< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het tezamen en in vereniging handelen in het illegale erectiemiddel Kamagra. De verdachten maakten gebruik van professioneel uitziende internetsites om de illegale goederen te promoten en te verkopen. De verdachten hebben dit jarenlang op grote schaal gedaan. Hun clientèle bestond dikwijls uit afnemers die onwetend waren over de illegaliteit en de gevaren van de aangeboden medicatie. Betalingen vonden plaats via de infrastructuur van het reguliere Nederlandse betalingsverkeer. Hierbij werden de Nederlandse banken betrokken alsmede de door hen ondersteunde online betaalmethoden, zoals iDEAL. De verdere distributie van de medicijnen werden (deels) uitgevoerd door bonafide en onwetende bezorgdiensten zoals PostNL. De verdachten hebben gebruik gemaakt van andere personen die voor verdachten vennootschappen hebben opgericht, met als doel de afscherming van hun identiteiten, het betalingsverkeer, het logistieke proces en de marketing. Daarnaast werd een bedrijfspand gebruikt voor de levering, distributie en opslag van de medicatie, zodat al met al gesproken kan worden van een professionele handel.

De illegale opbrengsten werden geherinvesteerd in criminele activiteiten, waaronder door het aanschaffen van nieuwe illegale medicatie uit het buitenland en het betalen van mensen die voor de verdachten vennootschappen hebben opgericht. De opbrengsten werden daarnaast, na meerdere girale overschrijvingen, ingezet voor de aanschaf van dure auto’s, een chalet en cryptocurrency.

Het illegaal, zonder toezicht van een arts of apotheek, op grote schaal verkopen van geneesmiddelen die, voor zover die al zullen worden voorgeschreven door een arts, uitsluitend op recept verkrijgbaar zijn vormt, gelet op de mogelijk schadelijke bijwerkingen, een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid met in het ergste geval fatale gevolgen, door onoordeelkundige toepassing en verslavende effecten. De verdachte heeft uitsluitend oog gehad voor zijn eigen financieel gewin en de risico's van die middelen voor de gezondheid van de gebruikers op de koop toegenomen.

Verdachte heeft een leidende rol gehad in de handel in Kamagra. Verdachte was namelijk verantwoordelijk voor de inkoop, voorraad, inzet van personeel, het bedrijfspand, de verzending en het klantcontact. De verzending geschiedde vanuit het bedrijfspand waarin het bedrijf van verdachte gevestigd zat. Daarnaast had hij de uiteindelijke beschikking over de bankpassen en bankrekeningen waar de inkomsten vanuit de handel binnenkwamen. Verdachte heeft ter terechtzitting ook verklaard dat hij feitelijk als bedrijfsleider functioneerde.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden passend en geboden.

Uitspraak



Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

Parketnummer 18/950028-18

Vonnis van de meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 19 januari 2023 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] , wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 november 2022.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. L. Klewer, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Homans - de Boer.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 2 januari 2013 tot en met 29 maart 2018, in de gemeente Emmen en/of (elders) in Nederland en/of Duitsland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer andere(n) natuurlijke

persoon/personen en/of rechtspersoon/rechtspersonen, althans alleen, al dan niet opzettelijk

- zonder vergunning van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (een)

geneesmiddel(en) niet bedoeld voor onderzoek, te weten Kamagra en/of Sildenafil en/of Tadalafil, althans een waar/waren bevattende de werkzame stof Sildenafil en/of Tadalafil heeft ingevoerd en/of afgeleverd en/of uitgevoerd en/of anderszins binnen of buiten het Nederlands grondgebied heeft gebracht,

- dan wel een groothandel heeft gedreven in dat/die geneesmiddel(en), te weten Kamagra en/of

Sildenafil en/of Tadalafil, althans een waar/waren bevattende de

werkzame stof Sildenafil en/of Tadalafil, terwijl voor voormelde geneesmiddelen (tevens) geen handelsvergunning was verleend;

2.

hij in of omstreeks de periode van 2 januari 2013 tot en met 29 maart 2018, in de gemeente Emmen en/of (elders) in Nederland en/of Duitsland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer andere(n) natuurlijke persoon/personen en/of rechtspersoon/rechtspersonen, althans alleen, al dan niet opzettelijk (een) geneesmiddel(en) waarvoor geen handelsvergunning gold, te weten Kamagra en/of Sildenafil en/of Tadalafil, althans een waar/waren bevattende de werkzame stof Sildenafil en/of Tadalafil, in voorraad heeft gehad en/of te koop heeft aangeboden en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of ter hand gesteld en/of ingevoerd en/of uitgevoerd en/of anderszins binnen of buiten het Nederlands grondgebied heeft gebracht.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Standpunt van de verdediging

Namens verdachte is betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De raadsman heeft hiertoe primair aangevoerd dat verdachte in Duitsland op 13 januari 2022 is vrijgesproken voor hetzelfde feitencomplex. Uit de Duitse akte van beschuldiging blijkt immers dat verdachte verweten werd gemeenschappelijk te hebben gehandeld in strijd met de Duitse geneesmiddelenwet. Het Duitse onderzoek is nauw verweven met het Nederlands strafrechtelijk onderzoek en is, blijkens de akte van beschuldiging, gestart op initiatief van de Nederlandse opsporingsautoriteiten. Daarnaast blijkt dat het in de Duitse zaak om exact dezelfde websites gaat als in de onderhavige Nederlandse zaak. Ook gaat het in beide zaken om dezelfde werkzame stoffen. Al met al moet worden geconcludeerd dat het om hetzelfde feit gaat, aldus de raadsman.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor vervolging van de feiten buiten de periode van 2016 tot en met 2018. Op 24 september 2018 is verdachte aan Nederland overgeleverd. Verdachte heeft geen afstand gedaan van het specialiteitsbeginsel. De beslissing waarbij achteraf goedkeuring is gegeven voor de strafvervolging voor de gewijzigde periode vanaf 1 januari 2013 is niet tijdig genomen en verdachte heeft ten aanzien van deze periode nooit ingestemd met een versnelde procedure, aldus de raadsman.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft met betrekking tot het primaire verweer van de raadsman aangevoerd dat uit het begeleidend schrijven bij het opgevraagde Duitse vonnis en akte van beschuldiging duidelijk blijkt dat de ten laste gelegde pleegdatum in die zaak 12 september 2018 betrof, terwijl de ten laste gelegde pleegperiode in de onderhavige zaak 2 januari 2013 tot en met 29 maart 2018 betreft. De Duitse zaak zag uitsluitend op de in de woning van de zoon van verdachte aangetroffen potentiemiddelen. Het beginsel ne bis in idem staat daardoor niet in de weg aan vervolging van verdachte voor datgene wat in deze zaak is ten laste gelegd, aldus de officier van justitie.

Voorts heeft zij met betrekking tot het subsidiaire verweer van de raadsman aangevoerd dat er een

Europees Aanhoudingsbevel is afgegeven dat later is aangevuld, met goedkeuring achteraf van de Duitse autoriteiten. Dat de Duitse autoriteiten niet binnen dertig dagen hebben gereageerd, hoeft niet te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Verdachte is door deze termijnoverschrijding niet in zijn belangen geschaad. De termijn uit het Kaderbesluit is bovendien niet gesteld ter bescherming van de verdachte, maar is gesteld met het oog op het op voortvarende wijze organiseren van het rechtsverkeer tussen lidstaten.

Oordeel van de rechtbank

Uit het Duitse vonnis en akte van beschuldiging volgt dat de ten laste gelegde pleegdatum in de Duitse zaak 12 september 2018 betreft. De ten laste gelegde pleegperiode in de onderhavige zaak betreft echter de periode van 2 januari 2013 tot en met 29 maart 2018. Dat de zaken nauw met elkaar verweven zijn, maakt nog niet dat verdachte in Duitsland voor hetzelfde feit is veroordeeld. De rechtbank is -met de officier van justitie- van oordeel dat het beginsel ne bis in idem niet in de weg staat aan vervolging van verdachte voor datgene wat in deze zaak is ten laste gelegd. De rechtbank verwerpt dan ook het primaire verweer van de raadsman.

Met betrekking tot het subsidiaire verweer overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (2002/584/JBZ, hierna: het Kaderbesluit) wordt, voor zover hier van belang, een overgeleverde persoon niet vervolgd wegens enig ander vóór de overlevering begaan strafbaar feit, dan waarvoor hij is overgeleverd. In die bepaling is het zogeheten specialiteitsbeginsel tot uitdrukking gebracht. Het openbaar ministerie is hieraan gebonden op grond van het bepaalde in artikel 48 van de Overleveringswet (OLW), behoudens de in het derde lid van artikel 27 van het Kaderbesluit genoemde uitzonderingsgevallen.

De achterliggende gedachte van het Kaderbesluit is dat de lidstaten over en weer gemakkelijker personen kunnen overleveren. Dit is gebaseerd op het wederzijds vertrouwen tussen staten in elkaars rechtssysteem.

Bij de stukken bevindt zich een Europees aanhoudingsbevel van 12 juni 2018. Daarin staat als feitelijke omschrijving onder meer omschreven dat verdachte [verdachte] in de periode 1 mei 2016 tot begin 2018 meerdere personen in Nederland heeft ingeschakeld bij zijn internetverkoop van verboden geneesmiddelen (o.a. Kamagra en Sildenafil) en het witwassen van de opbrengsten daaruit. Bij de zogenoemde ‘lijstfeiten’ staat witwassen vermeld

en bij de overige strafbare feiten staat overtreding van de artikelen 18 en 40 van de Geneesmiddelenwet vermeld.

In het Aanvullend Europees aanhoudingsbevel van 17 oktober 2018 wordt dezelfde gebeurtenis omschreven, maar nu met meer details die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen. Daaruit blijkt – voor zover hier relevant – dat verdachte [verdachte] reeds sinds 19 november 2012 ingeschreven was

als bestuurder van de [stichting] . Deze stichting is sinds januari 2013 ingeschreven als aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] . Voorts is uit onderzoek gebleken dat via de bankrekeningen van onder meer [bedrijf 1] geldstromen zijn binnengekomen, afkomstig van de verkoop van verboden geneesmiddelen. Gelet op deze omstandigheden is de periode van het strafbare feit gewijzigd.

De Duitse officier van justitie heeft aan beide bevelen volledige uitvoering gegeven. Op 27 september 2018 is verdachte overgeleverd aan Nederland. De Duitse officier van justitie heeft niet binnen dertig dagen beslist op het Nederlandse aanhoudingsbevel. De in het artikel 27, vierde lid, van het

Kaderbesluit gestelde termijn strekt echter niet ter bescherming van de belangen van verdachte, maar heeft als doel om het rechtsverkeer tussen lidstaten voortvarend te organiseren. Verdachte is door de overschrijding van de termijn dan ook niet geschaad in enig rechtens te respecteren belang.

De rechtbank wijst voorts op de vaste jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie, waaruit volgt dat wijzigingen in de omstandigheden tijd en plaats zijn toegestaan, mits zij volgen uit de elementen die zijn verzameld tijdens de procedure die in de uitvaardigende lidstaat is gevolgd met betrekking tot de in het aanhoudingsbevel omschreven gedragingen, zij de aard van het strafbare feit niet wijzigen en zij niet leiden tot gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging in de zin van de artikelen 3 en 4 van het kaderbesluit. 1

Naar het oordeel van de rechtbank is duidelijk dat het van meet af aan materieel steeds om hetzelfde feitelijk gebeuren gaat, ook bij een langere ten laste gelegde periode. De vervolging is derhalve naar het oordeel van de rechtbank evident niet wegens andere feiten dan de feiten die de reden waren tot overlevering. Het (subsidiaire) verweer met betrekking tot het specialiteitsbeginsel wordt dan ook verworpen.

Beide door de raadsman gevoerde verweren betreffende de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging worden verworpen. Nu er overigens (ook ambtshalve) geen redenen zijn voor niet-ontvankelijkverklaring, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor beide ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde niet bewezen kan worden dat verdachte tezamen en in vereniging een groothandel heeft gedreven. Verdachten hebben immers de geneesmiddelen verkocht aan particulieren, niet zijnde apothekers. Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde kan niet bewezen worden dat verdachten de geneesmiddelen ter hand hebben gesteld, nu geen sprake is geweest van ter hand stellen aan patiënten, aldus de officier van justitie.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 1. en 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering .

Deze opgave luidt als volgt:

de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 november 2022;

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen internetsurveillance d.d. 4 augustus 2017, opgenomen op pagina 2407 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NNRBB18002-Maanvis d.d. 1 april 2022, inhoudend als relaas van verbalisant;

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van pseudokoop d.d. 1 december 2017,opgenomen op pagina 2413 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant;

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van onderzoek ontvangen postpakket metKamagra d.d. 7 december 2017, pagina 2416 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant;

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen InspectieVolksgezondheid d.d. 16 mei 2018, opgenomen op pagina 2799 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant;

Een deskundigenverklaring afkomstig van de Inspectie voor de Gezondheidszorg d.d. 5 juli 2018,opgemaakt op ambtseed door dr. J.H.C.M. Lammers, opgenomen op pagina 2441 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend als diens verklaring;

Een schriftelijk bescheid, te weten een Uittreksel uit het handelsregister van de Kamer vanKoophandel d.d. 25 augustus 2017, opgenomen op pagina 2546 van voornoemd dossier;

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 5 februari 2018,opgenomen op pagina 2542 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [naam] ;

Een schriftelijk bescheid, te weten een Uittreksel uit het handelsregister van de Kamer vanKoophandel d.d. 14 maart 2018, opgenomen op pagina 2567 e.v. van voornoemd dossier;

Een schriftelijk bescheid, te weten een Uittreksel uit het handelsregister van de Kamer vanKoophandel d.d. 18 juli 2018, opgenomen op pagina 2569 e.v. van voornoemd dossier;

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal restinformatie Morpheus d.d. 23 februari

2018, opgenomen op pagina 2787 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant;

12. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 augustus 2018,opgenomen op pagina 2884 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant.

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. en 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 2 januari 2013 tot en met 29 maart 2018, in de gemeente Emmen en elders in Nederland, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met andere natuurlijke personen, opzettelijk, zonder vergunning van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, geneesmiddelen niet bedoeld voor onderzoek, te weten Kamagra, Sildenafil en Tadalafil, heeft ingevoerd, afgeleverd en uitgevoerd of anderszins binnen of buiten het Nederlands grondgebied heeft gebracht, terwijl voor voormelde geneesmiddelen geen handelsvergunning was verleend;

2.

hij in de periode van 2 januari 2013 tot en met 29 maart 2018, in de gemeente Emmen en elders in Nederland, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met andere natuurlijke

personen, opzettelijk geneesmiddelen waarvoor geen handelsvergunning gold, te weten Kamagra, Sildenafil en Tadalafil, in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden, heeft verkocht, afgeleverd, ingevoerd en uitgevoerd of anderszins binnen of buiten het Nederlands grondgebied heeft gebracht.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op:

Eendaadse samenloop van

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18 van de Geneesmiddelenwet ,opzettelijk begaan, meermalen gepleegd ; en

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 40, tweede lid, van deGeneesmiddelenwet , opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte geen gevangenisstraf zou moeten worden opgelegd. Een gevangenisstraf zou alle positieve ontwikkelingen die verdachte heeft doorgemaakt sinds zijn aanhouding in 2018 doorkruisen, aldus de raadsman. Daarnaast heeft de raadsman verzocht om bij het bepalen van de straf rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM).

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de rapportage van de reclassering van 17 november 2022 en het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het tezamen en in vereniging handelen in het illegale erectiemiddel Kamagra. De verdachten maakten gebruik van professioneel uitziende internetsites om de illegale goederen te promoten en te verkopen. De verdachten hebben dit jarenlang op grote schaal gedaan. Hun clientèle bestond dikwijls uit afnemers die onwetend waren over de illegaliteit en de gevaren van de aangeboden medicatie. Betalingen vonden plaats via de infrastructuur van het reguliere Nederlandse betalingsverkeer. Hierbij werden de grote Nederlandse banken betrokken alsmede de door hen ondersteunde online betaalmethoden, zoals iDEAL. De verdere distributie van de medicijnen werden (deels) uitgevoerd door bonafide en onwetende bezorgdiensten zoals PostNL. De verdachten hebben gebruik gemaakt van andere personen die voor verdachten vennootschappen hebben opgericht, met als doel de afscherming van hun identiteiten, het betalingsverkeer, het logistieke proces en de marketing. Daarnaast werd een bedrijfspand gebruikt voor de levering, distributie en opslag van de medicatie, zodat al met al gesproken kan worden van een professionele handel.

De illegale opbrengsten werden geherinvesteerd in criminele activiteiten, waaronder door het aanschaffen van nieuwe illegale medicatie uit het buitenland en het betalen van mensen die voor de verdachten vennootschappen hebben opgericht. De opbrengsten werden daarnaast, na meerdere girale overschrijvingen, ingezet voor de aanschaf van dure auto’s, een chalet en cryptocurrency.

Het illegaal, zonder toezicht van een arts of apotheek, op grote schaal verkopen van geneesmiddelen die, voor zover die al zullen worden voorgeschreven door een arts, uitsluitend op recept verkrijgbaar zijn vormt, gelet op de mogelijk schadelijke bijwerkingen, een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid met in het ergste geval fatale gevolgen, door onoordeelkundige toepassing en verslavende effecten. De verdachte heeft uitsluitend oog gehad voor zijn eigen financieel gewin en de risico's van die middelen voor de gezondheid van de gebruikers op de koop toegenomen.

Verdachte heeft een leidende rol gehad in de handel in Kamagra. Verdachte was namelijk verantwoordelijk voor de inkoop, voorraad, inzet van personeel, het bedrijfspand, de verzending en het klantcontact. De verzending geschiedde vanuit het bedrijfspand waarin het bedrijf van verdachte, namelijk [bedrijf 2] , gevestigd zat. Daarnaast had hij de uiteindelijke beschikking over de bankpassen en bankrekeningen waar de inkomsten vanuit de handel binnenkwamen. Verdachte heeft ter terechtzitting ook verklaard dat hij feitelijk als bedrijfsleider functioneerde.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Een lichtere strafrechtelijke afdoening, zoals door de verdediging is bepleit, miskent de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte blijkens het Uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 oktober 2022 in de laatste vijf jaren niet onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op voormeld reclasseringsrapport, waaruit blijkt dat verdachte inmiddels zijn leven een positieve wending heeft gegeven. Zo heeft hij een vaste baan, goede relaties met zijn familie en geen drugs- of alcoholproblemen.

In artikel 6, eerste lid, van het EVRM is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Een strafzaak moet in beginsel twee jaar nadat verdachte mag verwachten dat hij vervolgd zal gaan worden met een einduitspraak worden afgedaan. In dit geval is die redelijke termijn fors overschreden: verdachte is op 27 september 2018 in verzekering gesteld. Op dat moment is de termijn aangevangen. De einduitspraak is op 19 januari 2023. Naar vaste rechtspraak moet overschrijding van de redelijke termijn in beginsel tot strafvermindering leiden. De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat uitdrukkelijk rekening met dit tijdsverloop. Om die reden zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie geëist. De rechtbank acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 47 en 55 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2, 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 18, 40 en 61 van de Geneesmiddelenwet . Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1. en 2. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. K. Bunk en mr. M.A.A. van Capelle, rechters, bijgestaan door mr. D.H. Röben, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 januari 2023. mrs. O.J. Bosker en M.A.A. van Capelle zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Vgl. HvJ EG 1 december 2008, NJ 2009, 394, m.nt. A.H. Klip, ECLI:EU:C:2008:669 (Leymann en Pustovarov), rov. 57.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature