< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Hoogte aftrekbare onderhoudskosten woning. Ongegrond.

Uitspraak



Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummer: HAA 20/6520

uitspraak van enkelvoudige kamer van 22 april 2022 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Eindhoven, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2016 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 102.224 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 948. Daarbij heeft verweerder bij beschikking € 1.345 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2022 te Haarlem. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] LLM en mr. [naam 2] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser en zijn partner mevrouw [naam 3] zijn eigenaar van en bewonen in het onderhavige jaar de onroerende zaak [de woning] 111B te Amsterdam (de woning). Eiser en zijn partner kwalificeren als fiscaal partners.

2. Eiser en zijn partner hebben de woning op 4 juli 2016 gekocht. De woning kwalificeert op dat moment als een eigen woning op grond van artikel 3.111, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en per 1 oktober 2016 als een eigen woning op grond van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001 .

3. Eiser heeft in 2016 een woning gelegen aan de [adres] te Amsterdam verkocht. Deze woning was tot en met 30 september 2016 een eigen woning op grond van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001 .

4. De woningen aan de [de woning] en aan de [adres] kwalificeren beide als rijksmonumenten.

5. Verweerder heeft met dagtekening 15 januari 2016 een voorlopige aanslag ib/pvv 2016 aan eiser opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van werk en woning van € 37.087, resulterend in een te ontvangen bedrag van € 3.797.

6. Verweerder heeft naar aanleiding van een verzoek tot wijziging van de voorlopige aanslag door eiser met dagtekening 15 december 2016 overeenkomstig het verzoek een nadere voorlopige aanslag ib/pvv 2016 vastgesteld, berekend naar een belastbaar inkomen van werk en woning van € 76.518 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 982, resulterend in een te ontvangen bedrag van € 7.912. Verweerder heeft een bedrag van € 1.600 als uitgaven voor monumentenpanden in aftrek toegelaten.

7. Op 7 augustus 2017 heeft eiser een aangifte ib/pvv voor het jaar 2016 ingediend. Eiser heeft daarbij een bedrag van € 49.032 als uitgaven voor monumentenpanden opgegeven: € 46.138 voor de [de woning] en € 2.894 voor de [adres] .

8. Verweerder heeft naar aanleiding van de door eiser ingediende aangifte met dagtekening 13 oktober 2017 een nadere voorlopige aanslag ib/pvv 2016 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.698, resulterend in een te ontvangen bedrag van € 31.510. Verweerder heeft een bedrag van € 4.299 als studiekosten en een bedrag van € 39.227 als uitgaven voor monumentenpanden in aftrek toegelaten.

9. Na correspondentie tussen eiser en verweerder heeft verweerder met dagtekening 8 december 2017 een nadere voorlopige aanslag ib/pvv 2016 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.689, resulterend in een te ontvangen bedrag van € 31.824. Verweerder heeft een bedrag van € 4.299 als studiekosten en een bedrag van € 39.227 als uitgaven voor monumentenpanden in aftrek toegelaten.

10. Verweerder heeft eiser bij brief van 6 november 2018 gevraagd om informatie over de door hem in aftrek gebrachte studiekosten en uitgaven voor monumentenpanden. Eiser heeft niet gereageerd.

11. Verweerder heeft met dagtekening 1 februari 2019 de aanslag ib/pvv 2016 aan eiser opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 102.224 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 948. Daarbij heeft verweerder bij beschikking € 1.345 aan belastingrente in rekening gebracht. Verweerder heeft de door eiser aangegeven studiekosten en uitgaven voor monumentenpanden niet in aftrek toegelaten.

12. Verweerder heeft op 12 maart 2019 een bezwaar tegen de aanslag ib/pvv 2016 van eiser ontvangen.

13. Verweerder heeft eiser bij brief van 9 april 2019 gevraagd om informatie over de door hem in aftrek gebrachte studiekosten en uitgaven voor monumentenpanden. Op 15 mei 2019 heeft de gemachtigde van eiser gereageerd.

14. Verweerder heeft een taxatierapport van de woning laten opstellen, opgemaakt door [naam 5] , taxateur. In dit taxatierapport heeft de taxateur geoordeeld dat een bedrag van € 2.543 als uitgaven voor monumentenpanden in aftrek komt. Op 25 september 2019 heeft een inpandige opname in de woning plaatsgevonden.

15. Verweerder heeft met dagtekening 17 oktober 2019 een vooraankondiging van de uitspraak op het bezwaar aan eiser gestuurd. Eiser is de mogelijkheid geboden om gebruik te maken van zijn recht om gehoord te worden. Eiser heeft op 22 november 2019 gereageerd waarbij eiser niet heeft aangegeven te willen worden gehoord.

16. Bij uitspraak van bezwaar met dagtekening 4 november 2020 heeft verweerder de aanslag ib/pvv 2016 verminderd. Verweerder heeft voor een bedrag van € 5.437 aan uitgaven voor monumentenpanden in aftrek toegelaten: € 2.894 voor de onderhoudskosten van [adres] en € 2.543 voor de onderhoudskosten van [de woning] 111B.

17. Na correspondentie tussen eiser en verweerder heeft verweerder alsnog een bedrag van € 4.849 als uitgave voor studiekosten in aftrek toegelaten. Verweerder heeft met dagtekening 21 januari 2021 de aanslag ib/pvv 2016 ambtshalve verminderd.

18. Tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren de volgende stukken die eiser de rechtbank heeft doen toekomen:

- een bouwkundig inspectierapport, opgemaakt op 2 mei 2016 door [naam 4] ;

- een e-mail van vochtspecialist Van [bedrijf 1] ;

- een advies van [bedrijf 2] .

Het bouwkundig inspectierapport luidt, voor zover van belang, als volgt:

‘‘Binnenwand, afwerking, openingen

Binnenwanden, dragend

Conditie 2 Goed

Waarneembaarheid geheel

Toelichting

Diverse muren zijn voorzien van voorzetwanden.

Voorzetwanden worden veelal aangebracht om scheurvorming en/of vochtproblemen aan het zicht te onttrekken. Omdat de inspectie niet destructief van aard is, zal er alleen een destructief onderzoek de precieze aard en omvang van eventuele gebreken kunnen vaststellen.

Bij het verwijderen van wandafwerkingen komen bij oudere pleisterlagen veelal meer gebreken te voorschijn. Geadviseerd wordt een post op te nemen om e.e.a. te kunnen herstellen. De vermelde kosten betreffen namelijk alleen de direct zichtbare gebreken.

Algemeen

Dragende wanden, worden beoordeel op scheurvorming en doorslaand of optrekkend vocht. Wanneer voortzetwanden tegen de muren zijn aangebracht, is dit in het algemeen gebeurd i.v.m. vochtdoorslag, optrekkend vocht, of heeft men de buitenmuur willen isoleren.

Gebreken/ correctheid bouwfysische opbouw zijn dan niet visueel waarnemer.

Gebreken en Activiteiten

Doorslaand, optrekkend vocht

Herstellen € 1.542,75 (verbeterplan)

Optrekkend vocht in de keldermuur waterdicht maken

(…)

5. Opmerkingen inspecteur

(…)

Samenvatting:

In het souterain aan de voorzijde is vochtdoorslag aanwezig vanuit de fundering.

Keukens zijn economisch afgeschreven (…)’’

De e-mail van [bedrijf 1] luidt, voor zover van belang, als volgt:

‘‘Zoals reeds eerder besproken, geven wij hierbij ons voorstel.

Omdat de oorzaak van diverse vochtschades onduidelijk is, adviseren wij u eerst om deze te onderzoeken. Dit houdt in, dat (…).’’

Het advies van [bedrijf 2] luidt, voor zover van belang, als volgt:

‘‘Bel etage:

- Aansluitingen van de afvoeren in de badkamer aan de achterzijde: aangelegd met verkeerde bochten en T-stukken.

Advies:

- Liggende gedeelte in het plafond van het souterrain vergroten en de aansluitingen middels 45 graden T-stukken door de vloer naar de tappunten brengen.

(…)

Souterrain:

- Aansluitingen afvoer van de keuken:

Liggende leidingen aangelegd met de verkeerde bochten.

Advies:

- Indien mogelijk waar de leiding uit de vloer komt, de aansluiting ophakken en het liefst 1 diameter vergroten naar 50mm en de liggende bochten vervangen door dubbel 45 graden.

(…)

- Badkamer:

(…)

Bad:

Kitwerk rondom het bad is in slechte staat. Voegwerk op meerdere plekken gescheurd.

Advies:

- Alle kitnaden door een professioneel kitbedrijf laten vervangen.

- Voegwerk laten controleren door een goede tegelzetter en laten adviseren in de beste oplossing.

- CV-ruimte:

Advies

Leidingwerk laten fatsoeneren, niet noodzakelijk maar wel aan te raden.’’

Geschil

19. In geschil is de hoogte van de aftrekbare onderhoudskosten van de woning. Niet in geschil zijn de hoogte van de onderhoudskosten van de woning [adres] en de hoogte van de studiekosten. Ter zitting heeft eiser zijn grieven dat de hoorplicht zou zijn geschonden, een beroep op het vertrouwensbeginsel en een schending van het onzorgvuldigheidsbeginsel uitdrukkelijk en ondubbelzinnig laten varen.

20. Eiser stelt zich op het standpunt dat de aanslag ib/pvv 2016 naar een onjuist bedrag is opgelegd. Eiser is van mening dat verweerder een te laag bedrag aan onderhoudskosten van de woning in aftrek heeft toegelaten. Voor de onderbouwing van zijn standpunt wijst eiser op een bouwkundig inspectierapport, opgemaakt op 2 mei 2016 door [naam 4] , inspecteur, een advies van een vochtspecialist Van [bedrijf 1] en tot slot een advies van [bedrijf 2] . Eiser is van mening dat in totaal een bedrag van € 32.489 aan onderhoudskosten in aftrek dient te worden toegelaten, bestaande uit:

€ 21.845 betreffende noodzakelijke werkzaamheden om de vochtproblemen in de woning te onderzoeken en te verhelpen;

€ 8.988 betreffende de vervanging van de keuken in verband met de vochtproblemen en de verouderde staat van de keuken, en

€ 1.656 betreffende de onderhoudskosten van de vereniging van eigenaren.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag.

21. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanslag ib/pvv 2016 voor het juiste bedrag is opgelegd. Verweerder is van mening dat dat terecht een bedrag van € 2.543 aan onderhoudskosten van de woning in aftrek is toegelaten. Verweerder verwijst naar een door hem overgelegd taxatierapport, opgemaakt door een onafhankelijke taxateur, [naam 5] . Tot slot is verweerder van mening dat de aanslag ib/pvv 2016 eerder te laag dan te hoog is vastgesteld aangezien verweerder ten onrechte bij de aftrek van de onderhoudskosten geen rekening heeft gehouden dat slechts 80% van de drukkende onderhoudskosten voor aftrek in aanmerking komt (artikel 6.31, eerste lid, van de Wet IB 2001). Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

22. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Onderhoudskosten woning

23. Op grond van artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onder a, juncto het tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet IB 2001 (tekst 2016) komen voor aftrek in aanmerking de op eiser drukkende uitgaven voor monumentenpanden, te weten 80% van de drukkende onderhoudskosten (artikel 6.31, eerste lid, van de Wet IB 2001) (tekst 2016). Onder onderhoudskosten wordt verstaan de kosten van werkzaamheden daaraan voor zover die ertoe hebben gestrekt het pand, zoals dat bij de aanvang van de werkzaamheden bestond, in bruikbare staat te herstellen of te houden en in redelijkheid zijn gemaakt (artikel 6.31, vierde lid, van de Wet IB 2001).

24. Kosten voor verbetering komen niet voor aftrek in aanmerking. Van kosten voor verbetering is sprake wanneer de werkzaamheden dienen om aan het gebouw, in vergelijking met de toestand waarin het zich bij de stichting of na latere verandering bevond, een wezenlijke verandering aan te brengen, waardoor het naar inrichting, aard of omvang een wijziging ondergaat (Hoge Raad, 17 maart 1954, nr. 11 676, BNB 1955/140). Kosten die in huurverhoudingen door de huurder plegen te worden gedragen, zoals behangen, binnenschilderwerk en kleine reparaties, komen evenmin voor aftrek in aanmerking (Hoge Raad 5 oktober 1988, BNB 1988/321).

25. Op eiser rust de last aannemelijk te maken dat dergelijke uitgaven zijn gedaan, dat de uitgaven op hem hebben gedrukt en dat aan de eventuele overige voorwaarden voor aftrek is voldaan.

Vochtproblemen

26. Eiser is van mening dat voor een bedrag van € 21.845 aan onderhoudskosten betreffende het onderzoek naar en het verhelpen van de vochtproblemen in het souterrain in aftrek dienen te worden gebracht. De verrichte werkzaamheden bestaan uit het verwijderen en opnieuw plaatsen van alle voortzetwanden boven de betonbak, het vervangen van de elektra-, water- en rioleringsinstallatie en het vervangen van het kit- en voegwerk in de badkamer. Eiser verwijst naar de onder 18 genoemde stukken waaruit kan worden geconcludeerd dat zowel de zichtbare als niet-zichtbare vochtproblemen dienen te worden hersteld. Verweerder is van mening dat slechts voor een bedrag van € 2.543 in aftrek dient te worden toegestaan: € 1.542,75 voor het herstel van optrekkend vocht aan de voorzijde van het souterrain en € 1.000 voor vervanging van het kit- en voegwerk.

27. Uit het door eiser overgelegde inspectierapport en de e-mail van vochtspecialist Van [bedrijf 1] kan worden geconcludeerd dat weliswaar aan de voorzijde van het souterrain zichtbare vochtdoorslag aanwezig is, maar dat voor het vaststellen van de precieze aard en omvang van eventuele niet-zichtbare gebreken een (destructief) onderzoek dient plaats te vinden. Omdat eiser geen nader destructief onderzoek heeft verricht dan wel de uitkomsten van het door de vochtspecialist verrichte onderzoek niet heeft overgelegd, zijn naar het oordeel van de rechtbank enkel de zichtbare gebreken aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft daarbij terecht aangesloten bij het door eiser overgelegde inspectierapport en een bedrag van € 1.542,75 in aanmerking genomen voor herstel van de zichtbare vochtschade. Ten aanzien van het vervangen van de elektra-, water- en rioleringsinstallatie en het kit- en voegwerk in de badkamer, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het advies van de loodgieter blijkt dat in de badkamer en keuken verkeerde bochten zijn gebruikt in de (afvoer)leidingen en dat wordt geadviseerd deze te vervangen. Daarnaast blijkt dat het kit- en voegwerk in de badkamer zich in een slechte staat bevindt en wordt geadviseerd deze door een professioneel bedrijf te laten vervangen. Verweerder heeft dan ook terecht naar het oordeel van de rechtbank een bedrag van € 1.000 voor het vervangen van kit- en voegwerk in aftrek toegelaten. Dat uit het advies van de loodgieter tevens blijkt dat er verkeerde bochten in de leidingen zijn gebruikt, maakt niet dat vervanging noodzakelijk is om de woning in bruikbare staat te herstellen dan wel te houden in de zin van artikel 6.31, vierde lid, van de Wet IB 2001 . Tot slot blijkt uit het door eiser overgelegde inspectierapport dat de elektra, waterleidingen en afvoeren als ‘goed’ dienen te worden beoordeeld. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht de hiervoor gemaakte onderhoudskosten niet in aftrek toegelaten.

Keuken

28. Naar het oordeel van de rechtbank dient het vervangen van de keuken te worden aangemerkt als een verbetering. De kosten van de keuken komen dan ook niet voor aftrek in aanmerking. De stelling van eiser dat de keuken deels gesloopt is doordat de keuken tegen een muur is geplaatst die wegens vochtschade vervangen moest worden, slaagt gelet op hetgeen de rechtbank onder 27 heeft overwogen niet.

Kosten vereniging van eigenaren

29. De kosten van de vereniging van eigenaren heeft eiser onvoldoende onderbouwd en daarmee niet aannemelijk gemaakt. De kosten komen dan ook niet voor aftrek in aanmerking.

30. Gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

31. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2022.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature