< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Beroepen over het verkeersbesluit tot openstelling van de Jagersboschlaan in Vught voor gemotoriseerd verkeer, met uitzondering van vrachtverkeer en autobussen, en de verlening van

een omgevingsvergunning voor het daarvoor aanbrengen van elementenverharding en de daarbij behorende werkzaamheden.

De besluiten blijven materieel in stand. Ten gevolge van de uitspraak vervalt de bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 juni 2020 uitgesproken schorsing van het besluit van 17 maart 2020, waarbij de omgevingsvergunning in stand is gelaten, en van het besluit tot verlening van die omgevingsvergunning.

Het verkeersbesluit

Alternatieven

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom hij niet heeft gekozen voor de door eisers genoemde alternatieven en inzichtelijk gemaakt hoe de belangen en de verschillende alternatieven tegen elkaar zijn afgewogen.

Veiligheid

De rechtbank oordeelt dat verweerder deugdelijk en kenbaar heeft gemotiveerd dat de veiligheid voor fietsers met het verkeersbesluit voldoende is gewaarborgd. Fietsers worden niet onevenredig door het verkeersbesluit getroffen.

Structuurvisie en Vughtse Nota Groen

De Structuurvisie is verankerd in het bestemmingsplan, waarin op de Jagersboschlaan gemotoriseerd verkeer planologisch wordt toegestaan. Omdat de Structuurvisie geen rechtstreeks werkende regels bevat, is er alleen al daarom geen sprake van strijd met de Structuurvisie. Omdat de groene uitstraling van de Jagersboschlaan behouden blijft en de weg niet wordt opengesteld voor vrachtverkeer en bussen, is er geen sprake van strijd met de Vughtse Nota Groen 2015.

Gevolgen van stikstof voor Natura 2000-gebieden

Gelet op de door verweerder ingebrachte onderzoeksrapporten heeft verweerder terecht geen aanleiding gevonden om aan te nemen dat als gevolg van het verkeersbesluit negatieve gevolgen te verwachten zijn door stikstofuitstoot.

Een groep van eisers woont op een afstand van meer dan 2 kilometer van het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied, zodat dit niet behoort tot hun directe woon- en leefomgeving. Wat zij aanvoeren over de bescherming van dit gebied tegen stikstof kan daarom niet leiden tot vernietiging van het besluit.

Relatie met bestemmingsplan "N65"

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat er in juridische zin geen koppeling bestaat tussen het verkeersbesluit en de planologische regeling in het bestemmingplan "N65".

Rapport verkeersdeskundige

De rechtbank heeft in dit door een eiser overgelegde rapport geen aanleiding behoeven te zien om zich niet langer te baseren op het in zijn opdracht uitgevoerde verkeerskundige onderzoek.

De omgevingsvergunning

Strijdigheid met het bestemmingsplan?

Bij de vaststelling van het bestemmingsplan is reeds rekening gehouden met eventueel gewijzigde inzichten. De toelaatbaarheid van gemotoriseerd verkeer op de Jagersboschlaan behoeft dan ook niet opnieuw te worden beoordeeld.

De indirecte gevolgen van de werkzaamheden

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat met de in artikel 16.1.3 van de planregels genoemde indirecte gevolgen niet de gevolgen van het gebruik van de verharde Jagersboschlaan zijn bedoeld. Dit betekent dat het gebruik van de Jagersboschlaan door gemotoriseerd verkeer niet in de besluitvorming behoefde te worden betrokken.

Structuurvisie en Vughtse Nota Groen/Quickscan natuur

De Structuurvisie en de Vughtse Nota Groen bevatten geen regels die bij een besluit op een aanvraag om een omgevingsvergunning moeten worden betrokken. Omdat de gevolgen van het gebruik van de verharde Jagersboschlaan niet als indirecte gevolgen in de besluitvorming behoefden te worden betrokken, behoefde de Quickscan Natuur geen betrekking te hebben op de gevolgen van het gebruik van die laan door motorvoertuigen.

Onderzoek openstelling Jagersboschlaan/bescherming NNB

Voor een groot gedeelte van de Jagersboschlaan is geen omgevingsvergunning nodig om aanlegwerkzaamheden te verrichten en voor de van een aanduiding voorziene gedeelten ervan biedt het bestemmingsplan de mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen, mits aan de daardoor beschermde waarden geen onevenredige afbreuk wordt gedaan. Een wijziging van de begrenzing van het NNB is hiervoor niet nodig. Daarom volgt de rechtbank niet de opvatting in het rapport openstelling Jagersboschlaan dat het verharden en openstellen van de Jagersboschlaan niet zonder afwijking van het bestemmingsplan en de provinciale Verordening ruimte mogelijk zijn.

Negatieve effecten op het NNB/externe werking

De bepalingen van de Interim omgevingsverordening over de externe werking en de eventuele compensatie kunnen ook van toepassing zijn bij de verlening van een omgevingsvergunning, maar alleen als deze wordt verleend voor een activiteit die wijziging brengt in de begrenzing van het NNB. Hiervan is, zoals de rechtbank al heeft overwogen, in dit geval echter geen sprake.

Relatie met de reconstructie van de N65

Evenals bij het verkeersbesluit bestaat er bij de verlening van de omgevingsvergunning in juridische zin geen koppeling met de planologische regeling in het bestemmingplan "N65".

Uitspraak



RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 20/851, SHE 20/955, SHE 20/966, SHE 20/976, SHE 20/929, SHE 20/1014, SHE 20/1093, SHE 20/1142 en SHE 20/2652

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 oktober 2020 in de zaken tussen

drs. [naam] , te [woonplaats] ,

(in de zaak SHE 20/851 mede namens:

[naam] en [naam] ;

[naam] ;

[naam] ;

[naam] ;

[naam] ;

[naam] ;

[naam] en [naam] ;

[naam] ;

[naam] ,

allen te [woonplaats] , eisers 1),

[naam] , te [woonplaats] , eiser 2,

(gemachtigde: mr. [naam] ),

[naam] , te [woonplaats] , eiseres 3,

(gemachtigde: [naam] ),

[naam] , [adres] , te [woonplaats] , eiser 4,

(gemachtigde: mr. [naam] ),

[naam] , eiser 5,

(gemachtigde: [naam] ),

[naam] en [naam] , te [woonplaats] , eisers 6,

(gemachtigde: mr. [naam] ),

tezamen: eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vught, verweerder,

(gemachtigden: mr. [naam] , mr. [naam] en [naam] ).

Procesverloop

Verkeersbesluit

Bij besluit van 11 september 2019 heeft verweerder een verkeersbesluit genomen, waarbij de Jagersboschlaan in Vught wordt opengesteld voor gemotoriseerd verkeer, met uitzondering van vrachtverkeer en autobussen.

Eisers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 21 februari 2020 heeft verweerder de bezwaren van eisers deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het besluit van 21 februari 2020 beroep ingesteld.

Omgevingsvergunning

Bij besluit van 26 september 2019 heeft verweerder de gemeente Vught een omgevingsvergunning verleend voor het uitvoeren van werkzaamheden, bestaande uit het aanbrengen van elementenverharding en de daarbij behorende werkzaamheden, op de Jagersboschlaan te Vught.

Bij besluit van 17 maart 2020 heeft verweerder de bezwaren van de eisers die bezwaar hebben gemaakt tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eisers 3 en 6 hebben tegen het besluit van 17 maart 2020 beroep ingesteld bij de rechtbank en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Bij uitspraak van 11 juni 2020 (SHE 20/1092 en SHE 20/1199) heeft de voorzieningenrechter het besluit van 17 maart 2020 en de omgevingsvergunning van 26 september 2019 geschorst, voor zover deze het aanbrengen van nieuwe verharding mogelijk maakten.

Bij brieven van 17 juli 2020 heeft verweerder verzocht de bij uitspraak van 11 juni 2020 getroffen voorlopige voorziening op te heffen. Deze verzoeken zijn geregistreerd onder de zaaknummers SHE 20/1950 ( drs. [naam] ) en SHE 20/1952 ( [naam] . en [naam] ).

Verkeersbesluit en omgevingsvergunning

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Nadien zijn nog de volgende gedingstukken binnengekomen:

Een aanvullend beroepschrift met bijlagen van eisers 6 van 23 juli 2020;

Een aanvullend beroepschrift met bijlagen van eisers 6 van 27 juli 2020;

Een aanvullend beroepschrift met bijlagen van eisers 6 van 12 augustus 2020;

Een aanvulling van het beroepschrift van eisers 1 van 19 augustus 2020;

Een aanvullend verweerschrift van 13 augustus 2020 met bijlagen.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van 25 augustus 2020, tezamen met het beroep van het bestuur van [naam] (zaaknummer SHE 20/986), waarin de rechtbank ter zitting mondeling uitspraak heeft gedaan. Aansluitend aan deze behandeling heeft de voorzitter van de meervoudige kamer als voorzieningenrechter de verzoeken om opheffing van de voorlopige voorziening behandeld.

Ter zitting van de meervoudige kamer van 25 augustus 2020 is drs. [naam] verschenen, mede als gemachtigde van de overige eisers 1. Eiser 2 is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Voor eiseres 3 is drs. [naam] verschenen. Eiser 4 is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Eiser 5 is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Voor eisers 6 is [naam] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eisers 6. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Zoals in het procesverloop is vermeld, is ook het beroep van het bestuur van [naam] (zaaknummer SHE 20/986) ter zitting behandeld. De rechtbank heeft in die zaak, na sluiting van het onderzoek ter zitting, onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

2.1

Drs. [naam] heeft zowel tegen het besluit van 21 februari 2020 als tegen het besluit van 17 maart 2020 beroep ingesteld. Het beroep tegen het besluit van 17 maart 2020 heeft hij alleen voor zichzelf ingesteld. Het beroep tegen het besluit van 21 februari 2020 heeft hij mede ingesteld namens de andere in het beroepschrift genoemde personen (tezamen eisers 1).

2.2

Verweerder heeft in het besluit van 21 februari 2020 het bezwaar van [naam] , wonende aan de [adres] , niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Zijn woning wordt namelijk niet ontsloten op de Jagersboschlaan en toename van de verkeersdruk door openstelling van de Jagersboschlaan is in zijn straat niet te verwachten. Het regelmatig gebruik maken van de weg of vrezen voor de verkeersveiligheid is volgens verweerder onvoldoende om [naam] als belanghebbende aan te merken.

2.3

In het beroepschrift van eisers 1 worden geen gronden gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van [naam] . Eisers 1 hebben ter zitting hun beroep, voor zover het mede is ingesteld door [naam] , ingetrokken. Deze intrekking heeft geen gevolgen voor de inhoudelijke behandeling van het beroep, voor zover dat door de overige eisers 1 is ingesteld.

De ontvankelijkheid

3. Voordat de rechtbank de zaken verder inhoudelijk kan behandelen, moet zij beoordelen in hoeverre de overige beroepen tegen de besluiten van 21 februari en 17 maart 2020 ontvankelijk zijn.

3.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld stelt dat eisers 6 niet als belanghebbende kunnen worden aangemerkt bij zowel het verkeersbesluit als het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning.

Volgens verweerder woont [naam] aan [adres] , waar ook [naam] B.V. is gevestigd. Vanaf dat perceel is er geen zicht op de Jagersboschlaan en de afstand bedraagt ongeveer 900 meter tot de projectlocatie. Er zijn voor [naam] geen ruimtelijke gevolgen (van enige betekenis). Voor zover van enige verkeers- of geluidhinder sprake is, geldt dat deze hinder geen gevolg is van de omgevingsvergunning. Het bestemmingsplan staat de realisatie van de weg toe. Voor zover [naam] mogelijk in de nabije toekomst zelf op het perceel [adres] wenst te gaan wonen, is volgens verweerder geen sprake van een actueel belang dat hem tot belanghebbende maakt.

Ten aanzien van de B.V., als eigenaar van het perceel [adres] , vindt verweerder niet duidelijk welk belang door de besluiten wordt getroffen. De B.V. gebruikt het perceel niet zelf. Het enige belang is het genereren van huurinkomsten.

3.2

Eisers 6 hebben betoogd dat [naam] belanghebbende is, omdat [naam] B.V. belanghebbende is. Eisers 6 beroepen zich hierbij op vereenzelviging, waardoor het onderscheid tussen twee rechtssubjecten volledig weggedacht wordt en deze rechtssubjecten ten behoeve van een bepaald doel als één identiteit worden behandeld. Eisers 6 verwijzen hiervoor naar het arrest van het Hof Arnhem van 4 september 2012 (RO 2013/3), waarin het Hof, in navolging van onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 augustus 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BJ5511), heeft overwogen dat, als sprake is van een beroepschrift van een directeur/enig aandeelhouder van een eenmans-B.V., het beroepschrift van de B.V. aan de directeur/enig aandeelhouder kan worden toegerekend. Er kan volgens het Hof worden vereenzelvigd, wanneer vaststaat dat de belangen van de één identiek zijn aan de belangen van de ander en daarover voor andere betrokkenen in het rechtsverkeer geen enkele onduidelijkheid of onzekerheid kan bestaan.

3.3

De rechtbank deelt de opvatting van verweerder dat [naam] geen rechtstreeks actueel belang heeft dat is betrokken bij het verkeersbesluit en het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning, dat hem tot belanghebbende maakt. Het beroep van eisers 6 op vereenzelviging, onder verwijzing naar de door hen aangehaalde jurisprudentie, slaagt niet, omdat van vereenzelviging sprake is in een vertegenwoordigingsrelatie. Op grond van die jurisprudentie kan niet worden geoordeeld dat, als een rechtspersoon belanghebbende is bij een besluit, ook de natuurlijke persoon die directeur/enig aandeelhouder is van die rechtspersoon belanghebbende is bij dat besluit. [naam] is dan ook geen belanghebbende bij de besluiten waartegen hij bezwaar heeft gemaakt.

3.4

Omdat verweerder het bezwaar van [naam] in de besluiten van 21 februari en 17 maart 2020 ontvankelijk heeft geacht, kunnen deze besluiten in zoverre niet in stand blijven. Het beroep van eisers 6 is, in verband hiermee, gegrond. Deze besluiten zullen daarom in zoverre worden vernietigd. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien, door het door [naam] gemaakte bezwaar tegen het verkeersbesluit en het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

3.5

De Afdeling heeft in zijn uitspraak van 12 augustus 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1910), over de belanghebbendheid bij besluiten krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), overwogen dat deze wordt aangenomen bij bewoners en eigenaren en ook bij anderszins zakelijk of persoonlijke gerechtigden van een perceel dat grenst aan het perceel waarover het besluit gaat, of dat gelijk te stellen is met een aangrenzend perceel. Volgens de Afdeling wordt er bij dergelijke percelen vanuit gegaan dat feitelijke gevolgen, indien die zich voordoen, in beginsel van enige betekenis zijn. Omdat (in het betrokken geval) de realisering van een bedrijfswoning gevolgen kan hebben voor de gebruiksmogelijkheden van het aangrenzende perceel, was er sprake van feitelijke gevolgen van enige betekenis, zodat de betrokken stichting, als eigenaar van de aangrenzende percelen, een rechtstreeks betrokken belang in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb had.

In haar uitspraak van 14 september 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AU2619), heeft de Afdeling, over de belanghebbendheid bij verkeersbesluiten, overwogen dat de eigenaar van een pand belanghebbende is bij een verkeersbesluit, indien de daarin vervatte maatregelen zijn eigendomsbelangen raken. Daarvan was sprake, omdat aannemelijk was dat een wijziging in de laad- en losregeling nabij het pand zijn commerciële belangen als eigenaar van het pand raakten.

De rechtbank oordeelt, gelet op deze uitspraken, dat [naam] B.V., als eigenaar van het perceel [adres] , belanghebbende is bij het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning en bij het verkeersbesluit, omdat de daarin vervatte maatregelen zijn eigendomsbelangen en commerciële belangen raken. Verweerder heeft het bezwaar van [naam] B.V. dan ook terecht ontvankelijk geacht.

Inhoudelijke behandeling van de beroepen

Het verkeersbesluit

De feiten

4.1

De Jagersboschlaan in Vught is gelegen tussen de Hoevensestraat en de Martinilaan en wordt onderbroken door de Vijverbosweg. Vanaf de kruising met de Vijverbosweg tot de Martinilaan is de Jagersboschlaan onverhard, met uitzondering van een strook die is ingericht als (brom)fietspad in twee richtingen. Op de Jagersboschlaan is het planologische regime van toepassing dat is vastgelegd in bestemmingsplan "Vijverhof 2016" (hierna: het bestemmingsplan). In de plantoelichting bij het bestemmingsplan is vermeld:

"Het is een optie om de Jagersboschlaan tot nieuwe ontsluitingsroute voor het westelijk deel van Vught te ontwikkelen op het moment dat de N65 wordt gereconstrueerd. Op dat moment krijgt de Jagersboschlaan en de directe omgeving een andere positie en potentie."

In het bestemmingsplan is aan de Jagersboschlaan de bestemming "Verkeer" toegekend. In de in de planregels gegeven bestemmingsomschrijving is bepaald dat de voor "Verkeer" aangewezen gronden onder meer bestemd zijn voor "Wegen en straten met hoofdzakelijk een verkeersfunctie" en "Voet-en rijwielpaden". Over een smalle lange strook heeft de weg ook de gebiedsaanduiding "Overige zone-ecologische hoofdstructuur". Deze gebiedsaanduiding ligt ook op het gebied tussen de Jagersboschaan en de N65. Op een klein gedeelte ligt de gebiedsaanduiding "Overige zone-cultuurhistorisch waardevol gebied".

Bij besluit van 26 september 2019 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het uitvoeren van werkzaamheden, bestaande uit het aanbrengen van verharding op de Jagersboschlaan tussen de Vijverbosweg en Martinilaan. Dit besluit heeft geleid tot beroepen die verderop in deze uitspraak zullen worden besproken. De gemeenteraad van Vught heeft op 14 mei 2020 het bestemmingsplan "N65" vastgesteld, dat strekt tot de planologische verankering van een half-verdiepte aanleg van de N65 door de kom van Vught en de daarbij te nemen aanpassingen van bestaande kruisingen en andere maatregelen in de omgeving. De Jagersboschlaan vormt geen onderdeel van het plangebied van het bestemmingsplan "N65". Met het oog op de herontwikkeling van de N65 komt de kruising tussen de N65 en de Martinilaan te vervallen en wordt de kruising tussen de N65 en de Vijverboslaan gereconstrueerd.

4.2

Bij het besluit van 11 februari 2020 heeft verweerder het verkeersbesluit gehandhaafd en voor de motivering verwezen naar het advies van de bezwaaradviescommissie. Verweerder heeft gesteld dat, overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) en artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (Babw), op de Jagersboschlaan maatregelen worden genomen met als doel het verzekeren van de veiligheid op de weg, het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer en het voorkomen of beperking van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden. Deze doelen worden met het verkeersbesluit nagestreefd door de Jagersboschlaan te verharden en open te stellen voor gemotoriseerd verkeer met uitzondering van vrachtverkeer en autobussen. De weg wordt ingericht als fietsstraat met 30 km/u-regime en voorzien van snelheidsremmende maatregelen. Verweerder heeft er verder op gewezen dat, in verband met de herontwikkeling van de N65, aanpassingen noodzakelijk zijn aan onder meer de Jagersboschlaan, met het oog op een evenredige verspreiding van het verkeer door Vught en de bereikbaarheid (onder meer voor hulpdiensten) van bestemmingen aan de Martinilaan, zoals het taleninstituut Regina Coeli, de Martinihal en het Maurick College. Parallel aan de N65 komt een snelfietspad te liggen, als alternatief voor fietsers die nu gebruik maken van de Jagersboschlaan. Het verkeersbesluit is daarom volgens verweerder onderdeel van een groter pakket aan maatregelen.

Het wettelijke kader

5. Het voor het verkeersbesluit relevante wettelijke kader is opgenomen in een achter deze uitspraak gevoegde bijlage.

De beoordeling van het besluit van 21 februari 2020 aan de hand van de aangevoerde gronden

Beoordelingskader

6. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie, waaronder de uitspraak van de Afdeling van 12 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4046), aan verweerder bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsvrijheid toekomt bij de uitleg van de begrippen ‘veiligheid op de weg’ en ‘bruikbaarheid van de weg’. Ook is het aan verweerder om de verschillende belangen die betrokken moeten worden bij het nemen van een dergelijk besluit tegen elkaar af te wegen en om te bepalen wanneer de in artikel 2 van de Wvw vermelde belangen het nemen van welke verkeersmaatregelen vergen. De rechter dient zich bij de toetsing van een dergelijk besluit terughoudend op te stellen en te toetsen of het besluit niet strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel of er sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat verweerder niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen. Verweerder behoeft niet de absolute noodzaak van een verkeersbesluit aan te tonen. Voldoende is dat met het verkeersbesluit de eraan ten grondslag gelegde belangen, bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw worden gediend en dat inzichtelijk is gemaakt op welke wijze alle betrokken belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

Noodzaak en alternatieven

7.1

Eisers 1, eiser 4 en eiser 5 betogen dat de openstelling van de Jagersboschlaan voor gemotoriseerd verkeer niet noodzakelijk is voor de spreiding van het verkeer of voor de hulpdiensten. Zij stellen dat er alternatieven zijn, waarbij het verkeer ook na de reconstructie van de N65 blijft doorstromen en een veilige fietsroute blijft. Eisers betogen dat het bestaande wegennet de verkeersstromen aankan en dat langs de N65 een parallelweg gerealiseerd kan worden. Eisers voeren aan dat verweerder deze alternatieven, waarbij de Jagersboschlaan niet opengesteld hoeft te worden, onvoldoende heeft onderzocht.

7.2

Verweerder heeft erop gewezen dat, in verband met de herontwikkeling van de N65, openstelling van de Jagersboschlaan noodzakelijk is om een betere en evenredige spreiding van het verkeer door Vught te bewerkstelligen en om de voorzieningen aan de Martinilaan goed bereikbaar te houden voor onder meer de hulpdiensten. Bij het gesloten houden van de Jagersboschlaan zou volgens verweerder het verkeer op de omliggende wegen, met name op de Theresialaan, teveel toenemen. Uit het oogpunt van verkeersveiligheid vindt verweerder dit onwenselijk, omdat aan die laan woningen, scholen, horeca en winkels liggen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verweerder gewezen op verkeersberekeningen. Daarop baseert verweerder ook zijn stelling dat de verkeerstoename op de Jagersboschlaan beperkt blijft tot 1.490 voertuigen per etmaal en dat Jagersboschlaan na openstelling voldoende capaciteit heeft om dat aantal te verwerken. De verkeerstoename op de Jagersboschlaan past volgens verweerder binnen de wettelijke en beleidsmatige kaders. Verweerder benadrukt dat bij het verkeersbesluit de belangen in het hele gebied moeten worden betrokken en dat dit besluit niet slechts ziet op de Jagersboschlaan. Mede onder verwijzing naar onderzoeken naar stikstof, geluid en aantasting van natuurwaarden, stelt verweerder zich op het standpunt dat de omwonenden niet onevenredig worden benadeeld door het verkeersbesluit. Uit Quickscan-onderzoeken naar de effecten op flora en fauna, de cultuurhistorie en archeologie en een boomeffectanalyse, blijken geen nadelige effecten. In de beroepsfase heeft verweerder een op 12 augustus 2020 gedateerd memo overgelegd van het adviesbureau Exante. Daarin is onder meer geconcludeerd dat de bereikbaarheid van de voorzieningen aan de Martinilaan gebaat is bij een directe verbinding via de Jagersboschlaan.

7.3

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom hij niet heeft gekozen voor de door eisers genoemde alternatieven. Hij heeft niet gekozen voor de optie van een parallelweg langs de N65, omdat deze keuze zou betekenen dat er een aansluiting op de parallelweg moet komen ter hoogte van de kruising Vijverbosweg-Boslaan.

Ruimte voor die toegang is er volgens verweerder niet en realisatie daarvan zou betekenen dat veel grond moet worden aangekocht, wat economisch gezien niet wenselijk is. Verweerder heeft verder, met verwijzing naar verkeersberekeningen, voldoende aannemelijk gemaakt dat de optie voor handhaving van de bestaande wegenstructuur onvoldoende oplossingen biedt voor de knelpunten die zijn te verwachten bij het vervallen van de kruising N65-Bréautélaan-Martinilaan en dat dit zou leiden tot een onwenselijke toename van de verkeersdruk op de al bestaande wegen en de daaraan gelegen voorzieningen.

Bij dit oordeel betrekt de rechtbank dat het enkele feit dat er alternatieven zijn voor een verkeersbesluit op zichzelf niet kan afdoen aan de rechtmatigheid daarvan. Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank in de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BD8865).

7.4

Eisers hebben overigens de door verweerder overgelegde verkeersberekeningen en de bevindingen van onderzoeksbureaus niet weerlegd met objectieve en verifieerbare onderzoeksgegevens. Met inachtneming van het hiervoor gegeven toetsingskader oordeelt de rechtbank dat het verkeersbesluit de daarbij in aanmerking te nemen belangen dient. Verweerder heeft inzichtelijk gemaakt hoe de belangen en de verschillende alternatieven tegen elkaar zijn afgewogen. De uitkomst van de belangenafweging kent voor omwonenden van de Jagersboschlaan weliswaar nadelige gevolgen, maar is naar het oordeel van de rechtbank niet onevenwichtig. De nadelige gevolgen van het verkeersbesluit zijn ook niet onevenredig in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Ook de rechtbank ziet er niet aan voorbij dat eisers als omwonenden mogelijk meer overlast en inbreuk op hun privacy kunnen ervaren als gevolg van het verkeersbesluit, ondanks de in dat kader te nemen verkeersremmende maatregelen. Verweerder heeft zich echter op het standpunt kunnen stellen dat het in een stedelijke omgeving als normaal mag worden beschouwd dat die omgeving aan verandering onderhevig is, temeer omdat op de Jagersboschlaan de bestemming "Verkeer" rust. Verweerder heeft bij het vaststellen van het verkeersbesluit een belangenafweging gemaakt, waarbij politieke en bestuurlijke inzichten een belangrijke rol hebben gespeeld. Deze zijn herhaaldelijk in de gemeenteraad van Vught aan de orde geweest. De bestuursrechter heeft niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen.

Dit betoog van eisers 1, 4 en 5 faalt.

Veiligheid

8.1

Eiser 2 heeft aangevoerd dat verweerder de gevolgen van het verkeersbesluit voor de veiligheid van fietsers na de openstelling van de Jagersboschlaan niet heeft onderzocht. Wat nu alleen een fietspad is, wordt straks vermengd met autoverkeer. Dat levert een gevaar op voor de fietsers. Bovendien zullen ouderen en scholieren niet kiezen voor de aan te leggen snelfietsroute langs de N65, maar de veel rustigere Jagersboschlaan. Ook recreatieve fietsers zullen kiezen voor de Jagersboschlaan.

8.2

Verweerder heeft erop gewezen dat het verkeersbesluit in overeenstemming is met de uitgangspunten die in het Verkeers- en vervoersplan voor het beleid over verkeersveiligheid en fietsbereikbaarheid zijn geformuleerd.

Onder verwijzing naar verkeersberekeningen heeft verweerder gemotiveerd gesteld dat openstelling van de Jagersboschlaan zal leiden tot een afname van de gemotoriseerde verkeersbewegingen op het omliggende wegennet, waardoor de fietsveiligheid wordt vergroot. De inrichting van de Jagersboschlaan als fietsstraat is gebaseerd op landelijke richtlijnen van het Fietsberaad en van CROW. In de door verweerder overgelegde memo van Exante is, na raadpleging door Exante van de door CROW gehanteerde criteria, geconcludeerd dat de geplande snelfietsroute vooral voor scholieren van het Maurick College een zeer aantrekkelijk alternatief zal zijn voor de fietsroute over de Jagersboschlaan. De rechtbank oordeelt dat verweerder aldus deugdelijk en kenbaar heeft gemotiveerd dat de veiligheid voor fietsers met het verkeersbesluit voldoende is gewaarborgd. Aan de stelling dat scholieren, ouderen en recreatieve fietsers geen gebruik zullen maken van de snelfietsroute en daarvoor de Jagersboschlaan zullen verkiezen, kan niet de door eiser 2 gewenste betekenis worden toegekend, reeds omdat deze stelling niet is onderbouwd met objectieve gegevens. De rechtbank concludeert dat verweerder - gelet op het met het verkeersbesluit gediende doel - ook overigens voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat fietsers niet onevenredig door het verkeersbesluit worden getroffen.

Dit betoog van eiser 2 faalt.

Structuurvisie Vught 2014 en Vughtse Nota Groen 2015

9.1

Eisers 1, 3 en 4 hebben aangevoerd dat met de openstelling van de Jagersboschlaan een groene, voor recreatie gebruikte laan wordt opgeofferd ten behoeve van een betere doorstroming van het autoverkeer en dat dit zich niet verdraagt met de Structuurvisie Vught 2014 (Structuurvisie) en de Vughtse Nota Groen 2015.

9.2

De rechtbank stelt vast dat de Structuurvisie verankerd is in het bestemmingsplan, waarin aan de Jagersboschlaan de bestemming "Verkeer" is toegekend. Daarmee is reeds gegeven dat gemotoriseerd verkeer planologisch is toegestaan en dat geen sprake is van strijd met de Structuurvisie. De Structuurvisie bevat zelf geen rechtstreeks werkende regels. Overigens is in de Structuurvisie vermeld dat openstelling van de Jagersboschlaan een mogelijkheid is bij reconstructie van de N65.

Verweerder heeft erop gewezen dat een aantal bomen met landschappelijke waarde na het openstellen van de Jagersboschlaan blijft staan en dat de Quickscan Natuur en de Bomeneffectenanalyse heeft uitgewezen dat geen schade aan de natuur te verwachten is als er gemotoriseerd verkeer zal worden toegelaten op de Jagersboschlaan. Omdat de groene uitstraling van de Jagersboschlaan behouden blijft en de weg niet wordt opengesteld voor vrachtverkeer en bussen, is er evenmin sprake van strijd met de Vughtse Nota Groen 2015. Eisers kunnen daarom niet gevolgd worden in hun stelling dat belangrijke natuur verloren zal gaan als de Jagersboschlaan wordt opengesteld voor verkeer.

Dit betoog van eisers 1, 3 en 4 slaagt niet.

Stikstofanalyse en gevolgen voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden

10.1

Eiser 3 heeft aangevoerd dat verweerder heeft nagelaten een stikstofanalyse te laten maken en niet heeft bezien wat de gevolgen zijn voor de nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

10.2

Onder verwijzing naar de resultaten van een stiktstofdepositie-onderzoek door ingenieursbureau Tauw en een Quickscan-onderzoek door Cobra heeft verweerder gesteld dat het openstellen van de Jagersboschlaan geen nadelige gevolgen zal hebben op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied bevindt zich op een afstand van ongeveer 2,2 kilometer van de Jagersboschlaan, zodat daar geen negatieve effecten te verwachten zijn. Van een toename van stikstofuitstoot zal volgens verweerder hoe dan ook geen sprake zijn, omdat openstelling van de Jagersboschlaan niet zal leiden tot meer verkeer, maar slechts tot een betere verspreiding daarvan in de omgeving.

10.3

Gelet op de door verweerder ingebrachte onderzoeksrapporten oordeelt de rechtbank dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gevonden om aan te nemen dat als gevolg van het verkeersbesluit negatieve gevolgen te verwachten zijn door stikstofuitstoot. Eisers hebben deze onderzoeksresultaten niet tijdig met objectieve en verifieerbare gegevens bestreden.

Als nadere onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser 3 ter zitting, onder verwijzing naar een Aeriusberekening, gesteld dat de standaardrekenmethode voor de berekening van het stikstofeffect van verkeersplannen in Aerius een contour van 5 km beziet. Als binnen 5 km een Natura 2000-gebied ligt, moet dat onderzocht worden. Omdat in de hier aan de orde zijnde zaak twee Natura 2000-gebieden liggen op 2 á 3 km afstand, had verweerder hier volgens eiser 3 onderzoek naar moeten doen. Door deze nadere onderbouwing pas op zitting te presenteren, heeft verweerder hierop niet inhoudelijk kunnen reageren. De rechtbank acht dit in strijd met de goede procesorde en zal die nadere onderbouwing - wat hiervan ook zij - daarom niet bij de beoordeling betrekken.

Dit betoog van eiser 3 faalt.

11.1

Eisers 1 hebben aangevoerd dat de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) over het Programma aanpak stikstof 2015-2021 (het PAS) gevolgen moet hebben voor het verkeersbesluit.

11.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond. Volgens verweerder ligt het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied op een afstand van ongeveer 2,2 kilometer van de woningen van eisers. Deze gebieden maken daarom geen onderdeel uit van de directe leefomgeving van eisers. Deze beroepsgrond kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het besluit waarbij het verkeersbesluit is gehandhaafd.

11.3

Uit artikel 8:69a van de Awb volgt dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin een eiser door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR1412) volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wet natuurbescherming beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van die wet kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.

Eisers wonen allen op een afstand van meer dan 2 kilometer van het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied. Deze afstand is naar het oordeel van de rechtbank te groot om dit Natura 2000-gebied te kunnen rekenen tot de directe woon- en leefomgeving van eisers. De rechtbank concludeert daarom dat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69 a in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond van eisers 1.

Verkeersbesluit en bestemmingsplan "N65"

12.1

Eiser 5 heeft aangevoerd dat het besluit tot openstelling van de Jagersboschlaan niet los kan worden gezien van de vaststelling van het bestemmingsplan "N65" en daarvan onderdeel had moeten uitmaken.

12.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de Wvw niet vereist dat bij het nemen van een verkeersbesluit voorafgaand een nadere planologische afweging wordt gemaakt. Het bestemmingsplan voorziet bovendien al in de mogelijkheid om de Jagersboschlaan open te stellen voor gemotoriseerd verkeer. Er is volgens verweerder verder geen wettelijke bepaling die ertoe verplicht om de besluitvorming over de Jagersboschlaan gelijktijdig te laten plaatsvinden met de besluitvorming over het bestemmingsplan. Procedureel bestaat er geen verband tussen deze besluiten.

12.3

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat er in juridische zin geen koppeling bestaat tussen het verkeersbesluit en de planologische regeling in het bestemmingplan "N65". De omstandigheid dat de openstelling verband houdt met de reconstructie van de N65, in die zin dat verweerder die openstelling wil realiseren voordat met de reconstructie van de N65 wordt begonnen, maakt dit niet anders.

Dit betoog van eiser 5 faalt.

Rapport verkeersdeskundige Vermeeren

13.1

Eiser 2 heeft een rapport overgelegd van J.A.J. Vermeeren, als verkeersdeskundige verbonden aan VAGN. Onder verwijzing naar dat rapport heeft eiser gesteld dat verweerder in het bestreden besluit niet kon volstaan met verwijzing naar het advies van de bezwaarcommissie.

13.2

De rechtbank overweegt dat, ingevolge artikel 3:49 van de Awb , verweerder mag volstaan met een verwijzing naar het advies, mits dit advies de motivering bevat en het advies wordt meegezonden met het bestreden besluit. Aan die voorwaarden is voldaan.

13.3

Verweerder heeft de bevindingen uit het door eiser 2 overgelegde rapport in het aanvullende verweerschrift van 13 augustus 2010 gemotiveerd weersproken. Een aantal bevindingen is feitelijk onjuist, zoals de stelling dat de politie niet is geraadpleegd en de stelling dat een doodlopende weg ontstaat, omdat de hoek van de Martinilaan geen onderdeel uitmaakt van het verkeersbesluit. Volgens verweerder is evident dat er na openstelling van de Jagersboschlaan en de aansluiting op de Martinilaan als gevolg van het verkeersbesluit geen fysieke belemmeringen zullen zijn om de Jagersboschlaan in en uit te rijden.

Voor het overige gaat het rapport er onder andere aan voorbij dat verweerder in de besluitvorming de verkeersbelangen in een groter gebied dient te betrekken en niet alleen de gevolgen voor de Jagersboschlaan moet beoordelen. Dit heeft gevolgen voor de conclusie over het voldoen aan de doelstellingen uit artikel 2 van de Wvw .

13.4

De rechtbank is, gelet hierop en op de conclusies in de memo van adviesbureau Exante, van oordeel dat verweerder in het door eiser 2 overgelegde rapport geen aanleiding heeft behoeven te zien om zich niet langer te baseren op het in zijn opdracht uitgevoerde verkeerskundige onderzoek.

Dit betoog van eiser 2 faalt.

Conclusie ten aanzien van het verkeersbesluit

14. Gelet op de voorafgaande overwegingen en met inachtneming van haar beoordelingskader, concludeert de rechtbank dat het bestreden besluit niet strijdig is met wettelijke voorschriften, de besluitvorming voldoende zorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd en dat de afweging van de betrokken belangen niet zodanig onevenwichtig is dat het verweerder niet in redelijkheid tot het verkeersbesluit kon komen.

De beroepen tegen dat besluit zijn, behoudens voor zover zij op grond van rechtsoverweging 3.4 van deze uitspraak gegrond moeten worden verklaard, ongegrond.

De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden

De feiten

15.1

Hiervoor verwijst de rechtbank allereerst naar de rechtsoverwegingen 4.1 en 4.2. De Jagersboschlaan bestaat uit een fietspad in twee richtingen en een onverhard bospad, dat in één richting toegankelijk is voor gemotoriseerd verkeer. De verleende omgevingsvergunning maakt de ombouw tot een wijkontsluitingsweg in twee richtingen mogelijk.

Verweerder heeft het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning bij zijn beslissing op bezwaar van 17 maart 2020 gehandhaafd.

15.2

Verweerder heeft aan deze beslissing op bezwaar ten grondslag gelegd dat de werkzaamheden worden uitgevoerd binnen het bestemmingsplan "Vijverhof 2016", op gronden met de bestemming "Verkeer" en de gebiedsaanduidingen "Overige zone-ecologische hoofdstructuur" en "Overige zone-cultuurhistorisch waardevol gebied". De werkzaamheden passen binnen de bestemming "Verkeer". Op grond van artikel 16.1 van de planregels is echter een omgevingsvergunning voor de aanlegwerkzaamheden nodig.

De gebiedsaanduidingen hebben betrekking op een gedeelte van de gronden met een verkeersbestemming. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan is volgens verweerder niet beoogd de Jagersboschlaan als geheel te beschermen. Aan de beoordeling kan geen ruimere beoordeling ten grondslag worden gelegd dan reeds bij het bestemmingsplan is bepaald. Aan de omgevingsvergunning liggen onderzoeken met betrekking tot de archeologie en flora en fauna ten grondslag. Ook is er een bomeneffectenanalyse opgesteld. De werkzaamheden worden uitgevoerd met behoud van bomen waardoor de groene laanstructuur wordt behouden. Op grond van de onderzoeken zal er volgens verweerder met het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning geen onevenredige aantasting van de beschermde waarden plaatsvinden.

Het wettelijke kader

16. Het voor de verlening van de omgevingsvergunning relevante wettelijke kader is opgenomen in een achter deze uitspraak gevoegde bijlage.

De beoordeling van het besluit van 17 maart 2020 aan de hand van de aangevoerde gronden

Inleidende opmerkingen

17. Tegen dit besluit is beroep ingesteld door drs. [naam] , eiseres 3 en eisers 6. Van eiseres 3 is dit eerst ter zitting van 25 augustus 2020 onmiskenbaar komen vast te staan. Omdat aanvankelijk alleen een dossier was aangelegd voor het beroep van eiseres tegen het besluit van 21 februari 2020, heeft de rechtbank alsnog een dossier voor het beroep van eiseres 3 aangemaakt, met zaaknummer SHE 20/2652.

18. Op grond van artikel 16.1.1 van de planregels is, op gronden met de gebiedsaanduiding "Overige zone-cultuurhistorisch waardevol gebied", alleen een omgevingsvergunning voor aanlegwerkzaamheden nodig, als het gaat om het verwijderen of kappen van bos-, natuur- en landschapselementen en ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie. In dit geval is van dergelijke werkzaamheden geen sprake, zodat de vraag of cultuurhistorische waarden worden aangetast in deze zaak niet aan de orde komt. Daaraan doet niet af dat verweerder in het kader van de voorbereiding van zijn besluit tot verlening van de omgevingsvergunning heeft laten onderzoeken of archeologische en cultuurhistorische waarden zouden kunnen worden aangetast.

Strijdigheid met het bestemmingsplan

19.1

Drs. [naam] en eisers 6 hebben aangevoerd dat bij de verlening van de omgevingsvergunning de toelaatbaarheid van gemotoriseerd verkeer op de Jagersboschlaan opnieuw moet worden beoordeeld. De aanpassing voor gemotoriseerd verkeer is volgens hen niet rechtstreeks toegelaten. Zij wijzen op het beheerskarakter van de bestemming "Verkeer", zoals dat in de plantoelichting is beschreven. De aanpassing is daarin een optie die nog nader zou moeten worden onderzocht en pas in beeld zou kunnen komen op het moment van de reconstructie van de N65.

[naam] en eisers 6 hebben er verder op gewezen dat, als de werkzaamheden op de gronden met de aanduidingen niet voldoen aan de eisen die in artikel 16.1.3 van de planregels gesteld worden aan die werkzaamheden, de omgevingsvergunning voor de gehele Jagersboschlaan moet worden geweigerd.

19.2

Volgens verweerder laat de bestemming "Verkeer" het verkeersgebruik voor onder andere gemotoriseerd gebruik rechtstreeks toe. De omstandigheid dat op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo , een omgevingsvergunning nodig is voor het gehele werk, betekent niet dat een ruimere beoordeling nodig is dan alleen voor de gronden die zijn voorzien van een aanduiding die noodzaakt tot het aanvragen van een omgevingsvergunning.

19.3

In paragraaf 5.4.6 van de toelichting bij het bestemmingsplan "Vijverhof 2016" is aangegeven dat, binnen de bestemming "Verkeer" het beheerskarakter voorop staat en gewijzigde inzichten, die leiden tot herinrichting van de openbare ruimte, binnen de begrenzing van de bestemming rechtstreeks mogelijk zijn. De rechtbank leidt hieruit af dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan reeds rekening is gehouden met eventueel gewijzigde inzichten die niet zouden behoeven te leiden tot wijziging van het bestemmingsplan. Overigens zou, als de plantoelichting daartoe niet de mogelijkheid zou bieden, de tekst van die toelichting niet doorslaggevend zijn. Als de planverbeelding en de planregels een bepaald gebruik rechtstreeks toelaten en de verbeelding en de regels duidelijk zijn, kan een andersluidende plantoelichting daarin geen verandering brengen.

Verweerder kan worden gevolgd in zijn opvatting dat de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning aan de hand van de criteria van artikel 16.1.3 van de planregels, alleen plaats behoeft te vinden voor de gronden die zijn voorzien van een aanduiding die noodzaakt tot het aanvragen van een omgevingsvergunning.

Dit betoog van [naam] en eisers 6 faalt.

De indirecte gevolgen van de werkzaamheden

20.1

[naam] , eiseres 3 en eisers 6 hebben gewezen op diverse gevolgen (zoals de uitstoot van stikstof) die het gebruik van de verharde Jagersboschlaan door gemotoriseerd verkeer op de omgeving kan hebben. Van [naam] heeft in dit verband betoogd dat de achtertuinen, door uitlaatgassen, verkeerslawaai en de inbreuk op de privacy, praktisch onbruikbaar worden, terwijl daarin veel is geïnvesteerd.

Eisers zijn van oordeel dat verweerder die gevolgen onvoldoende in de besluitvorming heeft betrokken.

20.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de beoordeling van de gevolgen alleen de gevolgen van de aanlegwerkzaamheden zelf moeten worden betrokken en niet de gevolgen van het gebruik van de aan te leggen verharding,

20.3

De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraak van 11 juni 2020 overwogen dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het aanleggen van de fietsstraat met voetpaden zelf geen onevenredige aantasting is van de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden van de gronden. De voorzieningenrechter heeft verder overwogen niet op voorhand uit te sluiten dat naast de directe gevolgen van het aanbrengen van verharding ook het indirecte gevolg, ofwel het gebruik van die verharding door auto’s, moet worden beoordeeld. Volgens de voorzieningenrechter komt dit door de formulering van het criterium voor toelaatbaarheid in artikel 16.1.3 van de planregels. Volgens de voorzieningenrechter zou verweerder, als de planregel letterlijk wordt uitgelegd, ook moeten kijken of het gebruik van de verharding door gemotoriseerd verkeer een onevenredige aantasting van landschappelijke en natuurlijke waarden kan hebben, zelfs als het gebruik door dat gemotoriseerd verkeer pas mogelijk wordt gemaakt door het verkeersbesluit.

De voorzieningenrechter heeft hierbij betrokken dat, ook al is het gebruik door gemotoriseerd verkeer niet in strijd met het bestemmingsplan, het meer intensieve gebruik wel mogelijk wordt gemaakt door de verharding.

20.4

Verweerder kan zich niet vinden in deze visie. Niettemin heeft verweerder naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter nader onderzoek laten doen naar de gevolgen van het gebruik van de verharding van de Jagersboschlaan door gemotoriseerd verkeer. De resultaten hiervan zijn neergelegd in de "Quickscan Natuur van 17 juli 2020" van Cobra Adviseurs. Verweerder heeft toegelicht dat met de indirecte gevolgen die in artikel 16.1.3 van de planregels zijn genoemd, gevolgen als bijvoorbeeld verdroging en vernatting zijn bedoeld van de gronden waarop de aanduidingen betrekking hebben.

20.5

In artikel 16.1.3 van de planregels is bepaald dat de werken of werkzaamheden slechts toelaatbaar zijn, mits door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische en archeologische waarden van de gronden ontstaat of kan ontstaan.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat met de in artikel 16.1. 3 genoemde indirecte gevolgen niet de gevolgen van het gebruik van de verharde Jagersboschlaan zijn bedoeld. In de toelichting bij het bestemmingsplan is, in paragraaf 5.3.2.7, aangegeven dat inrichtingsactiviteiten waarop een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden betrekking heeft, niet het bouwen en het gebruiken betreft.

20.6

Dit betekent dat het gebruik van de Jagersboschlaan door gemotoriseerd verkeer niet in de besluitvorming behoefde te worden betrokken. Aangenomen mag worden dat de gevolgen van het gebruik al zijn afgewogen bij de vaststelling van het bestemmingsplan waarbij aan de Jagersboschlaan de bestemming "Verkeer" is toegekend.

Dit betoog van [naam] , eiseres 3 en eisers 6 faalt daarom.

Strijdigheid met de Structuurvisie Vught 2014 en de Vughtse Nota Groen 2015/Quickscan Natuur

21.1

[naam] , eiseres 3 en eisers 6 hebben aangevoerd dat de verharding van de Jagersboschlaan zich niet verdraagt met het behoud van de laan als structuurbepalende en beeldbepalende groenstructuur, zoals wordt nagestreefd met de Structuurvisie Vught 2014 (Structuurvisie) en de Vughtse Nota Groen 2015. De laan vormt een onderdeel van een historische veldweg-bospad dat onderdeel uitmaakt van een voormalig landgoed, waarvan de contouren behouden moeten blijven.

Volgens [naam] en eisers 6 kon de Quickscan Natuur niet aan het besluit ten grondslag worden gelegd, omdat de (verwachte) 1.500 autovoertuigbewegingen per etmaal niet in beeld zijn gebracht. Het rapport zegt alleen iets over het uitvoeren van de werkzaamheden. Ook is het geen volwaardig ecologisch onderzoek. Niet is aangetoond dat de verboden van artikel 3.1, vierde en vijfde lid, van de Wet natuurbescherming (over vogels) en artikel 3.5, tweede lid, van die wet (over andere dieren) niet worden overtreden. Vanwege strijd met het bestemmingsplan had de uitgebreide procedure gevolgd moeten worden.

21.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met de Structuurvisie en de Vughtse Nota Groen. Volgens verweerder worden de landschappelijke en natuurlijke waarden afdoende beschermd, zoals blijkt uit de QuickScan Natuur en de Bomeneffectenanalyse. Er worden geen bomen geveld. Ter bescherming van bomen en groen wordt de Jagersboschlaan niet opengesteld voor vracht- en busverkeer.

21.3

De rechtbank volgt verweerder dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met de Structuurvisie en de Vughtse Nota Groen. Deze documenten bevatten geen regels die bij een besluit op een aanvraag om een omgevingsvergunning moeten worden betrokken. Omdat, zoals de rechtbank in rechtsoverweging 20.5 heeft overwogen, de gevolgen van het gebruik van de verharde Jagersboschlaan niet in de besluitvorming behoefden te worden betrokken, behoefde de aan het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning ten grondslag gelegde Quickscan Natuur geen betrekking te hebben op de gevolgen van het gebruik van die laan door motorvoertuigen. Dat die gevolgen niet in die Quikscan waren betrokken, kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het besluit van verweerder van 17 maart 2020. Overigens heeft verweerder die gevolgen alsnog in beeld gebracht in de Quickscan Natuur van 17 juli 2020.

Ook dit betoog van eisers [naam] , eiseres 3 en eisers 6 faalt.

Onderzoek openstelling Jagersboschlaan/bescherming NNB

22.1

[naam] en eisers 6 voeren aan dat niet valt te verklaren waarom verweerder in geen enkel stuk of besluit inhoudelijk ingaat op het rapport "Onderzoek openstelling Jagersboschlaan", vastgesteld op 28 november 2017.

Volgens [naam] wordt in dit rapport onderkend dat het verharden en openstellen van de Jagersboschlaan voor gemotoriseerd verkeer de begrenzing van het Natuurnetwerk Brabant (NNB) raakt en daarom niet zonder afwijking van het bestemmingsplan en de provinciale Verordening ruimte mogelijk is.

Volgens eisers 6 ligt de zuidelijke begrenzing van het NNB op de Jagersboschlaan. Ten gevolge van het verharden en openstellen van de Jagersboschlaan voor gemotoriseerd verkeer moet de begrenzing van het NNB worden gewijzigd en dit kan niet met een omgevingsvergunning voor aanlegwerkzaamheden. De onderzoeken van Cobra bevatten een onjuiste weergave van de feitelijke situatie, omdat de gevolgen van het gebruik van de Jagersboschlaan voor het NNB daarin niet zijn meegenomen.

22.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het rapport slechts een eerste ambtelijke verkenning betrof, waarin de, achteraf onjuist gebleken, conclusie is getrokken dat voor de verharding een afwijking van het bestemmingsplan en van de Verordening ruimte nodig zou zijn. Over het hoofd is gezien dat artikel 16.3. 1 de mogelijkheid bood om daarvoor een omgevingsvergunning te verlenen. Deze ambtelijke verkenning is inmiddels door de geschiedenis ingehaald.

Wat het NNB betreft, heeft verweerder betoogd dat de begrenzing van dit netwerk en de bescherming ervan worden vastgelegd in de provinciale Verordening ruimte, die in de provincie Noord-Brabant inmiddels is vervangen door de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Interim omgevingsverordening). In deze verordeningen staan hierover instructieregels waarmee gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening moeten houden, maar geen rechtstreeks werkende regels.

De begrenzing van het NNB is overeenkomstig de destijds geldende regels van de Verordening ruimte in het bestemmingsplan opgenomen. Dit bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om een omgevingsvergunning voor werkzaamheden te verlenen, waarbij rekening moet worden gehouden met de aanduiding "Overige zone-ecologische hoofdstructuur". Een herbegrenzing van het NNB is niet nodig.

Wat de onderzoeken van Cobra betreft, heeft verweerder aangegeven dat in het meest recente onderzoek van 17 juli 2020 wel op de gevolgen van het gebruik van de Jagersboschlaan is ingegaan. Van een wezenlijke aantasting is geen sprake.

22.3

De rechtbank volgt verweerder in zijn opvatting dat het "Onderzoek openstelling Jagersboschlaan", niet aan de besluitvorming over de aanvraag om een omgevingsvergunning ten grondslag behoefde te worden gelegd. Verweerders opvatting, dat in het onderzoek een onjuiste conclusie is getrokken over de noodzaak af te wijken van het bestemmingsplan en van de Verordening ruimte, is onweersproken gebleven. De rechtbank acht juist dat voor een groot gedeelte van de Jagersboschlaan geen omgevingsvergunning nodig is om aanlegwerkzaamheden te verrichten en dat het bestemmingsplan voor de van een aanduiding voorziene gedeelten ervan de mogelijkheid biedt om een omgevingsvergunning te verlenen, mits aan de daardoor beschermde waarden geen onevenredige afbreuk wordt gedaan. Een wijziging van de begrenzing van het NNB is hiervoor niet nodig.

De rechtbank onderschrijft de lezing van verweerder over instructieregels en de doorwerking ervan in bestemmingsplannen.

Wat de onderzoeken van Cobra betreft, constateert de rechtbank dat daarin aanvankelijk alleen de effecten op het NNB zijn beschreven ter plaatse van de Jagersboschlaan, maar in de Quickscan van 17 juli 2020 wordt ingegaan op de door eisers 6 genoemde effecten. Gelet op rechtsoverweging 20.6 was dit niet noodzakelijk en is dit ten overvloede geschied.

Dit betoog van [naam] en eisers 6 slaagt evenmin.

Negatieve effecten op het NNB

23.1

Volgens eisers 6 kan, ook als een activiteit of ontwikkeling plaatsvindt buiten het NNB, sprake zijn van een aantasting van het NNB. Regel is dat de negatieve effecten als gevolg van verstoring moeten worden beperkt en, als dat niet mogelijk is, worden gecompenseerd.

23.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van aantasting van het NNB. De regels uit de Interim omgevingsverordening over het NNB bevatten slechts instructieregels die zijn gericht aan de gemeenten. Er zijn geen rechtstreeks werkende regels van toepassing. Door die keuze van de provincie kan niet worden volgehouden dat van de instructieregels een soort externe werking uitgaat.

23.3

Artikel 3.16 van de Interim omgevingsverordening heeft betrekking op de door eisers 6 genoemde externe werking. Op grond van het eerste lid van deze bepaling, moet een bestemmingsplan dat een ontwikkeling toelaat in Stedelijk Gebied of in Landelijk Gebied, die een aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken in het NBB, bepalen dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd, overeenkomstig artikel 3.2 2.

Op grond van artikel 3.22 van de Interim omgevingsverordening vindt de verplichte compensatie, naar keuze, plaats door fysieke compensatie, overeenkomstig artikel 3.23, of financi ële compensatie, overeenkomstig artikel 3.2 4.

Op grond van artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Interim omgevingsverordening wordt onder bestemmingsplan tevens begrepen: een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3 °, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken.

23.4

Gelet op het laatst aangehaalde onderdeel van de Interim omgevingsverordening, kunnen de bepalingen over de externe werking en de eventuele compensatie ook van toepassing zijn bij de verlening van een omgevingsvergunning. Alleen moet wel sprake zijn van een omgevingsvergunning voor een activiteit die wijziging brengt in de begrenzing van het NNB. Hiervan is, zoals de rechtbank al heeft overwogen in rechtsoverweging 22.2 van deze uitspraak, in dit geval echter geen sprake.

Omdat ervan moet worden uitgegaan dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan al rekening is gehouden met de effecten van de verharding van de Jagersboschlaan door gemotoriseerd verkeer, behoeven ook de effecten van dit gebruik buiten de Jagersboschlaan niet te leiden tot een wijziging van de begrenzing van het NNB.

Omdat de begrenzing van het NNB al in het bestemmingsplan is vastgelegd, behoefde er geen omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan te worden verleend.

Dit betoog van eisers 6 slaagt niet.

Relatie met de reconstructie van de N65

24.1

[naam] heeft aangevoerd dat de openstelling van de Jagersboschlaan afhankelijk is van de reconstructie van de N65. Tegen het ontwerpbestemmingsplan zijn talloze bezwaren ingediend. Nu al staat vast dat velen tegen de vaststelling van het bestemmingsplan in beroep zullen gaan. Voorlopig bestaat er dan ook geen zicht op het van kracht worden van het bestemmingsplan als juridische basis voor de reconstructie van de N65. Alleen al daarom zou de aanpassing van de Jagersboschlaan in dit stadium niet aan de orde moeten komen.

24.2

Volgens verweerder speelt de reconstructie van de N65 voor de toetsing van de aanvraag voor een omgevingsvergunning geen rol. De gemeenteraad van Vught heeft op 14 mei 2020 het bestemmingsplan "N65" vastgesteld. Dit besluit vormt de planologische basis voor de reconstructie van de N65. Daarmee is de reconstructie (planologisch gezien) een feit.

24.3

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 12.3, naar aanleiding van een soortgelijk betoog van eiser 5 over het verband tussen het verkeersbesluit en de reconstructie van de N65, overwogen dat er in juridische zin geen koppeling bestaat tussen het verkeersbesluit en de planologische regeling in het bestemmingplan "N65" en de omstandigheid dat de openstelling verband houdt met de reconstructie van de N65, in die zin dat verweerder die openstelling wil realiseren voordat met de reconstructie van de N65 is begonnen, dit niet anders maakt. Hetzelfde geldt voor het door [naam] gelegde verband tussen de verlening van de omgevingsvergunning en het bestemmingsplan "N65". Overigens zou, als dit verband er wel zou zijn, de vaststelling van dit bestemmingsplan voldoende reden zijn om het betoog van [naam] niet te volgen. Dat beroep tegen de vaststelling van een bestemmingsplan wordt ingesteld, betekent niet dat dat bestemmingsplan geen rechtskracht verkrijgt.

Dit betoog van [naam] faalt.

Conclusie ten aanzien van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden

25. De beroepen zijn, behoudens voor zover zij op grond van rechtsoverweging 3.4 van deze uitspraak gegrond moeten worden verklaard, ongegrond.

26. De rechtbank ziet, gelet hierop, geen aanleiding om in te gaan op de stelling van verweerder dat de beroepen van [naam] en eisers 6 niet tot vernietiging van het besluit van 17 maart 2020 kunnen leiden, omdat het aanlegvergunningenstelsel niet strekt tot bescherming van het woon-, leef- en ondernemersklimaat waarvoor zij opkomen.

27. Omdat het beroep van eisers 6 gegrond is, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door hen gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 1.575,00 voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (2 punten voor de beroepschriften in twee zaken, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 525,00, wegingsfactor 1).

28. De rechtbank ziet aanleiding om te bepalen dat verweerder eisers 6 het door hen betaalde griffierecht moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep van eisers 6 gegrond;

vernietigt de bestreden besluiten van 21 februari 2020 en 17 maart 2020, voor zover verweerder daarbij het bezwaar van [naam] ontvankelijk heeft geacht;

verklaart het door [naam] tegen de besluiten van 11 september 2019 en 26 september 2019 gemaakte bezwaar alsnog niet-ontvankelijk en bepaalt dat haar uitspraak in zoverre voor het vernietigde gedeelte van de besluiten van 21 februari 2020 en 17 maart 2020 in de plaats treedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers 6, tot een bedrag van € 1.575,00;

bepaalt dat verweerder eisers 6 het door hen betaalde griffierecht van in totaal € 708,00 (2 x € 354,00) moet vergoeden;

verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, voorzitter, en mr. H.M.H. de Koning en

mr. J.H.G. van den Broek, leden, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 2 oktober 2020.

De griffier is verhinderd om voorzitter

de uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE

Voor het verkeersbesluit:

In artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (de Wvw) is bepaald dat de krachtens de Wvw vastgestelde regels kunnen strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en waarborgen van de bruikbaarheid daarvan; en

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

In artikel 2, tweede lid, van de Wvw is bepaald dat de krachtens de Wvw vastgestelde regels voorts kunnen strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

In artikel 15, tweede lid, van de Wvw is bepaald dat maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer geschieden krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.

In artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer is bepaald dat de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval vermeldt welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

Voor de omgevingsvergunning

In artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is bepaald dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan (…) is bepaald.

In artikel 2.11, eerste lid, van de Wabo is bepaald dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd, indien het werk of de werkzaamheid in strijd is met de regels die in het bestemmingsplan over dat werk of die werkzaamheid is opgenomen, of in strijd is met de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening .

Op grond van artikel 16.1.1 van de planregels van het bestemmingsplan "Vijverhof 2016" is het verboden om ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone-cultuurhistorisch waardevol gebied' en 'overige zone-ecologische hoofdstructuur' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden buiten het bouwvlak uit te voeren:

Cultuurhistorisch waardevol gebied ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - cultuurhistorisch waardevol gebied':

a. Het verwijderen of kappen van bos-, natuur- en landschapselementen en ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie.

Ecologische hoofdstructuur ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - ecologische hoofdstructuur:

Het verzetten van grond van meer dan 100 m3 of op een diepte van meer dan 60 centimeter beneden maaiveld;

De aanleg van drainage, tenzij het gaat om vervanging van een al bestaande drainage;

het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen;

afgraven, vergraven, ophogen;

aanleg dammen, aanleg stuwen, graven sloten, dempen sloten, dempen poelen;

opplanten, omzetten van grasland en/of bouwland naar boomteelt boven 1,5 meter;

aanleg leidingen, verharden oppervlak;

outaanplant;

aanleg sloten.

Op grond van artikel 16.1.3 van de planregels van het bestemmingsplan "Vijverhof 2016" zijn de werken of werkzaamheden bedoeld in 16.1.1 slechts toelaatbaar, mits die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen geen onevenredige aantasting van de landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische en archeologische waarden van de grond ontstaat of kan ontstaan.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature