< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Nihilstelling kinderalimentatie afgewezen. Geen wijziging van omstandigheden nu inkomen en vermogen niet (aantoonbaar) gedaald is. Alimentatieplichtige heeft een dure paardenhobby en van hem mag als ouder de nodige inspanningen verwacht worden tot het leveren van een bijdrage die hoger is dan de verzochte € 25,00 per maand.

Uitspraak



RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rekestnummer: C/17/167858 / FA RK 19-824

beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 5 februari 2020

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna ook te noemen de man,

advocaat mr. P. Rijnsburger, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna ook te noemen de vrouw,

advocaat mr. B.M. Speel-van Dijk, kantoorhoudende te Heerenveen.

1 Het verdere procesverloop

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking voorlopige voorzieningen van 14 augustus 2019 (incident), waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd;

- het F9-formulier ingediend op 16 augustus 2019 namens de man;

- het F9-formulier ingediend op 19 september 2019 namens de vrouw;

- het verweerschrift met bijlagen van de vrouw, binnengekomen bij de griffie op 20 september 2019;

- het F9-formulier met bijlagen ingediend op 26 november 2019 namens de man;

- het F9-formulier met bijlagen ingediend op 13 december 2019 namens de vrouw.

1.2.

De (hoofd)zaak is mondeling behandeld ter zitting met gesloten deuren van 17 december 2019. Verschenen zijn:

- de man, bijgestaan door mr. Rijnsburger;

- de vrouw, bijgestaan door mr. Speel-van Dijk.

1.3.

Na afloop van de zitting is op 18 december 2019 de brief van de minderjarige [[]] van partijen, [naam minderjarige 1] (hierna ook: [de minderjarige 1] ), bij de griffie binnengekomen en de rechtbank heeft hiervan tot slot kennisgenomen. Zakelijk -samengevat- weergegeven schrijft [de minderjarige 1] dat hij beperkt contact heeft met zijn vader, en dat hij het gevoel heeft dat wanneer zijn vader contact zoekt, dat is omdat zijn vader hem dan voor iets nodig heeft of mooi weer wil spelen als vader. Verder verbaast het [de minderjarige 1] dat zijn vader in de zomermaanden vaak in de weekenden weg is of een dag weg is om paarden te bekijken. Ook dat kost in de ogen van [de minderjarige 1] geld , terwijl er geen geld is voor [de minderjarige 1] .

2 Standpunten van partijen in de hoofdzaak en de beoordeling daarvan

Kinderalimentatie

2.1.

De man verzoekt - zo is tijdens de voorlopige voorzieningen procedure gebleken -, onder wijziging van de beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 27 april 2011:

I. te bepalen dat hij met ingang van de datum waarop de minderjarige [[]] van partijen, [naam minderjarige 2] (hierna ook: [de minderjarige 2] ) bij hem is komen wonen, per 10 februari 2019, dan wel met ingang van de datum van de inschrijving op zijn woonadres, per 24 juni 2019, geen onderhoudsbijdrage ten behoeve van haar meer verschuldigd is;

II. te bepalen dat hij voor [de minderjarige 1] per datum indiening van het verzoekschrift nog slechts een bijdrage hoeft te voldoen van € 25,-- per maand, dan wel een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht;

III. de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure.

2.2.

De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de man en/of het niet-ontvankelijk verklaren van de man in zijn onder II. gedane verzoek.

De vrouw verzoekt zelfstandig (subsidiair - zo begrijpt de rechtbank -):

- dat de alimentatie ten behoeve van [de minderjarige 2] met ingang van 24 juni 2019 op nihil dient te worden gesteld;

- te bepalen dat de man de alimentatie van € 224,-- per maand ten behoeve van [de minderjarige 1] aan de vrouw dient te voldoen.

2.3.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van deze rechtbank van 14 augustus 2019 (in het incident) is - conform de overeenstemming van partijen - de hiervoor genoemde beschikking van 27 april 2011 voorlopig gewijzigd en is bepaald dat de door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [de minderjarige 2] met ingang van 24 juni 2019 op nihil wordt gesteld en dat de door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [de minderjarige 1] met ingang van 5 juli 2019 op € 25,-- per maand wordt gesteld.

Juridisch kader

2.4.

De verzoeken dienen allereerst getoetst te worden aan het bepaalde in artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van het eerste lid kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

Beoordeling kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 2]

2.5.

De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden waardoor de beschikking van 27 april 2011 ten aanzien van de kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 2] wijziging behoeft. Dit is in ieder geval gelegen in het feit dat [de minderjarige 2] permanent bij de man is gaan wonen. Een en ander is niet in geschil tussen partijen.

2.6.

Partijen zijn het er voorts over eens dat, nu [de minderjarige 2] permanent bij de man woont en ook op zijn adres ingeschreven staat, de door de man te betalen bijdrage aan kinderalimentatie ten aanzien van haar op nihil gesteld dient te worden.

De rechtbank zal conform beslissen.

2.7.

Wat partijen verdeeld houdt is de ingangsdatum van de nihilstelling.

De man stelt dat [de minderjarige 2] feitelijk vanaf 10 februari 2019 bij hem verblijft en dat hij vanaf dat moment de kosten voor haar volledig heeft gedragen. Volgens hem dient vanaf dat moment de nihilstelling dan ook in te gaan.

De vrouw betwist dat [de minderjarige 2] vanaf genoemde datum permanent bij de man heeft verbleven en dat hij alle kosten voor zijn rekening heeft genomen. De vrouw stelt dat de nihilstelling per 24 juni 2019 dient in te gaan, nu [de minderjarige 2] vanaf die datum officieel op het adres van de man ingeschreven staat. Dit heeft effect gehad op het inkomen van de vrouw nu vanaf dat moment het bedrag aan kinderalimentatie voor [de minderjarige 2] niet meer ingehouden is op haar bijstandsuitkering. Daarbij komt dat het verzoek van de man op 5 juli 2019 is ingediend en dat de vrouw dan ook niet eerder rekening kon houden met een mogelijke verandering in de alimentatie ten behoeve van [de minderjarige 2] .

2.8.

Op grond van artikel 1:402 van het BW heeft de rechtbank een grote mate van vrijheid bij het bepalen van de ingangsdatum van een wijziging. Deze kan zowel op de datum van de uitspraak, als voor en na die datum worden bepaald, een en ander afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval.

2.9.

De rechtbank ziet in dit kader aanleiding om te bepalen dat de wijziging per 24 juni 2019 in zal gaan. Nu niet exact vast is komen te staan per wanneer [de minderjarige 2] feitelijk bij de man is gaan wonen - dit is immers in geschil tussen partijen - zoekt de rechtbank aansluiting bij de datum waarop zij officieel is ingeschreven op zijn adres. Tevens houdt de rechtbank rekening met het feit dat door deze officiële inschrijving de bijdrage aan kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 2] niet langer is ingehouden op de uitkering van de vrouw en het - zo bleek ter zitting - onduidelijk is of zij, indien de rechtbank de nihilstelling op een eerdere datum zou bepalen, een nabetaling van het in dat geval ten onrechte ingehouden deel van de uitkering zal ontvangen.

Beoordeling kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 1]

2.10.

In geschil is of sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 BW. Deze wijziging van omstandigheden is volgens de man (enkel) gelegen in zijn inkomens- en vermogenspositie. De man stelt dat zijn inkomen gedaald is tot bijstandsniveau nu hij per 1 juni 2013 een uitkering krachtens de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) ontvangt. De man heeft de afgelopen periode ten behoeve van de kinderalimentatie ingeteerd op zijn vermogen en daarin is nu tevens de grens bereikt. De man stelt dan ook niet langer in staat te zijn de vastgestelde bijdrage aan kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 1] te kunnen voldoen. De man blijft bereid om een maandelijkse bijdrage van € 25,-- te betalen.

2.11.

De vrouw betwist dat de hoogte van het inkomen en het vermogen van de man sinds de gegeven beschikking van 27 april 2011 gewijzigd is, zodat een wijziging niet gerechtvaardigd is en de man geacht moet worden nog steeds de vastgestelde bijdrage ten behoeve van [de minderjarige 1] te kunnen voldoen. De vrouw stelt dat de man nog altijd vermogen heeft en dat hij mogelijk verkeerde financiële keuzes heeft gemaakt. Een en ander kan volgens haar niet leiden tot wijziging/verlaging van de kinderalimentatie.

2.12.

De rechtbank is van oordeel dat niet vast is komen te staan dat sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. De rechtbank zal het verzoek van de man dan ook afwijzen en de eerder gewezen beschikking ten aanzien van de kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 1] ongewijzigd in stand laten. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

2.13.

De stelling van de man dat de wijziging gelegen is in het feit dat zijn inkomen gedaald is, volgt de rechtbank niet. De rechtbank leidt uit de stukken af dat de man ten tijde van de eerdere procedure, resulterende in de beschikking van 27 april 2011, beschikte over een inkomen van € 10.956,-- bruto per jaar, zijnde € 913,-- bruto per maand, uit WW-uitkering (exclusief vakantiegeld). De rechtbank baseert zich op de als productie 1 bij het verweerschrift gevoegde processtukken van de eerdere procedure. Bij deze stukken bevindt zich het verweerschrift van de man met als productie 2 de destijds door hem gemaakte draagkrachtberekening. Hierin staan de genoemde bedragen opgenomen en deze heeft de rechtbank als uitgangspunt genomen. Voorts blijkt uit de als productie 7 bij het verzoekschrift gevoegde salarisspecificaties van maart, april en mei 2019 dat de man thans beschikt over een inkomen van € 1.311,67 bruto per maand uit IOAW-uitkering (exclusief vakantiegeld). Uit vorenstaande volgt dan ook dat het bruto inkomen van de man uit uitkering per maand niet noemenswaardig gewijzigd is. Sterker nog, dit lijkt zelfs enigszins gestegen te zijn.

2.14.

De stelling van de man dat zijn vermogen de afgelopen periode dusdanig gedaald is dat hij de onderhoudsverplichting niet meer kan voldoen, volgt de rechtbank eveneens niet. De rechtbank stelt vast dat de man in zijn eerder genoemde draagkrachtberekening in de vorige procedure (2011) is uitgegaan van een box 3-vermogen van € 31.678,--. Uit de stukken blijkt voorts dat de grondslag voor het box 3-vermogen van de man in 2017 € 80.063,-- (waarvan € 33.947,-- aan de man als aandeel is toegekend) en in 2018 € 166.301,-- (waarvan € 92.963,-- aan de man als aandeel is toegekend) is geweest. Laatstgenoemde bedragen blijkt uit de als productie 16 bij het verzoekschrift gevoegde aangiften inkomstenbelasting. Vast staat dan ook dat er sinds 2009 tot en met 2018 sprake is geweest van een stijging van het box 3-vermogen van de man en niet van een daling. Nu de man geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt wat zijn box 3-vermogen in 2019 is geweest, kan de rechtbank niet vaststellen of het vermogen van de man in dat jaar eveneens gestegen is ten opzichte van 2018 of dat dit niet het geval is. De rechtbank kan hier dan ook geen rekening mee houden. De rechtbank is, alles afwegend, dan ook van oordeel dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt noch met stukken heeft onderbouwd, dat zijn vermogen thans dusdanig gedaald/laag is dat de alimentatie is opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen en dat een wijziging daarvan dan ook gerechtvaardigd is.

2.15.

De rechtbank wijst volledigheidshalve op het feit dat de bij beschikking van deze rechtbank van 14 augustus 2019 (in het incident) bepaalde voorlopige voorziening betreffende [de minderjarige 1] gelet op het bepaalde in artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zijn werking verliest, en de man ook over de periode vanaf 5 juli 2019 gehouden kan worden tot betaling van € 224,- (peiljaar 2019) per maand aan de vrouw.

2.16.

De rechtbank overweegt ten overvloede nog het volgende. Uit de stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat de man de paardensport actief beoefend, dat hij zelf paarden gestald heeft staan en dat hij zich ook bezig houdt met paardenfokkerij. Naar eigen zeggen dienen deze activiteiten als louter hobbymatig aangemerkt te worden en kunnen de kosten en opbrengsten daarvan tegen elkaar worden weggestreept. Door of namens de man is ter zitting en in de processtukken naar voren gebracht dat het houden van paarden vele duizenden euro's kosten, maar dat daar ook aanzienlijke kosten tegenover staan. De man vraagt echter om te bepalen dat de bijdrage van de man voor [naam minderjarige 1] op (slechts) € 25,- wordt bepaald. De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken blijkt dat de activiteiten van de man een dusdanige omvang hebben en dat hiermee zodanig hoge bedragen gemoeid zijn, dat van hem verwacht kan worden dat hij hierin (andere) keuzes maakt waardoor hij wellicht én zijn hobby kan blijven uitoefenen én de vastgestelde bijdrage ten behoeve van [de minderjarige 1] kan voldoen. De rechtbank is van oordeel dat van de man verwacht mag worden dat hij zijn ouderlijke verantwoordelijkheid in dit opzicht neemt. De rechtbank betreurt het feit dat [de minderjarige 1] - zo blijkt uit zijn brief - veel meekrijgt van de alimentatieperikelen tussen partijen. Ook vindt de rechtbank het terecht dat [de minderjarige 1] de vraag opwerpt waarom de man ervoor kiest om zijn financiële middelen in te zetten ten behoeve van de paardensport en tegelijkertijd uit te dragen geen, dan wel een beperkte, bijdrage te kunnen leveren ten behoeve van [de minderjarige 1] .

Proceskosten

2.17.

Gelet op het familierechtelijke karakter van deze zaak, zullen de proceskosten worden gecompenseerd als na te melden.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1.

wijzigt de beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 27 april 2011 aldus, dat zij thans als volgt beslist:

3.2.

bepaalt dat de door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de (toen nog) minderjarige [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , met ingang van 24 juni 2019 tot [datum meerderjarigheid] op nihil wordt gesteld;

3.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

3.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Leeuwarden door mr. G.J. Baken, lid van de kamer, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag 5 februari 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden.

fn: 794


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature