< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Persoonsgebonden aftrek, aftrek onderhoudskosten monumentenpand.

Uitspraak



Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 19/1254

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juni 2022 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Grippeling),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.

19/1254

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 92.955 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.429. Gelijktijdig is bij beschikking een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 3.095 en een verzuimboete van € 369 opgelegd.

Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag en de beschikkingen gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben voor de zitting nadere stukken ingediend. Deze zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2020 te Haarlem.

Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en partijen in de gelegenheid gesteld in overleg te treden, nadat eiseres eerst nadere informatie heeft overgelegd aan verweerder. Om die reden is het onderzoek ter zitting geschorst. Het proces-verbaal van de zitting is aan partijen verzonden.

Eiseres heeft de nadere informatie overgelegd, waarna partijen in overleg zijn getreden. Omdat partijen geen overeenstemming hebben bereikt is op 30 juni 2021 het onderzoek ter zitting hervat. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde, vergezeld door

[A] , architect en tevens familielid van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde [inspecteur 1] . De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is gehuwd met de heer [B] (partner). Eiseres en haar partner zijn eigenaar van de woning [a] te [Z] , welke woning bestemd is als eigen woning van eiseres en haar partner.

2. Blijkens de Basisadministratie Persoonsgegevens is in het tijdvak 17 april 2015 tot 23 mei 2016 het verplichte toezendadres van eiseres [b] te [c] . In het tijdvak 23 mei 2016 tot 7 november 2018 is het verplichte toezendadres van eiseres [d] te [e] .

3. Verweerder heeft met dagtekening 15 januari 2015 een voorlopige aanslag ib/pvv 2015 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 100.000.

4. Op 4 juli 2015 heeft eiseres verzocht om wijziging van haar voorlopige aanslag ib/pvv 2015, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 0.

5. Verweerder heeft, met dagtekening 15 augustus 2015, een nieuwe voorlopige aanslag opgelegd, conform het ingediende verzoek.

6. Verweerder heeft bij brief van 23 september 2016 eiseres een herinnering gestuurd voor het indienen van de aangifte ib/pvv 2015. Hierin is vermeld dat de aangifte ib/pvv 2015 uiterlijk op 7 oktober 2016 moet zijn ingediend. Eiseres heeft hier niet op gereageerd.

7. Verweerder heeft bij brief van 4 november 2016 eiseres een aanmaning gestuurd voor het indienen van de aangifte ib/pvv 2015. Hierin is vermeld dat de aangifte ib/pvv 2015 uiterlijk op 18 november 2016 moet zijn ingediend. Eiseres heeft hier niet op gereageerd.

8. Eiseres heeft op 3 januari 2018 alsnog de aangifte ib/pvv 2015 ingediend, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 77.244. In totaal hebben eiseres en haar partner € 256.000 als onderhoudskosten rijksmonumentenpanden in aftrek gebracht, waarvan € 62.208 in de aangifte van eiseres is opgenomen.

9. Verweerder heeft met dagtekening 6 januari 2018 de aanslag ib/pvv 2015 ambtshalve opgelegd, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 92.955 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.429 (verzamelinkomen € 96.384). Gelijktijdig is bij beschikking een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 3.095 en een verzuimboete van € 369 opgelegd.

10. Verweerder heeft de aangifte ib/pvv 2015, ingediend op 3 januari 2018, aangemerkt als een bezwaarschrift.

11. Verweerder heeft eiseres bij brief met dagtekening 26 maart 2018 verzocht om nadere informatie te overleggen ter onderbouwing van de in aftrek gebrachte onderhoudskosten rijksmonumentenpanden. Eiseres heeft hier niet op gereageerd.

11. Verweerder heeft bij brief met dagtekening 19 april 2018 eiseres een herinnering gestuurd voor het overleggen van de nadere informatie. Hierin is vermeld dat de gevraagde informatie vóór 3 mei 2018 moet zijn ontvangen door verweerder.

13. Verweerder heeft op 25 april 2018 een reactie van eiseres ontvangen, namelijk een bezwaarschrift. Verweerder heeft dit bezwaarschrift aangemerkt als een aanvulling op het al eerder ingediende bezwaarschrift van 3 januari 2018 (het aangiftebiljet ib/pvv 2015).

14. Verweerder heeft eiseres bij brief met dagtekening 16 juli 2018 geïnformeerd over zijn voornemen om het bezwaar af te wijzen. Hierop heeft verweerder op 18 juli 2018 een reactie van eiseres ontvangen. Tevens heeft eiseres stukken overgelegd ter onderbouwing van de in aftrek gebrachte onderhoudskosten rijksmonumentenpanden.

15. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 30 januari 2019 het bezwaar ongegrond verklaard.

16. Verweerder heeft in de onderhavige procedure nadere stukken ingediend, welke betrekking hebben op de aanslag ib/pvv 2015 van haar partner. De partner van eiseres heeft op 15 maart 2019 bezwaar gemaakt tegen de aan hem opgelegde aanslag ib/pvv 2015. Ook hier is in geschil de in aftrek gebrachte onderhoudskosten rijksmonumentenpanden. In de bezwaarprocedure van de partner van eiseres zijn meermaals stukken overgelegd ter onderbouwing van de in aftrek gebrachte onderhoudskosten rijksmonumentenpanden. Bij uitspraak op bezwaar met betrekking tot het bezwaar van de partner van eiseres, heeft verweerder dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Wel heeft verweerder ambtshalve de aanslag ib/pvv 2015 verminderd, omdat € 5.695 (75 percent van € 7.592) in aanmerking komt voor een aftrek voor onderhoudskosten rijksmonumentenpanden.

17. Dit in aanmerking genomen heeft verweerder zich vervolgens nader op het standpunt gesteld dat eiseres in aanmerking komt voor een aftrek voor onderhoudskosten rijksmonumentenpanden van € 1.898 (25 percent van € 7.593). Daarnaast heeft verweerder toen ook gesteld dat het belastbaar inkomen uit werk en woning nader vastgesteld dient te worden op € 77.244, ook in verband met het ‘saldo eigen woning’ dat ten onrechte niet in aftrek was toegelaten.

18. De rechtbank heeft op 18 december 2020 het onderzoek ter zitting geschorst om partijen de gelegenheid te bieden om in onderling overleg overeenstemming te kunnen bereiken. Partijen hebben over en weer gecorrespondeerd, maar zijn er in onderling overleg niet uitgekomen. Naar aanleiding van de correspondentie tussen partijen is op 30 juni 2022 het onderzoek ter zitting hervat. Eiseres heeft zich nader op het standpunt gesteld dat (in totaal) € 435.155 in aftrek gebracht kan worden aan onderhoudskosten voor rijksmonumentenpanden. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat enkel € 131.635 in aftrek gebracht kan worden aan onderhoudskosten voor rijksmonumentenpanden. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

Geschil 19.In geschil is tot welk bedrag eiseres de uitgaven voor monumentenpanden als bedoeld in artikel 6.31 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) in aftrek kan brengen in het jaar 2015. Tevens is in geschil of de verzuimboete van € 369 terecht is opgelegd.

20. Eiseres stelt dat zij recht heeft op een hogere aftrek van onderhoudskosten rijksmonumentenpanden. Volgens eiseres bedragen de totale (werkelijke) onderhoudskosten € 435.155, waarvan een vierde aan eiseres toebedeeld zou moeten worden. Volgens eiseres zijn onderhoudskosten uitgaven om het pand in bruikbare staat te onderhouden en verdere of blijvende achteruitgang te voorkomen. Als door dit onderhoud ook meer-werkzaamheden volgen, zijn die kosten ook aftrekbaar, voor zover het niet gaat om een verbetering. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag ib/pvv 2015.

21. De taxateur van verweerder heeft de door eiseres aangeleverde stukken beoordeeld en bekeken welke kosten volgens hem in aftrek gebracht kunnen worden. Dit heeft verweerder voor eiseres inzichtelijk gemaakt door per post aan te geven welke kosten hij wel in aftrek toelaatbaar acht en welke niet. Verweerder (en de taxateur) stelt (stellen) dat eiseres in aanmerking komt voor een bedrag van € 17.198 aan aftrek van onderhoudskosten rijksmonumentenpanden. In zoverre is het beroep gegrond. Volgens verweerder kan 80 percent van de onderhoudskosten rijksmonumentenpanden (€ 176.635) in aftrek gebracht worden. In 2014 heeft eiseres, dan wel haar partner al een bedrag van € 45.000 in aanmerking genomen, zodat voor 2015 nog een aftrek resteert van € 131.635. Eiseres had in de aangifte 25% van de kosten aan haar toebedeeld, zodat zij recht heeft op een aftrek van

€ 32.909. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij voor een hogere aftrek in aanmerking komt. Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van het belastbaar inkomen uit werk en woning tot een bedrag van € 60.046.

22. Tussen partijen is de ontvankelijkheid van het ingestelde bezwaar niet (langer) in geschil. Verweerder heeft de aangifte ib/pvv aangemerkt als bezwaarschrift en, ondanks dat dit prematuur is ingediend, is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:10 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat eiseres ontvankelijk is in haar bezwaar. De rechtbank ziet geen aanleiding om partijen hier niet in te volgen.

23. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Aftrek onderhoudskosten monumentenpand

24. Uitgaven voor monumentenpanden worden aangemerkt als persoonsgebonden aftrekposten. Ingevolge artikel 6.31, eerste lid, van de Wet IB 2001 worden, voor zover hier van belang, uitgaven met betrekking tot een als eigen woning aan te merken monumentenpand in aanmerking genomen tot 80% van de drukkende onderhoudskosten. Ingevolge het tweede lid van genoemd artikel wordt onder monumentenpand verstaan een pand dat is ingeschreven in een van de registers, bedoeld in artikel 6 of artikel 7 van de Monumentenwet 1988 . Ingevolge het derde lid worden als onderhoudskosten aangemerkt de kosten van werkzaamheden voor zover die ertoe hebben gestrekt het pand (zoals dat bij de aanvang van de werkzaamheden bestond) in bruikbare staat te herstellen of te houden. Tevens moeten de kosten in redelijkheid zijn gemaakt.

25. In het kader van de toepassing van artikel 6.31 van de Wet IB 2001 is voor een zelfstandige beoordeling of een onroerende zaak of een gedeelte daarvan moet worden aangemerkt als een monument geen ruimte. Slechts als vaststaat dat een onroerende zaak of een gedeelte daarvan als zelfstandige eenheid is ingeschreven in het rijksmonumentenregister, kunnen eventuele onderhoudskosten voor aftrek in aanmerking komen (vgl. gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 augustus 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:6780).

26. Kosten voor een verbetering van een monument zijn niet aftrekbaar. Van kosten voor een verbetering is sprake wanneer de werkzaamheden dienen om aan het gebouw, in vergelijking met de toestand waarin het zich bij de stichting of na latere verandering bevond, een wezenlijke verandering aan te brengen, waardoor het naar inrichting, aard of omvang een wijziging ondergaat (Hoge Raad 17 maart 1954, nr. 11 676, ECLI:NL:HR:1954:AY2422).

27. Huurderslasten komen evenmin voor aftrek in aanmerking. Tot laatstbedoelde categorie van kosten behoren de kosten die in huurverhoudingen door de huurder plegen te worden gedragen, zoals tuinonderhoud, behangen, binnenverf- en witwerk en kleinere reparaties (Hoge Raad 5 oktober 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3909).

28. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 5 oktober 1988, nr. 25613, ECLI:NL:HR:1988:ZC3909, het volgende overwogen:

“Een redelijke wetstoepassing brengt daarom mede dat slechts die categorie van onderhoudskosten in aftrek wordt toegelaten die van invloed is geweest op de berekening van de in artikel 42a, lid 1, onderdeel a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 [rechtbank: thans het eigenwoningforfait van artikel 3.112 van de Wet ] vermelde forfaitaire bedragen. Tot laatstbedoelde categorie van kosten behoren blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 42a niet ,,de kosten die in huurverhoudingen door de huurder plegen te worden gedragen, zoals tuinonderhoud, behangen, binnenverf- en witwerk en kleinere reparaties'' (Memorie van Antwoord Tweede Kamer zitting 1969-1970-10 790, nummer 8, bladzijde 25 rechter kolom)”

29. In het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 16 juni 2008 (nr. CPP2008/68M, Stcrt. 2008, 120) is het volgende, van belang zijnde, opgenomen:

“3.1. Uitgaven voor binnenschilderwerk

Uitgaven voor binnenschilderwerk kunnen worden aangemerkt als uitgaven voor monumentenpanden voor:

- schilderwerk dat samenhangt met andere onderhoudswerkzaamheden die tot aftrek leiden, bijvoorbeeld bij lekkages, optrekkend vocht, vervanging van ramen, leidingen;

- schilderwerk van bijzondere monumentale onderdelen, dat zo arbeidsintensief is dat een huurder de hoge kosten daarvan niet meer voor zijn rekening zal willen nemen.”

30. De rechtbank stelt voorop dat eiseres, op wie hier de bewijslast rust omdat zij zich van een aftrekpost wil bedienen, bij betwisting aannemelijk moet maken dat zij recht heeft op (een hogere) aftrek van kosten.

Funderingskosten hoofdgebouw en funderings- en afbouwkosten aanbouw

31. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de funderingswerkzaamheden voor het hoofdgebouw als onderhoudskosten aangemerkt kunnen worden en daardoor in aftrek gebracht kunnen worden. De kosten voor de fundering van de aanbouw (€ 38.693) en de kosten voor de afbouw van de aanbouw (€ 64.531) zijn wel nog in geschil.

32. Volgens eiseres kan de aangebrachte fundering van de aanbouw niet los worden gezien van de opnieuw geplaatste fundering bij het hoofdgebouw. Als dit niet direct was gebeurd dan kunnen er volgens eiseres verzakkingen en breuken in de toekomst ontstaan, alsook een (verder) wegzakkende ‘steegmuur’. Dat de aanbouw uiteindelijk een andere indeling heeft gekregen staat de aftrek van de kosten niet in de weg. Doordat de aanbouw is ingekort, is er een ramenpartij (bij)gekomen, wat gunstig is voor de buren. Volgens eiseres heeft de vorige bewoner dit om onbekende redenen dichtgemaakt, terwijl die bij de stichting van het pand open was. Verder is er aan de achterkant van de aanbouw een kleine patio ontstaan en is de bestaande patio gedeeltelijk verdwenen. Ook de kosten voor de afbouwwerkzaamheden van de aanbouw zijn allemaal aftrekbaar. Immers zijn deze kosten gemaakt als gevolg van de werkzaamheden aan het hoofdgebouw (met de rijksmonumentenstatus).

Het door verweerder ingenomen standpunt dat de kosten niet aftrekbaar zijn, omdat de aanbouw geen monumentenpand is, wordt door eiseres betwist. Ook aanhorigheden kunnen bij het monumentenpand (het hoofdgebouw) behoren.

33. Verweerder heeft gesteld dat de aanbouw geen monumentenpand is, omdat dit niet is ingeschreven in het Monumentenregister. Hierdoor kunnen alle kosten (zowel de funderings- als afbouwkosten van de aanbouw) niet in aftrek gebracht worden. Uit de stukken van de taxateur volgt dat het een apart (losstaand) gebouw is en dus los staat van het hoofdgebouw (met de rijksmonumentenstatus).

Verder stelt verweerder dat, indien de aanbouw wel de status van rijksmonument zou hebben, dan nog de kosten niet in aftrek kunnen worden gebracht. Eiseres heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat de kosten van de aanbouw betrekking hebben op het onderhoud van een monumentenpand. De door eiseres ingediende aanvraag omgevingsvergunning spreekt van het ‘vervangen van de aanbouw’, waarbij een andere vorm wordt gekozen dan aanwezig is. Op de door eiseres verstrekte foto’s is te zien dat na deze aanvraag, de nieuwe aanbouw (weer) een andere vorm heeft gekregen. De aanbouw is volgens de foto’s gebouwd over de volle breedte van het perceel en de daklichten hebben een andere vorm en locatie gekregen. Volgens verweerder volgt ook niet uit de door eiseres verstrekte foto’s dat de bestaande uitbouw in een zodanige staat verkeerde dat deze geheel vervangen moest worden en het ook noodzakelijk was om daarbij voor de uiteindelijke (nieuwe) indeling te kiezen. Of (normaal) onderhoud aan de aanbouw wel noodzakelijk was, blijkt niet uit de foto’s of enig ander stuk dat door eiseres is overgelegd.

34. In het rijksmonumentenregister (register) is het hoofdgebouw op 1 juli 1970 onder monumentnummer 3209 ingeschreven als rijksmonument. Uit het register volgt niet dat de aanbouw (later) ook deze rijksmonumentenstatus heeft verkregen, dan wel dat de aanbouw onder de rijksmonumentenstatus van het hoofdgebouw valt. Aangezien eiseres haar stelling, dat de aanbouw een rijksmonumentenstatus heeft, niet verder (met bijvoorbeeld stukken) heeft onderbouwd, verweerder de stelling van eiseres gemotiveerd heeft betwist en uit het register ook niet volgt dat de aanbouw een rijksmonumentenstatus heeft of onder de rijksmonumentenstatus van het hoofdgebouw valt, omdat het als onzelfstandig onderdeel met het hoofdgebouw is verbonden, komt de rechterbank tot haar oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de aanbouw een monumentenpand is. De gemaakte kosten zien niet op een rijksmonument en zijn dan ook niet aftrekbaar.

35. Of de gemaakte kosten voor de aanbouw als onderhoudskosten aangemerkt kunnen worden behoeft geen behandeling, nu de rechtbank het niet aannemelijk acht dat de aanbouw een monumentenpand is.

Afbouwkosten hoofdgebouw – souterrain en beletage

36. Eiseres heeft de volgens haar aftrekbare kosten per verdieping van het hoofdgebouw uitgesplitst. Voor het souterrain en de beletage van het hoofdgebouw heeft eiseres in totaal € 50.331 aan kosten in aftrek gebracht, welke volgens eiseres betrekking hebben op (voornamelijk) het nodige onderhoud (€ 33.071). Verder heeft eiseres de volgende kosten afgetrokken voor:

- het slopen en aanhelen (het aanvullen of uitbreiden van een bestaande afwerking na de beschadigingen van de renovatie) van het plafond (€ 340);

- het aanpassen van de entree aan de achterzijde van het hoofdhuis (€ 800);

- het opheffen van niveauverschillen (€ 3.000);

- het pleisterwerk van de wanden en de reparaties aan de wanden (€ 2.600);

- het leggen van een dekvloer, laminaat en het aanhelen ervan (€ 2.400);

- de afwerking van het plafond en de reparaties aan het plafond (€ 2.000);

- het schilderwerk (€ 4.370), en

- de diverse timmerwerkzaamheden (€ 1.750).

Bovenstaande kosten zijn volgens eiseres gemaakt voor het totale onderhoud van het souterrain en de beletage. Verder zijn, naast kosten voor het (normale) onderhoud, ook kosten gemaakt ten gevolge van het onderhoud (vervolgonderhoudskosten). Ook deze vervolgonderhoudskosten komen volgens eiseres voor aftrek in aanmerking. De kosten aan het plafond en de draagbalken zijn volgens eiseres uitgevoerd vanwege onderhoud. De balken hingen door, waardoor het (verlaagde) plafond weggehaald moest worden, zodat de balken beoordeeld konden worden op hun functionele staat. Uiteindelijk is een aantal balken verstevigd en geverfd. De kosten die zijn gemaakt ter zake van de wanden (zoals de reparaties en het pleisterwerk) en het schilderwerk zijn volgens eiseres vervolgonderhoudskosten en ten minste voor 90 percent aftrekbaar.

37. Van de kosten die eiseres voor het souterrain en de beletage in aftrek heeft gebracht heeft verweerder in totaal € 29.221 in aftrek toegelaten. Ter zake van de grootste aftrekpost (het nodige onderhoud aan het souterrain ad € 33.071) heeft verweerder € 27.571 in aftrek toegelaten. Het meerdere (€ 5.500) heeft verweerder in aftrek geweigerd. Uit het taxatierapport en de foto’s volgt dat er voor aanvang van de werkzaamheden geen keuken aanwezig was. De kosten die hiervoor zijn gemaakt (zoals de aftimmering van de keuken(kasten)), zijn dan ook kosten die zijn gemaakt ter verbetering en niet ter zake van onderhoud.

Verder heeft verweerder de kosten voor:

- het slopen en aanhelen van het plafond (€ 340) geheel in aftrek geweigerd, omdat niet aannemelijk is geworden dat onderhoud aan het plafond gepleegd moest worden;

- het aanpassen van de entree aan de achterzijde van het hoofdhuis (€ 800) geheel in aftrek geweigerd, omdat het een aanpassing is en geen onderhoud;

- het opheffen van niveauverschillen (€ 3.000) geheel in aftrek geweigerd, omdat het opheffen van niveauverschillen geen onderhoud is, maar extra comfort biedt;

- het pleisterwerk van de wanden en de reparaties aan de wanden (€ 2.600) € 650 in aftrek toegelaten. Volgens verweerder is niet aannemelijk gemaakt dat grootschalig onderhoud nodig was, maar verweerder geeft eiseres het voordeel van de twijfel en merkt 25 percent van de kosten aan als onderhoudskosten. Wel blijkt namelijk uit de foto’s dat de muren kaal zijn, er een scheur in de muur is ontstaan door (waarschijnlijk) de onderhoudswerkzaamheden en er een nieuwe elektra-installatie geplaatst moest worden, waarbij de leidingen in de muren worden gefreesd;

- het leggen van een dekvloer, laminaat en het aanhelen ervan (€ 2.400) geheel in aftrek geweigerd. De kosten met betrekking tot de vloer zien, onder andere, op het opheffen van niveauverschillen wat comfort biedt, maar niet aangemerkt kan worden als onderhoudskosten. De kosten voor het leggen van een laminaatvloer is een huurderslast en komt daarom niet voor aftrek in aanmerking;

- de afwerking van het plafond en de reparaties aan het plafond (€ 2.000) is voor € 500 in aftrek toegelaten, omdat niet aannemelijk is geworden dat onderhoud aan het plafond gepleegd moest worden. Wel heeft verweerder een deel van de kosten in aftrek toegelaten, vanwege de nieuwe te installeren elektra-installatie en de werkzaamheden die daarvoor verricht moeten worden aan het plafond;

- het schilderwerk (€ 4.370) is voor € 500 in aftrek toegelaten. Binnenschilderwerk is een huurderslast en daarom niet aftrekbaar. Voor het sauswerk ten behoeve van het plafond heeft verweerder dus € 500 in aftrek toegelaten, aangezien dit volgens hem vervolgkosten van het onderhoud zijn, en

- de diverse timmerwerkzaamheden (€ 1.750) zijn geheel in aftrek geweigerd, aangezien niet aannemelijk is geworden dat deze betrekking hebben op het onderhoud van het souterrain. Volgens verweerder hebben de werkzaamheden voornamelijk betrekking op het installeren van de nieuwe elektra-installatie en is het gedeelte dat wel aftrekbaar ter zake hiervan onder die kostenposten in aftrek toegelaten. Eiseres heeft dus geen recht op een hogere aftrekpost dan volgt uit de in aftrek toegelaten kosten bij de daarbij behorende kostenpost met betrekking tot de installatie van de nieuwe elektrische installatie.

38. Naar het oordeel van de rechtbank is door eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij recht heeft op een hogere aftrek dan door verweerder is berekend op € 29.221.

Dat onderhoud nodig was voor het souterrain en de beletage is niet in geschil. Verweerder heeft daarvoor ook € 27.571 in aftrek toegelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht het meerdere in aftrek geweigerd, omdat de keuken die zich (nu) in het souterrain bevindt, voorafgaand aan de werkzaamheden (nog) niet aanwezig was. De keuken kan dan ook niet anders worden gezien dan als een verbetering van het souterrain (en de beletage). De hiermee verband houdende kosten zijn dan ook geen aftrekbare onderhoudskosten, zoals volgt uit artikel 6.31 van de Wet IB 2001 .

Ditzelfde geldt voor de aanpassing van de entree aan de achterkant van het souterrain en het opheffen van de niveauverschillen. Ook ter zake van deze kosten is de rechtbank van oordeel dat het verbeteringskosten betreffen en onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat deze kosten ter onderhoud van het souterrain en de beletage zijn gemaakt.

Verder heeft eiseres tweemaal een kostenpost opgenomen met betrekking tot het plafond.

Het slopen en ophemelen van het plafond is, gelet op de gemotiveerde betwisting van verweerder, aan te merken als een verbetering. Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd dat het slopen en ophemelen van het plafond onderhoud betrof. Dat enig onderhoud aan het plafond nodig was, zoals bijvoorbeeld het verstevigen van de balken, is ook niet door verweerder betwist. De kosten die gemaakt zijn ter vervanging van de balken van het plafond heeft verweerder in aftrek toegelaten onder de daartoe behorende kostenposten (zie punt 40). Dat eiseres recht heeft op een hogere aftrek dan verweerder heeft toegekend, volgt de rechtbank niet. Wat betreft het ophemelen van het plafond is de rechtbank van oordeel dat dit een verbetering van het souterrain en de beletage met zich mee brengt en in casu geen betrekking heeft op onderhoudswerkzaamheden.

Wat betreft de tweede opgevoerde kostenpost ter zake van het plafond, is ook weer niet door verweerder betwist dat in zijn geheel geen onderhoudskosten zijn gemaakt, aangezien hij € 500 voor de reparaties aan en de afwerking van het plafond in aftrek heeft toegelaten. Immers zijn er vervolgonderhoudskosten gemaakt aan het plafond door de installatie van de nieuwe elektrische installatie. Dat verweerder een hogere aftrek hiervoor had moeten verlenen, omdat de onderhoudskosten hoger lagen (en geen sprake was van een verbetering), is onvoldoende aannemelijk gemaakt door eiseres.

Ter zake van het pleisterwerk van en de reparaties aan de wanden is door verweerder € 650 in aftrek toegelaten. Dat enig onderhoud aan de wanden nodig was, zoals het dichten van scheuren, is ook nu weer niet door verweerder bestreden, aangezien hij € 650 in aftrek heeft toegelaten. Dat eiseres recht heeft op een hogere aftrek, omdat de onderhoudskosten hoger lagen en deze kosten geen kosten ter verbetering betreffen, zoals verweerder (gemotiveerd) heeft gesteld, is onvoldoende aannemelijk gemaakt door eiseres.

De kosten voor het leggen van een dekvloer, laminaat en het aanhelen zijn volgens eiseres noodzakelijk geweest om de vloer in de oude staat te herstellen. Verweerder betwist dit en heeft gesteld dat het leggen van de dekvloer betrekking heeft op het opheffen van niveauverschillen, hetgeen niet door eiseres is weersproken. Gelet hierop, komt de rechtbank tot haar oordeel dat, zoals hierboven al reeds is overwogen, het opheffen van niveauverschillen als verbetering aangemerkt dient te worden en in zoverre dan ook geen sprake is van onderhoudskosten. Voor het leggen van de laminaatvloer stelt de rechtbank voorop dat dit in beginsel kosten zijn die in huurverhoudingen door de huurder plegen te worden gedragen. Dat eiseres met het leggen van een nieuwe laminaatvloer de vloer in de oude staat heeft hersteld, is volgens de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat het leggen van de nieuwe laminaatvloer in deze situatie geen onderhoudskosten zijn, maar aangemerkt dienen te worden als een huurderslast.

Voor het binnenschilderwerk heeft verweerder € 500 in aftrek toegelaten. In beginsel in binnenschilderwerk een huurderslast en dus niet aftrekbaar, tenzij dit schilderwerk samenhangt met de onderhoudswerkzaamheden van het pand. Tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij recht heeft op een hogere aftrek, omdat sprake zou zijn van (meer) onderhoudswerkzaamheden, waardoor deze kosten niet tot een huurderlast gerekend hoeven te worden.

Tot slot de diverse timmerwerkzaamheden in het souterrain en de beletage. Met betrekking tot deze kosten is het ook voor de rechtbank onvoldoende duidelijk geworden dat de kosten van het timmerwerk betrekking hebben op het onderhoud aan het souterrain en de beletage. De uitleg van eiseres over de timmerwerkzaamheden, namelijk dat het vervolgwerkzaamheden betreffen ter zake van het onderhoud, is te algemeen en onvoldoende gelet op de gemotiveerde betwisting van verweerder. Dat timmerwerkzaamheden hebben plaatsgevonden in het souterrain en de beletage voor de installatie van de elektrische installatie, wordt niet door verweerder betwist, aangezien hij deze kosten in aftrek heeft toegelaten onder die desbetreffende post.

Afbouwkosten hoofdgebouw – eerste etage

39. Voor de eerste etage van het hoofdgebouw heeft eiseres in totaal € 16.415 aan kosten in aftrek gebracht. Eiseres heeft de volgende kosten afgetrokken voor:

- diverse sloopwerkzaamheden (€ 370);

- het plaatsen van metal studwanden (€ 1.275);

- het pleisterwerk van en de reparaties aan de wanden (€ 2.150);

- het afwerken van en de reparatie aan het plafond (€ 1.000);

- de egalisatie van de vloer (€ 250);

- de vervanging van de balken van het plafond (van het souterrain en de beletage) en een gedeelte van de vloer (€ 2.500);

- het leggen van een laminaatvloer (€ 2.500);

- schilderwerkzaamheden (€ 4.370), en

- diverse timmerwerkzaamheden (€ 2.000).

Ook deze kosten zijn volgens eiseres gemaakt voor het (normale) onderhoud als ook voor het vervolgonderhoud (zie punt 36).

40. Van de kosten die eiseres voor de eerste etage in aftrek heeft gebracht heeft verweerder in totaal € 3.750 in aftrek toegelaten.

Verweerder heeft de kosten voor:

- de diverse sloopwerkzaamheden (€ 370) geheel in aftrek geweigerd, omdat de kosten zien op het aanbrengen van veranderingen aan de eerste etage en eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit onderhoudskosten betreffen;

- het plaatsen van metal studwanden (€ 1.275) geheel in aftrek geweigerd, omdat niet duidelijk is geworden waarom er nieuwe metal studwanden gezet moesten worden. Het zijn dan ook geen onderhoudskosten, maar kosten ter verbetering en dus niet aftrekbaar;

- het pleisterwerk van en de reparaties aan de wanden (€ 2.150) is tot een bedrag van € 500 in aftrek toegelaten, vanwege de nieuw te plaatsen elektra-installatie. Voor het meerdere is door eiseres niet aannemelijk gemaakt dat dit onderhoudskosten zijn;

- het afwerken van en de reparatie aan het plafond (€ 1.000), is geheel in aftrek geweigerd, omdat niet aannemelijk is geworden dat onderhoud aan het plafond gepleegd moest worden;

- de egalisatie van de vloer (€ 250) is geheel in aftrek geweigerd, omdat de kosten gemaakt zijn ter comfort en niet voor het plegen van onderhoud;

- de vervanging van de balken van het plafond (van de eerste etage) en een gedeelte van de vloer (€ 2.500) is geheel in aftrek toegelaten;

- het leggen van een (eiken) laminaatvloer (€ 2.500) is geheel in aftrek geweigerd, omdat dit een huurderslast is en daarom dus niet voor aftrek in aanmerking komt;

- schilderwerkzaamheden (€ 4.370) is voor € 500 in aftrek toegelaten. Binnenschilderwerk is een huurderslast en daarom niet aftrekbaar. Voor het sauswerk ten behoeve van het plafond en de muren heeft verweerder dus € 500 in aftrek toegelaten, aangezien dit volgens hem vervolgkosten van het onderhoud zijn, en

- diverse timmerwerkzaamheden (€ 2.000) zijn geheel in aftrek geweigerd, aangezien niet aannemelijk is geworden dat deze betrekking hebben op het onderhoud van de eerste etage. Volgens verweerder hebben de werkzaamheden voornamelijk betrekking op het installeren van de nieuwe elektra-installatie en is het gedeelte dat wel aftrekbaar ter zake hiervan onder die kostenposten in aftrek toegelaten. Eiseres heeft dus geen recht op een hogere aftrekpost dan volgt uit de in aftrek toegelaten kosten bij de daarbij behorende kostenpost met betrekking tot de installatie van de nieuwe elektrische installatie.

41. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres recht op een hogere aftrek dan door verweerder is berekend op € 3.750, namelijk € 4.288 (€ 3.750 + € 38 + € 500). De rechtbank concludeert dat verweerder een te laag bedrag in aftrek heeft toegelaten ter zake van het pleisterwerk van en de reparaties aan de wanden en voor het afwerken van en de reparatie aan het plafond. Wat betreft de werkzaamheden die zijn verricht aan de wanden, heeft verweerder beargumenteerd dat 25 percent van de kostenpost ziet op onderhoudskosten en derhalve voor aftrek in aanmerking komen. 25 percent van € 2.150 is (afgerond) € 538. Verweerder heeft ‘slechts’ € 500 in aftrek toegelaten, waardoor eiseres recht heeft op een hogere aftrek ten bedrage van € 38. Voor het afwerken van en de reparatie aan het plafond is naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte geen aftrek verleend. De rechtbank acht het aannemelijk dat ook voor het plafond op de eerste verdieping vervolgwerkzaamheden zijn uitgevoerd in verband met de installatie van de nieuwe elektrische installatie. De rechtbank komt tot de conclusie dat eiseres hiervoor recht heeft op een aftrek van € 500. Dat eiseres recht heeft op een hogere aftrek, is onvoldoende door haar aannemelijk gemaakt.

Voor wat betreft de andere kostenposten, welke door verweerder niet dan wel gedeeltelijk in aftrek zijn toegelaten, heeft eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat recht bestaat op een hogere aftrek.

Dat diverse sloopwerkzaamheden hebben plaatsgevonden is zonneklaar, maar dat deze sloopwerkzaamheden zien op het onderhoud van de eerste etage en niet op het aanbrengen van verbeteringen is door eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt. De aftrek is dan ook terecht door verweerder geweigerd. Ditzelfde geldt voor de kosten voor het plaatsen van metal studwanden. Ook deze kosten zijn door eiseres niet voldoende onderbouwd, nadat verweerder deze gemotiveerd heeft betwist. Voor de kostenposten met betrekking tot de egalisatie van de vloer, schilderwerkzaamheden, het leggen van een (eiken) laminaatvloer en diverse timmerwerkzaamheden verwijst de rechtbank naar hetgeen zij heeft geoordeeld ter zake van het souterrain en beletage (zie punt 38).

Afbouwkosten hoofdgebouw – tweede etage

42. Voor de tweede etage van het hoofdgebouw heeft eiseres in totaal € 9.200 aan kosten in aftrek gebracht. Eiseres heeft de volgende kosten afgetrokken voor:

- diverse sloopwerkzaamheden (€ 150);

- het pleisterwerk van en de reparaties aan de wanden (€ 2.350);

- het afwerken van en de reparatie aan het plafond (€ 1.900);

- de egalisatie van de vloer (€ 150);

- schilderwerkzaamheden (€ 3.900), en

- diverse timmerwerkzaamheden (€ 750).

Ook deze kosten zijn volgens eiseres gemaakt voor het (normale) onderhoud als ook voor het vervolgonderhoud (zie punt 36).

43. Van de kosten die eiseres voor de tweede etage in aftrek heeft gebracht heeft verweerder in totaal € 1.563 in aftrek toegelaten.

Verweerder heeft de kosten voor:

- de diverse sloopwerkzaamheden (€ 150) geheel in aftrek geweigerd, omdat de kosten zien op het aanbrengen van veranderingen aan de tweede etage en eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit onderhoudskosten betreffen;

- het pleisterwerk van en de reparaties aan de wanden (€ 2.350) is voor € 588 in aftrek toegelaten, vanwege de nieuw te plaatsen elektra-installatie. Voor het meerdere is door eiseres niet aannemelijk gemaakt dat dit onderhoudskosten zijn;

- het afwerken van en de reparatie aan het plafond (€ 1.900) is € 475 in aftrek toegelaten, vanwege de nieuw te plaatsen elektra-installatie. Voor het meerdere is door eiseres niet aannemelijk gemaakt dat dit onderhoudskosten zijn;

- de egalisatie van de vloer (€ 150) is geheel in aftrek geweigerd, omdat de kosten gemaakt zijn ter comfort en niet voor het plegen van onderhoud;

- schilderwerkzaamheden (€ 4.370) zijn voor € 500 in aftrek toegelaten. Binnenschilderwerk is een huurderslast en daarom niet aftrekbaar. Voor het sauswerk ten behoeve van het plafond en de muren heeft verweerder dus € 500 in aftrek toegelaten, aangezien dit volgens hem vervolgkosten van het onderhoud zijn, en

- diverse timmerwerkzaamheden (€ 750) zijn geheel in aftrek geweigerd, aangezien niet aannemelijk is geworden dat deze betrekking hebben op het onderhoud van de tweede etage. Volgens verweerder hebben de werkzaamheden voornamelijk betrekking op het installeren van de nieuwe elektrische installatie en is het gedeelte dat wel aftrekbaar ter zake hiervan onder die kostenposten in aftrek toegelaten. Eiseres heeft dus geen recht op een hogere aftrekpost dan volgt uit de in aftrek toegelaten kosten bij de daarbij behorende kostenpost met betrekking tot de installatie van de nieuwe elektrische installatie.

44. Naar het oordeel van de rechtbank is door eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij recht heeft op een hogere aftrek dan door verweerder is berekend op € 1.563. Voor de kostenposten met betrekking tot de egalisatie van de vloer, schilderwerkzaamheden en de diverse timmerwerkzaamheden verwijst de rechtbank naar hetgeen zij heeft geoordeeld ter zake van het souterrain en beletage (zie punt 38). Ter zake van de diverse sloopwerkzaamheden verwijst de rechtbank naar haar oordeel over de diverse sloopwerkzaamheden voor de eerste verdieping (zie punt 41). Ter zake van het pleisterwerk van en de reparaties aan de wanden is door verweerder € 588 in aftrek toegelaten. Dat enig onderhoud aan de wanden nodig was is ook niet door verweerder bestreden, aangezien hij € 588 in aftrek heeft toegelaten. Dat eiseres recht heeft op een hogere aftrek, omdat ook voor het meerdere sprake is van onderhoudskosten is de rechtbank niet duidelijk geworden. De kosten voor het afwerken van en de reparatie aan het plafond die als onderhoudskosten aangemerkt kunnen worden, zijn volgens de rechtbank terecht door verweerder op € 475 vastgesteld. Ook deze kosten zijn door verweerder toegelaten, omdat vervolgonderhoudskosten zijn gemaakt aan het plafond voor de installatie van de nieuwe elektrische installatie. Dat verweerder een hogere aftrek hiervoor had moeten verlenen, omdat de onderhoudskosten hoger lagen (en geen sprake was van een verbetering), is onvoldoende aannemelijk gemaakt door eiseres.

Afbouwkosten hoofdgebouw – zolder

45. Voor de zolder van het hoofdgebouw heeft eiseres in totaal € 600 aan kosten in aftrek gebracht. Eiseres heeft de volgende kosten afgetrokken voor:

- wandafwerking (€ 200);

- de egalisatie van de vloer (€ 150), en

- schilderwerkzaamheden (€ 250).

Ook deze kosten zijn volgens eiseres gemaakt voor het (normale) onderhoud als ook voor het vervolgonderhoud (zie punt 36).

46. Van de kosten die eiseres voor de zolder in aftrek heeft gebracht is door verweerder niets in aftrek toegelaten. Verweerder heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit onderhoudskosten betreffen. Dit, omdat aan de wanden (wandafwerking) geen reparaties zijn uitgevoerd, de egalisatie van een vloer is uitgevoerd ter comfort en het binnenschilderwerk een huurderslast is.

47. Naar het oordeel van de rechtbank is door eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij recht heeft op een hogere aftrek dan door verweerder is berekend op € 0. Voor de kostenposten met betrekking tot de egalisatie van de vloer en de schilderwerkzaamheden verwijst de rechtbank naar hetgeen zij heeft geoordeeld ter zake van het souterrain en beletage (zie punt 38). Verweerder heeft ter zake van de kosten voor de wandafwerking gesteld dat dit een verbetering van de muur betreft en geen betrekking heeft op het onderhoud. De rechtbank volgt verweerder hierin, omdat eiseres, gelet op de gemotiveerde betwisting van verweerder, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het niet een verbetering van de wanden van de zolder betreft, maar dit als onderhoud aangemerkt moet worden.

Afbouwkosten hoofdgebouw – installaties

48. Voor de installaties van het hoofdgebouw heeft eiseres in totaal € 35.865 aan kosten in aftrek gebracht. Eiseres heeft de volgende kosten afgetrokken voor:

- de riolering (€ 1.775);

- een hemelwaterafvoer (h.w.a.) van de aanbouw (€ 615);

- de waterleiding (koud) (€ 2.410);

- de keukenpompriolering (€ 750);

- de aanpassingen leidingverloop (€ 750);

- de waterleiding (warm) (€ 1.790);

- de gasleiding (€ 1.250);

- de sanitaire aansluitingen en aanpassingen (€ 3.500);

- het aanpassen van de C.V.-installatie (€ 1.590);

- de vloerverwarming (€ 2.300);

- de afvoer van de open haard (dubbelwandig) (€ 900);

- het omkokeren en isoleren (€ 500);

- het vernieuwen van de elektrische installatie (€ 9.000), en

- het buitenwerk (€ 8.735).

Ook deze kosten zijn volgens eiseres gemaakt voor het (normale) onderhoud als ook voor het vervolgonderhoud (zie punt 36). Ter zake van de elektrische installatie merkt eiseres op dat deze volledig vervangen moest worden, omdat anders niet kon worden gebouwd. Ook moesten hierdoor de groepenkast en bijbehorende groepen volledig worden vervangen en zijn aanpassingen verricht, zodat de gehele installatie aan de NEN-norm voldoet.

49. Van de kosten die eiseres voor de installaties in aftrek heeft gebracht, heeft verweerder in totaal € 18.310 in aftrek toegelaten. Verweerder heeft de kosten voor:

- de riolering (€ 1.775) geheel in aftrek toegelaten;

- een hemelwaterafvoer (h.w.a.) van de aanbouw (€ 615) geheel in aftrek geweigerd, omdat de aanbouw geen monumentenpand is en eiseres overigens niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit onderhoudskosten betreffen. Volgens verweerder zijn dit kosten ten gevolge van vervanging;

- de waterleiding koud (€ 2.410) voor € 1.205 in aftrek toegelaten, omdat deze kosten zien op het aansluiten van de nieuwe wateraansluitingen op de bestaande aansluitingen. Het meerdere is volgens verweerder niet aftrekbaar, omdat dit ziet op de (aanleg van) de waterleiding voor de nieuwe keuken in het souterrain;

- de keukenpompriolering (€ 750) geheel in aftrek geweigerd, omdat deze kosten zien op de nieuwe keuken in het souterrain;

- de aanpassingen leidingverloop (€ 750) geheel in aftrek geweigerd, omdat deze kosten zien op de nieuwe keuken in het souterrain;

- de waterleiding warm (€ 1.790) voor € 895 in aftrek toegelaten, omdat de kosten het gevolg zijn van de vervanging van de fundering. Het meerdere is niet aftrekbaar, omdat deze kosten betrekking hebben op de nieuwe keuken in het souterrain;

- de gasleiding (€ 1.250) geheel in aftrek toegelaten;

- de sanitaire aansluitingen en aanpassingen (€ 3.500) voor € 500 in aftrek toegelaten, omdat het in zoverre onderhoud is, maar het meerdere betrekking heeft op veranderingen, niet zijnde onderhoud;

- het aanpassen van de C.V.-installatie (€ 1.590) voor € 500 in aftrek toegelaten, omdat de C.V.-installatie opnieuw aangesloten moest worden op het leidingnetwerk en er ook nieuwe radiotoren in het souterrain zijn geplaats, als gevolg van de onderhoudswerkzaamheden in het souterrain. Het meerdere is niet aftrekbaar, omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten zijn gemaakt in verband met onderhoud. Ook zijn kosten gemaakt voor de aanbouw, welke niet in aftrek gebracht kunnen worden, omdat het geen monumentenpand is;

- de vloerverwarming (€ 2.300) voor € 1.150 in aftrek toegelaten, Het meerdere is niet in aftrek toelaatbaar, aangezien dit betrekking heeft op de aangelegde vloerverwarming in de aanbouw;

- de afvoer van de open haard (dubbelwandig) (€ 900) geheel in aftrek toegelaten;

- het omkokeren en isoleren (€ 500) geheel in aftrek toegelaten;

- het vernieuwen van de elektrische installatie (€ 9.000) voor € 900 in aftrek toegelaten, omdat het gedeeltelijk betrekking heeft op het onderhoud van het souterrain. Het meerdere is aan te merken als verbeteringskosten. Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het (geheel) vernieuwen van de elektrische installatie noodzakelijk onderhoud was. In het taxatierapport is opgenomen dat er voldoende groepen en een aardlekschakelaar aanwezig waren en ook Monumentenwacht heeft evenmin opmerkingen gemaakt over de elektrische installatie. Van onderhoudskosten is dan ook geen sprake, en

- het buitenwerk (€ 8.735) geheel in aftrek toegelaten.

50. Naar het oordeel van de rechtbank is door eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij recht heeft op een hogere aftrek dan door verweerder is berekend op € 18.310. Voor de kostenposten met betrekking tot de h.w.a. van de aanbouw, de vloerverwarming en het aanpassen van de C.V.-installatie verwijst de rechtbank naar hetgeen zij heeft geoordeeld ter zake van de aanbouw (zie punt 34). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook terecht deze kosten (deels) in aftrek geweigerd. Ter aanvulling hierop overweegt de rechtbank ter zake van het aanpassen van de C.V.-installatie dat verweerder € 500 in aftrek heeft toegelaten, omdat deze kosten zagen op het onderhoud in het souterrain. Eiseres heeft voor het meerdere, naast dat dit deels ziet op de aanbouw, niet aannemelijk gemaakt dat dit onderhoudskosten zijn voor het hoofdgebouw. De kosten met betrekking tot de waterleiding koud en warm, de keukenpompriolering en de aanpassingen van het leidingverloop zijn gedeeltelijk door verweerder in aftrek geweigerd, omdat deze kosten zien op de nieuwe keuken in het souterrain. Aangezien eiseres dit niet (dan wel onvoldoende) heeft betwist, is naar het oordeel van de rechtbank terecht een gedeelte van deze kosten in aftrek geweigerd. Ter onderbouwing van haar oordeel verwijst de rechtbank naar hetgeen zij heeft geoordeeld ter zake van het souterrain en de beletage (zie punt 38). Verweerder heeft ter zake van de kosten voor de sanitaire aansluitingen en aanpassingen gesteld dat niet enkel onderhoudskosten zijn, maar ook deels verbeteringskosten betreffen. De rechtbank volgt verweerder hierin, omdat de rechtbank het aannemelijk acht dat een gedeelte van de kosten aan het sanitair onderhoudskosten zijn, maar zij acht het ook aannemelijk dat het niet in aftrek toegelaten bedrag aan te merken is als verbeteringskosten. Immers zijn er veranderingen aan het sanitair aangebracht, welke volgens de rechtbank niet noodzakelijk waren voor het onderhoud van het sanitair, maar zijn ingegeven om de sanitaire voorzieningen te verbeteren. Ook heeft eiseres een nieuwe elektrische installatie geïnstalleerd en het hiervoor in rekening gebrachte totaalbedrag ad € 9.000 in aftrek gebracht. Dat verweerder ‘slechts’ € 900 in aftrek heeft toegelaten is naar het oordeel van de rechtbank terecht. Dat enig onderhoud nodig was aan de elektrische installatie in het souterrain vindt de rechtbank aannemelijk. Dat volgens eiseres het noodzakelijk was om de gehele elektrische installatie te vervangen is onvoldoende aannemelijk gemaakt. Immers volgt, zoals verweerder terecht ook heeft opgemerkt, uit het taxatierapport dat er voldoende groepen en aardlekschakelaar aanwezig waren en ook de Monumentenwacht heeft in haar rapport evenmin opmerkingen gemaakt over de elektrische installatie.

Dat voor het onderhoud in het souterrain meer kosten zijn gemaakt dan die € 900 is niet aannemelijk gemaakt. Eiseres heeft het ingenomen standpunt van verweerder niet, dan wel onvoldoende, weersproken waardoor de rechtbank van oordeel is dat het meerdere niet tot onderhoudskosten kan worden gerekend.

Overige kosten

51. Naast de bovengenoemde werkzaamheden van de aannemer en de daarvoor in rekening gebrachte kosten, heeft eiseres ook nog andere kosten gemaakt, zoals kosten voor een architect, leges en een bodemonderzoek. Verweerder heeft van deze kosten meer dan de helft in aftrek toegelaten.

Verweerder heeft de volgende kosten (gedeeltelijk) in aftrek geweigerd:

- de architect (€ 6.426,25) is voor € 3.126,86 in aftrek toegelaten. Omdat de architect aan het hele project heeft gewerkt (dus ook bijvoorbeeld aan de verbouwing van de aanbouw en andere aangebrachte verbeteringen in het hoofdverblijf), heeft verweerder gesteld dat enkel de architect kosten die zien op de onderhoudswerkzaamheden in aftrek gebracht kunnen worden;

- de Egenstill ontwerpkosten (€ 800) zijn geheel in aftrek geweigerd, omdat deze kosten zien op de nieuwe keuken in het souterrain;

- de leges aanbouw (€ 2.706) is geheel in aftrek geweigerd, omdat deze kosten zien op de aanbouw en de aanbouw geen monumentenpand is;

- de CAR verzekering (€ 919,30) is voor € 447,31 in aftrek toegelaten, aangezien ook deze kosten zien op het hele project en niet enkel op de onderhoudswerkzaamheden;

- de constructeur aanbouw (€ 2.238,50) is geheel in aftrek geweigerd, omdat deze kosten zien op de aanbouw en de aanbouw geen monumentenpand is, en

- het bodemonderzoek (€ 1.667,38) is voor € 834 in aftrek toegelaten, aangezien ook deze kosten zien op het hele project en niet enkel op de onderhoudswerkzaamheden.

52. Naar het oordeel van de rechtbank is door eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij recht heeft op een hogere aftrek, zoals eiseres heeft gesteld van € 19.483,63, dan door verweerder is berekend op € 10.306,37. Voor de kostenposten met betrekking tot de leges voor de aanbouw en de constructeur van de aanbouw verwijst de rechtbank naar hetgeen zij heeft geoordeeld ter zake van de aanbouw (zie punt 34). De kosten met betrekking tot het Egenstill ontwerp zijn terecht in aftrek geweigerd, aangezien deze kosten zien op de nieuwe keuken in het souterrain. Omdat eiseres dit niet (dan wel onvoldoende) heeft betwist, zijn deze kosten naar het oordeel van de rechtbank terecht in aftrek geweigerd. Ter onderbouwing van haar oordeel verwijst de rechtbank naar hetgeen zij heeft geoordeeld ter zake van het souterrain en de beletage (zie punt 38).Voor de overgebleven kostenposten (de architect, de CAR verzekering en het bodemonderzoek) is naar het oordeel van de rechtbank terecht een pro rata benadering door verweerder gehanteerd, waardoor deze kosten enkel in aftrek gebracht kunnen worden, voor zover deze betrekking hebben op de onderhoudskosten. Dat al deze kosten volledig in aftrek komen, omdat alle werkzaamheden onderhoudswerkzaamheden betreffen of dat deze pro rata berekening onjuist door verweerder is gehanteerd is onvoldoende aannemelijk gemaakt door eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht rekening gehouden met het gegeven dat deze kosten ook zien op bijvoorbeeld de aanbouw of de verbeteringen van het hoofdgebouw, zodat niet geoordeeld kan worden dat alle kosten in aftrek gebracht kunnen worden. Of de pro rata berekening onjuist is, los van het standpunt van eiseres dat alle kosten onderhoudskosten betreffen, is door eiseres niet als standpunt ingenomen, dan wel door haar weersproken.

Verzuimboete

53. Verweerder heeft aan eiseres een verzuimboete opgelegd vanwege het niet tijdig doen van aangifte. Dat eiseres niet tijdig aangifte heeft gedaan wordt niet door haar betwist. Immers heeft haar gemachtigde ter zitting bevestigd dat de aangifte inderdaad te laat is ingediend. De verzuimboete is in beginsel dan ook terecht aan eiseres opgelegd. Opzet of schuld is niet vereist voor het opleggen van een verzuimboete. Wel moet een boete achterwege blijven bij afwezigheid van alle schuld. Eiseres heeft geen omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan kan worden geoordeeld dat zij alle in de gegeven omstandigheden van haar in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat de aangifte tijdig zou worden ingediend (Hoge Raad 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7184).

54. Voor de beantwoording van de vraag of de boete verminderd dient te worden in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor berechting en, zo ja, met welk bedrag, zal de rechtbank uitgaan van de richtlijnen opgenomen in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4468 en de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 2 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298.

55. Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Aangezien de rechtbank niet is gebleken van zodanige omstandigheden, is de redelijke termijn in dit geval overschreden. Dit behoort te leiden tot vermindering van de boete, afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Bij een overschrijding van 2 jaren en meer (zoals in dit geschil aan de orde is) stelt het gerechtshof Amsterdam deze vermindering op 20%, met een maximum van € 10.000. De rechtbank zal daarom de boete verminderen met € 74 tot € 295.

56. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard, de uitspraak op bezwaar te worden vernietigd en het belastbaar inkomen uit werk en woning te worden vastgesteld op € 59.689. Naar het oordeel van de rechtbank kan 80 percent van de onderhoudskosten rijksmonumentenpanden € 178.065 (80 % van € 222.581 (€ 222.043 + € 538)) in aftrek gebracht worden. In 2014 heeft eiseres, dan wel haar partner al een bedrag van € 45.000 in aanmerking genomen, zodat voor 2015 nog een aftrek resteert van € 133.065. Eiseres had in de aangifte 25 percent van de kosten aan haar toebedeeld, zodat zij recht heeft op een aanvullende aftrek van € 33.266. De boete dient te worden verminderd, zoals hiervoor in rechtsoverweging 55 is geoordeeld.

Proceskosten

57. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat in deze zaak aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.897,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting op 18 december 2020 en een half punt (0,5) voor het verschijnen ter zitting op 30 juni 2021 met een waarde per punt van € 759 en een wegingsfactor 1). Een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase acht de rechtbank niet op zijn plaats, aangezien eiser pas na de bezwaarfase nadere stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van de door haar in aftrek gebrachte onderhoudskosten. Het is dan ook niet aan een onrechtmatigheid van verweerder te wijten dat hij de aanslag bij uitspraak op bezwaar heeft gehandhaafd (artikel 7:15 van de Awb).

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar;

vermindert de aanslag ib/pvv 2015 berekent naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 43.978;

vermindert de boete tot € 295;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.897,50; en

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 21 juni 2022 door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Doesburg, griffier.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam .

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature