< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Rechtmatige binnentreden, eendaadse samenloop telen en aanwezig hebben van hennepplanten, overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak



RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/950038-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 10 oktober 2019 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 26 september 2019.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.B. Pieters, advocaat te Hoogeveen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. Tromp.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks de periode van 21 maart 2017 tot en met 18 april 2017, in de

gemeente Meppel, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of

afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad een (grote) hoeveelheid van (ongeveer) 870 hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep (telkens) een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2.

hij op of omstreeks 19 april 2017 te Meppel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 870 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij in of omstreeks de periode van 25 november 2015 t/m 18 april 2017 te Meppel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die weg te nemen elektriciteit onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

4.

hij in of omstreeks in de periode van 1 januari 2015 t/m 19 april 2017 te Meppel, althans in Nederland, een goed te weten een bromfiets van het merk Piaggio met het kenteken [kenteken] heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dit goed wist/dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor alle ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft zij verwezen naar de processtukken en de verklaring van verdachte, waaruit blijkt dat hij samen met anderen hennep heeft geteeld (feit 1) en hennep aanwezig heeft gehad (feit 2). Ook blijkt uit de stukken dat verdachte op illegale wijze stroom heeft afgenomen (feit 3).

Met betrekking tot feit 4 heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte volgens zijn eigen verklaring de bromfiets voor 600 euro had gekocht voor de onderdelen. De bromfiets was echter meer waard en had een gemakkelijk te repareren mankement. Onder deze omstandigheden had verdachte nader onderzoek moeten verrichten naar de herkomst van de bromfiets. Nu verdachte dit niet heeft gedaan, kan de onder 4 ten laste gelegde heling worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gesteld dat verdachte van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het binnentreden van de bedrijfsloods onrechtmatig was en dat daarom bewijsuitsluiting dient te volgen voor alle voorwerpen die op 19 april 2017 in de loods zijn aangetroffen. Het binnentreden was onrechtmatig omdat het daarvoor vereiste redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit ontbrak. Het enkele gesprek dat de verbalisant in december 2016 of januari 2017 heeft opgevangen over een hennepkwekerij in het bedrijfspand is onvoldoende, nu die informatie niet door andere concrete aanwijzingen wordt ondersteund.

Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat het onder 1 ten laste gelegde kan worden bewezen, te weten het telen en aanwezig hebben van hennepplanten in de periode omstreeks 21 maart – 18 april 2017. De raadsvrouw heeft opgemerkt dat het onder 2 ten laste gelegde feitencomplex exact hetzelfde is als het onder 1 ten laste gelegde. In geval de rechtbank dit als een eendaadse samenloop opvat, dient dit in het vonnis nadrukkelijk te worden vermeld.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw betoogd dat vrijspraak dient te volgen voor een deel van de ten laste gelegde periode, te weten de periode 25 november 2015 – 21 maart 2017.

Ook ten aanzien van feit 4 heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat toen verdachte de bedoelde bromfiets heeft gekocht, er geen aanwijzingen waren dat die van misdrijf afkomstig was.

Verdachte hoefde daarom geen nader onderzoek te verrichten.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak

De rechtbank acht feit 4 niet wettig en overtuigend bewezen. Het is onduidelijk gebleven of de bij verdachte aangetroffen bromfiets de door de aangever bedoelde gestolen bromfiets betreft. Uit de verklaring van verdachte blijkt dat de bij hem aangetroffen bromfiets een Vespa LX 50 was, terwijl de aangever in de ter terechtzitting door de officier van justitie overgelegde aangifte heeft verklaard dat de gestolen bromfiets een Piaggio C38 was. Die was bij aangever in 2014 gestolen. Hij heeft daarvan niet eerder dan in maart 2017 aangifte gedaan. Deze aangifte biedt onvoldoende duidelijkheid om tot de conclusie te komen dat de bij verdachte aangetroffen bromfiets daadwerkelijk de door aangever bedoelde bromfiets was en dus of sprake is van de ten laste gelegde heling daarvan.

Op basis van het vorenstaande zal verdachte van feit 4 worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feiten 1, 2 en 3:

(On)rechtmatig verkregen bewijs

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de binnentreding rechtmatig is geschied. Daarvoor is vereist dat er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld. Het bestaan daarvan dient te worden vastgesteld op basis van feiten en omstandigheden die bekend zijn op het moment van binnentreden.

Op het moment van binnentreden in de bedrijfsloods van verdachte op 19 april 2017 waren de politie de volgende relevante feiten en omstandigheden bekend.

In de periode december 2016 – januari 2017 was een verbalisant op een gegeven moment in een café-restaurant te Uffelte. Daar hoorde hij dat een aantal voor hem onbekende mannen onderling spraken over ene [naam 1] . Tijdens dat gesprek werd gezegd dat deze [naam 1] op [woongebied] te Uffelte woonde, dat hij in een grijs bestelbusje reed en dat hij zich waarschijnlijk bezighield met het kweken van hennep. Het gebouw waar dit plaats zou vinden was een bedrijfsverzamelgebouw dat gevestigd was aan de overkant van de brandweerkazerne te Meppel. Dit betrof de [straatnaam] . Deze informatie heeft de verbalisant doorgespeeld aan de desbetreffende wijkagent in Meppel.

Op 18 maart 2017 heeft de politie met een warmtebeeldcamera foto’s gemaakt van de panden aan de [straatnaam] . Gebleken is dat [nummer] met name aan de bovenzijde meer warmte uitstraalde.

Uit nader onderzoek is gebleken dat het pand met [nummer] sinds november 2015 gehuurd werd door [bedrijf verdachte] .

[benadeelde partij] heeft in de periode van 27 maart 2017 tot en met 18 april 2017 een netmeting uitgevoerd op de tracékabel [straatnaam] waar het bedrijfspand is gevestigd.

Naar aanleiding van de bevindingen werd geconcludeerd dat het gemeten patroon mogelijk duidt op de aanwezigheid van een hennepkwekerij.

Op 28 maart 2017 is een observatiecamera geplaatst, gericht op de roldeur van

[nummer]. Op 4 april 2017 zijn de camerabeelden uitgekeken over de periode 28 – 30 maart 2017. Daarop is te zien dat op 28 maart 2017 de roldeur omhoog gaat en dat een VW Caddy (de rechtbank begrijpt: een bestelbusje) voorzien van het kenteken [kenteken] in het pand staat. Deze wordt naar buiten gereden. Verder is te zien dat een tweede persoon de roldeur sluit en dat deze het pand via een zijdeur verlaat, waarna hij ook in de Caddy stapt. Gebleken is dat dit voertuig op naam staat van verdachte.

Op 4 april 2017 heeft een verbalisant onderzoek gedaan naar de relatie tussen [verdachte] en [naam 1] . Uit de open bron Facebook is gebleken dat [verdachte] een relatie heeft met [naam 2] , die de zuster is van [naam 1] . Zowel [naam 2] als [naam 1] wonen op [woongebied] te Uffelte.

Op 19 april 2017 heeft de politie het bedoelde pand met [nummer] betreden, waar een hennepkwekerij werd aangetroffen met in totaal 870 planten.

Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een redelijk vermoeden van de aanwezigheid van een hennepkwekerij op het moment dat het pand werd binnengetreden en dat dit optreden dus rechtmatig is gebeurd. Het verweer van de raadsvrouw wordt daarom afgewezen.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 26 september 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Op 19 april 2017 had ik in mijn loods te Meppel een hennepkwekerij. De hennepplanten die zijn aangetroffen stonden daar vier weken en een dag. Ik heb de kwekerij zelf opgezet. Ik ben ook verantwoordelijk voor de diefstal van elektriciteit.

Ik blijf bij de verklaring die ik bij de politie heb afgelegd.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 27 september 2017, opgenomen op pagina 239 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017053144 d.d. 13 maart 2018, - zakelijk weergegeven - inhoudend als verklaring van verdachte:

Ik ben de eigenaar van de hennepkwekerij die is aangetroffen in het bedrijfspand aan de [straatnaam] te Meppel. Ik heb de kwekerij zelf gebouwd. Ik begon 6 weken en 1 dag voor de inval met de opbouw. Ik heb de stroom voor de hennepkwekerij zelf aangelegd.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d. 8 mei 2017, opgenomen op pagina 74 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant(en):

Op 19 april 2017 stelde ik een onderzoek in op het adres de [straatnaam] te Meppel, vanwege een verdenking van overtreding van de Opiumwet.

In het pand aan de [straatnaam] te Meppel werd op 19 april 2017 binnengetreden.

Het pand betreft een bedrijfspand, namelijk: Industriele loods met 2 kweekruimten.

Het bleek dat op genoemd adres een hennepkwekerij met planten aanwezig was.

Kweekruimte 1

In totaal stonden er 410 hennepplanten.

Kweekruimte 2

In totaal stonden er 460 hennepplanten.

De stroomvoorziening van de hennepkwekerij is onderzocht door [medewerker], fraude-inspecteur bij de netwerkbeheerder [benadeelde partij] , in aanwezigheid van mij, verbalisant. Hierbij werd geconstateerd dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen.

4. Een schriftelijk bescheid, te weten een aangifte diefstal/verduistering namens [benadeelde partij] d.d. 10 mei 2017, opgenomen op p. 106 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend:

Op 19 april 2017 werd een hennepkwekerij met diefstal energie aangetroffen in het pand op het adres [straatnaam] te Meppel. Het pand betreft een loods.

Uit onze administratie blijkt dat [bedrijf verdachte] in elk geval op het moment van binnentreden op 19 april 2017 contractant is op genoemd perceel.

Bij controle van de netcomponenten (hoofdleiding, aansluiting en meetinrichting) van [benadeelde partij] en de installaties in de meterkast van het genoemde pand heeft de fraude-inspecteur het volgende vastgesteld.

Uit onderzoek bleek dat er een illegale aansluiting na de hoofdbeveiliging was gemaakt in de hoofdaansluitkast. Er was een illegale elektriciteitskabel aangelegd die buiten de elektriciteitsmeter om liep naar de elektrische installatie in het betreffende pand en voorzag de aangesloten installatie van elektriciteit.

Uit onderzoek bleek dat de hoofdveiligheden in de aansluitkast van [benadeelde partij] zijn gemanipuleerd. Contractueel hoort er 3 x 25A in te zitten. Er waren zekeringen met een hogere waarde geplaatst. Door het verzwaren van de hoofdzekeringen is er meer vermogen beschikbaar dan contractueel is overeengekomen met de contractant.

Om voornoemde aftakking en verzwaring te kunnen realiseren is het noodzakelijk geweest dat het door [benadeelde partij] verzegelde deksel van de hoofdaansluitkast gedemonteerd is of is geweest. De door [benadeelde partij] aangebrachte zegels zijn dus verwijderd, vervangen en of gemanipuleerd. Hiervoor heeft [benadeelde partij] geen toestemming verleend.

Bewijsoverweging

Op basis van de (deels) bekennende verklaring van verdachte en de overige bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 21 maart 2017 tot en met 18 april 2017 hennepplanten heeft geteeld (feit 1) en dat hij op 19 april 2017 hennepplanten aanwezig heeft gehad (feit 2).

Met betrekking tot de onder 3 ten laste gelegde pleegperiode neemt de rechtbank de verklaring van verdachte als uitgangspunt. Mede op basis hiervan wordt bewezen verklaard dat verdachte in de periode van 7 maart 2017 – 18 april 2017 elektriciteit heeft weggenomen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij omstreeks de periode van 21 maart 2017 tot en met 18 april 2017, in de

gemeente Meppel, opzettelijk heeft geteeld 870 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet en als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II;

2.

hij op 19 april 2017 te Meppel, opzettelijk aanwezig heeft gehad 870 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

hij in de periode van 7 maart 2017 tot en met 18 april 2017 te Meppel, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen elektriciteit, toebehorende aan [benadeelde partij] , waarbij verdachte die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot feit 1 en feit 2 sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De bewezen verklaarde gedragingen leveren in die mate een samenhangend, zich min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen slechts enigszins uiteenloopt.

Het bewezen verklaarde levert op:

1. en 2.

de eendaadse samenloop van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van

de Opiumwet gegeven verbod

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

3.

diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 200 uren subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand met een proeftijd van twee jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor oplegging van een werkstraf voor een beperkt aantal uren. Zij heeft daarbij aangevoerd dat verdachte een first offender is en dat het heel lang heeft geduurd voordat de zaak is behandeld. Daarnaast heeft zij opgemerkt dat door een veroordeling verdachte geen verklaring omtrent gedrag meer zal krijgen, waardoor hij zijn huidige baan mogelijk zal verliezen. Door deze zaak is verdachte ook al in zijn vermogen getroffen, nu zijn twee voertuigen in beslag zijn genomen. Op basis van het vorenstaande is er volgens de verdediging geen noodzaak meer om een voorwaardelijke gevangenisstaf op te leggen. Er kan worden volstaan met de oplegging van een werkstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk telen en aanwezig hebben van ruim 870 hennepplanten. Hennepteelt levert een softdrug op die bij langdurig gebruik kan leiden tot schade voor de gezondheid. De hennepteelt is echter niet alleen uit het oogpunt van de volksgezondheid maatschappelijk onaanvaardbaar, maar ook omdat de handel in hennep, vanwege de grote winsten die daarmee worden gemaakt, allerlei andere vormen van criminaliteit in de hand werkt.

Gelet op het aantal planten acht de rechtbank het aannemelijk dat de planten voor de handel bestemd waren. De verdachte heeft daaraan bijgedragen en heeft zich daarbij louter laten leiden door de zucht naar eigen financieel gewin.

Verdachte heeft voor het telen van hennep en het in stand houden van de hennepkwekerij ook gebruik gemaakt van illegale stroomvoorziening. Naast het benadelen van de energieleverancier levert dit ook grote veiligheidsrisico’s op.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de soort en de omvang van de aan de verdachte op te leggen straf gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin is voor gevallen van het kweken van een hoeveelheid van 500 tot 1.000 hennepplanten een taakstraf van 180 uren in combinatie met 2 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf opgenomen. Dit oriëntatiepunt gaat uit van het min of meer bedrijfsmatig of in ieder geval met een zekere professionaliteit kweken van hennepplanten, hetgeen in deze zaak het geval is. In dat oriëntatiepunt is de diefstal van elektriciteit niet verdisconteerd.

Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden neemt de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf als uitgangspunt, te weten een taakstraf van 200 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand.

Gelet op de tijdsverloop dient de rechtbank bij de strafoplegging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafvervolging op grond van artikel 6 EVRM tot een berechting moet komen. Die termijn begint te lopen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van de verdachte dient als een zodanige handeling te worden aangemerkt. Verdachte is op 27 september 2017 in verzekering gesteld. Daaraan heeft hij in redelijkheid de verwachting kunnen ontlenen dat tegen hem door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. Gelet op de datum van het wijzen van dit vonnis (10 oktober 2019) wordt de redelijke termijn van 2 jaren in dit geval met krap twee weken overschreden.

Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen – waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – volstaat de rechtbank hierbij met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.

Concluderend acht de rechtbank een taakstraf van 200 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand, met een proeftijd van twee jaar passend en geboden.

Benadeelde partij

[benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, ingediend door de raadsman, mr. A. Vaarkamp. [benadeelde partij] vordert een bedrag van € 14.084,50 ter vergoeding van materiële schade en

€ 1.515,85 ter vergoeding van de proceskosten en buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Ter zitting heeft mr. Vaarkamp aangegeven dat het gevorderde bedrag betrekking heeft op de pleegperiode zoals deze is opgenomen in het onder 3 ten laste gelegde. Indien de pleegperiode door de rechtbank wordt ingekort, heeft de advocaat de rechtbank verzocht het gevorderde bedrag aan te passen overeenkomstig het in de bijlage opgenomen bedrag. Dit geldt eveneens voor de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft primair gesteld dat de vordering integraal moet worden toegewezen. Subsidiair heeft zij zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd ingeval de pleegperiode wordt ingekort.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair betoogd dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard, omdat zij vrijspraak heeft bepleit.

Subsidiair heeft zij gesteld dat enkel de (elektriciteit)kosten die betrekking hebben op de pleegperiode tussen 21 maart 2017 – 18 april 2017 kunnen worden toegewezen. De buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten die worden gevorderd moeten worden afgewezen, omdat de benadeelde partij via slachtofferhulp de vordering had kunnen indienen en het CJIB belast zal zijn met het innen van het toe te wijzen bedrag. Voornoemde kosten zijn onnodig gemaakt en kunnen niet aan verdachte worden toegerekend.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde. Bij de bewezenverklaring is uitgegaan van een pleegperiode van 7 maart 2017 tot en met 18 april 2017 (43 dagen). Gelet op deze pleegperiode dient de door de benadeelde partij gestelde netwerkkosten (€ 1.167,-) en verbruik elektriciteit (€ 11.718,42) te worden aangepast.

Uit de bijlagen van de schadevergoedingsvordering blijkt dat de netwerkkosten betrekking hebben op een periode van 402 dagen. Naar evenredigheid berekend komen de netwerkkosten voor de bewezen verklaarde periode neer op een bedrag van € 124,83. Uit de bijlagen blijkt dat de verbruikte elektriciteit bij de aangetroffen hennepkwekerij over de bewezen verklaarde periode € 1.673,15 bedraagt.

De overige kosten (waaronder kosten van de desbetreffende inspecteur, opmaken factuur, afhandelingskosten, dossierkosten, in totaal ter hoogte van € 1.199,08) zijn niet dan wel onvoldoende door verdachte betwist en kunnen daarom worden toegewezen.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot toewijzing van een totaalbedrag van

€ 2.997,06 (€ 124,83 + € 1.673,15 + € 1.199,08) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 april 2017.

Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt voor rechtsbijstand. In de vordering worden deze kosten aangeduid als proceskosten. De rechtbank zal deze kosten bepalen aan de hand van het liquidatietarief kanton. Voor het toelichten van de vordering ter zitting worden 2 punten à

€ 210,- toegekend. In totaal aldus € 420,-.

De rechtbank zal verdachte ook veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. In de vordering worden deze kosten omschreven als buitengerechtelijke incassokosten. Op basis van de bijgevoegde Staffel buitengerechtelijke incassokosten (BIK) worden deze kosten vastgesteld op € 625,-.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14 b, 14c, 22c, 22d, 36f, 55, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet , zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 4 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van één maand.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

een taakstraf voor de duur van 200 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 100 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Ten aanzien van feit 3:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.997,06 (zegge: tweeduizend negenhonderdzevenennegentig euro en zes eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 april 2017.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, te weten de kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 420,- (zeggen: vierhonderdtwintig euro) en de buitengerechtelijke incassokosten tot een bedrag van € 625, - (zegge: zeshonderdvijfentwintig euro).

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Läkamp, voorzitter, mr H.H.A. Fransen en mr. M. van den Steenhoven, rechters, bijgestaan door mr. D.M.A. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 oktober 2019.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature