< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Vordering officier van justitie ex art 22 WWETGC tot toepassing van lijfsdwang na het niet betalen van een in België opgelegde beslissing tot confiscatie. De rechtbank heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof. Het Europese Hof heeft geoordeeld dat in Nederland als tenuitvoerleggingsstaat lijfsdwang kan worden toegepast bij niet-betaling. De door het openbaar ministerie verstrekte informatie is van geruime tijd geleden en veroordeelde is sinds september 2015 gedetineerd. Er staat op dit moment onvoldoende vast dat sprake is van betalingsonwil. De vordering wordt afgewezen.

Uitspraak



RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

rekestnummer 17/460

zaaknummer cjib 300000014

Beslissing van de meervoudige raadkamer d.d. 20 maart 2019 op de vordering van de officier van justitie ex artikel 22 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, in de zaak tegen

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats],

verblijvende in PI Nieuwegein te Nieuwegein,

hierna: veroordeelde,

raadsman mr. R.B.M. Poppelaars, advocaat te Breda.

Procesverloop

Op 22 juni 2017 is ter griffie van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, ingekomen de vordering van de officier van justitie tot het verlenen van verlof tot de tenuitvoerlegging van lijfsdwang voor een periode van 1095 dagen in verband met de op 20 december 2012 in België aan veroordeelde opgelegde beslissing tot confiscatie van een bedrag van € 800.000,00. De openstaande vordering bedraagt op het moment van het indienen van de vordering € 652.994,19, aldus de officier van justitie.

De raadsman en de officier van justitie hebben schriftelijk hun standpunten uiteengezet en diverse stukken ingebracht. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 september 2017 en 11 januari 2018. Veroordeelde is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn raadsman. De raadsman heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat de vordering tot lijfsdwang in strijd met het recht is ingediend en heeft de rechtbank verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, die zien op de vraag of het de tenuitvoerleggingsstaat is toegelaten om lijfsdwang toe te passen.

De rechtbank heeft bij beslissing van 1 februari 2018 twee prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gesteld en haar beslissing omtrent de door de officier van justitie ingediende vordering voor onbepaalde tijd aangehouden.

Het Hof van Justitie heeft op 10 januari 2019 een arrest gewezen waarin de twee gestelde vragen als volgt worden beantwoord.

1. Artikel 12, leden 1 en 4 van kaderbesluit 2006 /783 verzet zich niet tegen de toepassing van een wettelijke regeling van een tenuitvoerleggingsstaat, zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, op grond waarvan met het oog op de tenuitvoerlegging van een in de beslissingsstaat gegeven beslissing tot confiscatie eventueel lijfsdwang kan worden toegepast.

2. Voor de toepassing van lijfsdwang in de tenuitvoerleggingsstaat maakt het geen verschil of de wettelijke regeling van de beslissingsstaat eventuele toepassing van een dergelijke maatregel eveneens toestaat.

De rechtbank ziet in de beslissing van het Hof de bevestiging dat het kaderbesluit 2006/783 op juiste wijze in de Nederlandse wetgeving is geïmplementeerd en dat artikel 22 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (WWETGC) rechtsgeldig is. De rechtbank ziet daarin aanleiding om over te gaan tot een inhoudelijke beoordeling van de vordering tot het verlenen van verlof tot het toepassen van lijfsdwang.

Motivering

1. Bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 20 december 2012 is ten aanzien van veroordeelde een confiscatiebeslissing opgelegd tot een bedrag van € 800.000,00. Dit arrest is onherroepelijk geworden en de executie van de betalingsverplichting is overgenomen door Nederland. Veroordeelde heeft tegen deze overname van de executie beroep aangetekend op grond van artikel 27 van de WWETGC . Dit beroep is bij beslissing van 8 juli 2015 ongegrond verklaard.

2. De officier van justitie heeft verlof tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang gevorderd omdat nog een bedrag van € 652.119,19 moet worden betaald en het vermoeden omtrent mogelijke onzichtbare geldstromen gehandhaafd blijft. Daarnaast bestaat het vermoeden dat een Porsche voor een aanzienlijk hoger bedrag dan het door veroordeelde genoemde bedrag van € 12.000,00 is verkocht terwijl over de besteding van die € 12.000,00 geen openheid van zaken is gegeven.

3. Ingevolge het vierde lid van artikel 577c van het Wetboek van Strafvordering wordt een vordering tot lijfsdwang niet toegewezen indien de veroordeelde aannemelijk maakt dat hij buiten staat is aan de betalingsverplichting te voldoen.

4. Uit de overgelegde stukken blijkt dat veroordeelde in juli 2015 formulieren ondertekend heeft waardoor het conservatoir beslag op contante gelden en een vordering bij de bank kon worden opgeheven en het geld -een bedrag van € 145.506,00- kon worden aangewend ter betaling van het opgelegde bedrag van € 800.000,00. Tevens blijkt dat veroordeelde in september 2015 zijn Porsche waarop conservatoir beslag was gelegd onderhands heeft verkocht en dat de raadsman het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) in april 2016 heeft laten weten dat de Porsche een bedrag van € 12.000,00 had opgebracht. De raadsman heeft een voorstel voor een betalingsregeling gedaan met een aanbetaling van € 10.000,00 gevolgd door maandelijkse betalingen van € 125,00. Het CJIB heeft dit voorstel afgewezen en wenste € 109.082,36 per jaar te ontvangen van veroordeelde. Veroordeelde heeft vervolgens maandelijks een bedrag van € 125,00 betaald en heeft geen extra betalingen gedaan. Op een nieuw voorstel tot afbetaling heeft veroordeelde niet gereageerd en hij is € 125,00 blijven betalen. Uit onderzoek is gebleken dat veroordeelde één bankrekeningnummer op zijn naam heeft staan. De raadsman heeft bankafschriften daarvan verschaft. Hieruit blijkt dat er een gering aantal transacties plaatsvond via deze bankrekening en dat er met een regelmaat een contant bedrag van € 500,00 op deze rekening werd gestort. De raadsman heeft aangegeven dat veroordeelde voor zijn detentie de zorg voor zijn ouders had waar kost en inwoning tegenover stonden. De contante stortingen bestond uit geld verdiend met werkzaamheden in het café van zijn vader, buiten een arbeidsovereenkomst om, aldus de raadsman. Veroordeelde is sinds 15 september 2015 gedetineerd en de einddatum van zijn detentie is vastgesteld op 17 september 2021.

5. Het openbaar ministerie heeft gesteld dat de door veroordeelde verkochte Porsche een waarde heeft die ligt tussen de € 29.950,00 en € 59.500,00 en dat het een feit van algemene bekendheid is dat criminelen uitgaven en bezittingen verborgen en verhuld houden om verhaal onmogelijk te maken.

6. De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat er inderdaad de nodige vraagtekens kunnen worden gezet bij het handelen van veroordeelde met betrekking tot de onderhandse verkoop van de Porsche en met betrekking tot de contante geldstortingen van

€ 500,00 op zijn bankrekening. Daar staat echter tegenover dat dit informatie betreft van geruime tijd geleden, dat veroordeelde sinds september 2015 gedetineerd is en niet is gebleken dat veroordeelde sindsdien onverklaarbare uitgaven heeft gedaan en/of heeft kunnen beschikken over goederen van substantiële waarde. Met name gelet op laatstgenoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat op dit moment onvoldoende vast staat dat er bij veroordeelde sprake is van betalingsonwil in plaats van betalingsonmacht.

De rechtbank zal daarom de vordering van de officier van justitie tot het verlenen van verlof tot toepassing van lijfsdwang afwijzen.

Beslissing

De rechtbank wijst de vordering af.

Deze beslissing is gegeven op 20 maart 2019 door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. M. Haisma en mr. W.S. Sikkema, rechters, bijgestaan door T.L. Komrij, griffier.

Mr. Haisma is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature