< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

- deelgeschil

- veroordeling dooronderhandelen na eenzijdige beëindiging van onderhandelingen

- voorschot buitengerechtelijke kosten

Uitspraak



RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rekestnummer: 9497672 \ VZ VERZ 21-35

Beschikking van de kantonrechter in het kader van de deelgeschillenprocedure ex artikel 1019w lid 1 Rv van 4 mei 2022

in de zaak van

[A] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

gemachtigde: mr. F.F. Den Ouden,

tegen

de naamloze vennootschap

N.V. SCHADEVERZEKERING-MAATSCHAPPIJ BOVEMIJ,

gevestigd te Nijmegen,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.M.H.W. Bindels.

Partijen zullen hierna [A] en Bovemij worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift;

- de verzoekwijziging met aanvullende producties;

- het verweerschrift;

- de mondelinge behandeling van 3 maart 2022;

- de pleitaantekeningen van [A] .

1.2.

Ten slotte is beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 7 januari 2021 is [A] , die op dat moment 36 jaar was, een verkeersongeval overkomen (hierna: het ongeval), ten gevolge waarvan hij letsel heeft opgelopen. [A] is op zijn fiets aangereden door een bij Bovemij verzekerde auto, waarbij het fietsstuur tegen zijn borstbeen is aangekomen. Na het ongeval is er een ambulance ter plaatse gekomen en is [A] onderzocht. [A] behoefde niet mee naar het ziekenhuis.

2.2.

[A] was ten tijde van het ongeval als lasser werkzaam voor AB Vakwerk Uitzendorganisatie BV (hierna: AB Vakwerk), waarmee hij op 28 januari 2020 een oproepovereenkomst had gesloten die van rechtswege zou eindigen op 23 februari 2021. [A] was gedetacheerd bij Equinox Autolijn (hierna: Equinox). [A] is aanvankelijk, direct na het ongeval weer aan het werk gegaan bij Equinox maar heeft zich op 20 januari 2021 ziek gemeld.

2.3.

Op 2 maart 2021 heeft de bedrijfsarts van het UWV vastgesteld dat er sprake is van beperkingen voor reiken, tillen en dragen, duwen, trekken, klimmen en werken boven schouderhoogte. De bedrijfsarts geeft voorts aan dat de verwachting is dat deze beperkingen vier tot zes weken aanwezig zullen zijn en dat [A] weer zal kunnen hervatten in de eigen functie. Ook stelt de bedrijfsarts vast dat [A] in staat is passend werk te verrichten rekening houdend met de beperkingen. Hierna is de ziektewetuitkering die [A] op dat moment ontving stopgezet. De uitzendovereenkomst met AB Vakwerk is beëindigd.

2.4.

Op 12 april 2021 is Bovemij aansprakelijk gesteld voor de geleden en nog te lijden schade van [A] ten gevolge van het ongeval.

2.5.

Op 23 april 2021 heeft Bovemij bevestigd de zaak in behandeling te nemen en een voorschot aan [A] verstrekt van € 2000,00.

2.6.

Op 30 april 2021 heeft [A] de huisarts bezocht. De huisarts heeft geconstateerd dat de klachten van [A] afkomstig zijn van spieren en kneuzingen van de borstkas en heeft geadviseerd om rust te houden.

2.7.

Op 5 mei 2021 is Bovemij inhoudelijk nader geïnformeerd over de situatie van [A] , waarbij naast een voorlopige schadestaat van (na aftrek van het reeds uitgekeerde voorschotbedrag) € 7.049,00, onder andere een verklaring is gevoegd van AB Vakwerk om de situatie zonder ongeval nader te duiden.

2.8.

Bij e-mail van 28 mei 2021 heeft Bovemij aangekondigd de schade van [A] in behandeling te zullen nemen voor in ieder geval 50%. Verder heeft Bovemij gevraagd om aanvullende informatie over het wel of niet ziek uit dienst gaan van [A] en over de medische situatie. Vooruitlopend daarop heeft Bovemij een aanvullend voorschot van € 3.000,00 aan [A] overgemaakt en € 2.367,27 aan de advocaat van [A] ter zake buitengerechtelijke kosten. Ook geeft Bovemij in haar e-mail over het vervolg het volgende aan:

"We hebben de mogelijkheden besproken om een arbeidsdeskundige of een schaderegelaar in te schakelen. U gaf aan dat u dit met uw cliënt gaat bespreken.".

2.9.

Bij e-mail van 13 juli 2021 heeft Bovemij de volledige aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. Tevens heeft Bovemij aangegeven € 1.000,00 als voorschot op het smartengeld over te zullen maken, en voorgesteld om een gezamenlijk huisbezoek aan [A] in te plannen en als medisch adviesbureau 1 MedischAdviseur (hierna: 1 MA) in te schakelen.

2.10.

Bij e-mail van 4 augustus 2021 heeft de belangenbehartiger van [A] , mr. Den Ouden (hierna: mr. Den Ouden), het volgende, voor zover thans van belang, aan Bovemij meegedeeld:

"Met cliënt gaat het helaas nog niet goed. Hij heeft een behandeling gehad bij de fysiotherapeut. Doordat hij behandelingen niet verder kon betalen is dit gestopt. Ook krijgt hij boetes aangezien hij de rekening niet kan betalen. Ondertussen kan hij niet werken aan zijn herstel en lopen schulden verder op. Op 25 augustus as. staat er een bezoekafspraak gepland met Cordaet. Het is van uiterste noodzaak dat er vooruitlopend hierop nog een aanvullend voorschot wordt verstrekt, mede met het oog op de verwerkingsperiode aangezien er nog een volmacht tussen zit. (…)".

Voorts heeft [A] aangekondigd de medische informatie aan de medische dienst van Bovemij door te zullen sturen en is er een tot september 2021 bijgewerkte schadestaat meegestuurd van (na aftrek van uitgekeerde voorschotten) € 10.620,00.

2.11.

Bovemij heeft vervolgens een aanvullend voorschot van € 2.000,00 toegekend aan [A] .

2.12.

Op 25 augustus 2021 heeft het gezamenlijk bezoek aan [A] plaatsgevonden, waarbij naast mr. Den Ouden een medewerker van Cordaet Personenschade BV (hierna Cordaet) aanwezig was. Naar aanleiding van het bezoek heeft Cordaet een expertiserapport opgesteld waarin, voor zover thans van belang, het volgende wordt vermeld:

"(…)

Een paar dagen na het ongeval heeft betrokkene telefonisch contact gezocht met zijn huisarts in Venlo. De huisarts adviseerde betrokkene om bij aanhoudende klachten naar de praktijk te komen, of contact op te nemen met het ziekenhuis in Leeuwarden.

In verband met aanhoudende klachten heeft betrokkene contact gezocht met de huisarts van Medtzorg (…) in Leeuwarden. Betrokkene vertelde dat hij sinds april 2021 wekelijks de huisarts consulteert.

Daarnaast is betrokkene doorverwezen naar de fysiotherapeut, die hij voor het eerst op 22 juni 2021 bezocht

(…)

- re-integratiedossier werkgever: de bedrijfsarts van Robidus constateerde eind februari/begin maart 2021, dat er benutbare mogelijkheden waren en verklaarde betrokkene arbeidsgeschikt. Daarop werd de Ziektewetuitkering gestaakt en het contract bij AB Vakwerk ontbonden.

Betrokkene ontvangt van begin maart 2021 tot 2 september 2021 een WW-uitkering. de maanduitkering van de WW bedraagt € 1.167,63. Er vindt geen arbeidsdeskundige begeleiding plaats.

Omdat betrokkene per 2 september 2021 geen WW-uitkering meer ontvangt, zal hij genoodzaakt zijn om een WWB-uitkering te gaan aanvragen.

(…)

- arbeidsdeskundige begeleiding verzekeraar: Met de belangenbehartiger is gesproken over de inzet van een arbeidsdeskundige die betrokkene verder op weg kan helpen. Er is afgesproken dat ik dit verzoek met u zal overleggen.

(…)

VOORTGANG

(…)

5. Met de belangenbehartiger is gesproken over arbeidsdeskundige interventie. Dit zou betrokkene op weg kunnen helpen nu hij nog niet in staat is om zijn laswerkzaamheden te hervatten;

(…)".

2.13.

Nadat mr. Den Ouden enkele malen telefonisch contact heeft opgenomen met Bovemij, heeft hij bij e-mail van 17 september 2021 het volgende, voor zover thans van belang, aan Bovemij bericht:

"(…) Ik verzoek u haast te maken met de inschakeling van de arbeidsdeskundige en het betaalbaar stellen van het aanvullend voorschot. Het is redelijk en nodig dat cliënt in de gelegenheid wordt gesteld om in financiële rust aan zijn herstel te werken met de nodige arbeidsdeskundige ondersteuning. (…)".

2.14.

Bij e-mail van 21 september 2021 heeft mr. Den Ouden aan Bovemij - samengevat - verzocht om te reageren op eerdere berichten en verzoeken (betaling van een factuur van de vertaling van het bezoekrapport, verstrekking van een aanvullend voorschot en arbeidsdeskundige begeleiding). De volgende dag heeft mr. Den Ouden telefonisch contact met Bovemij gezocht over de kwestie. Op 24 september 2021 heeft mr. Den Ouden het volgende, voor zover thans van belang, aan Bovemij geschreven:

"Ondertussen lopen de spanningen en financiële problemen voor cliënt verder op, waardoor hij zijn tanende financiële middelen aan moet wenden om zijn vaste lasten te betalen en dus aan behandeling en herstel überhaupt niet toe komt. Op dit moment is het geld van cliënt op. Het voorschot heeft hij moeten verbruiken om andere achterstanden weg te werken. Op een bijstandsuitkering (die bij adequate bevoorschotting überhaupt niet nodig zou moeten zijn) hoeft cliënt voorlopig niet te rekenen met een verwerking/beoordelingstermijn van 8 weken (…). Cliënt probeert ondertussen betalingsregelingen te treffen die hij zelfs niet na zou kunnen komen als Bovemij besluit om vandaag een aanvullend voorschot over te maken. Het water staat hem tot boven de lippen. Het is niet de vraag of cliënt psychisch decompenseert, maar wanneer cliënt psychisch decompenseert, als deze vorm van schaderegeling wordt gehandhaafd. Dit is volstrekt onacceptabel.".

Voorts zijn in voormeld bericht rechtsmaatregelen aangekondigd, bij gebrek aan een concreet vooruitzicht op een aanvullend voorschot. Mr. Den Ouden heeft het bericht hierna nog twee maal telefonisch onder de aandacht van Bovemij gebracht.

2.15.

Bij e-mail van 4 oktober 2021 heeft Bovemij - samengevat en voor zover thans van belang - aan mr. Den Ouden meegedeeld dat het verlies aan verdienvermogen van [A] ongeveer € 800,00 per maand is, dat er voldoende is bevoorschot en dat Bovemij het medisch advies wil afwachten. Bij e-mail van dezelfde dag heeft mr. Den Ouden - samengevat en voor zover thans van belang - aan Bovemij een geactualiseerde schadestaat gestuurd die (na aftrek van bevoorschotting) tot en met november 2021 sloot op een tekort van € 8.568,00 en uiteengezet wat de situatie van [A] was en waarom de klacht van mr. Den Ouden zijns inziens gerechtvaardigd was. Verder heeft mr. Den Ouden Bovemij gevraagd dezelfde dag nog telefonisch contact met hem op te nemen.

2.16.

Op 6 oktober 2021 heeft 1 MA een medisch advies uitgebracht (hierna: het medisch advies). In het medisch advies wordt, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

"(…) Concluderend is er sprake van een kneuzing van de borstkas, waarna betrokkene het syndroom van Tietze ontwikkelt met aanhoudende pijnklachten ter plaatse van het kraakbeen op de overgang van rib naar borstbeen. De prognose hiervan is gunstig. De verwachting is dat de klachten over enkele maanden geleidelijk verdwenen zullen zijn. Betrokkene bemerkt ook gestage verbetering en effect van de fysiotherapeutische begeleiding.

(…)

Ik adviseer het verdere beloop van het herstel nog enkele maanden te volgen en in december bij de fysiotherapeut om informatie te verzoeken.

(…)

2. Wat is aard en ernst van het letsel?

Kneuzing van de borstkas. Nadien aanhoudende pijnklachten als gevolg van het syndroom van Tietze en een plek met donkere verkleuring van de huid.

3. Zijn genoemde klachten door slachtoffer ongevalsgevolg? (…)

Ja, deze zijn ongevalgevolg.

(…)

9. Is er mogelijk sprake van een medische eindtoestand of op welke termijn is dit te verwachten (klachtenverloop)?

De verwachting is dat er over enkele maanden sprake zal zijn van een medische eindtoestand.

(…)".

2.17.

Mr. Den Ouden heeft op 6 en 8 oktober 2021 telefonisch contact opgenomen met Bovemij. Nadat Bovemij op 8 oktober 2021 heeft meegedeeld haar standpunt te handhaven en geen aanvullend voorschot te willen verstrekken, heeft mr. Den Ouden op 8 oktober 2021 het onderhavige verzoekschrift in concept aan Bovemij toegestuurd. Bij e-mail van 13 oktober 2021 heeft Bovemij gereageerd met - samengevat - een voorstel om in overleg te treden om een regeling te treffen. Bij e-mail van 14 oktober 2021 heeft mr. Den Ouden een voorstel voor een regeling gedaan waarop Bovemij niet is ingegaan, waarna het onderhavige verzoekschrift is ingediend.

2.18.

Op 29 oktober 2021 heeft mr. Den Ouden een klacht ingediend bij Bovemij, waarin door hem - voor zover thans van belang - aan de orde werd gesteld dat ondanks de vaststelling van medische causaliteit en van het verlies aan arbeidsvermogen, Bovemij sinds september 2021 de bevoorschotting heeft gestaakt bij een fors tekort op de schadestaat, dat Bovemij de kosten van rechtsbijstand niet vergoed, dat de arbeidsdeskundige niet wordt ingeschakeld ondanks het advies van de schaderegelaar en dat niet door Bovemij wordt gereageerd op de eerder ingediende klacht van mr. Den Ouden.

2.19.

Op enig moment in november 2021 is [A] weer aan de slag gegaan bij zijn voormalig werkgever, maar binnen een maand is hij weer uitgevallen.

2.20.

Bij e-mail van 11 november 2021 heeft de klachtenfunctionaris van Bovemij gereageerd op de klacht van Mr. Den Ouden en in dat verband, voor zover thans van belang, aan mr. Den Ouden meegedeeld dat er afdoende maar niet ruimschoots bevoorschot is en dat een voorschot op het smartengeld van € 1.250,00 betaalbaar kan worden gesteld. Tevens meldt de klachtenfunctionaris dat de causaliteit weliswaar vast staat maar dat dit niet geldt voor de omvang van het verlies aan verdienvermogen en vraagt zij een toelichting van mr. Den Ouden op de sollicitatieactiviteiten van [A] . Voorts acht de klachtenfunctionaris het in beginsel niet zinvol dat een arbeidsdeskundige wordt ingeschakeld, wordt de klacht over het negeren van de eerdere klacht gegrond verklaard en wordt een voorstel gedaan de zaak te regelen tegen een slotvergoeding van € 7.500,00 en een slotvergoeding van € 2.500,00 voor de buitengerechtelijke kosten.

2.21.

Bij e-mail van dezelfde dag heeft mr. Den Ouden afwijzend gereageerd op voormeld schrijven van de klachtenfunctionaris en in dat verband onder meer de diverse schadeposten nogmaals toegelicht.

2.22.

Op 23 november 2021 is een afspraak tussen partijen gemaakt voor 29 november 2021 op het kantoor van Bovemij. Op 26 november 2021 is voormelde afspraak door Bovemij wegens de coronamaatregelen geannuleerd. Nadat diverse (telefonische) pogingen van mr. Den Ouden om in contact te treden met Bovemij niet tot resultaat hadden geleid, heeft Bovemij op 20 december 2021 gereageerd met het bericht dat zij eerst het bericht van de huisadvocaat van Bovemij wilde afwachten en gevraagd of mr. Den Ouden daarmee akkoord ging. Hierop heeft mr. Den Ouden bij e-mail van 21 december 2021, voor zover thans van belang, aan Bovemij meegedeeld daarmee niet in te stemmen en in dat verband het volgende gemeld:

"(…) Ondertussen lopen alle kosten op, zit cliënt letterlijk en figuurlijk in de kou en blijft het vanuit de zijde van Bovemij stil. Er zou een gesprek komen, maar inmiddels zijn we een maand verder en blijft ook enig zicht hierop uit.

1. In eerste instantie handelt Bovemij in mijn optiek klachtwaardig

2. Vervolgens wordt mijn klacht hierover niet doorgestuurd

3. Vervolgens is mijn klacht niet behandeld zoals dit zou horen (zoals aangekondigd een gesprek binnen 10 werkdagen)

4. Nu heeft er bijna twee maanden na de klacht nog steeds geen gesprek plaatsgevonden.

(…)".

2.23.

Op 21 januari 2022 heeft mr. Den Ouden opnieuw (telefonisch) contact gezocht met Bovemij, met het verzoek om een beperkt voorschot te verstrekken aan [A] . Bovemij gaf aan er na contact met de huisadvocaat op terug te komen omstreeks 24/25 januari 2022. Na een herinnering van mr. Den Ouden, heeft uiteindelijk op 1 februari 2022 een telefoongesprek tussen de huisadvocaat van Bovemij en mr. Den Ouden plaatsgevonden.

2.24.

Bij e-mail van 3 februari 2022 heeft Bovemij aan mr. Den Ouden meegedeeld dat besloten is tot eenzijdige afwikkeling over te gaan van de schade door overmaking van een lumpsum slotbetaling van € 20.000,00 zodat uiteindelijk in totaal € 40.205,09 is vergoed voor schade bestaande uit verlies aan verdienvermogen, overige (im)materiële schade en buitengerechtelijke kosten. Tevens deelt Bovemij mee dat de onderhandelingen definitief door haar worden afgebroken.

2.25.

Bij e-mail van 18 februari 2022 heeft mr. Den Ouden aan Bovemij, voor zover thans van belang, meegedeeld dat de handelwijze van Bovemij in de kwestie niet wordt geaccepteerd en heeft mr. Den Ouden de schade tot en met maart 2022 uiteen gezet. In dit verband vermeldt mr. Den Ouden, voor zover thans van belang, het volgende:

"(…) Hiermee komt de schade van cliënt op een totaal van € 30.984,19. Op dit moment is een voorschot verstrekt ten bedrage van € 40.205,09. In de toekenning van het voorschot verdisconteerde Bovemij echter ook de buitengerechtelijke kosten.

De buitengerechtelijke kosten zijn door de wijze van schadebehandeling binnen Bovemij in combinatie met de situatie van cliënt zeer fors opgelopen.

Deze kosten bedragen:

Buitengerechtelijke kosten t/m 15 oktober 2021: € 11.916,81

Buitengerechtelijk kosten t/m 8 februari 2022 (zie meest recente declaratie in de bijlage): € 5.200,30

Kosten opstellen verzoekschrift: € 2.039,33

Kosten opstellen verzoekwijziging: € 1.954,39

Overige kosten deelgeschil (begroot op € 2.039,33): P.M.

Totale kosten: € 21.110,53

De totale schade van cliënt tot nu toe komt dan uit op € 52.094,72. Er staat dan ook een bedrag open van € 11.889,63. (…)".

3 Het deelgeschil

3.1.

[A] verzoekt - na verzoekwijziging - om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

A. De eenzijdige afwikkeling door Bovemij onrechtmatig te verklaren en Bovemij te veroordelen/instrueren tot voortzetting van de onderhandelingen op basis van een herstelgerichte schadeafhandeling conform de Gedragscode Behandeling Letselschade;

B. Bovemij te veroordelen tot betaling van een aanvullend voorschot ten bedrage van € 11.889,63 of een in goede justitie in redelijkheid te bepalen nader voorschot, gebaseerd op:

a. De schade van [A] overeenkomstig de meest recente schadestaat ad € 30.984,19;

b. De kosten buiten rechte exclusief kosten deelgeschil ad € 17.117,11;

c. De gemaakte kosten in het kader van de deelgeschilprocedure ad € 3.993,72;

C. Bovemij te veroordelen tot primair betaling aan [A] van de door de advocaat van [A] gemaakte overige kosten ter zake het bestuderen van het verweerschrift en het voorbereiden en bijwonen van de mondelinge behandeling, begroot op een bedrag van € 2.039,33 en subsidiair deze kosten in goede justitie te begroten.

3.2.

[A] legt daaraan het volgende ten grondslag. Door de opstelling van Bovemij is de kwestie tussen [A] en Bovemij in een impasse beland. Er is een onterechte discussie ontstaan over de klachten en beperkingen van [A] ten gevolge van het ongeval en de hoogte van de schade. Bovemij handelt niet conform de Gedragscode Behandeling Letselschade (hierna: de Gedragscode). Zij blijft, ondanks het oordeel van 1 MA van begin oktober 2021 dat de klachten en belemmeringen van [A] ongevalgerelateerd zijn, de bevoorschotting staken, zonder deze opstelling deugdelijk te motiveren. Doordat de tekorten op de schadestaat niet werden en worden aangevuld blijft [A] , mede door zijn kwetsbare positie (hij heeft net een scheiding achter de rug, heeft moeite met de Nederlandse taal en moest met vallen en opstaan leren hoe de Nederlandse financiële huishouding werkt), achter de feiten aanlopen. Een adequaat voorschot had [A] in staat gesteld om financiële rust te herwinnen door zijn schuldeisers te voldoen en betalingsregelingen na te komen. Bovendien had [A] , die de behandelingen bij de fysiotherapeut noodgedwongen niet heeft kunnen voortzetten, dit bedrag nodig om zich onder behandeling te laten stellen en aan zijn herstel te werken. Het bevoorschotten - wat volgens de Gedragscode de norm zou moeten zijn - werd echter door Bovemij gestaakt en er werd geen gehoor gegeven aan het verzoek om arbeidsdeskundige begeleiding, terwijl de schaderegelaar Cordaet deze begeleiding heeft geadviseerd. Vast staat dat [A] door het ongeval zijn baan is kwijt geraakt, in een negatieve spiraal terecht is gekomen en dat bij Bovemij de verantwoordelijkheid ligt om herstelgericht schade te regelen. Bovemij houdt echter ten aanzien van alles (ook wat betreft de vergoeding van buitengerechtelijke kosten) de boot af. In plaats van [A] begeleiding te bieden, werd hij door de handelwijze van Bovemij in een stresserende situatie gebracht, nu er geen geld meer was en zicht op uitkering voorlopig ontbrak. Dit staat haaks op het beginsel van herstelgerichte dienstverlening zoals de Letselschaderaad dit voorstaat. Door de zaak, na het verre van vlekkeloze schaderegelingstraject, zonder deugdelijke motivering in deze fase eenzijdig af te sluiten handelt Bovemij volgens [A] onrechtmatig. De buitengerechtelijke kosten voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets en zijn zo hoog geworden door de wijze waarop Bovemij de schade heeft behandeld, aldus [A] .

3.3.

Het verweer van Bovemij strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van [A] in zijn verzoeken, althans tot afwijzing van de verzoeken en begroting van de kosten van het deelgeschil achterwege te laten. Bovemij heeft daartoe - samengevat - het volgende aangevoerd. De kwestie leent zich in algemene zin niet voor behandeling in deelgeschil omdat daarmee niet kan worden bijgedragen aan het bereiken van een minnelijke regeling. De verzoeken van [A] - die er kortweg op zien dat de openstaande buitengerechtelijke kosten worden voldaan en dat Bovemij wordt verplicht om weer verder te gaan onderhandelen - kunnen bij toewijzing ervan niet bijdragen aan een definitieve afronding van het geschil. Er is namelijk geen sprake meer van onderhandelingen omdat er een te groot verschil zit tussen hetgeen partijen verlangen, hetgeen Bovemij met de eenzijdige afwikkeling ook kenbaar heeft gemaakt aan [A] . Nu Bovemij niet meer bereid is om te onderhandelen, stuiten de verzoeken af op de begrenzing van het deelgeschil. Voorts geldt dat ook de specifieke verzoeken niet kunnen leiden tot een minnelijke regeling. Het verzoek strekt immers in feite enkel tot de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten; de gestelde schade van [A] is blijkens de verzoekwijziging reeds vergoed door Bovemij. Een dergelijk verzoek is niet toewijsbaar in deelgeschil omdat toewijzing ervan niet kan bijdragen aan het bereiken van een vaststellingsovereenkomst. Ook als aangenomen zou worden dat het verzoek van [A] ziet op een nader voorschot op de buitengerechtelijke incassokosten of de totale schade, is het niet geschikt voor behandeling in deelgeschil, omdat een (nader) voorschot niet zal leiden tot onderhandelingen of een schikking. Bovendien betwist Bovemij dat [A] aanspraak heeft op schadevergoeding die de reeds door Bovemij betaalde voorschotten (significant) overstijgt. [A] heeft zijn schade onvoldoende onderbouwd. Nadere bewijslevering is nodig, waarvoor de deelgeschilprocedure zich in beginsel niet leent. Betwist wordt dat de eenzijdige afwikkeling van Bovemij onrechtmatig is. [A] heeft niet onderbouwd waarom dit het geval zou zijn en ook niet dat een dergelijke verklaring voor recht kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Ook het verzoek om Bovemij te veroordelen tot voortzetting van de onderhandelingen is niet toewijsbaar, nu dit verzoek niet voldoende is geconcretiseerd en niet in rechte kan worden afgedwongen. Het staat een verzekeraar vrij om een geschil eenzijdig af te wikkelen. Bovemij heeft ruimschoots aan een eventuele schadevergoedingsverplichting voldaan. De verschuldigdheid van de (extra) verzochte buitengerechtelijke kosten wordt betwist. Alleen al de verhouding tussen de schade en de kosten - de buitengerechtelijke kosten betreffen meer dan 2/3 van de volledige schade van [A] - duidt erop dat de opgevoerde kosten de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaan, gezien het belang en de complexiteit van de zaak. Ook zijn de gedeclareerde uren en werkzaamheden onvoldoende gespecificeerd. De hoogte van de buitengerechtelijke kosten is bovendien enkel te wijten aan de advocaat van [A] en niet aan het handelen van Bovemij. [A] heeft onnodig en ten onrechte een deelgeschilprocedure jegens Bovemij aanhangig gemaakt. Bovemij heeft duidelijk gemaakt dat onderhandelingen of een vaststellingsovereenkomst niet mogelijk waren en ook de advocaat van [A] stelde zich in oktober 2021 al op het standpunt dat partijen er in minnelijk overleg niet uit zouden gaan komen. Nu er sprake is van een overbodige deelgeschilprocedure, behoeven de door [A] gevorderde kosten niet te worden vergoed en kan begroting achterwege blijven, aldus Bovemij.

3.4.

Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen staat vast dat Bovemij aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat [A] is overkomen en dientengevolge de daardoor geleden schade dient te vergoeden. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of Bovemij eenzijdig de onderhandelingen met [A] heeft mogen beëindigen en of Bovemij verplicht is om, naast hetgeen zij reeds heeft uitgekeerd aan [A] , een aanvullend voorschot te verstrekken.

Geschiktheid voor deelgeschilprocedure

4.2.

Bovemij heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat de onderhavige kwestie zich niet leent om te worden behandeld in deelgeschil. Als volgt wordt overwogen.

4.3.

De deelgeschilprocedure is bedoeld voor de situatie waarin partijen het op bepaalde punten niet eens kunnen worden, waardoor de buitengerechtelijke onderhandelingen worden belemmerd. Een partij kan in een deelgeschilprocedure de rechter verzoeken op die geschilpunten te beslissen, zodat partijen vervolgens verder kunnen met buitengerechtelijke onderhandelingen, met als uiteindelijk doel het sluiten van een vaststellingsovereenkomst.

4.4.

In de onderhavige kwestie is de uiteindelijke omvang van de schade nog niet bekend, mede doordat niet duidelijk is wat de gevolgen van het ongeval zijn, met name op het gebied van het arbeidsvermogen van [A] . Juist het feit dat partijen hierover van mening verschillen kan een forse drempel zijn voor het weer op gang komen van onderhandelingen. Om die impasse te doorbreken kan een rechterlijk oordeel in een deelgeschilprocedure een functie vervullen.

4.5.

Omtrent het arbeidsvermogen van [A] is er enkel een medische rapportage van 1 MA van 6 oktober 2021, waarin - samengevat - staat dat naar verwachting de klachten van [A] over enkele maanden verdwenen moeten zijn zodat hij dan weer in staat moet zijn om te werken. Dat dat inmiddels het geval is, is niet gebleken. Aldus is er ten aanzien van de gevolgen van het ongeval nog geen heldere eindsituatie. Om die reden is niet goed begrijpelijk dat en waarom Bovemij eenzijdig heeft besloten het dossier te sluiten, en een slotuitkering te doen die niet is gebaseerd op een actuele en inzichtelijke prognose van het verloop van het arbeidsvermogen, en daarmee van de schade.

4.6.

Dit betekent echter nog niet dat de kantonrechter dus tot het oordeel moet komen dat dit handelen van Bovemij onrechtmatig is, nog daargelaten de vraag of een dergelijke verklaring voor recht past binnen de kaders van een deelgeschilprocedure. Een dergelijke procedure is immers bedoeld om partijen op weg te helpen in de verdere, buitengerechtelijke, afwikkeling van de schade. Een enkele verklaring voor recht dat er onrechtmatig is gehandeld door het sluiten van het dossier draagt daar niet aan bij.

4.7.

Wel onder de mogelijke werking van een deelgeschilprocedure vallen verzoeken tot een (nader) voorschot, vergoeding van buitengerechtelijke kosten, en een veroordeling tot dooronderhandelen, omdat op dit moment het verschil van mening over een of meer van voornoemde punten de afronding van het schadeproces met een vaststellingsovereenkomst belemmert. Dit uiteraard ongeacht het feit dat Bovemij eenzijdig heeft besloten het dossier te sluiten: juist een dergelijk besluit kan de noodzaak van een uitspraak in een deelgeschilprocedure doen ontstaan. Haar argument dat haar eenzijdige sluiting de weg van het deelgeschil heeft afgesloten faalt dan ook. Als het enkele feit dat de onderhandelingen beëindigd zijn door verschil van inzicht over de gevolgen van het ongeval voor het arbeidsvermogen al tot gevolg zou hebben dat een kwestie niet geschikt is voor de deelgeschilprocedure en een verzoeker niet in zijn verzoeken zou worden ontvangen, dan zou de deelgeschilprocedure illusoir worden. Immers, op die wijze zou een verzekeraar, door de enkele eenzijdige beëindiging van de onderhandelingen, de weg naar de deelgeschilprocedure voor het slachtoffer blokkeren.

Dooronderhandelen

4.8.

Het verzoek tot een veroordeling tot dooronderhandelen kan worden toegewezen. Bovemij heeft geen enkel redelijk argument aangedragen voor haar beslissing om het dossier te sluiten en niet verder te onderhandelen. Haar kennelijke standpunt dat de omvang van de uiteindelijke schade inmiddels wel duidelijk is en dat [A] aldus in voldoende mate schadeloos gesteld is kan zonder nadere onderbouwing niet worden gevolgd. En nu die onderbouwing ontbreekt, ligt het in de rede dat partijen nader met elkaar in gesprek gaan, waarbij het, zo geeft de kantonrechter bij wijze van suggestie aan, nuttig zou kunnen zijn wanneer Bovemij eerst een medisch- en arbeidskundig advies inwint, voordat zij een definitief standpunt inneemt over de omvang van de schade. Het verweer van Bovemij dat [A] zijn verzoek ter zake het dooronderhandelen onvoldoende heeft geconcretiseerd faalt. Daartoe wordt - in aanvulling op voormelde suggestie van de kantonrechter - in aanmerking genomen dat het voor Bovemij, als professionele partij, in het algemeen voldoende duidelijk moet worden geacht te zijn waaruit onderhandelingen die zien op schadeafwikkeling bestaan.

Buitengerechtelijke kosten

4.9.

De kantonrechter leidt uit hetgeen partijen hebben aangevoerd en met stukken hebben onderbouwd af dat het in dit deelgeschil verzochte aanvullende voorschot ziet op de buitengerechtelijke kosten. Op de standpunten van partijen ten aanzien van de materiële en immateriële schade(omvang) van [A] wordt hier dan ook niet nader ingegaan. Nu, zoals hiervoor is overwogen, partijen verder gaan onderhandelen, is de discussie over de buitengerechtelijke kosten - anders dan in de door Bovemij aangehaalde rechtspraak - niet het enige geschilpunt dat partijen nog verdeeld houdt en kan een beslissing hierover bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

4.10. (

De belangenbehartiger van) [A] maakt aanspraak op betaling van een aanvullend voorschot ter zake buitengerechtelijke kosten van € 11.889,63. Bovemij heeft de verschuldigdheid van het aanvullend voorschot betwist, omdat - samengevat - de buitengerechtelijke kosten de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaan.

4.11.

Vooropgesteld wordt dat de buitengerechtelijke kosten die worden gemaakt om de aansprakelijkheid en de hoogte van de geleden (letsel)schade te bepalen, worden vergoed door (de verzekeraar van) de aansprakelijke partij, voor zover het redelijk en noodzakelijk was daarvoor deskundige bijstand in te roepen en de daarvoor gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn (de dubbele redelijkheidstoets). Deze kosten moeten worden begroot op grond van artikel 6:96 BW .

4.12.

Aan de eerste redelijkheidstoets is voldaan. Bij letselschade is het in het algemeen redelijk om deskundige rechtsbijstand in te roepen. Dat is ook niet in geschil.

4.13.

Bij de beoordeling van de vraag of de hoogte van de kosten redelijk is, is in de jurisprudentie het uitgangspunt dat het enkele feit dat de schade nog niet vaststaat, of uiteindelijk beperkt blijkt te zijn, op zichzelf geen reden is om in redelijkheid gemaakte kosten niet te vergoeden. (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 13 maart 2015 ECLI:NL:HR 2015:586). In letselschadezaken betekent dit uitgangspunt dat, ook al staat de omvang van de schade niet vast en/of is de aansprakelijke partij van mening dat de uiteindelijke schade beperkt zal zijn, dit op zichzelf geen reden is om te weigeren voorschotten te betalen op de buitengerechtelijke kosten, zelfs als dit bedrag meer is dan de uiteindelijke schade. De reden hiervan is dat de benadeelde de (financiële) mogelijkheid moet hebben zijn of haar schade te verhalen en het niet redelijk is dat de benadeelde dit gedeelte van de schade zou moeten voorfinancieren.

4.14.

Partijen twisten over de redelijkheid van de hoogte van de kosten van juridische bijstand. Het standpunt van Bovemij dat de belangenbehartiger zijn kosten onvoldoende zou hebben onderbouwd deelt de kantonrechter niet. Daartoe wordt van belang geacht de door Mr. Den Ouden aan Bovemij gestuurde, en in het geding gebrachte, nota's alsmede de toelichting op de werkzaamheden van de belangenbehartiger in zijn pleitaantekeningen ter zitting. De kantonrechter stelt voorts vast dat de buitengerechtelijke kosten, in verhouding tot de omvang van de voorlopige schade, buitenproportioneel zijn, nu deze meer dan twee derde van de tot nog toe begrote schade bedragen. Deze disproportionaliteit laat zich in dit geval echter vooral verklaren door de specifieke situatie. De persoonlijke omstandigheden van [A] , zoals uiteengezet in het verzoekschrift en overigens niet weersproken door Bovemij, brengen mee dat snel gehandeld moest worden, en dat een adequate bevoorschotting noodzakelijk was. In dat licht kan de belangenbehartiger van [A] niet verweten worden dat hij vaak en nadrukkelijk aan de bel heeft getrokken, en veel inspanningen heeft verricht. Inspanningen overigens die, zo het zich van een afstand laat aanzien, er mede toe hebben geleid dat de situatie van [A] niet ernstiger is geworden en waar ook een zeker schadedempend effect van kan zijn uitgegaan. Om die reden, en gegeven het feit dat (de belangenbehartiger van) [A] zich terecht heeft verzet tegen de eenzijdige sluiting van het dossier, zal het nu verzochte voorschot - waarin ook reeds een bedrag van € 2.093,33 voor het voorbereiden van de onderhavige deelgeschilprocedure is begrepen - worden toegekend.

Overige deelgeschilkosten

4.15.

De kosten voor dit deelgeschil voor zover deze zien op de kosten ter zake het bestuderen van het verweerschrift en het voorbereiden en bijwonen van de mondelinge behandeling bedragen volgens [A] € 2.039,33 (6 uur tegen een uurtarief van € 265,00 exclusief btw en 6% kantoorkosten).

4.16.

De kantonrechter is het niet eens met Bovemij dat de begroting van de kosten en de veroordeling tot betaling ervan achterwege moet blijven. Uit het feit dat de verzoeken tot dooronderhandelen en het voorschot op de buitengerechtelijke kosten worden toegewezen blijkt dat het niet zo is dat het deelgeschil volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Nu Bovemij het aantal uren en het uurtarief als zodanig niet heeft betwist en deze niet onredelijk worden geacht, zal het verzochte bedrag worden toegewezen.

Niet uitvoerbaar bij voorraad

4.17.

De kantonrechter zal deze beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren zoals [A] verzoekt, omdat tegen een beschikking in een deelgeschilprocedure geen hogere voorziening openstaat. Dit volgt uit artikel 1019bb Rv .

5 Beslissing

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt Bovemij tot voortzetting van de onderhandelingen op basis van een herstelgerichte schadebehandeling conform de Gedragscode Behandeling Letselschade;

5.2.

veroordeelt Bovemij tot betaling aan [A] van een aanvullend voorschot van € 11.889,63 ter zake buitengerechtelijke kosten;

5.3.

begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv op een bedrag van € 2.039,33 en veroordeelt Bovemij tot betaling aan [A] van dit bedrag ter zake de door de advocaat van [A] gemaakte overige kosten betreffende het bestuderen van het verweerschrift en het voorbereiden en bijwonen van de mondelinge behandeling;

5.4.

wijst af het anders of meer verzochte.

Aldus gewezen door mr. J.E. Biesma, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 mei 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 426.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature