< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

843a Rv – geen gehoudenheid tot overlegging – klokkenluidersregeling

Uitspraak



RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 7728062 \ CV EXPL 19-2559

Vonnis in kort geding van 10 juli 2019

in de zaak van

[eiser] ,wonende te [plaats] ,

eisende partij, hierna te noemen [eiser] ,

gemachtigde: mr. E.W. Kingma,

tegen

de stichting STICHTING CHRISTELIJKE ZONNEHUISGROEP IJSSEL-VECHT,gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,

gedaagde partij, hierna te noemen Zonnehuisgroep,

gemachtigde: mr. M.H. van Daal.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 20 mei 2019, met producties 1 tot en met 9,

- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 5,

- de mondelinge behandeling op 28 mei 2019, waarvan de griffier aantekening heeft gehouden,

- de aanhouding van de zaak om partijen de gelegenheid te geven hun geschil in onderling overleg op te lossen.

1.2.

Partijen hebben geen overeenstemming kunnen bereiken. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is op 17 juli 2017 in dienst getreden bij Zonnehuisgroep, in de functie van (statutair) bestuurder. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor vier jaren. [eiser] vormde de (eenhoofdige) Raad van Bestuur van Zonnehuisgroep.

2.2.

Zonnehuisgroep is gespecialiseerd in de zorg voor ouderen met verschillende vormen van dementie en belemmeringen in het lichamelijk, psychisch of sociaal functioneren.

2.3.

Binnen Zonnehuisgroep zijn ongeveer 850 medewerkers werkzaam. Naast een Raad van Bestuur heeft Zonnehuisgroep een Raad van Toezicht, bestaande uit minimaal vijf en maximaal negen leden. De Raad van Toezicht houdt toezicht op het beleid van de Raad van Bestuur en de algemene gang van zaken in Zonnehuisgroep en de met haar verbonden instellingen en rechtspersonen. De Raad van Toezicht voerde onder meer halfjaarlijks evaluatiegesprekken met de Raad van Bestuur.

2.4.

In het Reglement Raad van Bestuur, dat binnen Zonnehuisgroep geldt, is in artikel 1 lid 5 het volgende opgenomen:

"De Raad van Bestuur draagt er zorg voor dat de werknemers en anderen die in een contractuele relatie tot de Stichting staan, zonder gevaar voor hun rechtspositie de mogelijkheid hebben aan de bestuurder of aan een door hem aangewezen functionaris te rapporteren over vermeende onregelmatigheden binnen de Stichting van algemene, operationele en/of financiële aard. Vermeende onregelmatigheden die het functioneren van de Raad van Bestuur betreffen, worden gerapporteerd aan de voorzitter van de Raad van Toezicht. Deze klokkenluidersregeling wordt algemeen bekendgemaakt."

2.5.

Binnen Zonnehuisgroep gelden eveneens de "Klokkenluidersregeling Brancheorganisaties Zorg" en het "Reglement meldingen klokkenluidersregeling". In het Reglement meldingen klokkenluidersregeling wordt een vermoeden van een onregelmatigheid als volgt gedefinieerd:

"Een op gronden gebaseerd vermoeden van een onvolkomenheid of ongerechtigheid van algemene operationele en/of financiële aard die plaats vindt onder verantwoordelijkheid van de betrokken organisatie."

2.6.

Op 18 oktober 2018 heeft de voorzitter van de Raad van Toezicht een brief ontvangen die was ondertekend door 30 medewerkers van Zonnehuisgroep. In de brief werd verwezen naar artikel 1 lid 5 van het Reglement van de Raad van Bestuur en werd onder meer een melding gedaan van een onveilige situatie binnen Zonnehuisgroep en van beschadigd vertrouwen in [eiser] .

2.7.

Op 19 oktober 2018 heeft de voorzitter van de Raad van Toezicht aan [eiser] gelegenheid gegeven de brief in te zien. [eiser] heeft daarvan gebruik gemaakt. De namen van de ondertekenaars zijn daarbij voor [eiser] afgeschermd.

2.8.

Op 23 oktober 2018 heeft de Raad van Toezicht aan [eiser] meegedeeld dat de brief werd aangemerkt als klokkenluidersmelding en behandeld zou worden overeenkomstig de klokkenluidersregeling.

2.9.

Op 5 november 2018 heeft de Raad van Toezicht [eiser] op non-actief gesteld.

2.10.

Per 12 november 2018 is een interim-bestuurder aangesteld en is er conform de Klokkenluidersregeling een onderzoek gestart, waarvoor mevrouw [A] is aangesteld.

2.11.

Op 30 november 2018 heeft [A] het onderzoeksrapport in concept afgerond en op 6 december 2018 is aan [eiser] een samenvatting van het onderzoeksverslag verstrekt.

2.12.

[eiser] heeft in een kortgedingprocedure wedertewerkstelling en rehabilitatie gevorderd. Zonnehuisgroep heeft daarop een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend. Bij beslissingen van 11 februari 2019 (een vonnis en een beschikking) heeft de kantonrechter de verzoeken van [eiser] afgewezen en de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden met ingang van 1 augustus 2019. In de beschikking heeft de kantonrechter onder meer het volgende overwogen:

"2.2 Uit de hiervoor uitvoerig weergegeven ontstaansgeschiedenis van het conflict met [eiser] , uitmondend in het kort geding tot wedertewerkstelling enerzijds en het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst anderzijds, volgt, dat de diepste oorzaak van het huidige conflict een diepgaand verschil van inzicht betreft ten aanzien van de vraag hoe en door wie de 18-oktoberbrief behandeld diende te worden. Door ook na overleg met (leden van) de RvT aanspraak te blijven maken op afgifte van deze brief en door zich op het standpunt te blijven stellen de afhandeling van deze brief aan haar over te laten zonder bemoeienis van de RvT, terwijl de RvT zijn standpunt ook handhaafde, is het conflict verdiept.

(…)

2.10

[eiser] heeft een en andermaal benadrukt dat de RvT ten onrechte de klokkenluidersregeling op de 18-oktoberbrief van toepassing heeft verklaard. Voor zover [eiser] daarmee heeft willen betogen dat (vooral) daardoor een verstoorde arbeidsverhouding is ontstaan, passeert de kantonrechter dat betoog. In de eerste plaats is het zo dat dit verwijt van [eiser] , indien al juist, niet aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een verstoorde verhouding in de weg staat. (…) In de tweede plaats staat niet de vraag voorop of de brief nu wel of niet een klokkenluidersbrief was, maar gaat het erom dat 30 medewerkers van ZGIJV kennelijk geen andere mogelijkheid meer zagen dan hun zorgen (de onveilige situatie binnen Zonnehuisgroep IJssel-Vecht, aldus hun brief) aan de RvT kenbaar te maken. Ook als de klokkenluidersregeling niet was toegepast, dan had de RvT in actie moeten komen, waarbij de door [eiser] in haar brief aan de RvT van 31 oktober 2018 voorgestelde route, kort gezegd: geef mij de brief en laat mij het maar oplossen, niet voldoende realistisch is. De 18-oktoberbrief brief stelt immers, zoveel is wel duidelijk uit het onderzoek door [A] , het handelen van [eiser] als bestuurder aan de orde. (…)"

2.13.

[eiser] heeft Zonnehuisgroep bij brief van 19 maart 2019 verzocht om het overleggen van de brief van 18 oktober 2018 en het onderzoeksrapport van [A] . Zonnehuisgroep heeft dit geweigerd.

2.14.

[eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter van 11 februari 2019.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

I. Zonnehuisgroep te bevelen tot afgifte c.q. het verstrekken van stukken inzake de "klokkenluidersbrief" van 18 oktober 2018 en het onderzoeksrapport van mevrouw [A] , zoals nader gespecificeerd in punt 2.12 van de dagvaarding, zulks in elektronische vorm, dan wel in een andere door de voorzieningenrechter te bepalen vorm, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per dag of dagdeel dat Zonnehuisgroep dit bevel niet naleeft;

II. Zonnehuisgroep te veroordelen tot betaling van de kosten van deze procedure, met inbegrip van de nakosten van € 131,00 te vermeerderen met € 68,00 in geval van betekening en met € 258,00 in geval van beslaglegging, één en ander te vermeerderen met de wettelijke rente;

III. althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie juist acht.

3.2.

Zonnehuisgroep voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang van [eiser] bij toewijzing van de vordering is gegeven met haar stelling dat zij de verzochte bescheiden nodig heeft om haar standpunt in hoger beroep nader te onderbouwen. Het spoedeisend belang wordt door Zonnehuisgroep overigens niet betwist.

4.2.

[eiser] doet een beroep op artikel 843a Rv. Op grond van het bepaalde in dat artikel kan hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft.

4.3.

[eiser] heeft "afgifte c.q. het verstrekken" van stukken gevorderd. Op grond van artikel 843a Rv kan enkel inzage, afschrift of uittreksel gevorderd worden. Afgifte van die stukken kan daarom niet worden toegewezen. Nu [eiser] vordert de stukken in elektronische vorm te verstrekken, zal de voorzieningenrechter de vordering van [eiser] zo lezen dat zij een (digitaal) afschrift van de stukken wenst.

4.4.

Artikel 843a Rv noemt drie cumulatieve voorwaarden om een afschrift van bescheiden te kunnen vorderen: het moet gaan om bepaalde bescheiden, aangaande een rechtsbetrekking waarin eiser of zijn rechtsvoorgangers partij zijn en eiser moet een rechtmatig belang hebben bij inzage of afschrift. Is aan deze voorwaarden voldaan, dan bestaat desalniettemin geen gehoudenheid tot overlegging indien daarvoor gewichtige redenen bestaan, of indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd (lid 4 van artikel 843a Rv).

4.5.

Zonnehuisgroep doet een beroep op lid 4 van artikel 843a Rv . Zonnehuisgroep voert hiertoe aan dat zij de brief heeft aangemerkt als klokkenluidersbrief en dat dat meebrengt dat de brievenschrijvers bescherming genieten. Dat gold in de periode dat [eiser] hun bestuurder was, maar volgens Zonnehuisgroep ook daarna. Het enkele feit dat [eiser] niet meer het werkgeversgezag uitoefent, wil niet zeggen dat daarmee de melders gevrijwaard zijn van benadering of beschadiging naar aanleiding van hun melding, zowel van binnen als buiten de organisatie.

4.6.

[eiser] stelt in dit kader dat de briefschrijvers geen belang meer hebben bij anonimiteit, aangezien [eiser] niet meer zal terugkeren in de organisatie. In de klokkenluidersregeling is immers opgenomen dat de melder van een vermoeden van een misstand wordt beschermd in zijn rechtspositie jegens zijn werkgever. Nu de brievenschrijvers niet meer onderworpen zijn aan het gezag van [eiser] en daarom niet meer van haar afhankelijk zijn, bestaan er geen relevante bezwaren meer tegen overlegging van de stukken, aldus [eiser] .

4.7.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Met de brief van 18 oktober 2018 hebben 30 mensen hun zorgen over de organisatie geuit aan de Raad van Toezicht. De voorzieningenrechter beschikt – net als de kantonrechter die de beslissingen van 11 februari 2019 heeft genomen – niet over deze brief en kan bij haar beoordeling slechts uitgaan van hetgeen door Zonnehuisgroep, [A] en [eiser] zelf (die de brief immers heeft mogen lezen en hierover ter zitting kort heeft verklaard) over de brief is gesteld. Uit alle drie de lezingen volgt dat de melders ernstige zorgen hadden over een angstklimaat binnen Zonnehuisgroep. Er wordt geklaagd over een onveilige situatie en over tekortschietend bestuur. Bovendien wordt in de brief uitdrukkelijk een beroep gedaan op de Klokkenluidersregeling, met verwijzing naar artikel 1 lid 5 van het Reglement Raad van Bestuur. De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande voorshands van oordeel dat een dergelijke melding onder de definitie van 'vermoeden van een onregelmatigheid' zoals omschreven in het Reglement meldingen klokkenluidersregeling valt en dat de Raad van Toezicht deze brief als klokkenluidersbrief mocht aanmerken.

4.8.

Ervan uitgaande dat de klokkenluidersregeling van toepassing is, heeft te gelden dat de brievenschrijvers in beginsel bescherming genieten. De beperkte uitleg die [eiser] aan deze bescherming geeft wordt door de voorzieningenrechter niet gevolgd. De regeling is er evident op gericht om de identiteit van de klokkenluider af te schermen en afgeschermd te houden. Die afscherming dient niet alleen het belang van de klokkenluider in kwestie, maar is daarnaast ook als waarborg voor toekomstige anderen bedoeld. Waar het om gaat is dat klokkenluiders zich vrij voelen om misstanden binnen zorginstellingen aan de kaak te stellen in het vertrouwen dat zij anoniem blijven. Aldus zijn de gevolgen van het vrijgeven van de identiteit van een klokkenluider niet beperkt tot de relatie die deze zelf met zijn werkgever heeft. In de parlementaire behandeling van dit onderwerp is daarnaast onder ogen gezien dat een melder, indien zijn naam bekend wordt, niet alleen in zijn rechtspositie jegens de werkgever maar ook op een andere manier nadelige gevolgen van zijn melden kan ondervinden (bijvoorbeeld door pesten of andere vormen van intimidatie, vgl. Kamerstukken II 2014/15, 34 105, nr. 9, p. 10).

Daarnaast is in het onderhavige geval van belang dat [eiser] de brief heeft mogen lezen en naar ter zitting is gebleken de kern ervan ook goed kent. Van het rapport van [A] heeft zij een samenvatting ontvangen; dat daarbij wezenlijk andere informatie dan (aanwijzingen naar) de identiteit van de briefschrijvers is weggelaten is voorshands niet aannemelijk geworden. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat [eiser] weet welke verwijten haar door de briefschrijvers en in het rapport worden gemaakt en dat zij in staat is om zich daar behoorlijk tegen te verweren.

4.9.

Gelet op het voorgaande doet de uitzondering van het vierde lid van art. 843a Rv in dit geval, zowel waar het gaat om gewichtige redenen als om het waarborgen van een behoorlijke rechtsbedeling, zich voor. Bij die stand van zaken dient de vordering van [eiser] te worden afgewezen en kan het debat over de vraag of aan de overige vereisten (te weten: bepaalde bescheiden, partij bij de rechtsbetrekking en rechtmatig belang) is voldaan, onbesproken blijven. De voorzieningenrechter zal de vorderingen afwijzen.

4.10.

[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van deze procedure, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 720,00 aan salaris gemachtigde en € 120,00 aan nakosten.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Zonnehuisgroep, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 720,00 aan salaris gemachtigde en € 120,00 aan nakosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Koene en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2019. (JS)


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature