< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

GS heeft verzoekster gelast de activiteiten op een perceel naast de inrichting te beëindigen op straffe van een dwangsom. Op het moment van de zitting was er geen concreet zicht op legalisatie maar stond er wel een semi mobiele puinbreekinstallatie en lagen er hoeveelheden puin. De last strekt ook tot verwijdering van die installatie. Deze last wordt geschorst onder de voorwaarde dat er geen nieuw materiaal wordt aangevoerd en de puinbreekinstallatie niet wordt gebruikt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het niet noodzakelijk (en daarmee niet zonder meer evenredig) om een zo ver strekkende last onder dwangsom op te leggen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat volledige verwijdering van de installatie en het materiaal op dit moment noodzakelijk is in het licht van de omstandigheden van het geval en waarom niet kan worden volstaan met een minder verstrekkende last.

Uitspraak



RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 22/2684

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 december 2022 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [vestigingsplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. F.K. van den Akker),

en

het college van gedeputeerde staten van de Provincie Noord-Brabant (het college)

(gemachtigden: mr. M. Box en A.E. Lunskens).

Inleiding

1.1

In deze uitspraak beslist de voorlopige voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen een opgelegde last onder dwangsom.

1.2

Met het bestreden besluit van 23 augustus 2022 heeft het college aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd. Verzoekster wordt gelast om binnen een termijn van 3 maanden na het in werking treden van dit besluit de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder e sub 2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), te hebben beëindigd en beëindigd te houden. Indien niet tijdig aan de last wordt voldaan wordt een dwangsom verbeurd van € 2.750,- per week met een maximum van € 16.500,-. Om de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden moet de inrichting overeenkomstig de vigerende vergunde situatie in werking zijn gebracht. Hiertoe dient verzoekster de bedrijfsactiviteiten op het [adres] in [vestigingsplaats] te beëindigen en beëindigd te houden. Het college heeft ook aangegeven dat verzoekster de overtreding kan legaliseren met een toereikende omgevingsvergunning voor de activiteit “milieu”.

1.3

Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

1.4

Bij uitspraak van 18 november 2022 heeft de voorzieningenrechter het bestreden besluit bij wijze van ordemaatregel geschorst, in afwachting van de behandeling van het verzoek op een zitting.

1.5

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

1.6

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 december 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] namens verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van het college.

1.7

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de voorzieningenrechter hierna onder de beslissing.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijzigt de op 18 november 2022 getroffen voorlopige voorziening als volgt:

schorst het bestreden besluit tot en met zes weken na de beslissing op bezwaar

bepaalt dat deze schorsing vervalt als verzoekster niet voldoet aan de volgende voorwaarden:

de puinbreekinstallatie op het perceel [adres] in [vestigingsplaats] mag niet worden gebruikt

er mag geen aanvoer plaatsvinden van materiaal naar het perceel [adres] in [vestigingsplaats]

veroordeelt het college tot betaling van € 1.518,00 aan proceskosten aan verzoekster;

bepaalt dat het college het griffierecht van € 365,- aan verzoekster moet vergoeden.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Eerst zet de voorzieningenrechter de relevante feiten op een rij. Daarna gaat de voorzieningenrechter in op de standpunten van partijen. Verder legt hij de getroffen voorlopige voorziening uit

3. De voorzieningenrechter gaat bij de beoordeling uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Op 16 maart 2004 is een revisievergunning op grond van de Wet Milieubeheer verleend voor de inrichting aan het [adres] te [vestigingsplaats] voor het bewerken en breken van bouw- en sloopafval, het op- en overslaan van zand en grond alsmede de overslag van asbesthoudende afvalstoffen.

Vervolgens zijn op 19 april 2006, 2 oktober 2009, 29 februari 2012, 15 juli 2014, 16 januari 2015, 6 november 2018 en 29 juli 2021 veranderingsvergunningen verleend voor de activiteit “milieu”.

Het bedrijf van verzoekster is een type C-inrichting en bevat een IPPC-installatie.

Op 7 maart 2022 respectievelijk 6 juli 2022 hebben ter plaatse van het bedrijf van verzoekster door een toezichthouder van het college controles plaatsgevonden. Hierbij is geconstateerd dat verzoekster het naburige perceel aan de [adres] in gebruik heeft genomen. Op dit naburige perceel was voorheen het bedrijf [naam] gevestigd (een mestvergistingsbedrijf). Op dat moment (en ook op 19 december 2022 staat hier een puinbreker en vindt onder andere opslag van (on)gebroken puin, grond en zand plaats. Op het terrein van de inrichting aan [adres] vindt geen opslag meer plaats.

Op 8 juli 2022 heeft verzoekster bij het college een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordelingsplicht als bedoeld in artikel 7.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer ingediend. De aanmeldingsnotitie betreft de voorgenomen aanvraag voor een revisievergunning. Het gaat hierbij om onder meer de navolgende activiteiten:

• De inrichtingsgrenzen worden uitgebreid met het naburige perceel aan de [adres] ;

• De opslag en bewerking van verschillende afvalstromen, waaronder:

 Het op- en overslaan en het bewerken van bouw- en sloopafval:

 Het breken en zeven van puin met een semi-mobiele puinbreker;

 Het zeven van (asbesthoudende) grond/zand;

 Het shredderen en zeven van afvalhout en snoeihout;

• Het produceren van 60.000 m3 betonmortel (100 m3 per uur) in een betoncentrale;

• Het wegen van vrachten middels een weegbrug;

• De op- en overslag en stalling van materieel en materiaal;

Bij brief van 8 augustus 2022 heeft het college aan verzoekster medegedeeld dat de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn om te kunnen beoordelen of de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

Bij besluit van 23 augustus 2022 heeft het college aan verzoekster de last onder dwangsom opgelegd.

Bij besluit van 28 oktober 2022 heeft het college besloten dat geen milieueffectrapport noodzakelijk is. Er is geen sprake van belangrijke nadelige gevolgen die reden geven voor een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer.

Op 1 november 2022 heeft [naam] B.V. (de adviseur) namens verzoekster bij het college een aanvraag revisievergunning fase 1 milieu (artikel 2.1, eerste lid onder e in combinatie met artikel 2.4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingediend. De adviseur heeft ook een aanvraag voor een omgevingsvergunning tweede fase voor de activiteiten bouwen en ruimtelijk afwijken (artikel 2.1, eerste lid onder a en c van de Wabo) ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk. Die heeft de aanvraag doorgezonden aan het college.

Op 15 december 2022 heeft het college de adviseur van verzoekster verzocht om aanvullende gegevens.

Het college heeft op de zitting van 19 december 2022 onweersproken aangegeven dat bij een controle op 15 december is geconstateerd dat er geen verontreinigde grond wordt opgeslagen in een van de voormalige mestvergistingssilo’s. Daar wordt wel grind opgeslagen.

Verder wordt materiaal opgeslagen op het perceel [adres] ten behoeve van verwerking in de puinbreekinstallatie.

Op 18 december 2022 heeft verzoekster een deel van de door het college gevraagde gegevens aangeleverd.

4.1

Verzoekster stelt dat er met het indienen van de aanvraag sprake is van een concreet zicht op legalisatie. Tijdens een informeel overleg is door medewerkers van het college aangegeven dat het vaste praktijk is dat van verder handhavend optreden zal worden indien de aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvankelijk wordt geacht. Verzoekster verwacht dat de het college bij het nemen van het besluit op bezwaar de last zal herroepen. Het is niet redelijk als verzoekster nu aan de last moet voldoen.

4.2

Het college heeft vastgesteld dat tijdens controles is geconstateerd dat het bedrijf de bedrijfsactiviteiten heeft uitgebreid naar het perceel [adres] (voormalig [naam] ) en [adres] . Hiervoor is een omgevingsvergunning (milieu) nodig en het bedrijf heeft die vergunning niet. Er is nog geen ontvankelijke aanvraag is ingediend en volgens het college is er geen sprake van concreet zicht op legalisatie. Het college bestrijdt dat hij een opgelegde last onder dwangsom intrekt bij een concreet zicht op legalisatie. Het college heeft de impact van de activiteiten op het perceel [adres] niet kunnen beoordelen. Het algemeen belang weegt zwaarder dan het belang van het bedrijf nu met de geconstateerde overtreding gezondheids- en milieubelangen in het geding zijn.

4.3

Het college heeft ter zitting aangegeven dat hij nog niet heeft beoordeeld of na aanlevering van de gegevens één dag voor de zitting nu wel sprake is van een ontvankelijke aanvraag. Het college heeft hiervoor nog tijd nodig, zeker nu nog niet alle gegevens zijn aangeleverd.

4.4

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal bij een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevraagd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder kan handhavend optreden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, zodat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien.

4.5

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de handelswijze van verzoekster niet door de beugel kan. Ook al neemt verzoekster in overleg met de gemeente de plek in van een bedrijf waarover veel werd geklaagd, dat wil niet zeggen dat verzoekster zomaar haar gang kan gaan. Verzoekster had eerst een omgevingsvergunning moeten aanvragen en moeten wachten totdat deze was verleend. Door maar gewoon te beginnen met een uitbreiding van het bedrijf zonder de daartoe vereiste vergunning, roept verzoekster handhavend optreden over zich af. Bovendien pleegt verzoekster een strafbaar feit,namelijk het economische delict van handelen zonder omgevingsvergunning (milieu).

4.6

Op dit moment is volgens de voorzieningenrechter geen sprake van een concreet zicht op legalisatie. De aanvraag is nog niet compleet. Het indienen van de aanvraag wil niet zeggen dat het college moet afzien van handhavend optreden. In dat geval zal het bevoegd gezag nog steeds een afweging moeten maken tussen alle betrokken belangen, waarbij het bevoegd gezag rekening zal moeten houden met de omstandigheden van het concrete geval. Ook bij een concreet zicht op legalisatie kan het college optreden en het college heeft dat in het verleden ook gedaan. Onder deze omstandigheden is het naar oordeel van de voorzieningenrechter niet zonder meer onevenredig om handhavend op te treden. Anders wordt illegaal handelen beloond. De voorzieningenrechter heeft wel zijn bedenkingen bij de opgelegde last.

4.7

Op dit moment staat er een semi mobiele puinbreekinstallatie. Als verzoekster moet voldoen aan de last onder dwangsom, moet deze installatie worden verwijderd en moet ook het aanwezige materiaal op het terrein worden verwijderd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het niet noodzakelijk (en daarmee niet zonder meer evenredig) om een zo ver strekkende last onder dwangsom op te leggen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat volledige verwijdering van de installatie en het materiaal op dit moment noodzakelijk is in het licht van de omstandigheden van het geval en waarom niet kan worden volstaan met een minder verstrekkende last.

4.8

De voorzieningenrechter houdt rekening met de volgende omstandigheden:

Als de puinbreekinstallatie niet wordt gebruikt op het perceel [adres] , zijn er ook geen milieugevolgen die nog niet zijn beoordeeld.

Het nu opgeslagen materiaal op het terrein bevat geen gevaarlijke afvalstoffen en de enkele opslag heeft ook geen milieugevolgen.

Aanvoer van materiaal op het perceel [adres] leidt tot transportbewegingen en kan daarmee wel leiden tot milieugevolgen.

het college is niet in staat om op korte termijn te beoordelen of sprake is van een ontvankelijke aanvraag (omdat er nog gegevens ontbreken).

4.9

Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het bestreden besluit te schorsen onder voorwaarden: de semi-mobiele puinbreekinstallatie zelf mag blijven staan maar mag niet worden gebruikt. Het materiaal mag blijven liggen of mag worden afgevoerd maar er mag geen nieuw materiaal worden aangevoerd. Feitelijk wordt hiermee de bestaande situatie als het ware bevroren. Als verzoekster zich niet aan de voorwaarden houdt, dan vervalt de schorsing en geldt de last onder dwangsom. Dat betekent dat verzoekster dan een dwangsom zal verbeuren. De voorzieningenrechter heeft dit eerst aan partijen voorgehouden en die hebben nog het volgende naar voren gebracht.

4.10

Verzoekster heeft aangegeven dat zij na januari toch echt weer activiteiten moet kunnen ontplooien op het perceel [adres] , omdat zij de bestaande inrichting anders heeft ingericht. Als ze niets mag doen komt het bedrijf gedeeltelijk stil te liggen en komt zij in grote financiële problemen. Dit leidt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel. Dan had verzoekster maar moeten doen wat eenieder moet doen: eerst een vergunning vragen en dan pas beginnen. Als verzoekster na januari de puinbreekinstallatie wil gaan gebruiken of nieuw materiaal op het perceel [adres] wil aanvoeren, staat het haar vrij om te verzoeken om wijziging van de getroffen voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal dat verzoek dan beoordelen en kijken of de omstandigheden zijn gewijzigd.

4.11

Het college betwijfelt of een beroep op het evenredigheidsbeginsel zo ver kan gaan dat hij niet meer handhavend kan optreden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de beginselplicht tot handhaving het college niet ontslaat van de verplichting om in iedere zaak goed te kijken naar de omstandigheden van het geval en of handhavend optreden noodzakelijk en evenwichtig is in het licht van die omstandigheden. In dit geval wordt door een ‘bevriezen’ van de feitelijke situatie het gestelde doel van het college bereikt: er treden geen milieugevolgen voor de omgeving op zonder dat het college de kans heeft gehad de milieugevolgen eerst te beoordelen. Het is minder evenwichtig om verzoekster te gelasten de puinbreker en het materiaal weg te halen terwijl er een kans is dat verzoekster hiervoor een toereikende omgevingsvergunning krijgt. Om dezelfde reden gaat het te ver om verzoekster zomaar haar gang te laten gaan.

4.12

Hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, leidt de voorzieningenrechter dus niet tot een ander oordeel.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de hierboven aangegeven voorlopige voorziening.

6. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten.

7. Ten overvloede wijst de voorzieningenrechter partijen er op dat zij er goed aan doen om te proberen om eens te praten over de aanlevering van gegevens voor de aanvraag omgevingsvergunning. Mailen of brieven schrijven kost nu eenmaal meer tijd. Het voegt hierbij weinig toe om elkaar onder druk te zetten, toezeggingen te ontlokken enzovoorts.

8. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2022 door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier.

griffier

voorzieningenrechter

De griffier is verhinderddeze uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:800


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature