< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

*

Uitspraak



beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht Locatie Assen

zaaknummer / rekestnummer: C/19/133614 HA RK 20/50

Beschikking van 31 augustus 2021

in de zaak van

[verzoeker] , wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. I. Laseur te Heerhugowaard,

tegen

naamloze vennootschap N.V. UNIVÉ SCHADE, gevestigd en kantoorhoudende te Assen,

gerekwestreerde,

advocaat mr. M.T. Spronck te Apeldoorn.

Verzoeker zal hierna worden aangeduid als [verzoeker] en gerekwestreerde als Univé Schade.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 november 2020;

- het schrijven van mr. Laseur met productie 16, ontvangen ter griffie op 17 februari 2021;

- het verweerschrift met een productie, ingekomen ter griffie op 23 februari 2021;

- de mondelinge behandeling op 1 maart 2021, welke deels via Skype en deels op de locatieis gehouden;

- de ter gelegenheid van de mondelinge behandeling gemaakte schriftelijke aantekeningen,alsmede de voorgaande aan de mondelinge behandeling toegezonden pleitaantekeningen van mr. Laseur.

1.2.

De beschikking is (nader) bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. [

[verzoeker] is op zeventienjarige leeftijd - in 2009 - betrokken geweest bij een verkeersongeval met ernstig letsel tot gevolg.

2.2.

Univé Schade heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend.

2.3.

In de op gezamenlijk verzoek van partijen door deskundigen opgestelde rapporten in de periode mei 2012 tot en met december 2015 blijkt, dat er in ieder geval sprake is van letsel op orthopedisch, neurologisch, neuropsychologisch en oogheelkundig gebied. De neuroloog heeft in dit verband aangegeven dat voor haar vakgebied sprake is van blijvende invaliditeit van 38% tot 42% en de orthopeed heeft dit percentage voor zijn vakgebied vastgesteld op 22%.

2.4.

De medisch adviseur van [verzoeker] heeft op 17 november 2015 schriftelijk aan de gemachtigde van Univé Schade voorgesteld om op basis rapportages uit te gaan van een totaal percentage aan blijvende invaliditeit van de gehele persoon van 54%.

2.5.

Partijen hebben vervolgens gezamenlijk een onafhankelijke arbeidsdeskundige, mevrouw [naam 1] , werkzaam bij [naam 2] & Partners (hierna te noemen: de arbeidsdeskundige) ingeschakeld om de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] vast te stellen. De arbeidsdeskundige heeft op 12 juni

2018 haar definitieve rapport opgemaakt. Zij komt tot de conclusie dat [verzoeker] volledig arbeidsongeschikt is. In haar rapport heeft de arbeidsdeskundige ook de behoefte aan huishoudelijke hulp van [verzoeker] en de omvang van het verlies aan zelfwerkzaamheid vastgesteld.

2.6.

Partijen hebben een regeling betreffende de omvang van het smartengeld getroffen. Univé Schade heeft het overeengekomen bedrag van € 9.000,00 inclusief wettelijke rente aan [verzoeker] betaald.

2.7.

Partijen zijn vervolgens, nadat zij met elkaar hebben gesproken over de uitgangspunten van de berekening van met name de toekomstige schadeposten en het verlies aan verdienvermogen, overeengekomen dat het NEDERLANDS REKENCENTRUM LESTELSCHADE B.V. (hierna te noemen: NRL) een opdracht zal worden verstrekt voor het maken van een berekening. Namens [verzoeker] is daartoe een conceptbrief opgesteld voor het NRL, die op 3 december 2019 is toegezonden aan Univé Schade. In reactie daarop is op 23 januari 2020 namens Univé Schade bericht dat de conceptbrief "helemaal onze instemming kan hebben.".

2.8.

Bij brief van 28 januari 2020 hebben partijen gezamenlijk een opdracht aan het NRL verstrekt. Het NRL is verzocht vier verschillende scenario's te berekenen en daarbij uit te gaan van verschillende rekenrentes.

2.9.

De definitieve versie van het NRL rapport is op 8 april 2020 tot stand gekomen. Op pagina vier van het rapport zijn de volgende uitkomsten van de berekeningen van de verschillende scenario's weergegeven:

2.10.

Partijen hebben daarna diverse besprekingen gevoerd over de afronding van de zaak, maar zijn niet tot elkaar gekomen.

2.11.

Mr. Laseur heeft per e-mailbericht van 4 augustus 2020 Univé Schade bericht dat [verzoeker] graag een nieuwe schadeberekening wil laten maken door het NRL, waarbij wordt uitgegaan van de in het vonnis van de Rechtbank Den Haag van 13 mei 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:4169 gehanteerde rekenrente, te weten:

Looptijd

Rente

Inflatie

0-5 jaar

0%

1,5%

6-20 jaar

1,3%

2%

> 20 jaar

2%

2%

2.12.

In reactie daarop heeft Univé Schade per e-mailbericht van 13 augustus 2020 onder meer bericht:

"(…)

Het geschil betreft de uitgangspunten qua rekenrentes (inflatie en rendement). Over de uitgangspunten van alle verschillende schadecomponenten is overeenstemming. We lieten NRL al vier verschillende berekeningen maken. Van die vier berekeningen is scenario 4 niet meer aan de orde (…).".

Voorts is aangegeven dat Univé Schade niet akkoord is met het maken van een 5e berekening en

dat zij de zaak definitief wil afronden op basis van de uitkomst van de berekening van scenario 2, of indien daarover geen overeenstemming kan worden bereikt, de zaak periodiek (steeds voor vijf jaar) af te wikkelen.

2.13.

In een verklaring, die op 11 september 2020 door [verzoeker] is getekend, heeft [verzoeker] een reactie opgeschreven naar aanleiding van het voorstel van Univé Schade.

Daarin is onder meer het volgende aangegeven:

"(…)

De voornaamste reden dat ik de zaak graag wil afronden, om deze niet over vijf jaar te moeten heropenen, vloeit voort uit mijn gezondheid. In perioden waarin reacties van de wederpartij of rapporten van andere deskundigen op zich laten wachten, zoek ik onafgebroken naar afleiding door overmatig te roken, overmatig koffie te drinken, overmatig te eten, en overmatig te sporten. Dit laatste oogt gezond, echter ik kan niet meer. Ik word dagelijks vroeg wakker. Het eerste waar ik aan denk is de zaak. Dezelfde gedachten houden zich te allen tijden verantwoordelijk voor het feit dat ik moeizaam in slaap val. Door mijn hersenbeschadiging vergen die gedachten, in combinatie met de forse pijnklachten, veel van mijn conditie, waardoor ik nauwelijks interesse kan tonen voor mijn gezin, die ik vóór het ongeval nog niet kende.

(…)

Tot slot is ons leven uitermate zwaar, zijn onze vooruitzichten onzeker, en omvat financiële onzekerheid de enige zekerheid die ik mijn gezin kan bieden. De zaak over vijf jaar heropenen biedt ons dan ook, evenals het voorgestelde bedrag, geen andere uitweg dan onze toekomst in de handen van de rechter te leggen. (…)".

2.14.

Mr. Laseur heeft in reactie daarop Univé Schade via een e-mailbericht van

9 oktober 2020 laten weten, dat [verzoeker] niet akkoord kan gaan met de door haar voorgestelde opties.

2.15.

Univé Schade heeft vervolgens per e-mailbericht van 12 oktober 2020 nog een nieuw voorstel gedaan, waar [verzoeker] niet mee in kan stemmen.

3 Het deelgeschil

3.1. [

[verzoeker] verzoekt dat rechtbank bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Univé Schade zal veroordelen tot betaling van de door [verzoeker] geleden schade en nog te lijden schade middels een bedrag ineens;

II. voor recht zal verklaren dat bij de kapitalisatie van de schade van de volgende rekenrentes dient te worden uitgegaan:

a.

Looptijd

Rente

Inflatie

0-5 jaar

0%

1,5%

6-20 jaar

1,3%

2%

> 20 jaar

2%

2%

OF

b.

Looptijd

Rente

Inflatie

0-5 jaar

1,3%

1,5%

6-20 jaar

2,2%

1,6%

> 20 jaar

3,6%

1,9%

OF

c. van een door de rechtbank zelf - in goede justitie te bepalen rekenrente.

III. de kosten van het voeren van deze procedure aan de zijde van [verzoeker] begroot en Univé Schade zal veroordelen tot betaling van deze kosten aan [verzoeker] .

3.2. [

[verzoeker] schetst ter onderbouwing van zijn verzoek uitgebreid de feiten en omstandigheden na het hem op 23 oktober 2009 overkomen verkeersongeval en stelt in dit verband dat Univé Schade de aansprakelijkheid voor het ongeval heeft erkend.

Voorts is aangevoerd dat partijen het over alle uitgangspunten voor de berekening van de schade eens zijn, behalve over de voor het berekenen van de toekomstige schade te hanteren rekenrente en dat Univé Schade slechts bereid is tot definitieve afwikkeling van de schade, indien akkoord wordt gegaan met de door haar voorgestelde rekenrente. Indien [verzoeker] daar niet akkoord mee gaat, is Univé Schade slechts bereid tot het periodiek afwikkelen van de schade. [verzoeker] kan zich daar niet in vinden, omdat hij voor zichzelf en zijn gezin dringend de behoefte heeft om na 11 jaar het verkeersongeval achter zich te laten, hetgeen voor hem slechts mogelijk is als de zaak definitief wordt afgerond door de betaling van een som ineens. [verzoeker] meent dat niet van hem kan worden verlangd, dat hij opnieuw vijf jaar in onzekerheid blijft verkeren. Hij heeft een redelijk belang, en ook een door de WAM-verzekeraar te respecteren belang, terwijl Univé Schade daartegenover geen enkel (zwaarwegend) belang stelt. Het enkele feit dat de toekomst (op het gebied van rente en inflatie) ongewis is, kan niet aan afronding van deze letselschade in de weg staan.

Onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 6:105 lid 1 BW en wat in de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 maart 1998, VR 1989/71 is aangevoerd, namelijk dat de rechter hieromtrent een doorslaggevende en in dit geval Univé Schade bindende beslissing kan nemen en dat de rechter een grote vrijheid toekomt bij de wijze van begroting van de schade.

[verzoeker] voert verder aan dat het van belang is dat hij voor de rest van zijn leven over voldoende financiële middelen zal beschikken en dat in dat verband de voor de berekening van de schade te hanteren rekenrente van groot belang is.

3.3. [

[verzoeker] geeft aan op welke wijze de vaststelling van de toekomstige schade dient te geschieden en dat de rechtbank daarbij tot een redelijke verwachting van de toekomstige renteen inflatieontwikkeling dient te komen. [verzoeker] verwijst onder meer naar jurisprudentie, waarin verschillende aspecten naar voren komen, die van belang zijn voor het vaststellen van de hoogte van de rekenrente. Voorts wordt gewezen op de beschikking van de rechtbank Den Haag van 13 mei 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:4169, welke volgens [verzoeker] het sluitstuk vormt van de recente ontwikkelingen op het gebied van de te hanteren rekenrente. [verzoeker] is van mening, dat de in die beschikking vastgestelde rekenrentes bij de berekening van zijn toekomstige schade gehanteerd dient te worden.

Hij verwijst naar overwegingen 4.31 t/m 4.34 in die beschikking en legt deze aan zijn verzoek ten grondslag. Hij voegt daar aan toe dat de rente- en inflatiecijfers die ten grondslag liggen de afgelopen maanden niet zijn gewijzigd.

Subsidiair wordt verzocht de rekenrentes, die opgenomen zijn in de uitspraken van de Rechtbank

Midden-Nederland van 25 september 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:4559 en Rechtbank MiddenNederland van 15 april 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:2278 als uitgangspunt te nemen en meer subsidiair is verzocht dat de rechtbank op basis van door haarzelf gekozen uitgangspunten rekenrentes vaststelt.

3.4. [

[verzoeker] concludeert tot toewijzing van het verzoek met veroordeling van Univé Schade in de kosten van deze procedure, zijnde een bedrag ad € 7.038,57, inclusief kantoorkosten en btw, vermeerderd met het griffierecht.

3.5.

Univé Schade verzoekt de rechtbank het verzoek van [verzoeker] af te wijzen. Zij voert als verweer dat er in dit specifieke geval teveel onzekerheden zijn om de schade reeds op dit moment af te wikkelen. Als belangrijke reden noemt Univé Schade de onduidelijkheid die er bestaat over de rekenrente, waarvan bij de bepaling van de toekomstige schade in de vorm van een som ineens dient te worden uitgegaan. Univé Schade wijst er op, dat in het kader van de kapitalisatie in de rechtspraak jarenlang is uitgegaan van een rendement van 6% en een inflatie van 3%, waarmee de rekenrente 3% bedroeg. Dit model is echter door de daling van de rentestand ter discussie komen te staan, hetgeen heeft geleid tot wisselende uitspraken over de bij kapitalisatie te hanteren rekenrentes. Daarnaast wordt er op gewezen dat de conceptrichtlijn over de rekenrente, die door Letselschaderaad is opgesteld, niet definitief is geworden, zodat daarvan niet uitgegaan kan worden.

Univé Schade wijst er daarnaast op dat met de hoogte van de te hanteren rekenrente grote financiële belangen gemoeid zijn. De schade in dit geval zou, indien een scenario wordt doorberekend op basis van de in de uitspraak van 13 mei 2020 door de rechtbank Den Haag gehanteerde rekenrente, nog boven de in scenario 4 van het NRL berekende schade uitkomen. Er moet rekening worden gehouden met de belangen van de aansprakelijke verzekeraar, die dan te maken krijgt met fors hogere schadelasten, hetgeen geheid zal leiden tot fors oplopende premies.

3.6.

Univé Schade verzoekt de rechtbank dan ook om een andere wijze van schadeafwikkeling te bepalen, waarbij het voor Univé Schade mogelijk is om de schade van [verzoeker] eerst voor een periode van vijf jaar vast te stellen of de reeds geleden schade te vergoeden, voor zover deze nog niet is vergoed. Daarna zal Univé Schade de vergoeding van de (toekomstige) schade jaarlijks uitkeren, op basis van de werkelijke rente en inflatie. Univé Schade is van mening dat de laatste manier voor [verzoeker] het meest de situatie zonder het ongeval benadert. Bovendien meent Univé Schade dat door een periodieke afwikkeling met vooraf vastgestelde jaarschades, [verzoeker] zekerheid verkrijgt en daarmee ook tot een vorm van afsluiting van de letselschade kan komen. De belangen, die [verzoeker] naar voren brengt, worden daarmee ook gediend.

Tenslotte wijst Univé Schade op een arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2019,

ECLI:NL:HR:2019:816, waaruit kan worden afgeleid dat de wijze waarop de fiscale schade wordt berekend in de berekening van het NRL, naar alle waarschijnlijkheid niet correct is.

3.7.

Met betrekking tot de te hanteren rekenrente gaat Univé Schade uitgebreid in op de uitspraak van de Rechtbank Den Haag, die [verzoeker] tot uitgangspunt neemt voor de te hanteren rekenrente.

Univé Schade is van mening, dat de rekenrentes die door de rechtbank Den Haag en andere rechtbanken zijn gehanteerd niet redelijk zijn. Univé Schade introduceert daarom het beginsel van 'spiegelen' en is aldus van mening dat een rekenrente van 2,86% voor de gehele looptijd wel redelijk is. Univé Schade is verder van mening dat haar analyse laat zien dat, indien de rekenrente wordt gehanteerd, zoals deze door de Rechtbank Den Haag is vastgesteld, het reëel is te veronderstellen dat [verzoeker] fors zal worden overbetaald. Univé Schade wijst er voorts op dat de Rechtbank Den Haag voor de periode vanaf 20 jaar uitgaat van de rentecomponent van de Ultimate Forward Rate (UFR), die geen feitelijke rente is maar een theoretische. Bovendien is tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld, zodat er niet op voorhand vanuit kan worden gegaan dat de in die beslissing gehanteerde rekenrentes stand zullen houden.

Met betrekking tot hetgeen [verzoeker] subsidiair heeft verzocht, voert Univé Schade aan dat de percentages die gebaseerd zijn op twee uitspraken van de Rechtbank Midden-Nederland, geen basis kunnen vormen voor toewijzing van het verzoek. In dit verband wijst Univé Schade onder meer op een latere uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland, waarin juist wordt vastgehouden aan een rekenrente van 2% bij een langlopende schade.

In het geval de rechtbank in goede justitie de rekenrente bepaalt, is Univé Schade primair van mening dat in dat geval op basis van het principe 'spiegelen' een rekenrente van 2,86% dient te worden gehanteerd. Subsidiair, voor het geval de rechtbank meent dat de toekomstschade moet worden afgewikkeld door betaling van een som ineens en het principe van 'spiegelen' wordt afgewezen, is Univé Schade van mening dat voor de eerste vijf jaar rekening moet worden gehouden met een rekenrente van 0%, gevolgd door een rekenrente van 2% voor de resterende looptijd.

3.8.

Ten aanzien van de verzochte veroordeling in de kosten van het deelgeschil is verweer gevoerd, onder meer tot de vraag of überhaupt kosten voor reistijd zullen worden gemaakt, nu de zaak mogelijk digitaal zal worden behandeld en of de reistijd tegen een specialistentarief kan worden gedeclareerd. Univé Schade geeft aan zich te kunnen verenigen met de vaststelling van de te besteden tijd aan het complete dossier van 22 uren x € 240,00 x 21% btw (totaal € 6.388,80) en daarbij geen rekening te houden met de aanspraak die wordt gemaakt op vergoeding van kantoorkosten van 5%. In dit verband wordt gewezen de heersende jurisprudentie op dit punt.

4 De beoordeling

Het geschil 4.1.

In deze deelgeschilprocedure verzoekt [verzoeker] Univé Schade te veroordelen tot de door hem geleden schade en nog te lijden schade middels een bedrag ineens en een verklaring voor recht dat bij de kapitalisatie van de schade van de in het verzoek genoemde rekenrentes uit te gaan. Univé Schade heeft de aansprakelijkheid voor de schade erkend. Vast staat dat partijen het eens zijn over de uitgangspunten voor de berekening van de schade. Tussen partijen is in geschil de te hanteren rekenrente bij de berekening van de toekomstige schade en de vraag of de schade moet worden afgewikkeld door betaling van een som ineens of, zoals Univé Schade voorstaat, door middel van een periodieke uitkering. Betaling schadebedrag som ineens of periodiek

4.2.

Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat op grond van artikel 6:97 jo artikel 6:105 BW de begroting van nog niet ingetreden schade bij voorbaat kan geschieden.

In het eerste lid van artikel 6:105 BW is ter zake het volgende bepaald: "De begroting van nog niet ingetreden schade kan door de rechter geheel of gedeeltelijk worden uitgesteld of na afweging van goede en kwade kansen bij voorbaat geschieden. In het laatste geval kan de rechter de schuldenaar veroordelen, hetzij tot betaling van een bedrag ineens, hetzij tot betaling van periodiek uit te keren bedragen, al of niet met verplichting tot zekerheidstelling; deze veroordeling kan geschieden onder door de rechter te stellen voorwaarden". In het tweede lid van artikel 6:105 BW is bepaald: "Voor zover de rechter de schuldenaar veroordeelt tot betaling van periodiek uit te keren bedragen, kan hij in zijn uitspraak bepalen dat deze op verzoek van elk van de partijen door de rechter die in eerste aanleg van de vordering tot schadevergoeding heeft kennis genomen, kan worden gewijzigd, indien zich na de uitspraak omstandigheden voordoen, die voor de omvang van de vergoedingsplicht van belang zijn en met de mogelijkheid van het intreden waarvan bij de vaststelling der bedragen geen rekening is gehouden".

4.3.

Tussen partijen is in geschil of het schadebedrag in de vorm van een som ineens moet worden uitgekeerd, zoals [verzoeker] voorstaat, of dat de schade periodiek moet worden uitgekeerd.

4.4.

De rechtbank overweegt dat het slachtoffer in beginsel vrij is te kiezen voor een som ineens of een periodieke afwikkeling, maar die vrijheid gaat niet zo ver dat geen rekening dient te worden gehouden met redelijke belangen van de aansprakelijke persoon. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval het belang van [verzoeker] bij de betaling van een som ineens zwaarder dient te wegen dan het belang van Univé Schade, gelet op het uitgangspunt dat het in beginsel aan het slachtoffer is te kiezen voor een uitkeringsvorm. De door Univé Schade gestelde onduidelijkheid met betrekking de rekenrente bij de betaling van toekomstige schade in de vorm van een som ineens is geen omstandigheid is die voor risico van het slachtoffer moet komen, gelet op het uitgangspunt dat het slachtoffer zo veel mogelijk zekerheid moet worden geboden dat hij, ook in de toekomst, zijn volledige schade vergoed krijgt.

[verzoeker] heeft genoegzaam duidelijk gemaakt dat het voor hem van groot belang is om de letselschadezaak na zoveel jaren achter zich te kunnen laten en verder te kunnen gaan met zijn leven zonder dat hij steeds in onzekerheid verkeert over de afwikkeling van de schade, hetgeen naar zijn mening het geval is als er jaarlijks of periodiek per vijf jaar wordt afgerekend.

Ook van onvoldoende gewicht is het door Univé Schade genoemde argument dat rekening dient te worden gehouden met de belangen van de aansprakelijke verzekeraar, die te maken krijgt met fors hogere schadelasten, hetgeen wellicht zal lijden tot oplopende premies, in het geval bij de betaling van een som ineens wordt uitgegaan van de door de Rechtbank Den Haag in haar uitspraak van 13 mei 2020 gehanteerde rekenrente.

4.5.

De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, het verzoek van [verzoeker] (onder I) om Univé Schade te veroordelen tot de betaling van de door [verzoeker] geleden schade en nog te lijden schade middels een bedrag ineens, toewijzen. De te hanteren rekenrente

4.6.

Partijen verschillen ook van mening ten aanzien van de te hanteren rekenrente. [verzoeker] wenst primair de door Rechtbank Den Haag in haar uitspraak van 13 mei 2020 gehanteerde rekenrentes te nemen voor de berekening van de schade bij een som ineens, terwijl Univé Schade in dit verband primair van mening is dat een rekenrente van 2,86% voor de gehele looptijd redelijk is, welke rekenrente is gebaseerd op het door Univé Schade geïntroduceerde spiegelingsbeginsel.

4.7.

De rechtbank overweegt dat in het geval de toekomstige schade door middel van een som ineens wordt bepaald, zoals in het onderhavige geval, daarmee hetzelfde effect dient worden bereikt als met een periodieke betaling, te weten dat het slachtoffer ook in de toekomst zijn jaarlijkse schade daadwerkelijk kan opnemen (Hoge Raad 24 april 1959, NJ 1959/603). Voor het begroten van de aan het slachtoffer te vergoeden schade door betaling van een som ineens wordt gebruik gemaakt van de methode van het kapitaliseren van de toekomstschade, hetgeen inhoudt dat de toekomstige schade wordt teruggerekend naar het bedrag dat op de gekozen peildatum nodig is om de toekomstige schade te kunnen dekken. Bij het contant maken van toekomstige bedragen moet rekening worden gehouden met de verwachte rendementen enerzijds en de inflatie van lonen, uitkeringen en (belasting)tarieven, alsmede de geldontwaarding anderzijds. Partijen zijn het, zoals gezegd, niet met elkaar eens over met welk rendement en met welke inflatie rekening moet worden gehouden bij de kapitalisatie van de toekomstige schade van [verzoeker] .

4.8.

Als uitgangspunt bij het vaststellen van de rekenrente geldt dat gewaarborgd wordt dat het slachtoffer zijn toekomstschade daadwerkelijk kan dragen. Immers, als bij de kapitalisatie van de toekomstschade met een te hoge rekenrente wordt gerekend, kan dat ertoe leiden dat het slachtoffer dat jaarlijks de begrote jaarschade opneemt en gebruikt al een aantal jaren voor de berekende einddatum de vergoeding heeft opgebruikt. Daarbij heeft te gelden dat van het slachtoffer niet gevergd mag worden dat hij risico’s neemt bij het beleggen van de ontvangen som ineens om op die manier betaling van zijn jaarschade tot aan de eindleeftijd te bewerkstelligen.

4.9.

De rechtbank dient een realistische inschatting te maken van het rendement dat [verzoeker] over zijn schadevergoeding zal kunnen behalen en de inflatie die in de loop van de tijd zal optreden. De rechtbank ziet aanleiding om voor de vaststelling van de rekenrente aansluiting te zoeken bij de door de rechtspraak gehanteerde aanbevelingen (aanbevelingen-rekenrente.pdf (rechtspraak.nl), welke aanbevelingen overeenkomen met de door de Rechtbank Den Haag in haar uitspraak van 13 mei 2020 gehanteerde rekenrentes. Daarmee wordt voorbijgegaan aan het door Univé Schade geïntroduceerde beginsel van 'spiegelen' en de vaststelling van een rekenrente van 2,86% voor de gehele looptijd. Het door [verzoeker] onder II verzochte zal dan ook worden toegewezen. Begroting kosten

4.10.

De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure te begroten en daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

4.11. [

verzoeker] maakt aanspraak op een bedrag van (€ 4.141,83 + 2.896,74 =) € 7.038,57 inclusief kantoorkosten en btw, exclusief het griffierecht ad € 304,00. Univé Schade heeft verweer gevoerd

en de vraag opgeworpen of er überhaupt kosten voor reistijd zullen worden gemaakt, nu zaak mogelijk digitaal zal worden behandeld en of deze reistijd tegen een specialistentarief kan worden gedeclareerd.

Univé Schade geeft aan zich te kunnen verenigen met de vaststelling van de te besteden tijd aan het complete dossier van 22 uren x € 240,00 x 21% btw (totaal € 6.388,80), waarbij geen rekening dient houden met de gemaakt aanspraak op vergoeding van kantoorkosten van 5%. In dit verband wordt gewezen naar de heersende jurisprudentie op dit punt.

4.12.

De rechtbank overweegt als volgt. Het aantal uren dat mr. Laseur aan dit deelgeschil heeft besteed acht de rechtbank verdedigbaar en niet onredelijk. De uitspraken in deelgeschillen overziende is het gedeclareerde urenaantal van rond de 24 uur voor een geschil als het voorliggende niet ongewoon. Ook dient rekening te worden gehouden met de opgevoerde reistijd, nu mr. Laseur en [verzoeker] ter zitting zijn verschenen. De rechtbank ziet in hetgeen Univé Schade heeft aangevoerd geen grond om het uurtarief van mr. Laseur te matigen door de kantoorkosten buiten beschouwing te laten. Dat het hanteren van kantoorkosten een achterhaald systeem is, neemt niet weg dat mr. Laseur kennelijk met [verzoeker] de afspraak heeft gemaakt om op haar uurtarief van € 240,00 een verhoging van 5% toe te passen. De rechtbank acht dat uurtarief redelijk. De rechtbank begroot de kosten van dit deelgeschil op het bedrag dat is verzocht, zijnde een bedrag van € 7.038,57, vermeerderd met het griffierecht van € 304,00 (totaal € 7.342,57).

4.13.

Nu Univé Schade de aansprakelijkheid voor het ongeval heeft erkend, zal zij in de begrote kosten worden veroordeeld.

5 De beslissing De rechtbank:

5.1.

veroordeelt Univé Schade tot betaling van de door [verzoeker] geleden schade en nog te lijden schade middels een bedrag ineens;

5.2.

verklaart voor recht dat bij de kapitalisatie van de schade van de volgende rekenrentes dient te worden uitgegaan:

Looptijd

Rente

Inflatie

0-5 jaar

0%

1,5%

6-20 jaar

1,3%

2%

> 20 jaar

2%

2%

5.3.

begroot de kosten van dit verzoek aan de zijde van [verzoeker] op € 7.342,57 inclusief btw en veroordeelt Univé Schade tot betaling daarvan aan [verzoeker] .

Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Venema-Dietvorst en in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2021.1


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature