< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

toepassing inkomensafhankelijke combinatiekorting bij co-ouderschap

Uitspraak



RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 20/1196

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 november 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Den Haag, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Verweerder heeft voor het jaar 2016 met dagtekening 20 september 2019 aan eiser een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.440.

Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 281 aan belastingrente in rekening gebracht.

Bij brief van 5 maart 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben ermee ingestemd dat de rechtbank zonder zitting uitspraak doet.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiser is geboren op [datum] 1962.

1.2.

Eiser is gehuwd geweest met [ex-echtgenote] (hierna: [ex-echtgenote] ), uit welk huwelijk twee kinderen zijn geboren: [kind 1] , geboren op [datum] 2008 en [kind 2] , geboren op [datum] 2011. Eiser heeft uit een eerdere relatie een dochter, [dochter] , die geboren is in 1994.

1.3.

Eiser en [ex-echtgenote] hebben op 22 augustus 2011 een echtscheidingsconvenant ondertekend. Daarin is onder meer opgenomen:

“Artikel 2 Ouderschapsplan

a. Partijen houden het gezamenlijk gezag over de kinderen.

b. De kinderen zullen wonen bij de vrouw.

c. De kinderen zullen om de week van donderdagmiddag (uit de opvang) tot dinsdagochtend (naar de opvang) bij de man verblijven. De vakanties en feestdagen zullen bij helfte worden verdeeld.”

1.4.

In 2016 stonden op het woonadres van eiser geen van de onder 1.1. vermelde kinderen ingeschreven.

1.5.

Namens eiser is op 23 november 2017 zijn aangifte IB/PVV 2016 ingediend, waarbij uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.802 is aangegeven. Daarbij is een bedrag van € 6.591 aan ingehouden loonheffing vermeld en tevens dat eiser recht heeft op toepassing van de inkomensafhankelijke combinatiekorting (hierna: iack).

1.6.

Verweerder heeft per e-mail meegedeeld bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2016 op drie punten af te zullen wijken van de ingediende aangifte:

- meer loon uit dienstbetrekking: € 8.638;

- meer te verrekenen loonheffing: € 4.009; en

- geen toepassing van de iack.

Deze correcties leiden ertoe dat de aanslag IB/PVV 2016 zal worden opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 35.440.

1.7.

Met dagtekening 20 september 2019 heeft verweerder aan eiser de onder het procesverloop vermelde aanslag IB/PVV 2016 overeenkomstig zijn aankondiging opgelegd.

1.8.

Tijdens de bezwaarfase heeft eiser tweemaal een door [ex-echtgenote] mede ondertekend overzicht overgelegd: één met dagtekening 10 december 2019 en één met dagtekening 4 maart 2020. Op de overzichten is vermeld op welke en op hoeveel dagen in 2016 de kinderen van eiser en [ex-echtgenote] bij eiser verbleven. In het eerst vermelde overzicht is de totaaltelling 148 dagen. In het tweede overzicht betreft het in totaal 162 dagen.

1.9.

Bij zijn beroep heeft eiser een, niet door hem en [ex-echtgenote] ondertekend, overzicht overgelegd, waarop is vermeld op welke en op hoeveel dagen in 2016 de kinderen bij hem verbleven. Dit overzicht luidt als volgt:

“[eiser] overzicht kinderen 2016

Behorende bij aanslagnummer [nummer] .H.66.01

datum aantal dagen

Vr 1-1 1

Do 7-1 t/m di 12-1 5

Za 16-1 t/m zo 17-1 1,5

Ma 18-1 t/m di 19-1 1,5

Do 21-1 t/m di 26-1 5

Do 4-2 t/m di 9-2 5

Za 13-2 t/m zo 14-2 1,5

Ma 15-2 t/m di 16-2 1,5

Do 18-2 t/m di 23-2 5

Do 3-3 t/m di 8-3 5

Vr 11-3 t/m za 12-3 1,5

Do 17-3 t/m di 22-3 5

Do31-3t/m di5-4 5

Za 9-4 t/m zo 10-4 1,5

Ma 11-4 0,5

Wo 13-4 t/m di 19-4 5,5

Do 28-4 t/m do 5-5 6,5

Do 12-5 t/m di 17-5 5

Do 26-5 t/m di 31-5 5

Za 4-6 t/m zo 5-6 1,5

Ma 6-6 0,5

Do 9-6 t/m di 14-6 5

Zo 19-6 0,5

Do 23-6 t/m di 28-6 5

Do 7-7 t/m di 12-7 5

Ma 18-7 t/m zo 31-7 13,5

Ma 1-8 t/m ma 8-8 6,5

Ma 22-8 t/m di 23-8 1,5

Do 1-9 t/m do 8-9 6

Do 15-9 t/m do 22-9 6

Do 29-9 t/m di 4-10 5

Do 13-10 t/m di 18-10 5

Za 22-10 t/m zo 23-10 1,5

Ma 24-10 t/m di 25-10 1,5

Do 27-10 t/m di 1-11 5

Do 10-11 t/m do 17-11 6

Do 24-11 t/m di 29-11 5

Do 8-12 t/m di 13-12 5

Vr 16-12 t/m za 17-12 1,5

Do 22-12 t/m za 31-12 8

Het bovenstaande overzicht komt zowel wat betreft de data als het totaal aantal dagen waarop de kinderen in 2016 bij eiser verbleven overeen met het overzicht van 4 maart 2020.

Geschil en beoordeling

2.1.

In geschil is het antwoord op de vraag eiser in 2016 recht heeft op toepassing van de iack.

2.2.

Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend en verweerder bevestigend.

2.3.

Eiser voert daartoe – kort gezegd – aan dat in afwijking van de gemaakte afspraken in het echtscheidingsconvenant (zie 1.3.) de kinderen in 2016 feitelijk zes of meer dagen per 14 dagen tot zijn huishouden behoorden. Eiser heeft deze stelling onderbouwd met het bij 1.9. vermelde overzicht.

2.4.

Verweerder voert ter onderbouwing van zijn standpunt – kort gezegd – aan dat eiser met de door hem overgelegde overzichten niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kinderen van eiser naast de afspraken in het echtscheidingsconvenant ook structureel tot het huishouden van eiser hebben behoord. Tevens voert verweerder aan dat in de extra zorg van eiser voor de kinderen geen duurzaam ritme te onderkennen valt.

3. In artikel 8.14a van de Wet IB 2001 is bepaald wanneer recht bestaat op toepassing van de iack. Eén van de voorwaarden voor toepassing van de iack is dat een kind jonger dan twaalf jaar gedurende ten minste zes maanden van een kalenderjaar op hetzelfde woonadres staat ingeschreven in de basisregistratie personen als de belastingplichtige (hierna: de inschrijvingseis).

4. In het geval van co-ouderschap zou één van de ouders niet aan de inschrijvingseis kunnen voldoen, omdat een kind maar op één woonadres kan worden ingeschreven in de basisregistratie personen. Daarom is, op grond van de delegatiebepaling van artikel 8.14a, eerste lid, van de Wet IB 2001 , in artikel 44b, eerste volzin, van de Uitvoeringsregeling Wet IB 2001 (hierna: de Uitvoeringsregeling) bepaald dat ten aanzien van de co-ouder, op wiens woonadres het kind niet staat ingeschreven, toch aan de inschrijvingseis is voldaan in de periode dat een kind tegelijkertijd tot het huishouden van de beide ouders behoort. Volgens de tweede volzin van artikel 44b van de Uitvoeringsregeling behoort het kind tegelijkertijd tot het huishouden van beide ouders indien het kind doorgaans ten minste drie gehele dagen per week in elk van beide huishouden verblijft.

5. In de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 8.14 van de Wet IB 2001 valt te lezen: “(…) dat in geval van co-ouderschap waarbij beide ouders niet samenwonen maar de zorg voor de kinderen gelijkelijk verdelen toch door beide ouders de combinatiekorting kan worden genoten.”Uit deze passage kan worden afgeleid dat de wetgever beoogde dat de iack kan worden genoten door beide ouders als zij de zorg voor een kind gelijkelijk verdelen. Artikel 44b van de Uitvoeringsregeling moet worden bezien tegen de achtergrond van bovenstaande wetsgeschiedenis. In zijn arrest van 13 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:415, heeft de Hoge Raad, gelet op de hiervoor vermelde wetsgeschiedenis, de in artikel 44b van de Uitvoeringsregeling opgenomen eis dat per week moet worden bezien of aan de eis van gelijkelijk verdeelde zorg wordt voldaan, dan ook genuanceerd. De Hoge Raad overwoog dat de iack ook kan worden genoten als de zorg voor de kinderen gelijkelijk tussen ouders wordt verdeeld in een ander duurzaam ritme dan het criterium van doorgaans ten minste 3 tot 3,5 dag per week.

6. Omdat eiser een beroep doet op een belastingkorting rust op hem de bewijslast om feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waaruit de conclusie kan worden getrokken dat hij voldoet aan de voorwaarden voor het recht op iack. Hij heeft in dat kader een door hem opgesteld overzicht overgelegd (1.9.).

Uit dit overzicht blijkt dat de kinderen in 2016 162 dagen bij eiser hebben verbleven. Dat is meer dan 3/7e deel (3/7e maal 365 is 156 dagen) van het totaal aantal dagen in een jaar.

7. Verweerder heeft in zijn verweerschrift ten aanzien van het overzicht (1.9.) wel een aantal kanttekeningen geplaatst, maar dit overzicht niet verworpen en evenmin gesteld in hoeverre dit overzicht onjuist is en de kinderen niet op de in het overzicht weergegeven dagen bij eiser hebben verbleven. De rechtbank is van oordeel dat het in beroep overgelegde overzicht als bewijs kan dienen en dat uit dit overzicht volgt dat eiser in 2016 heeft voldaan aan de eis voor de toepassing van de iack dat de zorg voor de kinderen van eiser en [ex-echtgenote] tussen de beide ouders gelijkelijk was verdeeld.

8. Wat betreft het standpunt van verweerder dat niet is voldaan aan de eis van een duurzaam ritme, overweegt de rechtbank het volgende. De iack is bedoeld voor ouders die arbeid en zorg voor kinderen combineren. De bedoeling van de wetgever is verder geweest dat in geval van co-ouderschap waarbij beide ouders niet samenwonen, maar de zorg voor de kinderen gelijkelijk is verdeeld, toch door beide ouders de iack kan worden genoten. Naar het oordeel van de rechtbank ziet het vereiste van duurzaamheid, zoals de Hoge Raad dat in het bij 5. genoemde arrest heeft geformuleerd, op het feit dat de zorg min of meer gelijkelijk dient te zijn verdeeld en niet zozeer op het ritme waarin dit geschiedt. Een andere uitleg zou meebrengen dat co-ouders met zeer wisselende en onregelmatige werktijden die bijvoorbeeld aan het begin van elke maand bezien welke gelijkelijke verdeling van de zorg die maand het beste uitkomt niet beiden recht hebben op de iack. Deze uitleg zou niet in lijn zijn met de uitgangspunten van de wetgever. Voor zover de eis kan worden gesteld dat ook het ritme waarin de zorg onderling gelijkelijk is verdeeld in enigerlei mate duurzaam moet zijn, is de rechtbank van oordeel dat eiser aan deze eis heeft voldaan. De kinderen verbleven in 2016 namelijk doorgaans eenmaal in de twee weken een lang weekend bij eiser. In de schoolvakanties verbleven de kinderen, al dan niet gedurende de hele vakantie, ook bij eiser. Ook voor de schoolvakanties geldt dat het een duurzame afspraak is met een zeker ritme. Dat dit ritme wellicht niet een (twee)wekelijkse regelmaat kent, doet daar, naar het oordeel van de rechtbank, niet aan af.

9. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Nu de rechtbank van oordeel is dat eiser recht heeft op toepassing van de iack en verweerder de aanslag moet verminderen, verstaat de rechtbank dat verweerder de beschikking belastingrente overeenkomstig vermindert.

10. Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

12. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat noch gesteld, noch aannemelijk is geworden, dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- stelt de aanslag IB/PVV 2016 vast met toepassing van de inkomensafhankelijke combinatiekorting;

- vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.J. Haanstra, griffier, op 20 november 2020. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

w.g. griffier

w.g. rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Kamerstukken II 2000/01, 27 466, nr. 33 (Amendement-Vendrik c.s.).

Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 13 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:415, r.o. 2.4.2.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature