< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Een 31-jarige man heeft zich in Hellendoorn schuldig gemaakt aan ernstig geweld op straat, waarbij hij het slachtoffer meermalen tegen het hoofd sloeg. Ook had de man aanzienlijke handelsvoorraden van diverse harddrugs voorhanden. De rechtbank veroordeelt de man tot een gevangenisstraf van 10 maanden.

Daarnaast is de man eerder door de rechtbank Gelderland veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden. Deze is nu door de rechtbank toegewezen, omdat de man zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan het plegen van nieuwe strafbare feiten.

Uitspraak



RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Almelo

Parketnummers: 08.140986.19 en 05/840033-16 (tul) (P)

Datum vonnis: 14 oktober 2019

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ,

thans verblijvende: P.I. Overijssel - HvB Zwolle te Zwolle.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 september 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. E. Leunk en van hetgeen door verdachte en de raadsvrouw mr. A. Foppen, advocaat te Harderwijk, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: met anderen openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ;

feit 2: harddrugs in zijn bezit had;

feit 3: handelde in harddrugs.

Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:

1

Hij op of omstreeks 22 mei 2019 te Hellendoorn,

openlijk, te weten nabij [adres] , in elk geval

op of aan de openbare weg en/of op een

voor het publiek toegankelijke plaats,

in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen twee personen, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

door:

- Meerdere malen, althans eenmaal, die [slachtoffer 1] (met gebalde vuist)

in/op/tegen het gezicht te slaan en/of te stompen en/of

- ( toen die [slachtoffer 1] op de grond lag) meerdere malen, althans eenmaal,

die [slachtoffer 1] tegen de rug en/of het rechterbeen te schoppen en/of te

trappen en/of

- meerdere malen, althans eenmaal, die [slachtoffer 2] (met gebalde

vuist) in/op/tegen het gezicht te slaan en/of te stompen en/of

- meerdere malen, althans eenmaal, die [slachtoffer 2] met een

slagwapen in/op/tegen het hoofd te slaan (waardoor die [slachtoffer 2]

ten val is gekomen,

terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1]

en [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad;

2

hij op of omstreeks 5 juni 2019 te Hellendoorn,

opzettelijk

aanwezig heeft gehad

- ongeveer 330 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal

bevattende heroïne, zijnde heroïne en/of

- ongeveer 78,60 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van

een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een/of

- 7,77 gram MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende MDMA en/of MDA en/of MDEA, zijnde MDMA en/of MDA

en/of MDEA en/of

- ongeveer 319,49 gram MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende MDMA en/of MDA en/of MDEA, zijnde MDMA

en/of MDA en/of MDEA en/of

- ongeveer 13,54 gram ongeveer 319,49 gram MDMA, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of MDA en/of

MDEA, zijnde MDMA en/of MDA en/of MDEA,

(telkens) een middel/middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

3

Hij in of omstreeks mei 2019 tot en met 5 juni 2019 te Hellendoorn,

opzettelijk

heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht

en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

- ongeveer 330 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal

bevattende heroïne, zijnde heroïne en/of

- ongeveer 78,60 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een/of

- 7,77 gram MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende MDMA en/of MDA en/of MDEA, zijnde MDMA en/of MDA

en/of MDEA en/of

- ongeveer 319,49 gram MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende MDMA en/of MDA en/of MDEA, zijnde MDMA

en/of MDA en/of MDEA en/of

- ongeveer 13,54 gram ongeveer 319,49 gram MDMA, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of MDA en/of

MDEA, zijnde MDMA en/of MDA en/of MDEA,

(telkens) een middel/middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De bewijsoverwegingen

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

Volgens de officier van justitie volgt uit wat de politieagenten die de camerabeelden van de situatie hebben beoordeeld, hebben verklaard, uit de onafhankelijk van elkaar afgelegde consistente verklaringen van slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en uit de getuigenverklaringen, dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 ten laste gelegde. Voorts is op basis van het politieonderzoek en de verklaring van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat hij harddrugs – met uitzondering van heroïne - in zijn bezit had. Voor het bezit van heroïne dient verdachte te worden vrijgesproken. Aangezien onvoldoende bewijs voorhanden is dat verdachte heeft gehandeld in harddrugs, dient hij naar het standpunt van de officier van justitie voor feit 3 eveneens te worden vrijgesproken.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw refereert zich met betrekking tot het bezit van harddrugs aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van de ten laste gelegde heroïne waarvoor geen bewijs is. Volgens de raadsvrouw is niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte betrokken was bij de openlijke geweldpleging. Aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hadden een probleem met verdachte waardoor het voor de hand ligt dat zij hem belasten. Verder kon de wijkagent niet met 100% zeggen dat hij verdachte op de beelden herkende. Voor feit 1 moet verdachte daarom worden vrijgesproken. Ten slotte stelt de raadsvrouw zich met de officier van justitie op het standpunt dat verdachte vrijgesproken dient te worden voor de handel in harddrugs (feit 3).

4.3

Het oordeel van de rechtbank .

Feit 1

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit (openlijke geweldpleging) heeft begaan. Daarvoor is het volgende van belang.

Op 22 mei 2019 deed [slachtoffer 1] aangifte van mishandeling door [verdachte] (hierna: verdachte). [slachtoffer 1] verklaarde onder meer, zakelijk weergegeven dat verdachte hem die avond had gebeld en gezegd dat [slachtoffer 1] zijn aangifte van 1 april 2019 tegen verdachte ter zake van bedreiging, vernieling en afpersing, moest intrekken omdat hij anders [slachtoffer 1] ’ huis zou slopen. Zijn vriend [slachtoffer 2] heeft vervolgens gebeld met [verdachte] , onder andere om aan te kondigen dat zij bij [verdachte] de sleutel van de Peugeot 207 van [slachtoffer 1] op zouden halen. Daarop is [slachtoffer 1] met [slachtoffer 2] naar de flat gegaan waar verdachte woonde. Volgens [slachtoffer 1] stonden er zeven personen voor die flat en was verdachte één van hen. Behalve verdachte waren alle jongens licht getint. Een persoon uit de groep sloeg met een gebalde vuist en met kracht in het gezicht van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] voelde pijn, viel en werd vervolgens diverse keren getrapt op zijn rug en rechterbeen.

Op 24 mei 2019 deed [slachtoffer 2] aangifte van (zware) mishandeling c.q.

openlijke geweldpleging door verdachte. Samengevat verklaarde hij dat [slachtoffer 1] op 22 mei 2019 bij hem kwam om te vertellen dat [verdachte] , verdachte, hem had bedreigd aan de telefoon. Ook beschikte verdachte nog over de autopapieren en reservesleutel van de Peugeot 207 die [slachtoffer 2] inmiddels van [slachtoffer 1] had gekocht. [slachtoffer 2] heeft vervolgens met verdachte gebeld over de autopapieren en reservesleutel, omdat hij, [slachtoffer 2] , die wilde hebben. Bij dat telefoongesprek werd [slachtoffer 2] voor van alles uitgescholden, waaronder ‘kinderprikker’. Daarop zijn [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] naar de flat van verdachte aan [adres] in Nijverdal gegaan om de autopapieren en -sleutel bij verdachte op te halen. Eenmaal daar stonden er volgens [slachtoffer 2] ongeveer 6 à 7 personen. De hele groep kwam op hem toegelopen. Een Turks uitziende man gaf [slachtoffer 2] een vuistslag in het gezicht. Daarna kwam een blanke jongen op [slachtoffer 2] aflopen die riep: “Wat had je nou kankerlijer met mij te bellen.” [slachtoffer 2] begreep dat dit verdachte was. Verdachte kwam vervolgens op hem aflopen met een voorwerp waarvan hij aanvankelijk dacht dat het een bijl was, maar dat gelet op zijn latere verwondingen een soort metalen knuppel moet zijn geweest. Daarmee sloeg hij hard tegen [slachtoffer 2] linkerzij-/achterkant van zijn hoofd. Ten gevolge daarvan viel [slachtoffer 2] op de grond en raakte even bewusteloos. [slachtoffer 2] wilde opstaan maar werd weer met het slagvoorwerp door verdachte op dezelfde plek geraakt. Het eerste dat [slachtoffer 2] zich vervolgens kan herinneren is dat iedereen weg was en dat hij [slachtoffer 1] met bebloede bovenlip op de grond bij de auto zag liggen. [slachtoffer 2] had onder meer een hoofdwond in zijn achterhoofd die gehecht is in het ziekenhuis.

[getuige 1] was getuige van het geweldsincident en verklaarde onder meer, zakelijk weergegeven, dat zij op 23 mei 2019 omstreeks 22.00 uur thuis was en van een vriendin hoorde dat er buiten gevochten werd. [getuige 1] keek door het raam en zag dat een man met een wit T-shirt aan wankelend over de parkeerplaats liep, dat hij vervolgens op de grond viel en dat er een man of 4 of 5 om hem heen stond. Een blanke man schreeuwde tegen de man volgens [getuige 1] : "Nu ben je de verkeerde tegen gekomen. Ik maak je koud. Kinderprikker. Kanker junk.” Op dat moment zag [getuige 1] dat er ook nog een andere man op de grond bewegingsloos tegen een auto aan zat, kennelijk bewusteloos.

[getuige 2] is door de politie als getuige gehoord en verklaarde onder meer dat hij op 23 mei 2019 met zijn broer [naam] bij verdachte was en dat verdachte een telefoontje kreeg. Vervolgens is de getuige rond 22.00 uur met verdachte en zijn broer naar beneden gegaan waar hij anderen ontmoette om “een vakantie te bespreken”. Er volgde volgens deze getuige een gewelddadige confrontatie met twee mannen die met een auto aan kwamen rijden; één van die mannen zou volgens verdachte [slachtoffer 2] heten.

Van het incident op 22 mei 2019 rond 22.00 uur waren van twee camera’s, die van het flatgebouw aan [adres] afkomstig waren, camerabeelden voorhanden. De politie heeft deze beelden bekeken en daarop zag de politie onder meer zeven personen die rond dat tijdstip buiten stonden. Vervolgens ziet de politie op de beelden een auto aan komen rijden, waarna er twee mannen uitstappen. Eén van hen wordt door een man uit de groep met een staaf geslagen. Een politieagent, zijnde de wijkagent, herkende daarbij deze man met “aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid” als verdachte. Voorts herkent hij uit de groep voor 100% [getuige 2] .

Feit 2

De rechtbank acht met de officier van justitie en de raadsvrouw niet bewezen wat verdachte onder feit 2 ten laste is gelegd ten aanzien van het aanwezig hebben van 330 gram heroïne, zodat zij hem ten aanzien van dat gedachtestreepje zal vrijspreken. De rechtbank komt voor het overige tot bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij zij - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 30 september 2019, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, Wetboek van Strafvordering (Sv);

het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 juni 2019 (pagina’s 32 en 33);

het proces-verbaal NFiDENT d.d. 1 juli 2019 (pagina’s 136 tem. 138);

een viertal rapporten van het NFI, telkens gedateerd 2 juli 2019 (pagina’s 139 tem. 142).

Feit 3

De rechtbank acht met de officier van justitie en de raadsvrouw niet bewezen wat aan verdachte onder feit 3 – kort gezegd de handel in harddrugs – is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. Verdachte heeft weliswaar de schijn op zijn minst tegen, gelet op de zeer omvangrijke hoeveelheid harddrugs die hij in huis had, maar in het dossier ontbreekt het wettige en overtuigende bewijs dat hij daarin handelde.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hHij op of omstreeks 22 mei 2019 te Hellendoorn, openlijk, te weten nabij [adres] , aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,

in vereniging geweld heeft gepleegd tegen twee personen, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

door:

- Meerdere malen, althans eenmaal, die [slachtoffer 1] met gebalde vuist in/op/tegen het gezicht te slaan en/of te stompen en/of

- toen die [slachtoffer 1] op de grond lag meerdere malen, althans eenmaal,

die [slachtoffer 1] tegen de rug en/of het rechterbeen te schoppen en/of te

trappen en/of

- meerdere malen, althans eenmaal, die [slachtoffer 2] met gebalde

vuist in/op/tegen het gezicht te slaan en/of te stompen en/of

- meerdere malen, althans eenmaal, die [slachtoffer 2] met een

slagwapen in/op/tegen het hoofd te slaan waardoor die [slachtoffer 2]

ten val is gekomen,

terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1]

en [slachtoffer 2] ten gevolge heeft gehad;

2

hij op of omstreeks 5 juni 2019 te Hellendoorn, opzettelijk aanwezig heeft gehad

- ongeveer 330 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal

bevattende heroïne, zijnde heroïne en/of

- ongeveer 78,60 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van

een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een/of

- 7,77 gram MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende MDMA en/of MDA en/of MDEA, zijnde MDMA en/of MDA

en/of MDEA en/of

- ongeveer 319,49 gram MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende MDMA en/of MDA en/of MDEA, zijnde MDMA

en/of MDA en/of MDEA en/of

- ongeveer 13,54 gram ongeveer 319,49 gram MDMA, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of MDA en/of

MDEA, zijnde MDMA en/of MDA en/of MDEA,

zijnde cocaïne en MDMA middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet ;

Indien in de bewezenverklaring taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder sub 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 141 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en 2 en 10 van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel te gevolge heeft, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden, met aftrek van het voorarrest Er is sprake van forse geweldpleging tegen twee slachtoffers die flink werden geslagen en geschopt, en het voorhanden hebben van een aanzienlijke hoeveelheid harddrugs. Ook zijn de feiten begaan in een proeftijd en ziet de reclassering geen heil meer in begeleiding van verdachte. Verdachte is bovendien vaker veroordeeld voor geweldsdelicten.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman wijst erop dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een Opiumwetdelict. Hij wil stoppen met drugsgebruik. Aangezien hij inmiddels ongeveer 3,5 maand in voorlopige hechtenis is, kan worden volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de tijd dat hij vast heeft gezeten. Hij kan derhalve met ingang van de datum van het vonnis in vrijheid worden gesteld.

7.3

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstig geweld op straat, waarbij hij er niet voor terugdeinsde om met een staaf meermalen tegen het hoofd van een slachtoffer te slaan. Dat dit niet tot (zeer) zware mishandeling of zelfs de dood van het slachtoffer heeft geleid, is niet de verdienste van verdachte. Daarbij was er sprake van een aanmerkelijk getalsmatig overwicht aan de zijde van de groep van verdachte bij die geweldpleging, zodat de slachtoffers geen enkele kans hadden om weg te komen. Verder had verdachte aanzienlijke handelsvoorraden van diverse harddrugs voorhanden, in die zin dat aan de stelling van verdachte dat het ging om voorraden voor eigen gebruik, geen geloof kan worden gehecht. Het aanwezig hebben van (groot)handelsvoorraden harddrugs acht de rechtbank strafverzwarend.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij veelvuldig is veroordeeld voor geweldsdelicten. Blijkbaar heeft hij niet geleerd van de in die veroordelingen besloten liggende waarschuwingen.

Over verdachte is een reclasseringsrapport uitgebracht. Tactus signaleert onder meer risico verhogende problemen op vrijwel alle leefgebieden. Verdachte is door onderhavige tenlastelegging uit zijn woning gezet, hij heeft – aldus rapporteur – geen zicht op dagbesteding, er is sprake van financiële problemen en een negatief sociaal netwerk. Verdachte heeft overigens niet willen meewerken aan het reclasseringsrapport. De kans op het onttrekken aan voorwaarden acht de reclassering in hoge mate aanwezig aangezien verdachte zich tijdens een eerder toezicht niet hield aan de voorwaarden en recidiveerde. Interventies in een justitieel kader acht de reclassering weliswaar geïndiceerd, maar door de weigerachtige houding van verdachte niet uitvoerbaar.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van tien maanden dient te worden opgelegd, met aftrek van het voorarrest.

9 De vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden waartoe verdachte bij vonnis van de rechtbank Gelderland van 8 augustus 2016 is veroordeeld, wordt tenuitvoergelegd.

De raadsvrouw heeft om verlenging van de proeftijd verzocht.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Het is immers gebleken dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14g, 27 en 57 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

- verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft, meermalen gepleegd;

feit 2

het misdrijf:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

- gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Gelderland van 8 augustus 2016 met parketnummer 05/840033-16 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. F.H.W. Teekman en

mr. drs. H. Vegter, rechters, in tegenwoordigheid E.P. Endlich, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2019.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland, district Twente, met nummer PLO600-2019258417. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] d.d. 23 mei 2019 (pagina’s 55 tem. 57).

Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] d.d. 24 mei 2019 (pagina’s 66 tem. 69). Geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 2] d.d. 4 juni 2019 (pagina 73).

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 24 mei 2019 (pagina’s 81 en 82).

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 25 juni 2019 (pagina’s 148 tem. 150).

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 juni 2019 (pagina’s 124 tem. 127). Proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 juni 2019 (pagina 128).


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature