dat hij van het perceel weg zou vluchten en/of aangifte zou doen. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de verklaring van aangever, noch uit andere stukken in het dossier worden afgeleid dat verdachten daarbij (mede) het oogmerk hebben gehad om de door aangever afgegeven goederen in vermogensvoordeel om te zetten. De omstandigheid dat aangever zijn auto met sleutel en zijn telefoon uiteindelijk van verdachten heeft teruggekregen vormen daarvoor bovendien een sterke contra-indicatie. Nu het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zal de rechtbank verdachte van het onder 2 ten laste gelegde vrijspreken.

De rechtbank hecht eraan op te merken dat haar oordeel geenszins inhoudt dat het in het algemeen is geoorloofd een ander te dwingen tot het afgeven van goederen dan wel te beperken in zijn bewegingsvrijheid. De vraag of de bewezen geachte gedragingen van verdachte een (ander) strafbaar feit opleveren (te denken valt aan de in artikel 284 Sr strafbaar gestelde dwang ) is evenwel niet aan de rechtbank voorgelegd, zodat zij zich daarover in de onderhavige zaak geen oordeel kan vormen.

Overwegingen in de dagvaarding met parketnummer 08/218488-19

Het dossier bevat een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , waarin zij verklaart dat zij op 9 juli 2019 is gebeld door een vrouw die haar naam niet noemde en dat zij aan haar stem herkende dat het verdachte betrof. Vervolgens kwam medeverdachte [medeverdachte] aan de lijn. Volgens de aangifte hebben de verdachten toen telefonisch de in de tenlastelegging genoemde woorden in haar richting geuit. De aangifte vindt in de eerste plaats steun in de verklaringen van verdachte en medeverdachte, die beiden bij de politie hebben verklaard dat zij op 9 juli 2019 een telefoongesprek met [slachtoffer 2] hebben gevoerd.

Daarnaast heeft aangeefster een geluidsopname van een deel van dit telefoongesprek gemaakt. Verbalisant [verbalisant 1] heeft in een door hem opgemaakt proces-verbaal van bevindingen gerelateerd dat hij daarop de stem van medeverdachte [medeverdachte] herkent en dat medeverdachte met enige stemverheffing de woorden "En je gaat maar voor de bijl want we hebben nog wel wat en dat gaan we even geven aan iemand die jou ten gronde richt, prettige avond." uit. Deze bevindingen ondersteunen de aangifte van [slachtoffer 2] .

De rechtbank heeft, gelet op dit steunbewijs, geen reden om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster en stelt op grond van deze bewijsmiddelen dan ook vast dat verdachte en medeverdachte (ieder een deel van) alle in de tenlastelegging vermelde woorden hebben gebezigd.

Door de verdediging is de vraag opgeworpen of deze bewoordingen een strafbare bedreiging met zware mishandeling dan wel met enig misdrijf tegen het leven gericht inhouden. De rechtbank verwerpt de stelling van de verdediging dat verdachte en medeverdachte de woorden overdrachtelijk hebben bedoeld en op deze - alsdan hoogst ongebruikelijke - manier hun zakelijke klacht kenbaar hebben willen maken. De door hen gekozen bewoordingen houden immers geenszins in dat zij een klacht willen indienen of juridische stappen willen ondernemen tegen aangeefster of haar kantoor. De rechtbank constateert dat de door verdachten gekozen bewoordingen rechtstreeks telefonisch aan [slachtoffer 2] zijn geuit en dat deze blijkens hun inhoud ook op de persoon van [slachtoffer 2] waren gericht gelet op het gebruik van telkens de persoonlijke voornaamwoorden 'jij', 'je' en 'jou'. De door verdachten afgegeven boodschap wordt ingeleid met de woorden "jouw laatste dagen zijn geteld." Deze woorden worden naar het oordeel van de rechtbank door de daarna gekozen bewoordingen nog verder versterkt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor een veroordeling voor bedreiging vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd. Niet is evenwel vereist dat de bedreiging in het concrete geval op de bedreigde een zodanige indruk heeft gemaakt dat werkelijk vrees is opgewekt en de bedreigde zich in zijn vrijheid belemmerd achtte. Wel moet de bedreiging van dien aard zijn en onder zulke omstandigheden zijn gedaan dat deze in het algemeen een dergelijke vrees opwekken kan.

De rechtbank acht de door verdachte en medeverdachte gebruikte woorden, in onderlinge samenhang bezien, zonder meer van zodanige aard dat daardoor in het algemeen bij de geadresseerde de vrees kan ontstaan dat zij het leven zal laten. Aangeefster heeft overigens ook zelf verklaard dat zij zich bedreigd voelde. Gelet op de bewoordingen die in haar richting zijn geuit, heeft de rechtbank geen enkele reden om aan de waarachtigheid van die verklaring te twijfelen. De rechtbank ziet niet in hoe de omstandigheid dat aangeefster pas enkele dagen later aangifte heeft gedaan aan dat oordeel kan afdoen.

Opmerking verdient ten slotte nog dat de kantoormanager van aangeefster die het betreffende gesprek (deels) heeft gehoord, een verklaring heeft afgelegd waaruit naar voren komt dat ook zij angst heeft gekregen voor beide verdachten.

De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de door verdachte en medeverdachte geuite woorden dan ook als bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht kunnen worden aangemerkt.

Medeplegen

Uit de bewijsmiddelen volgt dat sprake is geweest van één doorlopend telefoongesprek tussen aangeefster en beide verdachten, waarbij de verdachten afwisselend bij aangeefster aan de lijn hebben gehangen en zij ieder een deel van de in de tenlastelegging genoemde woorden hebben geuit. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de door beide verdachten geuite bewoordingen één en dezelfde strekking en versterken deze uitingen elkaar; juist in samenhang bezien leiden deze woorden tot een strafbare bedreiging. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat verdachten in bewuste en nauwe samenwerking de bedreiging in de richting van aangeefster hebben geuit.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

in de dagvaarding met parketnummer 08/165742-19:

feit 1:

zij op 10 juli 2019 te Nieuwleusen, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven,

- meermalen met een stalen pijp tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geslagen en

- vervolgens meermalen tegen het gezicht en tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft gestompt en getrapt waardoor die [slachtoffer 1] ten val is gekomen en

- vervolgens terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag met een stalen pijp meermalen, met kracht tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

in de dagvaarding met parketnummer 08/218488-19, dat:

zij op 9 juli 2019 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 2] telefonisch heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen:

- “ Jij hebt er een enorme puinhoop van gemaakt dus jouw laatste dagen zijn geteld. Wij weten jou wel te vinden en zullen jou kapot maken. Jij hebt ons ten gronde gericht dus nu ben jij aan de beurt” en

- “ En je gaat maar voor de bijl want we hebben nog wel wat en dat gaan we even geven aan iemand die jou ten gronde richt, prettige avond”.

In de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder voornoemde feiten meer of anders is ten laste gelegd en zal haar daarvan vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Beroep op noodweer ten aanzien van het in de dagvaarding met parketnummer 08/165742-19 onder 1 ten laste gelegde

Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting van 7 november 2019 verklaringen afgelegd die, voor zover hier van belang, inhouden dat aangever [slachtoffer 1] haar heeft aangevallen en dat zij zich tegen die aanval heeft verweerd. Namens verdachte is een beroep op noodweer gedaan.

De rechtbank heeft in de motivering van haar bewijsbeslissing reeds uiteengezet dat en waarom zij de lezing van verdachte van de gebeurtenissen van 10 juli 2019 onaannemelijk acht. De rechtbank is van oordeel dat ook anderszins op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat verdachte op enig moment in een situatie is komen te verkeren waarin verdediging tegen een wederrechtelijke aanranding door aangever geboden was. Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen.

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 285 juncto 47 en 287 junctis 45 en 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn - ook overigens - geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

in de dagvaarding met parketnummer 08/165742-19:

feit 1 primair

het misdrijf: medeplegen van poging tot doodslag.

in de dagvaarding met parketnummer 08/218488-19:

het misdrijf: medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

6 De strafbaarheid van verdachte

Beroep op noodweerexces ten aanzien van het in de dagvaarding met parketnummer 08/165742-19 onder 1 ten laste gelegde

Namens verdachte is (subsidiair) een beroep gedaan op noodweerexces. Daartoe is gesteld dat bij verdachte "sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging door de handelwijze van aangever en diens aanranding van verdachte veroorzaakt." Dit verweer wordt verworpen op de gronden als hiervoor onder 5 vermeld ten aanzien van het beroep op noodweer. Kortgezegd acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat verdachte zich in een noodweersituatie heeft bevonden.

Beroep op psychische overmacht ten aanzien van het in de dagvaarding met parketnummer 08/165742-19 onder 1 ten laste gelegde

Namens verdachte is een beroep gedaan op psychische overmacht. Daartoe is, zakelijk weergegeven, gesteld dat verdachte heeft gehandeld zoals zij heeft gedaan wegens ontstane dwang door de gedragingen van aangever voorafgaand aan en op 10 juli 2019.

Vooropgesteld moet worden dat een beroep op psychische overmacht alleen dan kan slagen wanneer er sprake is geweest van een zodanige van buiten komende drang dat de verdachte daaraan redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden.

De rechtbank overweegt dat, voor zover het beroep op psychische overmacht is gestoeld op de stelling dat verdachte op 10 juli 2019 door aangever is aangevallen, het verweer reeds faalt omdat de rechtbank tot een andere feitenvaststelling komt.

Voor zover het verweer betrekking heeft op andere gedragingen van aangever voorafgaand aan en op 10 juli 2019, constateert de rechtbank dat het beroep op overmacht slechts in de hierboven weergegeven, algemene bewoordingen is vervat; door de verdediging is niet nader uiteengezet welke gedragingen op welke momenten tot de gestelde psychische dwang zouden hebben geleid. In het licht van het verweer overweegt de rechtbank in algemene zin dat de enkele omstandigheid dat aangever in zijn hoedanigheid van deurwaarder op verschillende dagen en ten laatste op 10 juli 2019 voor zijn werk naar de woning van verdachte is gegaan, volstrekt onvoldoende is om te oordelen dat daarvan een psychische drang is uitgegaan in de richting van verdachte waaraan zij geen weerstand kon of hoefde te bieden. Ook overigens zijn uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan zodanige drang zou moeten worden aangenomen. De rechtbank verwerpt derhalve het beroep op psychische overmacht.

Er zijn ook overigens - los van de hiervoor besproken verweren - geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat, voor de feiten die zij bewijsbaar heeft geacht, aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest, wordt opgelegd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben zich op het standpunt gesteld - indien en voor zover de rechtbank tot een strafoplegging zou komen en uitgaande van een veroordeling voor eenvoudige mishandeling - dat het opleggen een taakstraf passend zou zijn.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich samen met haar man schuldig gemaakt aan poging tot doodslag door meermalen met een stalen pijp in de richting van het gezicht van [slachtoffer 1] , een gerechtsdeurwaarder die in de uitoefening van een publieke taak naar de woning van verdachte en haar man was gekomen, te slaan. [slachtoffer 1] heeft deze klappen naar zijn gezicht kunnen afweren maar is wel op diverse plekken van zijn lichaam geraakt en heeft daardoor ernstig letsel opgelopen, waaronder botbreuken in zijn linker onderbeen, zijn rechtervoet en zijn rechteronderarm. Na dit eerste geweldsincident hebben verdachte en haar man ervoor gezorgd dat er voor [slachtoffer 1] geen reële mogelijkheid bestond om van het afgelegen perceel te vertrekken en hebben zij door opnieuw geweld te gebruiken en daarmee te dreigen [slachtoffer 1] gedwongen zijn autosleutel, zijn telefoon en de deurwaardersstukken die hij bij zich had af te staan. Hoewel verdachte van afpersing wordt vrijgesproken, zal de rechtbank deze omstandigheden in strafverzwarende zin betrekken in haar oordeel over de strafmaat. Door het handelen van verdachte en haar mededader heeft [slachtoffer 1] geruime tijd voor zijn leven moeten vrezen. Als gevolg van het grove geweld dat tegen [slachtoffer 1] is aangewend, ervaart hij bovendien nog altijd beperkende fysieke klachten.

Verder wordt verdachte veroordeeld voor het bedreigen van [slachtoffer 2] , een advocate die haar man juridische bijstand had verleend. Ook dit betreft een zeer kwalijk misdrijf.

Verdachte wordt veroordeeld voor zeer ernstige feiten waarvoor, mede gelet op de aard en ernst van het letsel van [slachtoffer 1] en op het gebruik van slagwapens, in beginsel een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. De rechtbank voegt daaraan toe dat het voor de slachtoffers in deze zaken extra schrijnend moet zijn dat verdachte op geen enkel moment verantwoordelijkheid voor haar gedrag heeft genomen, dat zij zichzelf in beide zaken in een slachtofferrol heeft geplaatst en dat zij zelfs tegenaangifte tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedaan.

De rechtbank neemt met betrekking tot de persoon van verdachte in aanmerking dat zij blijkens haar strafblad niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Uit een reclasseringsadvies van 4 november 2019 blijkt onder meer dat verdachte de zorg voor vier kinderen heeft. Hoewel zij niet rechtsreeks geraakt wordt door de financiële problemen van het bedrijf van haar man, hebben deze wel spanningen bij haar teweeggebracht. Verdachte heeft zelf bij de reclassering aangegeven beter met spanningen te willen leren omgaan. Ter terechtzitting van 7 november 2019 heeft zij verklaard dat zij daar gedurende de voorlopige hechtenis ook reeds aan heeft gewerkt. De reclassering acht haar in staat zelfstandig stappen in te zetten en ziet zodoende geen reden om reclasseringstoezicht bij één of meer bijzondere voorwaarden te adviseren. Ook ziet de reclassering geen contra-indicaties voor het opleggen van een gevangenisstraf.

De rechtbank zal in het licht van het advies van de reclassering volstaan met het opleggen van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank zich er rekenschap van gegeven dat haar man bij vonnis van heden eveneens zal worden veroordeeld voor dezelfde feiten en dat het opleggen van onvoorwaardelijke detentie voor zowel hun gezamenlijke kinderen als voor de kinderen die verdachte uit een eerder huwelijk heeft een zware wissel op hun leven zal trekken. Hoewel dit gegeven als factor is meegewogen in de strafmaat, nopen de aard en ernst van de feiten er niettemin toe een onvoorwaardelijke celstraf van substantiële duur op te leggen. Alles afwegend acht de rechtbank het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren passend en geboden.

Namens verdachte is ter terechtzitting van 7 november 2019 een verzoek gedaan tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis. De rechtbank overweegt dat de voorlopige hechtenis van verdachte na vandaag mede komt te berusten op dit veroordelend vonnis. De rechtbank heeft naar aanleiding hiervan opnieuw een belangenafweging met betrekking tot de voorlopige hechtenis gemaakt, waarbij opmerking verdient dat het uitgangspunt dat verdachte haar - eventuele verdere - berechting in vrijheid mag afwachten niet zonder meer nog heeft te gelden. Daaraan doet volgens rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens niet af dat het vonnis nog niet in kracht van gewijsde is gegaan. Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de daaruit voortvloeiende strafoplegging, is de rechtbank van oordeel dat er geen redenen zijn de voorlopige hechtenis op te heffen en dat het belang van verdachte bij schorsing van de voorlopige hechtenis niet opweegt tegen het strafvorderlijke belang van het voortduren ervan. De rechtbank zal het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis daarom afwijzen.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 22.524,83 (zegge: tweeëntwintigduizend vijfhonderdvierentwintig euro en drieëntachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

- reis-/parkeerkosten à € 99,72;

- chauffeurskosten à € 9.548,96;

- steunzolen en handknijpers à € 170,98;

- stoel en zitwandelstok à € 86,98;

- defence spray + zaklamp à € 51,80;

- cd-roms à € 25,00

- stomerijkosten en paracetamol à € 18,14;

- eigen risico zorg à € 385,00;

- fysiotherapie à € 210,00;

- bijtelling à € 1.324,04;

- bescherming gips à € 36,95;

- abonnement sportschool à € 67,96;

- inkomstenderving à € 500,00;

Totaal gevorderde materiële schade € 12.525,53

Wegens immateriële schade wordt een bedrag van € 10.000,- gevorderd.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

8.3

Het standpunt van de verdediging

Namens verdachte is, in het geval de rechtbank tot een veroordeling zou komen, de post betreffende chauffeurskosten betwist. Daartoe is aangevoerd dat de werkgever van aangever deze kosten voor haar rekening heeft genomen en zodoende deze schade niet door aangever is geleden.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het in de dagvaarding met parketnummer 08/165742-19 onder 1 primair bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.

De raadslieden van verdachte hebben met betrekking tot de post "chauffeurskosten" à

€ 9.548,96 gesteld dat de werkgever van aangever deze kosten voor haar rekening heeft genomen.

De raadsvrouw van de benadeelde partij, mr. L.P.A. Voskuilen, advocaat te Amersfoort heeft ter terechtzitting deze schadepost nader toegelicht en uiteengezet dat de werkgever van aangever de chauffeurskosten weliswaar heeft voorgeschoten, maar niet voor haar rekening heeft genomen. Naar het oordeel van de rechtbank wordt deze uitleg ondersteund door een als bijlage 3 bij de vordering gevoegde factuur, afkomstig van de werkgever van aangever en gericht aan aangever, om deze kosten te voldoen. De rechtbank acht op grond daarvan aannemelijk dat aangever deze kosten zelf heeft geleden.

De opgevoerde schadeposten zijn voor het overige voldoende onderbouwd en niet betwist. De rechtbank acht het aannemelijk dat de benadeelde partij ook deze schade heeft geleden en zal het gevorderde daarom geheel toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop voornoemd feit is gepleegd.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door de in de dagvaarding met parketnummer 08/165742-19 onder 1 primair bewezenverklaarde feit is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 57 Sr . Alle artikelen zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte het in de dagvaarding met parketnummer 08/165742-19 onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;

bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat verdachte het

in de dagvaarding met parketnummer 08/165742-19 onder 1 primair ten laste gelegde en het in de dagvaarding met parketnummer 08/218488-19 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder voornoemde parketnummers meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

in de dagvaarding met parketnummer 08/165742-19:

feit 1 primair

het misdrijf: medeplegen van poging tot doodslag.

in de dagvaarding met parketnummer 08/218488-19:

het misdrijf: medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] (dagvaarding met parketnummer 08/165742-19, feit 1 primair) van een bedrag van € 22.524,83, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2019, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

- legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van het in de dagvaarding met parketnummer 08/165742-19 onder 1 primair bewezenverklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 22.524,83, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2019 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 147 dagen zal worden toegepast (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

voorlopige hechtenis

- wijst af het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. van Vuure, voorzitter, mr. A. Skerka en

mr. N.J.C. Monincx, rechters, in tegenwoordigheid van D.D. Drost, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 21 november 2019.

Buiten staat

Mr. Monincx voornoemd is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

In de dagvaarding met parketnummer 08/165742-19

feit 1 primair

1. Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] d.d. 11 juli 2019, voor zover

inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangever, p.3-7:

Op woensdag 10 juli 2019, omstreeks 14.15 uur, reed ik het erf op van perceel [adres 1] . Ik werk al ruim 12 jaar als gerechtsdeurwaarder. Ik was op weg om de bewoners van de [adres 1] enkele exploten uit te reiken. Gisteren reed ik dus de lange oprijlaan op van de [adres 1] . Ik reed met mijn auto tot vlak voor het gesloten toegangshek. Ik stapte uit. Ik had niet aangebeld want ik zag de mij bekende mevrouw [verdachte] bij de woning staan, samen met een klein kind. Zij stond ter hoogte van het raam van de woonkamer van de woning. Ik zag dat de vrouw naar mij toeliep. Ik bleef staan, naast mijn auto. Ik had mijn zwarte werkmap, die te herkennen is aan de grijze tape op de rug van de map, in mijn linkerhand, met daarop geklemd de te betekenen stukken, die ik wilde uitreiken aan de familie [verdachte] . Ik zag en hoorde dat dat de vrouw direct begon te schelden. Ik hoorde o.a. dat ze zei: "klootzak, je hebt ons leven geruïneerd!. Ik wil dat je weggaat van het terrein!" Ik zag dat de vrouw vervolgens naast het hek, aan mijn zijde van de oprijlaan, over een kabel heenstapte en naar mij toeliep. Ik zag dat ze achter een boom, die links van mij aan de zijkant van de oprijlaan stond, een lange stalen pijp pakte. Ik zag dat de vrouw de pijp vastgreep met beide handen en enkele malen in mijn

richting zwaaide. Ik ontweek dit en liep van haar weg, naar achteren. Ik zei direct dat ik zou vertrekken als zij dat wilde. Ze bleef echter zwaaien met de pijp, in de richting van mijn persoon en raakte mij 2 a 3x op mijn bovenlichaam. Dit deed mij direct pijn. Ik wilde mij verweren en op een gegeven moment lukte het mij om de pijp vast te pakken, toen hij weer mijn richting op werd gezwaaid. Mijn map met inhoud, waaronder de exploten vielen op de grond. Ook is mijn leesbril, die ik op mijn neus had, daar op de grond gevallen. Het betreft een bril met een grijs, doorschijnend montuur met "halve" glazen. Doordat ik de pijp vastpakte en wegdraaide, zag ik dat de vrouw kennelijk in onbalans raakte en op de grond viel. Ik zei duidelijk tegen haar: "ik pak mijn stukken en ga weg!" De vrouw krabbelde overeind en zei tegen mij: "Wacht maar! Jij blijft hier!" Toen de vrouw weer in de benen was gekomen begon ze opnieuw met de pijp te zwaaien en probeerde mij daarmee te raken. Ik zag en voelde dat ze mij zeker 10 x raakte met deze pijp. Dit deed mij pijn. Ik probeerde nog steeds de op de grond liggende stukken bij elkaar te rapen.

Op dat moment zag ik ook een donkere bus de oprijlaan van de [adres 1] oprijden. Ik

had deze auto nog niet eerder gezien. Ik zag dat de bus stopte achter mijn auto, bumper aan bumper. Ik zag toen dat er een man uit de bus stapte, die ik onmiddellijk herkende als [medeverdachte]

. Ik hoorde dat hij tegen zijn vrouw zei: "Haal die stang uit mijn auto!" Ik zag dat de

vrouw, terwijl zij haar pijp vasthield, naar de bus liep en daar een stang, langer dan die van haar, uithaalde en naar haar man toeliep. Ik was een beetje afgeleid, maar zag en voelde dat de man met zijn vuisten op mij begon in te slaan. Hij raakte mij enkele malen met kracht in mijn gezicht. Dit deed mij veel pijn. Ik was inmiddels uitgeweken naar de andere kant van de oprijlaan, rechts van de oprijlaan en mijn auto, met de bedoeling hen te ontlopen. Dit lukte niet. Ik zag en voelde dat de man enkele malen krachtig uithaalde en mij trapte en sloeg, waardoor ik op de grond viel. Op dat moment zag ik dat de man de lange stang van zijn vrouw overhandigd kreeg en dat zowel de man als de vrouw mij begonnen te slaan met hun metalen stangen. Ik werd toen o.a. geraakt op mijn voet, beide armen en benen en op de borst. Ook zag en voelde ik dat er gericht werd geslapen in de richting van mijn gezicht. Ik zag dat ze beiden voor iedere slag flink uithaalden om mij met de stang hard te raken. Dit deed mij veel pijn. Ik ben daar toen echt flink geraakt door de stangen. Dat blijkt ook

wel uit het feit dat de ellepijp van mijn rechterarm is gebroken en dat er iets in met rechtervoet is gebroken.

Ik wist in de benen te komen. De man stond voor mij met de stang in aanslag, klaar om opnieuw te slaan. Hij zei: "Je geeft nu jouw autosleutels aan mijn vrouw, anders slaan we opnieuw!" Onder dit dreigement heb ik mijn autosleutels aan de vrouw gegeven. De man zei dat hij niet wilde rijden. Hierop zag ik dat de vrouw naar mijn auto liep, met de stang in haar hand en hoorde dat ze zei: "Dat doe ik wel even." Ik zag dat het hek openging en dat de vrouw met mijn auto het erf naast de woning opreed. Ik zag dat ze mijn auto parkeerde op een plek, 2 a 3 meter achter het huis. Ik zag dat naast het huis een zwarte Audi stond geparkeerd. Ik zag dat de vrouw uitstapte en dat ze met allemaal formulieren en mijn map vanaf de auto naar de woning liep. Dit waren de map en de formulieren, die ik zoals vermeld op de grond had laten vallen. Ik had al gezien dat zij deze map en formulieren had opgepakt van de grond en bij zich had gehouden, toen zij naar mijn auto liep om deze verplaatsen. Ik werd vervolgens onder bedreiging van de man, die zijn stang dreigend voor mij hield, klaar om mij daarmee opnieuw te slaan, richting het huis gedreven tot op een plek, gelegen tussen de woning en de geparkeerde Audi. Daar zag en voelde ik dat de man mij opzettelijk en met kracht enkele keren met de vuist van zijn vrije hand in mijn gezicht en tegen mijn borst sloeg. Dit deed mij pijn. Hij noemde mij de hele tijd Pisvlek. Op een gegeven moment zei hij: "Pisvlek, jij gaat 't nu voor ons oplossen. Dat filmpje moet van het internet en jij zorgt dat ik niks meer hoef te betalen, zodat wij in ons huis kunnen blijven wonen. Hoe ga je

dit nu oplossen?" Het toegangshek was inmiddels al weer gesloten. Hierop kreeg ik de opdracht om mijn telefoon af te geven. De man dreigde mij opnieuw te slaan met de stang als ik dit niet zou doen. Ik gaf de telefoon aan hem. Hierna moest ik de pincode afgeven. Hij zei: "Geef de pincode anders werk ik je onder grond. Als ik daar voor moet zitten, dan doe ik dat!" Ik gaf de man mijn pincode. Ik zag dat de man mijn telefoon opende en begon te zoeken in mijn contacten. Hierna gaf hij zijn toestel aan de vrouw, die er vervolgens de woning mee binnen liep.

Na enkele minuten kwam de vrouw terug uit de woning met mijn telefoon in haar hand.

Ze zei: "Haal het niet in je hoofd om hier aangifte van te doen. We hebben al je

contacten gefotografeerd of gekopieerd. Dus geen aangifte en melding! Als je het wel doet zoeken wij je op en maken je af!"

(…)

Op een gegeven moment liep de vrouw de woning binnen en kwam met een schrijfblok in haar hand teruglopen. Ik kreeg van haar het schrijfblok en een pen overhandigd. Ik kreeg, nog steeds onder bedreiging van de stang, de opdracht om op papier te zetten dat het mijn idee was om de inbeslagname en het wegslepen van de vrachtauto van 6 juli 2018 te filmen en op internet te plaatsen. Uit angst voor het geweld en de pijn die dit zou veroorzaken heb ik 2 regels op papier gezeten vervolgens ondertekend. Het schrijven lukte echter niet meer, aangezien mijn arm heel dik was geworden en veel pijn deed. Ook herhaalden beiden nogmaals dat ik niemand wat mocht zeggen dat ik dit onder dwang had verklaard en had opgeschreven en ondertekend, anders zouden ze mij komen opzoeken en afmaken. Ik heb het kladblok na mijn ondertekende verklaring teruggegeven aan de vrouw, die met het kladblok terugliep naar de woning.

Even later kwam de vrouw teruglopen naar de plek, waar ik nog steeds werd opgehouden door de man, met zijn opgeheven stang in zijn hand. De vrouw zei: "Ik heb mijn vader gebeld, die ken je vast wel. Jullie zijn ook bij hem geweest om beslag te leggen, samen met de politie. Hij kent jou ook nog wel. Als hij er is begint ronde 2!"

Ik werd doodsbang door deze opmerking. Ik nam aan dat de mishandelingen zouden doorgaan. Alles wat tot op dat moment was gebeurd, was kennelijk ronde 1. Het verlamde mij en ik voelde mij enorm bedreigd. Ik kon nog steeds geen kant op, mijn auto was weggezet, ik had geen sleutel en de man stond met de stang in aanslag nog steeds voor mij. Ik was inderdaad voor mijn werk inderdaad op het erf geweest van de vader van de vrouw.

De man bleef maar herhalen: "Wat is nu je oplossing. Hoe ga je dit regelen. Wat ga je 'r aan doen?" Met zijn vrije hand bleef hij mij intimiderend tegen mijn schouder slaan met zijn vuist. Ik zag dat hij iedere keer uithaalde en mij daar krachtig raakte. Dit deed mij veel pijn.

Op een gegeven moment zag ik dat er een Jeep -achtige auto de oprijlaan op kwam rijden. Ik zag, nadat deze auto was gestopt, dat de mij bekende vader van mevrouw [verdachte] uit stapte. Tevens stapte er een mij onbekende jongen, van ongeveer 20 jaar, uit de Jeep. Ze liepen naar ons toen en uiteindelijk stonden er vier personen intimiderend om mij heen. Ik werd echt bang. Iedere keer werd mij gevraagd wat mijn oplossing was en wat ik nu zou gaan doen. (…)

Hierna dacht ik echt dat het voor mij afgelopen was. De sfeer was echt heel dreigend en ik had overal pijn. Ik nam aan dat de ronde 2 nu zou aanvangen. Ik stond echt doodsangsten uit. De man zei nog duidelijk tegen mij: "Voorlopig ben je hier niet weg, dat wordt overnachten!"

Plotseling gingen de oude man met zijn dochter en schoonzoon in overleg. Uiteindelijk

zei de oude man dat ze mij hier niet konden vasthouden en dat ze mij moesten laten gaan. Ik kreeg vervolgens de autosleutel terug en heb van een buiten-vensterbank van de woning mijn telefoon gepakt en ben naar mijn auto gelopen, die nog steeds op dezelfde plaats stond als waar de vrouw hem had neergezet. Toen ik naar de auto liep heb ik nog aan de vrouw gevraagd om mijn map met de exploten en andere formulieren. De vrouw zei heel expliciet dat ik deze niet terugkreeg. Ik heb het daar bij gelaten en wilde de zaak niet weer laten escaleren. Ik zag dat de oude man en de jongen ook instapten in hun auto. Ik ben ingestapt en kon achter de Jeep aanrijden, die voor mij het erf afreed.

Toen ik naar mijn auto liep hoorde ik dat [medeverdachte] , die ik hiervoor gemakshalve steeds als "de man" heb omschreven mij nariep: "Haal het niet in je hoofd om aangifte te doen. Geen politie en geen aangifte! Als je het wel doet kom ik je opzoeken en maak ik je af. Ik heb al je gegevens!"

Eenmaal op de doorgaande weg aangekomen heb ik een collega gebeld en 112. Ik vermoed dat ik zeker anderhalf uur ben vastgehouden op het erf van [medeverdachte] . Ik heb meerdere keren overwogen om te vluchten maar heb het niet aangedurfd. De boerderij van [medeverdachte] ligt afgelegen en ik zou zeker 2 a 3 kilometer moeten lopen alvorens ik bij een andere woning zou komen. Mijn auto kon ik niet gebruiken en mijn voet deed al zo'n pijn dat het lopen heel moeilijk ging. De man en vrouw hadden mij dan zo ingehaald bij een vluchtpoging. Ik maakte geen schijn van kans.

(…)

Tot slot is het zo, dat ik heb gezien en gevoeld dat zowel de man en de vrouw hebben

geprobeerd om mij met de metalen stangen in mijn gezicht te slaan. Het leek echt of

ze mij dood wilden slaan. Ik heb deze slagen gelukkig weten af te weren met mijn

rechterhand. Dat ik ook een van de redenen dat deze arm is gebroken.

2. Een schriftelijk stuk, te weten een letselrapportage betreffende [slachtoffer 1] , opgemaakt

d.d. 15 juli 2019 door S.J.Th. van Kuijk, forensisch arts, voor zover inhoudende, zakelijk

weergegeven:

onderzoek

Betrokkene is op 10 juli 2019 om ca 16.00 u door ondergetekende onderzocht op politiebureau Zwolle. Vanwege extreme pijn en verdenking op botbreuken plus hoofd-hersen-letsel is slechts kort onderzoek verricht en is betrokkene met spoed door ondergetekende verwezen naar de Isala klinieken te Zwolle voor opname en behandeling.

aanvullende medische informatie

voorgeschiedenis Geen relevante klachten. Betrokkene was vóór de mishandeling fit en

gezond en in goed lichamelijke conditie.

klachten Zeer veel pijn in gehele lichaam, met name romp, rechter arm en

been; betrokkene kan rechter arm hand en been door extreme pijn en zwelling niet gebruiken.

letselbeschrijving

hoofd

een grote driehoekige zwelling op het voorhoofd (kneuzing met roodheid en

onderhuids bloedverlies)

romp

borst

voor hoog op de borst 2 iets schuin en parallel lopende lijnvormige oppervlakkige

kraswonden van ca 4 en 3 cm de borst is net als rug pijnlijk door kneuzingen.

rug

pijnlijke rug; geen uitwendig zichtbaar letsel. foto 7 conclusie: kneuzing.

armen

linker arm + hand:

op de voorzijde van de schouder een vaag begrensde diepe blauwe onderhuidse

bloeduitstorting van ca 4 x 4 cm

op de zijkant van de bovenarm een ca 10 x 2 cm lijnvormige rood-bruine huidverkleuring met centraal een bleke opheldering die naar de achterzijde van de arm samenvloeit; een karakteristiek wondbeeld (zgn. train-track-lesion) wat ontstaat door samenpersen van huid en onderliggende spieren door slaan met een hard staafvormig voorwerp; hierbij ook aanwezig maar niet zichtbaar diepe kneuzingen en bloedingen in de onderliggende spieren; die tot veel pijn leiden (zoals ook bij betrokkene).

rechter arm + hand:

op de zijkant van de bovenarm 2 krasverwondingen van ca 2 cm (diep) en 1 cm (oppervlakkig)

de pols/onderste deel onderarm is fors gezwollen, pijnlijk en er zijn afwijkingen in

de buitencontour met aan de buitenzijde diverse kleine wonden op de huid zoals barst- en schaafwonden;

Betrokkene kan onderarm, pols en hand absoluut niet bewegen; pols / hand is extreem pijnlijk en kan niet onderzocht worden.

Beeld is karakteristiek voor een zogenaamde pareerfractuur (botbreuk aan buitenzijde

onderarm - meestal de ellepijp - ontstaan door afweren van geweld)

nader: via informatie van de DR is vernomen dat het bot aan de buitenzijde van de

pols (ellepijp) inderdaad op meerder plaatsen gebroken is; er blijken nog meer botbreuken aan de rechter arm te zijn.

linker been

op de zij-achterkant van de bovenbeen net onder de bil een ca 12 x 3 cm brede streepvormige rood-bruine huidverkleuring met centraal een bleke opheldering die aan de zijkanten samenvloeit; ook dit is een zgn. train-track-lesion wat ontstaat door samenpersen van huid en onderliggende spieren door slaan met een hard staafvormig voorwerp (met diepe kneuzingen en bloedingen in de onderliggende spieren; die tot veel pijn leiden (zoals ook bij betrokkene)

op de voor-zijkant van het bovenbeen ongeveer midschacht een streepvormige rode huidverkleuring (“striem”) van ca 12 x 1,5 cm

aan de achterzijde van het bovenbeen in het verlengde van 10/ een ca 9 x 3 cm brede streepvormige rood-bruine huidverkleuring met centraal een bleke opheldering die aan beide zijden samenvloeit; ook dit is een zgn. train-track-lesion.

aan de achterzijde van het bovenbeen in het verlengde van 10/ een ca 9 x 3 cm brede streepvormige rood-bruine huidverkleuring met centraal een bleke opheldering die aan beide zijden samenvloeit; ook dit is een zgn. train-track-lesion.

aan de buiten-achterzijde van de kuit net onder de knie een ca 9 x 3 cm brede streepvormige rood-bruine huidverkleuring met centraal een bleke opheldering die naar aan beide zijden samenvloeit; ook dit is een zgn. train-track-lesion.

rechter been

op de zij-achterkant van de bovenbeen 2 brede streepvormige rood-bruine huidverkleuringen (striemen) van ca 9 x 2 en 5 x 1 cm

op de voorzijde van het bovenbeen net boven de knie een ca 9 x 2 cm brede

streepvormige rood-bruine huidverkleuring met centraal een bleke opheldering die aan

beide zijden samenvloeit; ook dit is een zgn. train-track-lesion.

rechter voet

de wreef / buitenzijde van de voet is blauw, fors gezwollen, pijnlijk en er zijn afwijkingen in de contour

Betrokkene kan de voet absoluut niet bewegen vanwege extreme pijn. Beeld is karakteristiek voor botbreuken van diverse middenvoetsbeentjes (waarschijnlijk buitenste 3 of meer)

Nader: via informatie van de DR is vernomen dat diverse botten in de voet inderdaad op meerder plaatsen gebroken zijn.

beoordeling letsel

ontstaan Letsel ontstaan door direct inwerkend stomp botsend geweld op diverse plaatsen op

het lichaam van betrokkene uitgeoefend deels met staafvormige harde voorwerpen.

herstel

Op dit moment is nog niet duidelijk of er uiteindelijk volledig functioneel herstel zal

optreden. Betrokkene wordt nog behandeld en zal nog operaties moeten ondergaan.

bijzonderheden

Betrokkene heeft gezien de duidelijk aanwezige afweerverwondingen op met name de

rechter onderarm kunnen voorkómen dat zijn hoofd geraakt werd. Gezien de aard en ernst van de verwondingen op armen, benen en romp had een slag met hetzelfde voorwerp op het hoofd zonder meer tot dodelijk letsel geleid.

3. Een schriftelijk stuk, betreffende medische informatie over aangever [slachtoffer 1] , opgemaakt

door M.C. Vermeulen, radioloog, d.d. 24 juli 2019, voor zover inhoudende, zakelijk

weergegeven:

Afzender: Meander Medisch Centrum

Afdeling: Radiologie

Radioloog: Vermeulen

Patientdata: [slachtoffer 1] / [geboortedatum 2] -1968

Datum: 24-07-19

Verslag: onderbeen links

Conclusie: proximale fibulafractuur links

4. Een schriftelijk stuk, te weten een verhoor van getuige [getuige] (vader van [verdachte] )

d.d. 23 juli 2019, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de

getuige, p.203-207:

V = vraag verbalisant

A = antwoord getuige

V: Zitten [verdachte] en [medeverdachte] nu in financiële problemen?

A: Onherroepelijk

V: Wat voor impact heeft dat op hen?

A: Ze zijn allebei overspannen.

(…)

V: Woensdag 10 juli jl. kwam er een deurwaarder bij hen thuis. Hoe kreeg u dat te horen?

A: (…) [verdachte] heeft gebeld naar [naam 1] . Ze zei tegen [naam 1] dat hij mij moest zeggen dat ik naar haar toe moest komen. (…) Ik ben toen samen met [naam 1] in zijn auto gestapt en we zijn naar [verdachte] gegaan.

(…)

V: Wat trof u daar aan?

A: Ik zag de auto van die deurwaarder bij hen achter het huis staan, daarachter had [medeverdachte] zijn auto staan. (…) Ik zag die deurwaarder bij hen achter het huis staan en [medeverdachte] en [verdachte] . (…) [verdachte] liet hem iets van een papier ondertekenen. (…) [verdachte] zei tegen die deurwaarder dat hij een papier moest tekenen dat ie had gelogen.

V: Wat deed [medeverdachte] ?

A: [medeverdachte] zei tegen die deurwaarder dat ie direct niet weg zou komen. Ik zei toen dat hij hem beter weg kon laten gaan. (…) [medeverdachte] heeft die man toen de sleutel van zijn auto teruggegeven en zijn telefoon.

V: Hoe kwam [verdachte] te weten dat de deurwaarder vlak ervoor nog contact had gehad met [naam 2] van de FNV?

A: [verdachte] heeft tegen die deurwaarder gezegd: "Kom op, ik wil in je telefoon. Ik wil zien met wie je gebeld hebt." De man gaf zijn code aan [verdachte] . Hij stond erbij als een zoutpilaar, hij deed niks, zei niks.

(…)

V: Kon u nog wat aan de deurwaarder zien?

A: (…) Hij was wel angstig.

5. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 14 juli 2019, voor zover inhoudende,

zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte, p.54-66:

V = vraag verbalisant

A = antwoord verdachte

V: En [medeverdachte] is gearriveerd, waar zet hij de bus neer?

A: Achter de auto van de deurwaarder.

V: Kon de deurwaarder toen nog weg?

A: Met de auto niet. (…) Ik heb het hek open gedaan. (…) Toen vroeg ik aan hem of hij de auto weg wilde zetten.

(…)

V: Wat zei hij toen? A: Dat hij dat niet wilde. (…) Ik zei dat ik hem zelf wel weg zou zetten. Ik ben er in gaan zitten. Ik kreeg hem eerst niet aan. Hij zei niets en hielp mij ook niet. Op een gegeven moment kreeg ik hem aan en toen heb ik hem hier (De rechtbank begrijpt: elders op het perceel) neergezet.

(….)

Ik zei dat de filmpjes van internet af moesten. (...) De deurwaarder zei dat [naam 2] die filmpjes had geplaatst. Ik zei toen: "Dan stuur je toch een bericht naar [naam 2] dat hij die filmpjes er af haalt." (…) Ik zei toen dat hij mij de telefoon maar moest geven. Toen gaf hij zelf de telefoon. Toen zat er een code op. Ik zei dat ook. De deurwaarder gaf de code. Toen is dat bericht verstuurd door mij. Ik heb nog met mijn telefoon foto's genomen van de telefoon van de deurwaarder.

(…)

Toen iedereen weg was heb ik de papieren bij elkaar gehaald.

V: Welke papieren bedoel je?

A: Hij had een map met ducttape bij zich met allemaal deurwaarderspapieren erin. Die lag bij de heg. Die heb ik opgepakt en binnen gelegd. Ik heb er nog wel in gebladerd geef ik toe.

6. Een proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte] d.d. 14 juli 2019, voor zover

inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte, p.121-127:

V= vraag verbalisant

A= antwoord medeverdachte

V: Leg eens uit wat je zag toen je aan kwam rijden op de oprijlaan op 10 juli 2019?

A: Ik zag de auto van de deurwaarder.

(…)

V: Waar parkeerde jij je auto toen je aan kwam rijden?

A: (…) Achter de auto van de deurwaarder.

V: Was er een mogelijkheid voor de deurwaarder, op dat moment, om met zijn auto weg te kunnen?

A: Nee, eigenlijk niet.

(…)

Mijn vrouw heeft toen de auto van de deurwaarder verplaatst. Ik had mijn bus weggezet.

(…)

V: Wat lag er op de grond?

A: Papieren lagen er. Er wapperde overal papier.

(…)

V: Wat is er met die papieren gebeurd?

A: Die zijn blijven liggen bij ons.

7. Een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 10 juli 2019, voor zover

inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant [verbalisant 2] ,

p.149-150:

Op 10 juli 2019 werd voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in de woning gevestigd aan de [adres 1] . (…) Tijdens de doorzoeking werd het volgende in beslag genomen:

Zwarte map met gerechtelijke papieren;

Gerechtelijke papieren.

In de dagvaarding met parketnummer 08/218488-19

1. Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] d.d. 15 juli 2019, voor zover

inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van aangeefster:

Ik doe aangifte van bedreiging ingesproken via mijn zakelijke telefoon met nummer

[telefoonnummer] . Op dinsdagavond 9 juli jongstleden zat ik in mijn kantoor in het pand staande en gelegen aan de [adres 2] , alwaar mijn advocatenkantoor [naam kantoor]

gevestigd is. Ik was hier aan het werk. Mijn kantoormanager was tevens aanwezig in mijn kantoor. Op dit moment - het was ergens tussen 20.00 en 21.40 uur - ging onze zakelijke telefoon op het kantoor.

Ik nam de telefoon op en hoorde een vrouwenstem die niet haar naam vertelde. Deze

vrouw vroeg met wie zij sprak en ik zei mijn naam. Vervolgens hoorde ik dat deze vrouw mij begon uit te schelden op bijzonder heftig en dit voelde erg intimiderend. Ik herkende de stem van deze vrouw, als zijnde de stem van mevrouw [verdachte] , de partner van mijn voormalig cliënt [medeverdachte] uit [plaats 1] . Ik herkende de stem daar ik mevrouw [verdachte] meerdere malen telefonisch heb gesproken nadat ik haar voor een bespreking in Hotel [naam hotel] te Zwolle heb ontmoet en gesproken.

Tijdens het telefoongesprek sprak mevrouw [verdachte] onder meer de volgende woorden: " Jij hebt er een enorme puinhoop van gemaakt dus jouw laatste dagen zijn geteld. Wij weten jou wel te vinden en zullen jou kapot maken. Jij hebt ons ten gronde gericht dus nu ben jij aan de beurt".

(…)

Toen hoorde ik de stem van de mij bekende meneer [medeverdachte] . Hij zette dit

telefoongesprek voort. [medeverdachte] heb ik meerdere malen ontmoet, daar hij mijn

cliënt was. (…)

Tijdens dit telefoongesprek hoorde ik meneer [medeverdachte] de volgende woorden

zeggen: "En je gaat maar voor de bijl want we hebben nog wel wat en dat gaan we even

geven aan iemand die jou ten gronde richt, prettige avond".

Aansluitend hoorde ik dat mevrouw [verdachte] de woorden sprak: "we komen wel even

langs."

Dit laatst door meneer [medeverdachte] en mevrouw [verdachte] gesprokene heb ik

opgenomen met mijn I Phone die ik op mijn bureau had liggen. Door het door meneer [medeverdachte] en mevrouw [verdachte] gesprokene voelde ik mij bedreigd.

De woorden die zij spraken gaven mij het gevoel dat zij mij op wilden zoeken om mij lichamelijk iets aan te doen. Ook heb ik het gevoel gekregen dat zij mijn medewerkers of mijn kantoor willen beschadigen.

Ik stuur u de geluidsopname die door mij is opgenomen van het gesprek van 09 juli

2019.

2. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 september 2019, opgemaakt door verbalisant

[verbalisant 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van

verbalisant, p.216-217:

Op donderdag 11 juli 2019 werd een opsporingsonderzoek gestart onder de naam ON1R019057 Dortmund. Als verdachte kwamen hierin naar voren [verdachte] , en haar man [medeverdachte] . Tijdens het onderzoek kwam naar voren dat er op 15 juli 2019 tevens aangifte was gedaan door de advocate [slachtoffer 2] terzake bedreiging.

Op 9 juli 2019 tussen 20:00 uur en 21:40 uur ging de telefoon bij aangeefster en aangeefster nam de telefoon op. Ze hoorde een vrouwenstem die direct heftig en intimiderend begon te schreeuwen. (…) Het gesprek werd gedeeltelijk door aangeefster opgenomen op haar iPhone, die zij op dat moment op haar bureau had liggen. Het geluidsfragment is ter beschikking gesteld aan de politie.

Ik verbalisant heb het opgenomen geluidsfragment beluisterd. Ik herkende de stem op het

geluidsfragment als de stem van [medeverdachte] . Ik heb de verdachte [medeverdachte] twee maal als

verdachte gehoord in dit onderzoek. Ik hoorde dat [medeverdachte] met enigszins stemverheffing zei: “En je gaat maar voor de bijl want we hebben nog wel wat en dat gaan we even geven aan iemand die jou ten gronde richt, prettige avond.”

Hierna werd het gesprek beëindigd en was de eindegesprekstoon te horen.

3. Een proces-verbaal van aangifte door verdachte (tegen [slachtoffer 2] ) d.d. 20 augustus 2019,

voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte, p.222-224:

Ik heb op 9 juli telefonisch contact met [slachtoffer 2] opgenomen.

4. Een proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte] d.d. 8 augustus 2019, voor

zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van medeverdachte, p.225-229:

V = vraag verbalisant

A = antwoord verdachte

V: Ken jij de advocaat [slachtoffer 2] uit [plaats 2] ?

A: Lijkt me nogal logisch dat ik die ken want die heeft mijn belangen behartigd.

(…)

V: Op 9 juli 2019 werd ze gebeld door een vrouw. Ze herkende de stem van die vrouw als zijnde van jouw vrouw [verdachte] .

(…)

Terwijl het geluid op de speaker stond nam jij ook deel aan het gesprek. Weet je nog wat je allemaal hebt gezegd?

A: Ik heb haar wel gesproken inderdaad.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie Eenheid Oost-Nederland, onderzoek Dortmund/ON1RO19057. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] d.d. 10 juli 2019, p.01-02.

Voor een gedetailleerde weergave, zie bewijsmiddel 1 in de bijlage.

Vgl. proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 11 juli 2019, p.49-53 en proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 14 juli 2019, p.54-66.

Proces-verbaal verhoor medeverdachte [medeverdachte] d.d. 11 juli 2019, p.118.

Proces-verbaal verhoor medeverdachte [medeverdachte] d.d. 13 juli 2019, p.124.

Een schriftelijk stuk, te weten een letselrapportage, opgemaakt door forensisch arts S.J. Th. van Kuijk d.d. 17 juli 2019.

Een schriftelijk stuk, te weten een letselrapportage, opgemaakt door forensisch arts M.A.J. van Keulen d.d. 14 juli 2019.

Proces-verbaal van bevindingen betreffende horen kantoorgenoot d.d. 4 november 2019, als losse bijlage bij het dossier gevoegd.

De rechtbank komt bij de optelsom van de afzonderlijke posten 70 eurocent hoger uit dan het totaalbedrag van de vordering. De rechtbank zal in het voordeel van verdachte uitgaan van het door de verdediging gevorderde bedrag van € 12.524,83.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie Eenheid Oost-Nederland, onderzoek Dortmund/ON1RO19057. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature