< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Twijfel over de nationaliteit en identiteit van de man die verzoekt om vervangende toestemming voor erkenning. De man verblijft illegaal in Nederland. Bewijsopdracht ten aanzien van nationaliteit en identiteit.

Tevens bewijsopdracht ten aanzien van Nigeriaans recht en toepasselijk recht.

Omschrijving Nederlands recht met betrekking tot vervangende toestemming erkenning en opdracht Raadsonderzoek naar de belangen van de minderjarige bij die erkenning en naar gezag, omgang en informatie.

Uitspraak



RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rekestnummer: C/17/143722 / FA RK 15-1419

beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 23 maart 2016

inzake

[de man] ,

domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat,

hierna ook te noemen de man,

[telefoonnummer] ,

advocaat mr. M.R. Roethof, kantoorhoudende te Arnhem,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna ook te noemen de vrouw,

[telefoonnummer] ,

advocaat mr. M.L. van Leer, kantoorhoudende te Amsterdam.

belanghebbende:

[de minderjarige] ,

vertegenwoordigd door

mr. G.L. van der Heide-Brink,

kantoorhoudende te Drachten,

hierna ook te noemen de bijzondere curator,

in persoon verschenen.

1 Procesverloop

Het procesverloop blijkt uit:

- het verzoekschrift, ingekomen op 27 augustus 2015;

- de beschikking van deze rechtbank d.d. 4 november 2015, waarin een bijzondere curator is benoemd;

- de brief van de bijzondere curator, ingekomen op 12 januari 2016;

- het verweerschrift, ingekomen 20 januari 2016.

De zaak is behandeld ter zitting van 28 januari 2016. Partijen en hun advocaten zijn verschenen. De man werd bijgestaan door de tolk, mevrouw P.G. van der Sluis, tolkennummer 48.

Voorts zijn de bijzondere curator, mr. Van der Heide-Brink, en [de vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming] , verschenen.

2 Motivering

2.1.

De feiten

Op [geboortedatum] 2010 is [de minderjarige] geboren in [de gemeente] . De vrouw is zijn moeder, de man is zijn biologische vader. [de minderjarige] woont bij de vrouw. De man was bij de bevalling aanwezig en verbleef ook in de periode daarna regelmatig bij de vrouw. De man heeft - al dan niet voor langere tijd - vanaf ongeveer eind 2012 tot ongeveer juni 2015 bij de vrouw en [de minderjarige] verbleven. De man heeft geen verblijfsvergunning en verblijft sinds 2002 (illegaal) in Nederland. De vrouw en [de minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit en wonen in Nederland.

2.2.

Het verzoek van de man

Kort samengevat verzoekt de man de rechtbank:

- vervangende toestemming te verlenen voor erkenning van [de minderjarige] ;

- de man samen met de vrouw met het ouderlijk gezag te belasten;

- een zorgregeling/omgangsregeling vast te stellen waarbij de man één keer per week in het weekend gedurende vier uren omgang heeft met [de minderjarige] ;

- subsidiair een informatieplicht vast te stellen waarbij de vrouw de man eens per maand op de hoogte stelt van gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de gezondheid, schoolvorderingen en hobby's van [de minderjarige] en waarbij zij de man viermaal per jaar een recente foto van [de minderjarige] zal sturen.

In de visie van de man is het van belang dat de juridische situatie van [de minderjarige] in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. De man wil [de minderjarige] als zijn [kind] erkennen, ouderlijke verantwoordelijkheid dragen en regelmatig contact met hem hebben. Partijen zijn het er immers over eens dat de man de verwekker van [de minderjarige] is.

De man heeft gesteld dat hij de Nigeriaanse nationaliteit door geboorte heeft verkregen. De man heeft een kopie van zijn paspoort - waaruit zijn Nigeriaanse nationaliteit blijkt - overgelegd, en tevens zijn geboorteakte en een verklaring van ongehuwd zijn. De man heeft als toelichting ter zitting gegeven dat hij tot een bepaalde stam behoort in Nigeria. [X] is zijn stamvader, zodat hij door geboorte de Nigeriaanse nationaliteit heeft. Hij ziet niet in hoe zijn nationaliteit op de erkenning van invloed zal kunnen zijn.

2.3.

Standpunt van de vrouw

De vrouw wil dat de verzoeken van de man met betrekking tot de erkenning, het gezag, de omgang en de informatieplicht worden afgewezen. De vrouw heeft in dit verband aangevoerd dat zij twijfelt aan de eerlijkheid van de man over zijn afkomst. De door de man overgelegde geboorteakte is pas op [dag 1] [maand 1] 2014 opgemaakt nadat [X] onder ede bij the High Court of Justice te Awka, Anambra, Nigeria, heeft verklaard dat de man zijn zoon is en dat de man op 20 [maand 2] [jaartal 1] is geboren. Volgens de vrouw heeft zij zich daarover verbaasd omdat zij van de man had begrepen dat de vader van de man was overleden en dat [X] zijn halfbroer was, dat de man vanuit Kameroen naar Europa is gekomen, waarop hij in Duitsland onder de naam " [Y] " asiel zou hebben aangevraagd tijdens welke asielprocedure hij heeft gesteld dat hij de Kameroense nationaliteit had. Op het gemeentehuis van [de gemeente] is de vrouw een registratie getoond in de Basisvoorziening Vreemdelingen van een zekere [Z] , geboren op een andere datum, namelijk 19 [maand 2] [jaartal 1] .

De vrouw heeft gesteld dat erkenning van [de minderjarige] door de man haar belangen bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige zal schaden nu niet vast staat dat de man daadwerkelijk is wie hij zegt te zijn. Bovendien zou [de minderjarige] mogelijk de nationaliteit van de man krijgen, hetgeen onduidelijk is wanneer de nationaliteit van de man niet vaststaat. De vrouw is bang dat de man, als hij [de minderjarige] eenmaal heeft erkend en hij geen verblijfsvergunning krijgt, [de minderjarige] mee zal nemen naar Nigeria. Omdat Nigeria het Haags Kinderontvoeringsverdrag niet heeft ondertekend, is de vrouw bang dat het erg moeilijk wordt om [de minderjarige] vervolgens weer terug naar Nederland te krijgen. De vrouw ervaart hierdoor veel stress. Zij is bang voor de oneerlijkheid van de man. Voorts voert de vrouw aan dat van gezamenlijke gezagsuitoefening geen sprake kan zijn nu de man illegaal in Nederland verblijft.

2.4.

Standpunt van de bijzondere curator met betrekking tot de erkenning

De bijzondere curator heeft zich bij brief van 12 januari 2016 op het standpunt gesteld dat de man en [de minderjarige] er in beginsel aanspraak op hebben dat hun relatie wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. De conclusie lijkt gerechtvaardigd dat er sprake is van family life. Enkel emotionele bezwaren van de vrouw tegen erkenning staan daaraan niet in de weg.

De vrouw heeft echter ook zorgen over de illegale status van de man en zij is bang dat de man [de minderjarige] mee kan nemen naar het buitenland naar een voor haar onbekend adres.

Nu de vrouw de nationaliteit (en identiteit) van de man in twijfel trekt en daar veel stress door ondervindt, en de nationaliteit van de man mogelijk van invloed is op de rechtsgevolgen van erkenning en de sociaal-emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] , heeft de bijzondere curator ter terechtzitting de rechtbank onder meer voorgesteld de man een nadere bewijsopdracht met betrekking tot zijn nationaliteit te geven met de mogelijkheid voor de bijzondere curator daar nog op te reageren.

De rechtbank begrijpt dat de bijzondere curator zich op het standpunt stelt dat vervolgens een belangenafweging dient plaats te vinden waarbij ook de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met [de minderjarige] en de belangen van het kind worden afgewogen.

2.5.

Aanbod van de Raad ter zitting

De vertegenwoordigster van de Raad heeft ter zitting aangeboden een onderzoek te verrichten, hoewel de juridische gevolgen van erkenning in dit geval lastig in te schatten zijn. Een belangrijk punt in het onderzoek zal in ieder geval zijn in hoeverre de vrouw vertrouwen in de man kan hebben en in hoeverre uitoefening van gezamenlijk gezag tot de mogelijkheden behoort, zolang de man geen verblijfsvergunning heeft.

2.6.

De beoordeling

2.6.1.

De bevoegdheid van de Nederlandse rechter met betrekking tot de erkenning

De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering bevoegd om te oordelen over het verzoek met betrekking tot de erkenning, omdat de man in Nederland woont.

2.6.2.

Het toepasselijk recht op de erkenning door de man

2.6.2.1. De rechtbank overweegt als volgt.

Bij de bijzondere curator en de vrouw bestaat onzekerheid over het antwoord op de vraag welke identiteit/nationaliteit de man heeft en wat de juridische gevolgen zullen zijn indien [de minderjarige] door de man zou worden erkend. De vrouw heeft gemotiveerd betwist dat de man van Nigeriaanse afkomst is, althans zij heeft zijn nationaliteit in twijfel getrokken, en de vrouw heeft daarom toepassing van Nederlands recht op de erkenning bepleit.

Uit artikel 10:95 lid 1 BW vloeit voort dat de nationale wet van de man in beginsel zijn bevoegdheid en de voorwaarden waaronder hij het kind kan erkennen bepaalt. De nationaliteit van de man staat ter discussie, waarover hierna meer, maar de rechtbank sluit niet op voorhand uit dat dit de Nigeriaanse wet is. In dat geval volgt uit artikel 10:15 lid 1 van het BW dat - nu Nigeria geen eenvormig rechtsstelsel kent - het recht van de stam waartoe de man behoort van toepassing is.

Indien volgens het nationale recht van de man erkenning niet of niet meer mogelijk is, is bepalend het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] en brengt dit derhalve toepassing van het Nederlands recht mee. Aldus rijst de vraag wat de nationaliteit van de man is en of het recht van dat land het rechtsinstituut van erkenning kent.

Op grond van een besluit van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (Besluit van 3 april 2006, nr. DJZ/BR/0251-2006, van de Minister van Buitenlandse Zaken, tot vaststelling van een gedragslijn voor de beoordeling van buitenlandse documenten door middel van legalisatie en verificatie, Staatscourant 10 mei 2006, nr. 91) zijn er een vijftal landen aangewezen waarvan de aktes van de burgerlijke stand niet zonder meer worden geaccepteerd. Nigeria is één van deze landen. Om aktes uit Nigeria in Nederland te kunnen accepteren dient de betreffende akte gelegaliseerd te zijn door de Nederlandse ambassade in Lagos, Nigeria. De door de man overgelegde "attestation of birth" is niet op deze wijze gelegaliseerd, waarmee het geen akte is die door de rechtbank kan worden geaccepteerd.

Ondanks de door de man gegeven toelichting ter zitting is bij de rechtbank de twijfel over de nationaliteit van de man en wie zijn vader is, niet volledig weggenomen, temeer daar de man geen eenduidig antwoord gaf op de vraag van de rechtbank of " [X] " zijn biologische vader is. Uit artikel 25 van de Grondwet van Nigeria volgt dat de man het staatsburgerschap van Nigeria door geboorte kan hebben verkregen als hij in Nigeria is geboren en één of beide ouders of grootouders Nigeriaans staatsburger is, dan wel - als hij buiten Nigeria is geboren - één van zijn ouders Nigeriaans staatsburger is. Dit zou derhalve op de man van toepassing kunnen zijn. In dit geval heeft de man onder meer een niet-gelegaliseerde geboorteakte overgelegd, gedateerd [dag 2] [maand 3] 2015, waaruit blijkt dat [X] heeft verklaard dat de man zijn kind is. De nationaliteit van [X] blijkt hieruit overigens niet.

De vraag of tussen de man en [X] een familierechtelijke betrekking bestaat en welke nationaliteit de man heeft, dient mede te worden beantwoord aan de hand van de regels van het Nederlandse internationaal privaatrecht. Van die regels maakt deel uit dat onder bepaalde voorwaarden in het buitenland ontstane of vastgestelde familierechtelijke betrekkingen tussen de man en zijn vader in Nederland worden erkend, behoudens bijzondere omstandigheden, zoals strijd met de openbare orde. Deze erkenning is thans geregeld in artikel 10:101 BW . Weliswaar is deze regeling als zodanig uitsluitend van toepassing op rechtsbetrekkingen die na 1 januari 2003 zijn vastgesteld of gewijzigd omdat dit wetsartikel pas toen van kracht werd, maar de bepalingen ervan sluiten in belangrijke mate aan bij het voor 1 januari 2003 bestaande ongeschreven recht. Een in Nigeria bij de geboorte van rechtswege tot stand gekomen familierechtelijke betrekking tussen de man en [X] kan voor erkenning in aanmerking komen in het kader van de in verband met artikel 1 Wet op het Nederlanderschap en Ingezetenschap te beantwoorden vraag of op dat tijdstip tussen hen een familierechtelijke betrekking bestond. Er kan niet alleen grond bestaan voor erkenning van de familierechtelijke betrekking tussen de man en [X] indien deze betrekking is neergelegd in een door een bevoegde ambtenaar in Nigeria opgemaakte (en gelegaliseerde) geboorteakteakte, wat in dit geval niet bij de geboorte of tijdens de minderjarigheid van de man is gebeurd, maar er kan - zoals ook de Hoge Raad op 19 februari 2016 nog heeft vastgesteld ( ECLI:NL:HR:2016:293) - zelfs grond bestaan voor erkenning van die betrekking indien die betrekking niet is neergelegd in een door een bevoegde ambtenaar opgemaakte akte.

Alle stukken uit Nigeria die de man heeft overgelegd zijn van betrekkelijk recente datum en staan haaks op de verhalen die de vrouw - zo heeft zij onweersproken gesteld - van de man heeft gehoord. De rechtbank is van oordeel dat er op dit moment onvoldoende duidelijkheid bestaat om tot een eindoordeel te komen, zodat de zaak tot een nadere pro forma datum zal worden aangehouden. De rechtbank zal de man een bewijsopdracht geven zodat hij alle twijfel over zijn nationaliteit/identiteit kan wegnemen, zodat de rechtbank naar objectieve maatstaven kan beoordelen of de vrees van de vrouw dat de man mogelijk een valse identiteit hanteert, al dan niet terecht is.

De rechtbank zal de man daarom opdragen aanvullende bewijs te leveren met betrekking tot zijn afstamming en nationaliteit, onder meer door het overleggen van een door de Nederlandse ambassade in Lagos, Nigeria gelegaliseerde geboorteakte of uittreksel uit het register van de Nigeriaanse Burgerlijke stand, waarbij de man dient aan te geven wat (volgens hem) de betekenis van het document is;

De rechtbank geeft de man in overweging voor de beantwoording van de internationaal privaatrechtelijke vragen de hulp en expertise van het Internationaal Juridisch Instituut (het IJI), R.J. Schimmelpennincklaan 20-22 2517 JN Den Haag 070 - 346 09 74 in te schakelen, dan wel een Nigeriaanse jurist uit het netwerk van het IJI.

2.6.2.2. Voor zover na bewijslevering door de man inderdaad Nigeriaans recht zal moeten worden toegepast op de erkenning door de man omdat hij inderdaad de Nigeriaanse nationaliteit heeft, constateert de rechtbank om redenen van proceseconomie nu reeds het volgende.

De rechtbank begrijpt dat Nigeria een onderscheid maakt tussen wettige en onwettige kinderen

(Module Burgerlijke stand en landeninformatie, Nigeria: landeninformatie, afstamming). Onwettige kinderen staan op grond van de "Common Law" niet in familierechtelijke betrekking tot hun biologische vader. Op grond van het recht van enige stammen in Nigeria is het echter mogelijk dat er geen onderscheid tussen wettige en onwettige kinderen bestaat. Op grond van het stamrecht kan de wettiging in dat geval - onder meer - tot stand komen door erkenning van het vaderschap, waarbij de erkenning geen vormvoorschrift kent en meestentijds tot stand komt door opname in het gezin en de behandeling van het kind door de vader als een wettig kind. De rechtbank heeft onvoldoende informatie om te kunnen vaststellen of dit ook aan de orde is voor wat betreft de familierechtelijke betrekkingen tussen de man en [de minderjarige] . De rechtbank verzoekt de man haar hierover te informeren. Dit laat onverlet dat - indien in het Nigeriaanse recht geen toestemming van de moeder vereist is, toepassing van dit recht mogelijk in strijd is met de openbare orde in Nederland en daarom buiten toepassing moet worden gelaten.

De rechtbank zal de man daarom voorts opdragen:

- informatie te verschaffen of de Common Law van Nigeria, dan wel het recht van een ander land, dan wel het recht van zijn stam, op de erkenning van [de minderjarige] door de man kan en moet worden toegepast, en binnen welke termijn hij naar dat recht erkenning kan verzoeken;

- wat dat recht bepaalt met betrekking tot de erkenning indien de moeder zich tegen erkenning verzet;

- of vaststelling van de familierechtelijke band tussen de man en [de minderjarige] meebrengt dat de man naar Nigeriaans recht van rechtswege het gezag over [de minderjarige] krijgt, dat de man zonder toestemming van de vrouw met [de minderjarige] kan inreizen dan wel dat hij voor [de minderjarige] een Nigeriaans paspoort kan aanvragen.

De rechtbank acht de beantwoording van deze vragen van belang, enerzijds omdat Nigeria niet is aangesloten bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag waardoor er voor de vrouw nauwelijks mogelijkheden zijn om [de minderjarige] terug te laten geleiden naar Nederland indien de man [de minderjarige] zonder haar toestemming meeneemt naar Nigeria, en anderzijds omdat de man illegaal in Nederland verblijft en er een niet denkbeeldig te achten risico is dat hij op enigerlei moment zal worden uitgezet.

2.6.2.2. Indien echter Nederlands recht moet worden toegepast, heeft als uitgangspunt bij de vervangende toestemming tot erkenning te gelden dat zowel het kind als de man, als verwekker van [de minderjarige] , er aanspraak op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Bij de beoordeling of aan de man vervangende toestemming voor erkenning moet worden verleend, moeten het belang van de man bij en zijn aanspraak op erkenning van het kind naar Nederlands recht worden afgewogen tegen de belangen van de vrouw en het kind bij niet-erkenning.

2.6.3.

Het toepasselijk recht op de erkenning door de vrouw

2.6.3.1. De vrouw is - nu zij de Nederlandse nationaliteit heeft - op grond van artikel 1:198 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) naar Nederlands recht de moeder van [de minderjarige] . Met betrekking tot het toepasselijk recht ten aanzien van de toestemming door de vrouw voor erkenning geldt dan Nederlands recht.

Ongeacht het op basis van artikel 10:95 lid 1 BW toepasselijke recht, bepaalt artikel 10:95 lid 3 BW dat het toestemmingsvereiste van de moeder wordt beheerst door haar nationale recht, in dit geval dus door het Nederlandse recht. Dit betekent dat zij toestemming zal moeten geven voor erkenning overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:204 lid 1 onder c BW.

Indien zij deze toestemming weigert, kan de rechtbank, als dit in het belang van [de minderjarige] is en de man daartoe bevoegd is, de man vervangende toestemming tot erkenning verlenen.

2.6.3.2. Het belang van de vrouw is in de (Nederlandse) wet nader omschreven als haar belang bij een ongestoorde verhouding met haar kind. Wanneer de vrouw emotionele weerstand heeft tegen de erkenning is dit op zichzelf onvoldoende grond de vervangende toestemming tot erkenning te weigeren. Dit kan echter anders liggen indien de weerstand van de vrouw belangrijke negatieve gevolgen heeft voor het kind.

2.6.3.3. Voor wat betreft de belangen van het kind heeft de Hoge Raad aanvaard (zie Hoge Raad 16 februari 2001, LJN AB0032) dat van schade aan de belangen van het kind, als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 BW , slechts sprake is, indien ten gevolge van de erkenning er voor het kind reële risico’s zijn dat het wordt belemmerd in zijn evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling. Dit zou onder meer het geval kunnen zijn wanneer de vrouw ten gevolge van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is het kind het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat het nodig heeft. Het enkele feit dat het kind (enige) weerslag zou ondervinden van de inbreuk die de erkenning maakt op zijn gezinsleven met de vrouw, kan niet worden aanvaard als schade aan zijn belangen.

2.6.3.4. In het onderhavige geval overweegt de rechtbank dat zij zich nu, maar ook nadat de man duidelijkheid over zijn nationaliteit en identiteit zal hebben verschaft, nog onvoldoende geïnformeerd acht om een verantwoorde belangenafweging te kunnen maken.

Zij zal daarom gebruik maken van het aanbod van de Raad om een onderzoek te verrichten of al dan niet onder de huidige omstandigheden - met discussie over de nationaliteit en identiteit van de man - erkenning in strijd is met voormelde belangen van [de minderjarige] .

De rechtbank ziet aanleiding de zaak - ondanks de spanningen bij de vrouw, in verband met de bewijsopdracht aan de man - langer dan de gebruikelijke termijn van drie maanden aan te houden zodat de Raad in zijn onderzoek rekening kan houden met hetgeen partijen en de bijzondere curator over en weer nog zullen aanvoeren.

2.6.4.

De bevoegdheid van de Nederlandse rechter met betrekking tot het gezag, de zorgregeling en de informatieplicht

Op grond van artikel 8 van Brussel II bis (Verordening (EG) Nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000) is de Nederlandse rechter bevoegd, nu de minderjarige zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

2.6.4.

Toepasselijk recht op het gezag, de zorgregeling en de informatieplicht

Het toepasselijk recht wordt - voor wat het gezag, de zorgregeling en informatieplicht betreft - geregeld in het Haags Kinderbeschermingsverdrag (Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, ’s-Gravenhage,

19 oktober 1996, Trb. 197, 299 ‘Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996’).

Artikel 15 bepaalt dat het Nederlands recht van toepassing is, zijnde het recht van de gewone verblijfplaats van het kind. Uit artikel 16 volgt dat, ook als er volgens het Nigeriaans recht na erkenning automatisch gezag volgt voor de erkenner, dit naar Nederlands recht niet wordt erkend. Dit wordt dan bepaald door het Nederlandse recht.

2.6.5.

Beoordeling door de rechtbank van het gezag, de zorgregeling en de informatieplicht

Gelet op alle onduidelijkheden zal de rechtbank de Raad eveneens belasten met een onderzoek naar het gezag, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken/omgangsregeling en de informatieplicht, met het verzoek de rechtbank te informeren en te adviseren.

De rechtbank zal de Raad verzoeken om - indien hij dit mogelijk en in het belang van [de minderjarige] acht -zo spoedig mogelijk te starten met proefcontacten omdat [de minderjarige] de man nu al geruime tijd niet heeft gezien.

Beslissing

De rechtbank:

verwijst de zaak naar de zitting van 18 augustus 2016, voor een pro forma behandeling;

draagt de man op binnen twee maanden na deze beschikking - met afschrift aan de Raad -

- aanvullende bewijs te leveren met betrekking tot zijn afstamming en nationaliteit, onder meer door het overleggen van een door de Nederlandse ambassade in Lagos, Nigeria gelegaliseerde geboorteakte of uittreksel uit het register van de Nigeriaanse Burgerlijke stand, waarbij de man dient aan te geven wat (volgens hem) de betekenis van het document is;

- informatie te verschaffen of de Common Law van Nigeria, dan wel het recht van een ander land, dan wel het recht van zijn stam op de erkenning door de man moet worden toegepast en wat dat recht bepaalt met betrekking tot de erkenning indien de vrouw zich tegen erkenning verzet alsmede binnen welke termijn hij erkenning kan verzoeken;

- of vaststelling van de familierechtelijke band tussen de man en [de minderjarige] (naar Nigeriaans dan wel Nederlands recht) meebrengt dat de man a) naar Nigeriaans recht van rechtswege het gezag over [de minderjarige] krijgt, b) dat de man zonder toestemming van de vrouw met [de minderjarige] kan inreizen dan wel c) dat hij voor [de minderjarige] een Nigeriaans paspoort kan aanvragen;

stelt de vrouw en de bijzondere curator in de gelegenheid daar schriftelijk op te reageren, met afschrift naar de Raad;

stelt de stukken in handen van de Raad voor de kinderbescherming, Regio Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, met het verzoek - met inachtneming van hetgeen hiervoor met betrekking tot de internationale aspecten is overwogen - een onderzoek in te stellen of naar zijn oordeel het verlenen van vervangende toestemming voor erkenning dient te worden verleend en of

gezamenlijk gezag en het opleggen van een zorgregeling dan wel een informatieplicht in het belang is van [de minderjarige] en de rechtbank dienaangaande uiterlijk drie weken voor voormelde zitting te rapporteren wat zijn conclusies zijn en alsdan te adviseren, althans te berichten over de voortgang van het onderzoek;

met verzoek aan de Raad om indien mogelijk en wenselijk, zo spoedig mogelijk te starten met (begeleide) proefcontacten tussen [de minderjarige] en de man;

bepaalt dat alle betrokkenen de rechtbank uiterlijk op voormelde zittingsdatum schriftelijk dienen te laten weten of voortgezette mondelinge behandeling dient plaats te vinden of dat de zaak op de stukken kan worden afgedaan;

bepaalt voorts dat, wanneer niet tenminste één van partijen de bovenbedoelde schriftelijke mededeling tijdig zal hebben gedaan, de rechtbank naar bevind van zaken zal handelen waarbij uitgangspunt is dat de zaak - zo mogelijk - op de stukken zal worden afgedaan, zonder nadere mondelinge behandeling, met bepaling voorts dat in geval van aanhouding tot een nadere pro forma behandeling de hierboven geformuleerde opdracht als herhaald dient te worden beschouwd;

houdt iedere verdere beslissing over de erkenning, het gezag, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, en de informatieplicht aan.

Deze beschikking is gegeven te Leeuwarden door mr. F. van der Meulen, rechter, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag 23 maart 2016 in tegenwoordigheid van de griffier.

(fn: 20)


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature