< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Aansprakelijkheid voor gevaarlijke stof. De verkoper van een stof die gebruikt wordt voor de fabricage van foam voor matrassen, heeft gewaarschuwd voor een mogelijke te hoge concentratie van een gevaarlijk bestanddeel in die stof. Een matrassenverkoper, die foam heeft gekocht van een fabrikant van foam, heeft in verband met die waarschuwing maatregelen getroffen en spreekt de verkoper van de stof tot schadevergoeding aan uit hoofde van de artikelen 6:175 en 6:184 BW. De rechtbank oordeelt dat verkoper van de verondersteld gevaarlijke stof niet kan worden aangemerkt als gebruiker als bedoeld in 6:175 BW. Er is ook geen aansprakelijkheid omdat het gevaar zich niet heeft verwezenlijkt: er bleek na onderzoek geen sprake te zijn van een gevaarlijke, te hoge concentratie van de stof. Artikel 6:184 BW schept geen aansprakelijkheid maar ziet enkel op schade die voor vergoeding in aanmerking komt als aansprakelijkheid op grond van 6:175 BW bestaat.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/344761 / HA ZA 19-228

Vonnis van 22 juli 2020

in de zaak van

1. naamloze vennootschap

BETER BED HOLDING N.V.,

gevestigd te Uden,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BETER BED B.V.,

gevestigd te Uden,

eiseressen,

advocaten mr. J.M.J. Arts en mr. L. Geldof te Rotterdam,

tegen

vennootschap naar buitenlands recht

BASF POLYURETHANES GMBH,

gevestigd te Lemförde, Duitsland,

gedaagde,

advocaat mr. L.J. Böhmer te Utrecht.

Partijen zullen hierna Beter Bed en BASF genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het vonnis in incident/tussenvonnis in de hoofdzaak van 20 november 2019

het proces-verbaal van comparitie van 26 mei 2020 en de daarin genoemde stukken

het e-mailbericht van mr. Arts van 3 juni 2020 met opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Beter Bed Holding (eiseres sub 1) is de moedervennootschap van Beter Bed B.V. (eiseres sub 2) en van dochtervennootschappen die op andere plaatsen in Europa zijn gevestigd.

De dochtervennootschappen van Beter Bed Holding verkopen bedden en matrassen aan consumenten.

2.2.

BASF Polyurethanes GmbH (gedaagde) is gevestigd in Duitsland en onderdeel van het BASF-concern. Tot dit concern behoort ook BASF SE.

2.3.

BASF SE exploiteert een fabriek in Ludwigshafen, Duitsland. Op deze locatie produceert BASF SE het chemische product Lupranate T 80 A. Dit product wordt gebruikt voor het maken van flexibel schuim (hierna: foam), dat onder meer wordt gebruikt voor matrassen.

2.4.

Lupranate T 80 A bevat onder andere de giftige stof tolueendi-isocyanaat (hierna: TDI). Een bestanddeel van TDI is de gevaarlijke stof dichloorbenzeen (hierna: DCB).

DCB is mogelijk kankerverwekkend. In de normale situatie wordt DCB tijdens het productieproces gedestilleerd, zodat het eindproduct Lupranate T 80 A geen (significante) hoeveelheid DCB bevat.

2.5.

BASF Polyurethanes GmbH (hierna: BASF) is verkoper van Lupranate T 80 A.

Zij verkoopt en levert dit product aan producenten van foam. De producenten van foam verkopen deze aan producenten van matrassen. De matrassen zijn onder andere aan Beter Bed verkocht en geleverd.

2.6.

Door een technische fout is de DCB in de periode van 25 augustus tot 29 september 2017 niet geheel uit de Lupranate T 80 A gedestilleerd.

2.7.

In de brief van 5 oktober 2017 met als aanhef “to whom it may concern” heeft BASF in elk geval aan de afnemers van Lupranate T 80 A bericht:

“We refer to our deliveries of captioned product to you, manufactured in our Ludwigshafen plant between August 25th, and September 29th, 2017. While the product still complies with BASF’s specification of a purity of min. 99.5 g/100 we now have determined that the product contained a specific Dichlorobenze impurity level which is significantly above the impurity level regularly experienced by BASF.

(…)

To the extent you are still storing respective Lupranate T 80 A we ask you to provide us with a respective tank sample prior to any further processing so that we can evaluate the level of Dichlorobenzene in the stored product. In the event the Lupranate T 80 A is already processed, we recommend to test the foam via a chamber test whether it meets the thresholds of the relevant industry standards prior to a sale of such foam. If required, such tests should also be performed by your customer.”

2.8.

In reactie op het bericht van BASF hebben diverse fabrikanten en leveranciers van matrassen aan hun afnemers, waaronder Beter Bed, bericht dat zij voorlopig zouden stoppen met het leveren van matrassen. Ook is er op aangedrongen te stoppen met het doorleveren van matrassen, zoals bijvoorbeeld aan consumenten.

2.9.

Op 19 oktober 2017 heeft BASF bericht dat uit analyses is gebleken dat er geen “health hazard (is) coming from the use of mattresses and furniture made from the affected TDI”.

3 Het geschil

3.1.

Beter Bed vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

te verklaren voor recht dat BASF op grond van artikel 6:175 BW aansprakelijk is tegenover Beter Bed voor geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat;

BASF te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2.

Beter Bed stelt dat de berichten van BASF tot grote beroering en onduidelijkheid in de keten hebben geleid. Op 5 oktober 2017 wist niemand welke producten wel of niet vervuild waren en in welke mate dit schadelijk was voor de gezondheid van werknemers en consumenten. Grote voorzichtigheid was daarom geboden.

In reactie op de voorzorgsmaatregelen van BASF en leveranciers van matrassen heeft ook Beter Bed voorzorgsmaatregelen getroffen. Er is een crisisteam gevormd met als doel om alles te doen wat nodig was om mogelijke schade als gevolg van de bestaande DCB-dreiging te voorkomen en te beperken. Beter Bed heeft bij haar leveranciers informatie over geleverde matrassen gevraagd. Ook heeft Beter Bed het leveren van matrassen aan consumenten gestaakt. Daarvoor zijn extra opslagkosten gemaakt. Daarnaast is de logistieke planning overhoop gehaald. Beter Bed moest extra vragen beantwoorden. Deze vragen kwamen van (potentiële) klanten en gingen over de reden van de annuleringen, BASF en gezondheidsrisico’s. Ook is Beter Bed geconfronteerd met een significant groter aantal annuleringen. Los daarvan is er een afname in de verkoop van matrassen te zien geweest.

Beter Bed heeft haar leveranciers individueel aansprakelijk gesteld op grond van tekortkomingen in de nakoming. Daarnaast stelt Beter Bed BASF aansprakelijk als hoofdveroorzaker van de schade.

Beter Bed stelt dat haar totale schade ongeveer € 2.000.000,- bedraagt. Beter Bed vordert een verwijzing naar de schadestaatprocedure zodat de geleden en nog te lijden schade nauwkeurig kan worden vastgesteld.

3.3.

BASF voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Welk recht is van toepassing? 4.1.

Voor het bepalen van het toepasselijke recht wordt de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II) toegepast.

Artikel 4 lid 1 bepaalt dat een vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad moet worden beoordeeld naar het recht van het land waar de schade zich voordoet.

4.2.

Beter Bed stelt dat Nederlands recht van toepassing is omdat zij directe, initiële vermogensschade heeft geleden in Nederland.

4.3.

Volgens BASF is Duits recht van toepassing. Er is alleen sprake van vermogensschade. Dat is een indirect gevolg van een schadeveroorzakende gebeurtenis. Er is geen sprake van directe of materiële schade. Er is sprake geweest van een levering vanuit Duitsland. Ook de waarschuwingen zijn vanuit Duitsland verzonden. Uit niets blijkt dat die levering of waarschuwingen gevaar of directe schade hebben veroorzaakt in Nederland, aldus BASF.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat Nederlands recht van toepassing is omdat Nederland het land is waar de schade zich voordoet. Zoals ook in het vonnis in incident van 20 november 2019 is overwogen, gaat het in deze zaak niet alleen om vermogensschade die intreedt op een bankrekening in Nederland. De door Beter Bed gestelde schade omvat duidelijk meer dan dat. Ook doen de uitzonderingen in de leden 2 en 3 van artikel 4 zich naar het oordeel van de rechtbank niet voor.

Is BASF aansprakelijk?

4.5.

Beter Bed baseert de aansprakelijkheid van BASF op artikel 6:175 BW .

4.6.

Artikel 6:175 BW bepaalt dat degene die in de uitoefening van zijn beroep op bedrijf een stof gebruikt of onder zich heeft, terwijl van deze stof bekend is dat zij zodanige eigenschappen heeft, dat zij een bijzonder gevaar van ernstige aard voor personen of zaken oplevert, aansprakelijk is, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt. De achtergrond van deze regeling is dat het gebruik van gevaarlijke stoffen een risico oplevert en dat, indien dit gevaar zich verwezenlijkt, de slachtoffers hun bescherming dienen te vinden in de aansprakelijkheid van de (bedrijfsmatige) gebruiker van deze stoffen.

4.7.

Er is pas sprake van aansprakelijkheid als aan alle criteria van artikel 6:175 lid 1 BW is voldaan.

Is BASF gebruiker of houder van de stof?

4.8.

Het eerste criterium is of BASF degene is die de stof in de uitoefening van haar beroep of bedrijf gebruikt of onder zich heeft.

4.9.

Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. Dit volgt uit de stellingen van BASF die door Beter Bed niet zijn weersproken. Deze stellingen luiden als volgt.

BASF SE heeft TDI, waarin geen DCB hoort te zitten maar ten aanzien waarvan wel de verdenking bestond dat deze in een te hoge concentratie aanwezig was, geproduceerd. BASF heeft TDI/Lupranate T 80 A verkocht. De verkoop en ook de levering hebben onweersproken plaatsgevonden voordat de brief van 5 oktober 2017 uit ging. BASF was toen niet de gebruiker en had TDI met DCB niet onder zich. Dat voor Beter Bed niet (eenvoudig) is te achterhalen aan wie BASF heeft verkocht en geleverd brengt niet mee dat BASF moet worden aangemerkt als het bedrijf dat de stof gebruikt of onder zich heeft in de zin van artikel 6:175 BW .

4.10.

Beter Bed stelt dat dit leidt tot een uitkomst die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:2 en 6:248 lid 2 BW). Naar het oordeel van de rechtbank leiden de aangevoerde argumenten niet tot deze conclusie.

4.10.1.

Beter Bed stelt allereerst dat haar schade niet op één moment is ontstaan en dat het redelijkerwijs niet na te gaan is wie vanaf 5 oktober 2017 de gevaarlijke stof onder zich hield. Hiervoor is al overwogen dat verkoop en levering van het (mogelijk) besmette Lupranate T 80 A voor 5 oktober 2017 door BASF heeft plaatsgevonden. Het ‘onder zich hebben’ van de gevaarlijke stof in de zin van artikel 6:175 lid 1 BW moet worden begrepen als het feitelijk onder zich hebben, dan wel feitelijk in de macht hebben, van de desbetreffende gevaarlijke stof. Deze uitleg vindt steun in de parlementaire geschiedenis. Omdat verkoop en levering op 5 oktober 2017 al hadden plaatsgevonden had BASF de stof niet (meer) feitelijk in haar macht. BASF hield de stof op dat moment dus niet onder zich.

4.10.2.

Verder is het volgens Beter Bed duidelijk dat BASF de veroorzaker is van de DCB dreiging. Alleen zij is de verkoper van Lupranate T 80 A (met daarin DCB) zodat zij de gevaarlijke stof in de handel brengt. BASF SE produceert, maar verkoopt niets. In het kader van artikel 6:175 BW moet het begrip gebruiker /houderschap ruim worden uitgelegd, aldus Beter Bed. Hoewel het juist is dat de term “gebruik” ruim moet worden opgevat, wordt de aansprakelijkheid gelegd op degene in wiens handen de stof was op het tijdstip dat de schade werd veroorzaakt. Ook hieruit blijkt dat gebruik moet worden begrepen als het feitelijk onder zich hebben van de betreffende stof. Zoals hiervoor al is overwogen, hield BASF de stof niet feitelijk onder zich.

4.10.3.

Volgens Beter Bed zegt ook de parlementaire geschiedenis dat de “veroorzaker” de gevolgen moet dragen. BASF heeft de gevaarlijke stof in het verkeer gebracht zodat zij de veroorzaker is. Naar het oordeel van de rechtbank is dit standpunt niet juist. Zoals hiervoor is overwogen sluit de parlementaire geschiedenis aan bij het feitelijk onder zich hebben van de stof, waardoor een gesegmenteerde aansprakelijkheid ontstaat. Artikel 6:175 BW bevat geen risicoaansprakelijkheid voor degene die de stof in het verkeer heeft gebracht.

4.11.

Ten slotte moet worden voorkomen dat een prikkel ontstaat pas te waarschuwen als men zelf niet langer gebruiker/houder is. Naar het oordeel van de rechtbank zou dit een mogelijk gevolg kunnen zijn van het toepassen van artikel 6:175 BW in deze zaak. Dit neemt niet weg dat er ook andere gronden kunnen zijn voor aansprakelijkheid, waarvoor dit vereiste niet geldt. Ook kan er juist door het niet (tijdig) waarschuwen grond voor aansprakelijkheid ontstaan.

4.12.

Artikel 6:181 lid 3 BW bepaalt dat wanneer een stof als bedoeld in artikel 175 in de uitoefening van een bedrijf wordt gebruikt door deze stof ter beschikking te stellen voor gebruik in de uitoefening van het beroep of bedrijf van een ander, die ander als de uit hoofde van artikel 175 lid 1 aansprakelijke persoon wordt aangemerkt. Gezien de door BASF gestelde (en door Beter Bed niet betwiste) gang van zaken van doorverkoop en verdere verwerking van Lupranate T 80 A door producenten van foam, staat ook dit artikel er naar het oordeel van de rechtbank aan in de weg om BASF in deze zaak als aansprakelijke partij aan te merken.

Overige criteria artikel 6:175 BW

4.13.

Het tweede criterium van artikel 6:175 BW is: “terwijl van deze stof bekend is dat zij zodanige eigenschappen heeft, dat zij een bijzonder gevaar van ernstige aard voor personen of zaken oplevert”. Tussen partijen is niet in geschil dat DCB een gevaarlijke stof is in de zin van dit artikel. Er is echter (pas) aansprakelijkheid als het gevaar zich verwezenlijkt. Daarvan is in dit geval geen sprake geweest. Het gevaar betreft immers een te hoge concentratie DCB. Het staat vast dat er geen te hoge concentratie DCB aanwezig was in het foam waarin het door BASF verkochte en geleverde Lupranate T 80 A was verwerkt.

4.14.

De conclusie is dat er geen sprake is van aansprakelijkheid van BASF op grond van artikel 6:175 BW omdat niet aan alle criteria is voldaan.

Artikel 6:184 BW

4.15.

Beter Bed heeft ook verwezen naar artikel 6:184 BW . Dit artikel bepaalt dat onder de schadevergoedingsverplichting op grond van (onder meer) artikel 6:175 BW ook vallen (a.) de kosten van redelijke maatregelen ter voorkoming of beperking van schade door wie dan ook genomen, nadat een ernstige en onmiddellijke dreiging is ontstaan dat schade zal worden veroorzaakt die krachtens die artikelen voor vergoeding in aanmerking komt en

(b.) schade en verlies veroorzaakt door zulke maatregelen.

4.16.

Deze bepaling ziet niet op het vestigen van aansprakelijkheid maar op de schade waarvoor aansprakelijkheid bestaat als aansprakelijkheid op grond van (bijvoorbeeld) artikel 6:175 BW kan worden vastgesteld. Dat laatste is hier niet het geval zodat ook het beroep op artikel 6:184 BW Beter Bed niet kan baten.

Conclusie

4.17.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de vordering van Beter Bed moet worden afgewezen omdat er geen sprake is van aansprakelijkheid van BASF. De overige stellingen van partijen hoeven daarom niet te worden besproken.

4.18.

Beter Bed zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van BASF worden begroot op:

- explootkosten € 0,00

- griffierecht 639,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 2.172,00 (4,0 punten × tarief € 543,00)

Totaal € 2.811,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt Beter Bed in de proceskosten, aan de zijde van BASF tot op heden begroot op € 2.811,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2020.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature