< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Verdachte heeft onder invloed van alcohol en cannabis een personenauto bestuurd. Daarmee heeft hij een eenzijdig ongeval veroorzaakt waardoor een van de inzittende van de personenauto is overleden. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van drie jaar.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/860336-18

Datum uitspraak: 22 november 2019

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1984] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 november 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 1 oktober 2019.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 04 maart 2018 te Geffen, gemeente Oss, als verkeersdeelnemer), namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, Papendijk, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, na gebruik van en/of onder invloed van alcoholhoudende drank en/of hennep (cannabis), gekomen ter hoogte van een rotonde van deze weg met de Rijksweg, tegen een trottoirband te rijden, (mede) waardoor hij, verdachte, de controle over het door hem bestuurde motorrijtuig heeft verloren, en/of (mede) waardoor dat motorrijtuig over de kop is geslagen en/of tegen een lantaarnpaal is gebotst, waardoor een ander (te weten een inzittende van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig, genaamd [slachtoffer] ) werd gedood, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 , danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

A.

hij op of omstreeks 04 maart 2018 te Geffen, gemeente Oss,, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994 , 1,77 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

B.

hij op of omstreeks 04 maart 2018 te Geffen, gemeente Oss,, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Papendijk,

na gebruik van en/of onder invloed van alcoholhoudende drank en/of hennep (cannabis), gekomen ter hoogte van een rotonde van deze weg met de Rijksweg, tegen een trottoirband is gereden, (mede) waardoor hij, verdachte, de controle over het door hem bestuurde motorrijtuig heeft verloren, en/of (mede) waardoor dat motorrijtuig over de kop is geslagen en/of tegen een lantaarnpaal is gebotst, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen te verklaren. Gelet op het exorbitante middelengebruik van verdachte in combinatie met het overige verkeersgevaarlijke gedrag is sprake geweest van zeer onvoorzichtig en onoplettend handelen. Door dat zeer onvoorzichtige rijgedrag is het [slachtoffer] komen te overlijden, waarbij het door het ongeval opgelopen hersen- en aangezichtstrauma, de directe aanleiding voor dat overlijden vormt. Het causaal verband tussen het ongeval en het overlijden is zonder meer bewezen te achten.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. Indien het slachtoffer een gordel had gedragen was hij niet uit de auto geslingerd. De dodelijke verwondingen zijn daardoor ontstaan en niet door het over de kop slaan van de auto en het raken van de lantaarnpaal. Er is sprake geweest van een noodlottig ongeval door een enkel moment van onoplettendheid, hetgeen niet gekwalificeerd kan worden als overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerwet 1994. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

[verbalisant 1] heeft – zakelijk weergegeven – als volgt gerelateerd :

Op zondag 4 maart 2018 te 07:35 uur heeft er een verkeersongeval plaatsgevonden. De bestuurder van de personenauto, Ford met het Poolse [kenteken] , reed over de Papendijk komende vanuit de richting Vinkel en gaande in de richting van de rotonde met de Rijksweg, gelegen buiten de bebouwde kom van Geffen in de gemeente Oss. Kennelijk als gevolg van een stuurfout en of inschattingsfout kwam het rechtervoorwiel van de Ford kort voor de rotonde en onder het viaduct onder de A59 in botsing met een rechts van de rijbaan gelegen betonnen opsluitband. De Ford sloeg hierop over de kop en kwam vervolgens na ongeveer 85 meter na de botsplaats via het wegdek van de rotonde en een grasberm via een lichtmast/lantaarnpaal in de aangetroffen eindpositie tot stilstand. Als gevolg van het verkeersongeval raakten de vier inzittenden gewond. De bestuurder en twee inzittenden raakten slechts lichtgewond. Eén inzittende, die rechts achterin de Ford zat en als gevolg van het verkeersongeval uit de auto werd geslingerd, raakte zwaargewond en overleed later in het Radboud UMC te Nijmegen.

[verbalisant 2] heeft – zakelijk weergegeven – als volgt gerelateerd :

6.2

Oorzaak, toedracht en gevolg

Oorzaak:

De bestuurder van de personenauto, welke blijkens tactisch onderzoek onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde, was niet voortdurend in staat om zijn personenauto onder controle te houden.

Toedracht:

De bestuurder van de personenauto botste met het rechter voorwiel tegen een rechts van de rijbaan gelegen opsluitband. Vervolgens sloeg de personenauto over de kop en kwam na ongeveer 84,70 meter in zijn eindpositie tot stilstand. De rechts achterin gezeten hebbende passagier welke ten tijde van het ongeval geen gebruik had gemaakt van diens driepuntsveiligheidsgordel werd zwaargewond buiten het voertuig aangetroffen.

Gevolg:

De zwaargewonde passagier kwam aan de gevolgen van het door het ongeval opgelopen letsel te overlijden. Op zondag 4 maart 2018 omstreeks 13:38 uur kwam op de IC ten gevolge van het door het ongeval opgelopen letsel de rechts achterin gezeten hebbende Poolse passagier [slachtoffer] , geboren te [geboorteplaats] op [1990] te overlijden. Op zondag 4 maart 2018 omstreeks 14:45 uur werd door de forensisch GGD-arts J. Workum de schouw verricht. Na afloop van de schouw deelde voornoemde GGD-arts mede dat schedelbreuk de doodsoorzaak was geweest.

Uit het Rapport alcohol en drugs in het verkeer blijkt het volgende :

Uit het bloedonderzoek van het bloed van [verdachte] met SIN TAAP1799NL blijkt dat het eindresultaat alcohol in zijn bloed 1,77 milligram per millimeter betrof (grenswaarde indien enkelvoudig gebruikt is 0,50 of 0,20 en grenswaarde indien in combinatie gebruikt is 0,20). Het eindresultaat cannabis betrof 2,0 microgram per liter (grenswaarde indien enkelvoudig gebruikt is 3,0 en grenswaarde indien in combinatie gebruikt is 1,0).

Verdachte heeft bij de politie op 5 maart 2018 – zakelijk weergegeven – als volgt verklaard:

Ik heb bij het ongeval alcohol gebruikt. Ik heb zaterdagochtend met mijn vriendin gesproken. Ik vertelde haar dat ik naar een vriend ging om bier te gaan drinken. Ik ben op zaterdag 3 maart omstreeks 17.00 uur naar mijn vriend [naam] gegaan. Ik weet dat ik dus naar mijn vriend ben gegaan en daarna weet ik niet veel meer. Ik weet dat we nog ergens spelletjes hebben gespeeld en ik heb veel gedronken. Ik heb gewoon bier gedronken meer weet ik niet. Ik weet ook van het ongeval niets meer. Ik heb voorafgaand aan het ongeluk ongeveer 2 uur geslapen.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 8 november 2019 – zakelijk weergegeven – als volgt verklaard:

Ik heb voorafgaand aan het ongeval cannabis gebruikt, ik heb samen met anderen een aantal joints gerookt.

Vaststelling op grond van de bewijsmiddelen.

Voor de beantwoording van de vraag of verdachte schuld heeft gehad aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 moet gekeken worden naar het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het ongeval. Daarbij verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Van schuld in deze zin is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid. Een lichtere vorm van schuld is hiervoor onvoldoende. Niet elk tekortschieten, niet elke verkeersovertreding, is voldoende voor het aannemen van schuld. Bij het vaststellen van onvoorzichtigheid gaat het om de vraag of de verdachte objectief gezien een ernstige fout heeft gemaakt dan wel zijn rijgedrag (aanmerkelijk) onder de maat is gebleven van wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld mag worden verwacht. Van alcoholconsumptie is algemeen bekend dat dit het reactie- en waarnemingsvermogen aantast en in zoverre bijdraagt aan de schuld. Hetzelfde geldt voor het gebruik van cannabis.

Verdachte is op 4 maart 2018 in de ochtend met drie passagiers in zijn personenauto gestapt terwijl hij fors onder invloed was van alcohol en cannabis. Verdachte is de avond daarvoor naar een vriend gegaan om bier te drinken. Hij heeft volgens zijn verklaring gedurende de hele nacht alcohol gedronken en tevens cannabis gerookt, zodanig dat uit het bloedonderzoek is gebleken dat verdachte op 4 maart 2018 na het ongeval 1,77 microgram alcohol per milliliter bloed en 2,0 microgram cannabis per liter bloed in zijn bloed had. Wanneer alcohol en cannabis in combinatie gebruikt zijn, zoals op grond van deze uitslagen van het bloedonderzoek kan worden vastgesteld, ligt niet alleen de in het bloed van verdachte aangetroffen hoeveelheid cannabis van 2,0 microgram per liter boven de toegestane grenswaarde van 1,0 microgram per liter maar ook de hoeveelheid alcohol ligt bijna 8 keer boven de toegestane hoeveelheid. De rechtbank is van oordeel dat het onder deze omstandigheden besturen van een personenauto (na gebruik van meer dan de toegestane hoeveelheid cannabis en alcohol) op zichzelf al aangemerkt kan worden als zeer onvoorzichtig rijgedrag als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 .

Bovendien had verdachte de nacht voor het ongeval nagenoeg geen nachtrust genoten. Hij is ondanks voornoemde omstandigheden toch een personenauto gaan besturen met daarin drie passagiers en heeft hiermee een eenzijdig ongeval veroorzaakt, door met het rechtervoorwiel van zijn personenauto in botsing te komen met een rechts van de rijbaan gelegen betonnen opsluitband. De personenauto sloeg hierdoor over de kop en kwam vervolgens na ongeveer 85 meter na de botsplaats, via het wegdek van de rotonde en een grasberm, via een lantaarnpaal tegen een heg tot stilstand. Als gevolg van het verkeersongeval raakte één van de passagiers dusdanig gewond dat hij is komen te overlijden.

Het verweer van de raadsvrouw dat het causaal verband ontbreekt tussen het ongeval en het overlijden van het slachtoffer kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. De rechtbank sluit zich in dit kader aan bij de jurisprudentie van de Hoge Raad van 11 december 2011. De omstandigheid dat het letsel ( mogelijk ) niet zo ernstig zou zijn geweest als het slachtoffer zijn autogordel had gedragen, betekent niet dat daardoor het causaal verband tussen het ongeval en het letsel van het slachtoffer ontbreekt. De relevante oorzaak is niet het verzuim van het dragen van de autogordel maar het ongeval zelf. Het door het slachtoffer opgelopen letsel en als gevolg daarvan zijn overlijden kan derhalve aan verdachte worden toegerekend.

Gelet op de voornoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zeer onvoorzichtig heeft gehandeld, zodanig dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 , waardoor het [slachtoffer] is komen te overlijden. De rechtbank acht derhalve het primair ten laste gelegde wettig en overtuigd bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

op 04 maart 2018 te Geffen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, Papendijk, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer onvoorzichtig na gebruik van en onder invloed van alcoholhoudende drank en cannabis, gekomen ter hoogte van een rotonde van deze weg met de Rijksweg, tegen een trottoirband te rijden, mede waardoor hij, verdachte, de controle over het door hem bestuurde motorrijtuig heeft verloren en mede waardoor dat motorrijtuig over de kop is geslagen en tegen een lantaarnpaal is gebotst, waardoor een ander te weten een inzittende van dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig, genaamd [slachtoffer] , werd gedood, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 .

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaren met aftrek als bedoeld in artikel 169 van de Wegenverkeerswet 1994 .

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw van verdachte heeft gevraagd bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij heeft een goedlopend bedrijf en een gezin te onderhouden. Daarnaast is verdachte zeer berouwvol, hij vindt het verschrikkelijk wat er gebeurd is.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is op 4 maart 2018 onder invloed van alcohol en cannabis met zijn auto met daarin drie inzittenden tegen een betonnen opsluitband gereden, waardoor zijn auto over de kop is gevlogen en vervolgens tientallen meters verder pas tot stilstand is gekomen. Als gevolg hiervan is het slachtoffer, de heer [slachtoffer] overleden. Door onder invloed van een grote hoeveelheid alcoholhoudende drank en cannabis een auto te besturen, heeft verdachte zeer onvoorzichtig rijgedrag vertoond. Verdachte heeft zich geheel geen rekenschap gegeven van de verantwoordelijkheid die een bestuurder van een motorvoertuig heeft ten opzichte van andere verkeersdeelnemers of, in dit geval, ten opzichte van zijn passagiers. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Door zijn rijgedrag heeft hij zeer ingrijpend en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van de heer [slachtoffer] .

Verder weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee dat hij blijkens zijn Poolse strafblad in 2008 is veroordeeld voor het rijden onder invloed. Kennelijk heeft deze veroordeling verdachte er niet van weerhouden wederom onder invloed van middelen achter het stuur te gaan zitten.

De rechtbank weegt voorts mee dat verdachte ter terechtzitting berouw heeft getoond. Dit berouw komt de rechtbank oprecht voor. Verdachte is zelf erg aangedaan door wat er is gebeurd en hij lijkt de ernst van zijn handelen in te zien.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat in het belang van de verkeersveiligheid de bijkomende straf van een ontzegging van de rijbevoegdheid van 3 jaar passend en geboden is. De rechtbank zal bepalen dat de tijd die het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 v óór het tijdstip waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 6, 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 .

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 , terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid van de ze wet.

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straffen.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde:Een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht

en

een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder begrepen) voor de duur van 3 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 179 lid 6 van de Wegenverkeerswet 1994

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Bossink, voorzitter,

mr. S.J.W. Hermans en mr. J.H.L.M. Snijders, leden,

in tegenwoordigheid van mr. M.M.A. Akkers, griffier,

en is uitgesproken op 22 november 2019.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgenomen in het einddossier van de politie eenheid Oost-Brabant, dienst regionale operationele samenwerking, afdeling infrastructuur, team verkeer verkeersongevallen afhandeling, tactische opsporing, genummerd PL2100-2018042279. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen opgenomen in genoemd einddossier.

Proces-verbaal aanrijding misdrijf d.d. 22 juli 2018.

Proces-verbaal VerkeersongevalsAnalyse d.d. 9 april 2018, pagina 1-23.

Een geschrift betreffende een rapport alcohol en drugs in het verkeer van het NFI d.d. 15 maart 2018.

Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 5 maart 2018.

Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 8 november 2019.

ECLI:HR:2001:AD5285.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature