< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Kort geding. Ontslag bestuurder door raad van toezicht scholenkoepel Stichting Ronduit teruggedraaid.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

Zittingsplaats Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/15/325726 / KG ZA 22-87

Vonnis in kort geding van 31 maart 2022

in de zaak van

[eiser] ,

[woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. B.M. Dijkstra te Alkmaar,

tegen

de stichting

STICHTING RONDUIT,

[woonplaats 1] ,

gedaagde,

advocaat mr. A. Klaassen te Barneveld.

Partijen zullen hierna [eiser] en Stichting Ronduit worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 9 maart 2022, met producties 1-45;

een bericht van 15 maart 2022 van mr. Klaassen voornoemd, met producties 1-4;

een bericht van 15 maart 2022 van mr. Dijkstra voornoemd, met productie 46;

een bericht van 16 maart 2022 van mr. Klaassen, met productie 5;

een bericht van 16 maart 2022 van mr. Dijkstra, met een akte wijziging eis;

een bericht van 16 maart 2022 van mr. Klaassen, waarin bezwaar is gemaakt tegen de eiswijziging en is verzocht om aanhouding van (de behandeling van) het kort geding;

een bericht van 16 maart 2022 van mr. Dijkstra, waarin is aangegeven dat [eiser] niet akkoord gaat met een aanhouding;

een bericht van 16 maart 2022 van de voorzieningenrechter, waarin is meegedeeld dat hetaanhoudingsverzoek is afgewezen;

de mondelinge behandeling, die heeft plaatsgevonden op 17 maart 2022;

de pleitaantekeningen van [eiser] ;

de pleitaantekeningen van Stichting Ronduit.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Stichting Ronduit is een stichting voor openbaar onderwijs met 18 locaties voor basisonderwijs in Alkmaar. Zij verzorgt met 9 Spinakervestigingen ook speciaal onderwijs voor leerlingen van 4 tot 18 jaar.

2.2.

[eiser] ( [leeftijd] ) is sinds 2005 in dienst van Stichting Ronduit.

2.3.

De (op 18 december 2013 gewijzigde) statuten van Stichting Ronduit luiden, voor zover van belang, als volgt:

“ Artikel 5. College van Bestuur; samenstelling, benoeming, schorsing en ontslag, belet en ontstentenis 1. De Stichting wordt bestuurd door een college van bestuur, bestaande uit een door de raad van toezicht te bepalen aantal van ten hoogste twee natuurlijke personen. 2. De leden van het college van bestuur worden benoemd door de raad van toezicht (…) 5. Een lid van het college van bestuur kan te allen tijde worden geschorst door de raad van toezicht met inachtneming van het bepaalde in de Collectieve arbeidsovereenkomst voor het primair onderwijs (CAO-PO). (…) Het betrokken lid wordt in de gelegenheid gesteld zich in een vergadering van de raad van toezicht waarin schorsing of verlenging daarvan aan de orde is te verantwoorden. (…) 6. De raad van toezicht is te allen tijde bevoegd een lid van het college van bestuur te ontslaan. Het betrokken lid van het college van bestuur wordt in de gelegenheid gesteld zich ten overstaan van de raad van toezicht te verantwoorden. (…)

Artikel 6. College van Bestuur; taken en bevoegdheden 1. Het college van bestuur is belast met het besturen van de Stichting. Bij de vervulling van zijn taak richt het college van bestuur zich naar het belang van de stichting, het belang van het openbaar onderwijs en het belang van de samenleving. (…)

Artikel 9. Toezicht op het Bestuur (…) 2. De raad van toezicht houdt toezicht op het college van bestuur.

Artikel 10. Raad van toezicht 1. (…) De raad van toezicht bestaat uit vijf natuurlijke personen. 2. De leden van de raad van toezicht worden benoemd door de gemeenteraad. (…) 7. De leden van de raad van toezicht worden benoemd voor een periode van vier jaar. (…) Herbenoeming is slechts eenmaal mogelijk .

(…) 9. Eventuele bezoldiging van leden van de raad van toezicht en onkostenvergoedingen aan leden van het college van bestuur en de raad van toezicht geschieden op basis van een door de raad van toezicht vastgesteld (…) reglement. (…)

13. (…) Een niet voltallige raad van toezicht houdt zijn bevoegdheden.

(…)

14. Bij de vervulling van zijn taak richt de raad van toezicht zich naar het belang van de stichting, het belang van de scholen die door de Stichting in stand worden gehouden en het belang van de samenleving. (…)”

2.4.

Per 1 januari 2014 is Stichting Ronduit overgegaan op een zogenoemd Raad-van-Toezicht-model. De bestuursstructuur bestaat uit één bestuurder ( [eiser] ) en een Raad van Toezicht (hierna: RvT) van vijf leden. Op 30 december 2014 is een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand gekomen tussen de RvT als werkgever en [eiser] .

2.5.

Stichting Ronduit heeft naast de bestuurder een directeur bedrijfsvoering en een (waarnemend) directeur onderwijs en kwaliteit. Deze directeuren maken deel uit van het bestuursbureau.

2.6.

In de loop van 2020/2021 zijn onenigheden ontstaan tussen leden van de RvT en [eiser] , onder meer over de verhoging van de beloning voor de leden van de RvT en de toekomstige invulling van het bestuursmodel.

2.7.

In 2021 bestond de RvT uit: [lid 1] , [lid 2] , [lid 3] , [lid 4] , [lid 5] en [lid 6] (aspirant-lid).

2.8.

Op 27 mei 2021 heeft de raad van de gemeente Alkmaar op voordracht van de RvT [lid 3] en [lid 2] tot leden van de RvT herbenoemd voor de periode van 1 januari 2022 tot 1 januari 2023.

2.9.

Bij e-mail van 22 september 2021 heeft [lid 5] het volgende aan [eiser] bericht:

“De communicatie (tussen rvc en bestuurder en rvc onderling) loopt idd niet vloeiend en over verschillende schijven. (…) Het gevolg is dat we (als rvt) vooral met eigen zaken bezig zijn en onvoldoende met het onderwijs en daardoor ook de aansluiting met jou, als bestuurder, verliezen.”

2.10.

Eind november 2021 heeft [eiser] een met de RvT gesloten vaststellings-overeenkomst gesloten waarin 1 februari 2022 als datum van zijn vertrek is opgenomen.

2.11.

In zijn e-mailbericht van 15 december 2021 heeft [eiser] aan de directeuren, de medewerkers van het bestuursbureau en het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad voor het primair onderwijs (hierna: GMR) meegedeeld gebruik te maken van de mogelijkheid om binnen 14 dagen af te zien van de in de vaststellingsovereenkomst gemaakte afspraken. [eiser] heeft dit gedaan omdat de directeuren van Stichting Ronduit bij hem hebben aangegeven dat Stichting Ronduit goed draait (financieel, operationeel en met positieve beoordelingen van de onderwijsinspectie) en dat zij graag met hem de uitdagingen van de komende jaren willen aangaan.

2.12.

Tijdens een overleg tussen de RvT en [eiser] dat heeft plaatsgevonden op 20 december 2021 is aan [eiser] een keuze voorgelegd: 1) opnieuw onderhandelen over een vaststellingsovereenkomst of 2) mediation en het ontwikkeltraject voortzetten.

2.13.

In januari en februari 2022 hebben partijen een mediationtraject gevolgd. De mediation heeft niet tot een oplossing geleid.

2.14.

Bij brief van 11 februari 2022, verzonden op 12 februari 2022, heeft de RvT onder meer het volgende aan [eiser] medegedeeld:“(…)Zaterdag 5 februari jl. heeft tussen u en de RvT opnieuw en voor het laatst een mediation bijeenkomst plaatsgevonden. Daarin is u een tweetal opties voorgelegd met een week bedenktijd. Gisteren heeft u schriftelijk laten weten de voorkeur te geven aan de optie waarmee de mediation per direct eindigt zonder dat er gezamenlijke afspraken zijn gemaakt. Tevens heeft u in het geplande overleg met de voorzitter van de RvT ter voorbereiding van de agenda voor de RvT-vergadering van maart aangegeven (leden van) de RvT niet te erkennen als legitiem en heeft u het overleg afgebroken. Naderhand is tot slot gebleken dat u brieven binnen de organisatie (aan o.a. GMR en directeuren) hebt verspreid (zonder ons hiervan in kennis te stellen) waarin u opnieuw zich negatief c.q. niet samenbindend/verstorend uitlaat over de RvT. Al deze feiten en omstandigheden leiden tot de vaststelling dat er inmiddels een definitieve en onomkeerbare vertrouwensbreuk bestaat tussen bestuur en toezicht van Ronduit, welke impasse ook niet meer kan worden overbrugd. (…)Gezien de actieve betrokkenheid en zorg van ook andere stakeholders bij de gerezen situatie, zien wij helaas geen andere mogelijkheid meer dan over te gaan tot onderzoek naar de mogelijkheden van eenzijdig ontslag. (…)

Kortom: in het belang van Ronduit achten wij het dringend noodzakelijk dat u op kortst mogelijke termijn plaats maakt voor een nieuwe bestuurder, zodat de tijd en inspanningen in plaats van op elkaars posities zich weer kunnen richten op de positie van Ronduit. Wij hebben dan ook na het horen en bespreken van uw zienswijze aansluitend besloten u met onmiddellijke ingang op non-actief te stellen in uw functie als statutair bestuurder voor de duur van vier weken en bij een besluit tot ontslag voor de verdere duur van dit (ontslag)traject.

Wij hebben u in de gelegenheid gesteld mondeling reeds te reageren op voornoemde aanzegging eerder vandaag. In dat kader hebt u c.q. uw advocaat naar voren gebracht dat de schorsing beschadigend voor u is en dat het conflict met de RvT uw werkzaamheden bovendien niet in de weg staat. (…)

Kortom: nu RvT en bestuur niet kunnen samenwerken, zelfs niet op minimaal niveau moet het belang van de organisatie prevaleren. (…)

Voor de goede orde benadrukken wij dat deze maatregel geen disciplinaire sanctie of iets van dien aard betreft, maar een ordemaatregel. Hangende de non-actiefstelling wordt dan ook de bezoldiging doorbetaald. In de tussentijd wordt u de toegang tot alle locaties en gebouwen van de stichting Ronduit ontzegd en dient u zich (in lijn met de eerder reeds verstrekte schriftelijke instructie) te onthouden van interne en externe contacten voor zover het gaat om uw positie, de RvT of welk aspect van de gerezen situatie dan ook.”

2.15.

Op of omstreeks 12 februari 2022 heeft de RvT de GMR gevraagd om positief te adviseren over het voornemen tot ontslag van [eiser] . Deze adviesaanvraag luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Voor de goede orde abstraheert de RvT bij dit alles van het vaktechnisch functioneren en de inzet van de bestuurder. De problemen concentreren zich op gedrag en communicatie, met name waar het gaat om de verhouding en samenwerking met de RvT. (…)

Met de nodige aandrang en uiteindelijk een eenzijdige oproep, verschijnt [eiser] samen met zijn advocaat op de vergadering van 20 december. Daarin worden twee opties besproken: opnieuw onderhandelen over vertrek met inachtneming van continuïteit (het was immers de bestuurder die per 1 februari reeds weg wilde) of doorgaan met het besproken traject onder regie van de renumeratiecommissie, zij het dat alles overziend de RvT in geval van alsnog doorgaan de deskundige begeleiding wilde inschakelen voor een deskundig en onafhankelijk mediator ter ondersteuning van het maken van werkbare afspraken.

Namens [eiser] wordt aangegeven dat hij vooralsnog opteert voor aanblijven, waarbij ook hij het nut van mediation onderschrijft. De RvT heeft dit besluit geaccepteerd, maar vraagt wel onvoorwaardelijke commitment (…) aan het traject om onder leiding van een deskundig mediator te komen tot snelle en goede afspraken. (…)”

2.16.

Op 17 februari 2022 heeft de gemeenteraad voormeld raadsbesluit van 27 mei 2021 tot herbenoeming van [lid 3] en [lid 2] als leden van de RvT ingetrokken. Aan deze intrekking is terugwerkende kracht toegekend.

2.17.

Bij brief van 18 februari 2022 heeft de advocaat van [eiser] de advocaat van de RvT, althans de twee leden die daarvan nog onderdeel uitmaken, verzocht om de schorsing te beëindigen en [eiser] op 27 februari 2022 weer toegang te verlenen tot zijn werkzaamheden.

2.18.

Op 7 maart 2022 heeft de GMR positief geadviseerd over het voorgenomen ontslag van [eiser] , onder mededeling dat er een onwerkbare situatie is ontstaan tussen de werkgever (de RvT) en de bestuurder.

2.19.

Op 12 maart 2022 is de termijn van de schorsing verlengd.

2.20.

[eiser] heeft op 14 maart 2022 in de ochtend schriftelijk gereageerd op het voorgenomen ontslag.

2.21.

Op 14 maart 2022 in de avond heeft een vergadering van de RvT plaatsgevonden.

2.22.

Bij besluit van 14 maart 2022 is [eiser] per direct als statutair bestuurder ontslagen door de RvT, bestaande uit [lid 4] en [lid 5] .

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - na wijziging van zijn eis - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad; I. Stichting Ronduit veroordeelt om:1. het schorsingsbesluit van 12 (de voorzieningenrechter begrijpt: 11) februari 2022 in te trekken;2. [eiser] toe te laten tot zijn werkzaamheden bij Stichting Ronduit, hem de toegang te verlenen tot alle gebouwen en terreinen van Stichting Ronduit en tot de digitale werkomgeving;3. [eiser] toe te staan dat hij zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid uitoefent en hem toe te staan om zijn taken als bestuurder uit te oefenen en er voor zorg te dragen dat hij als zodanig bij de Kamer van Koophandel staat ingeschreven waarbij uit het handelsregister blijkt dat hij vertegenwoordigingsbevoegd is;4. binnen de organisatie van Stichting Ronduit aan ieder personeelslid van Stichting Ronduit een e-mail te zenden met de inhoud: “De Raad van Toezicht heeft de heer [eiser] niet rechtsgeldig geschorst en ontslagen als bestuurder van de Stichting Ronduit. De heer [eiser] zal weer als statutair bestuurder aan het werk gaan.” een en ander op straffe van een dwangsom;II. het ontslagbesluit van 14 maart 2022 te schorsen, totdat er in een (binnen twee maanden na 14 maart 2022 aanhangig gemaakte) bodemprocedure over de rechtsgeldigheid van het genomen ontslagbesluit bij eindvonnis is beslist;III. aan [eiser] het salaris van € 9.554,- per maand te betalen, vermeerderd met vakantiebijslag en overige emolumenten vanaf 14 maart 2022, tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met wettelijke verhoging en wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid;IV. te bepalen dat de leden van de RvT van Stichting Ronduit, te weten [lid 2] en [lid 3] (voor zover vereist), [lid 4] en [lid 5] worden geschorst tot het moment waarop de gemeenteraad van de gemeente Alkmaar weer een voltallige RvT heeft benoemd;

V. de (na)kosten van deze procedure te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

[eiser] stelt daartoe het volgende. Het ontslagbesluit is nietig omdat het in strijd is met de statuten die voorschrijven dat de RvT zich richt naar het belang van de stichting, de scholen en de maatschappij. [eiser] had met een termijn van zeven dagen opgeroepen moeten worden voor een vergadering, zodat een vraag- en antwoordgesprek had kunnen worden gevoerd. De GMR is slechts zéér eenzijdig geïnformeerd. In ieder geval is het ontslagbesluit vernietigbaar omdat het in strijd is met algemeen erkende rechtsbeginselen, in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijk en persoonlijke belangen van de betrokkenen. De RvT had zijn bevoegdheid niet op deze manier moeten gebruiken. [eiser] is een vakinhoudelijk goede bestuurder, die het vertrouwen geniet van de directies en het bestuurskantoor. Het is in het belang van [eiser] dat hij zijn baan en inkomen behoudt en komt tot een goede afronding van zijn carrière in het onderwijs. Dat weegt zwaarder dan het persoonlijke belang van de individuele RvT leden, die hun taak als nevenfunctie uitoefenen. [eiser] betwist dat er bij overige stakeholders, waaronder de directeuren van de scholen, de medewerkers in dienst van de organisatie, (de ouders van) de leerlingen, samenwerkingsverbanden passend onderwijs en de gemeenten, geen draagvlak meer voor hem is. [eiser] heeft hun belangen behartigd zoals van een goed bestuurder mag worden verwacht. De stichting is financieel gezond, de kwaliteit van het onderwijs is op orde, de leeropbrengsten zijn goed, de ouders zijn tevreden en het personeel en het aantal leerlingen is stabiel (met een kleine groei). De (school)directeuren hebben het vertrouwen in de RvT opgezegd, niet in de bestuurder. Het is de bestuurder die de rechtspersoon bestuurt, niet de RvT. [eiser] heeft ervaren dat de RvT steeds meer op zijn stoel gaat zitten.Het ontslagbesluit bestaat vooral uit een beschrijving van de steeds slechter wordende verhouding tussen bestuurder en toezichthouders en dat wordt [eiser] verweten. Als je een samenwerkingsprobleem hebt moet je proberen dat samen op te lossen. De samenwerking is nooit wezenlijk, grondig en fundamenteel onderzocht. Dat zou een goed beginpunt zijn voor een toekomstige voltallige RvT met drie nieuwe leden en een (ervaren) voorzitter. [eiser] zou daarin graag investeren. Beide partijen dienen zich in te zetten om het conflict op te lossen. De RvT heeft dit als optie genoemd maar dat zou gepaard gaan met een ontwikkeltraject voor alleen de bestuurder. De RvT heeft vanaf 11 oktober 2021 vooral aangestuurd op ontslag van [eiser] . In dit geval heeft een RvT bestaande uit twee personen (die relatief kort geleden zijn benoemd) besloten over het ontslag van een langzittende bestuurder. De ontslaggrond is nauwelijks onderbouwd en in mediation is niet gewerkt aan herstel van de relatie. Het is aannemelijk dat het ontslagbesluit in een bodemprocedure nietig of vernietigbaar blijkt te zijn en niet genomen had mogen worden. Daarom vraagt [eiser] om schorsing van dit besluit. [eiser] vindt dat hij tot het werk dient te worden toegelaten. Hij heeft daar een spoedeisend belang bij. Continuïteit en rust zijn in het belang van de stichting.

3.3.

Stichting Ronduit voert verweer. Stichting Ronduit maakt bezwaar tegen de te late eiswijziging. Zij is daardoor benadeeld in het voeren van verweer. De schorsing is niet meer aan de orde, nu de arbeidsovereenkomst niet langer bestaat.Op grond van artikel 2:298a Burgerlijk Wetboek (BW) is het ontslagbesluit niet aantastbaar. Er is geen sprake van een nietig of vernietigbaar besluit. De RvT, die te allen tijde zijn bevoegdheden behoudt, heeft de statutaire bepaling omtrent ontslag in acht genomen. Hij heeft [eiser] opgeroepen om zijn reactie te kunnen geven. Het was de wens van [eiser] om zijn reactie vooraf schriftelijk uit te brengen. Daarvoor is drie dagen uitstel verleend. [eiser] heeft zijn reactie ook uitvoerig schriftelijk kenbaar gemaakt. De statuten bieden ruimte voor afwijking van de oproepingstermijn, die overigens primair is bedoeld voor het bieden van afdoende gelegenheid tot aanwezigheid van alle leden van de RvT.

Stichting Ronduit betwist dat buiten de RvT alle stakeholders loyaal zijn aan [eiser] . Zowel directeuren als GMR hebben expliciet aangegeven de terugkeer van [eiser] niet wenselijk te achten. Het schorsingsbesluit is inhoudelijk volledig terecht genomen en de gronden voor die maatregel zijn en blijven onverkort van kracht, ook los van het ontslagbesluit. Voor de gevorderde schorsing van de RvT - een vergaand verzoek met grote gevolgen voor een onderwijsinstelling - is in deze kort geding procedure geen ruimte. Bovendien bestaat er geen spoedeisend belang bij deze vordering, die overigens ook inhoudelijk niet toewijsbaar is.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling, nader ingegaan.

4 De beoordeling

verzet tegen eiswijziging 4.1. Stichting Ronduit heeft ter zitting haar bezwaren tegen de eiswijziging gehandhaafd. Hieraan wordt voorbijgegaan. [eiser] heeft het ontslagbesluit op 15 maart 2022 ontvangen, twee dagen voor de geplande kort geding zitting. In de inleidende dagvaarding van 9 maart 2022 zijn vorderingen ingesteld tegen het schorsingsbesluit. Dat besluit is (voorlopig) ingehaald door het ontslagbesluit. Het is dus logisch dat de oorspronkelijke vorderingen moesten worden aangepast. De eiswijziging is dan ook toelaatbaar. Dit betekent dat ook het ontslagbesluit, waarin overigens veel al eerder door Stichting Ronduit gebruikte argumenten terugkomen, in dit kort geding aan de orde is. Daarbij is in aanmerking genomen dat Stichting Ronduit deze situatie had kunnen voorkomen door in afwachting van (de uitkomst van) dit kort geding nog geen ontslagbesluit te nemen. Dat heeft zij niet gedaan.

4.2.

Een vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als daarbij een spoedeisend belang bestaat.Voor toewijzing van een vordering in kort geding is vereist dat de feiten en omstandigheden die aan de vordering ten grondslag zijn gelegd, voldoende aannemelijk zijn. Ook moet in voldoende mate waarschijnlijk zijn dat de vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

spoedeisend belang

4.3.

Het spoedeisend belang volgt genoegzaam uit de aard van de vorderingen die ertoe strekken dat [eiser] weer wordt toegelaten tot zijn werkzaamheden als bestuurder van Stichting Ronduit en de stellingen van [eiser] en is ook niet (gemotiveerd) betwist.

positie [eiser] 4.4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat [eiser] een ‘dubbele’ rechtspositie heeft. Hij is (statutair) bestuurder van Stichting Ronduit en werknemer. Voor de rechtspositie als bestuurder gelden de regels van het rechtspersonenrecht, voor de rechtspositie van werknemer de regels van het arbeidsrecht. 4.5. Op een ontslag van [eiser] als bestuurder is artikel 2:286 lid 4 sub c BW van toepassing. Dat artikel bepaalt dat de statuten van een stichting ‘de wijze van benoeming en ontslag der bestuurders’ moeten inhouden. Volgens artikel 5 lid 6 van de statuten van Stichting Ronduit kan [eiser] als bestuurder worden ontslagen door de RvT.

verband tussen rechtspersoonsrechtelijk ontslag en arbeidsrechtelijk ontslag

4.6.

Een rechtspersoonsrechtelijk ontslag(besluit) heeft volgens rechtspraak van de Hoge Raad in beginsel ook de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van de bestuurder tot gevolg.

4.7.

In het verlengde daarvan geldt naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook dat voor een arbeidsrechtelijke opzegging, zoals een ontslag op staande voet, een voorafgaand rechtsgeldig rechtspersoonsrechtelijk ontslagbesluit van, in dit geval, de RvT nodig is. Uit de ‘15 april-arresten’ volgt immers dat in het rechtspersoonsrechtelijk ontslagbesluit ook de arbeidsrechtelijke opzegging is gelegen. Pas als is geoordeeld dat een rechtspersoonsrechtelijk ontslag besluit geldig en onaantastbaar is, kan aan de orde komen wat de gevolgen van dat besluit zijn voor de arbeidsrechtelijke opzegging. Indien een rechtspersoonsrechtelijk ontslagbesluit nietig dan wel ongeldig is, of ontbreekt, is dus ook het daaruit voortvloeiende arbeidsrechtelijke ontslag nietig dan wel ongeldig, of ontbreektdaarvoor een grondslag. Voor een ander oordeel ziet de voorzieningenrechter gelet op de hiervoor genoemde rechtspraak geen ruimte, ook omdat een bestuurder anders steeds en zonder meer op staande voet zou kunnen worden ontslagen, zelfs als daaraan in het geheel geen rechtsgeldig en bevoegd genomen rechtspersoonsrechtelijk ontslag(besluit) ten grondslag ligt, zonder dat die bestuurder daartegen effectief zou kunnen optreden.

ontslag van [eiser] op 14 maart 2022

4.8.

Uit het ontslagbesluit blijkt dat [eiser] op 14 maart 2022 zowel een rechtspersoonsrechtelijk ontslag als een arbeidsrechtelijk ontslag op staande voet heeft gekregen.

4.9.

[eiser] vordert in deze procedure geen vernietiging van het arbeidsrechtelijk ontslag op staande voet op 14 maart 2022. Die mogelijkheid bestaat ook niet meer sinds de inwerkingtreding per 1 juli 2021 van de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen en de invoering van artikel 2:298a BW. Volgens het eerste lid van dit artikel kan de rechter een stichtingsbestuurder-werknemer die zijn ontslag aanvecht niet veroordelen tot herstel van de arbeidsovereenkomst. Met deze bepaling wordt volgens de toelichting recht gedaan aan het belang van de rechtspersoon om te worden bestuurd door personen die het vertrouwen genieten van het orgaan dat voor de samenstelling van het bestuur verantwoordelijk is.

nietigheid/vernietigbaarheid van het rechtspersoonsrechtelijk ontslag

4.10.

[eiser] stelt dat het rechtspersoonsrechtelijke ontslagbesluit van 14 maart 2022 nietig dan wel vernietigbaar is.

4.11.

Op grond van artikel 2:14 lid 1 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten nietig, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. Artikel 2:15 lid 1 BW bepaalt onder meer dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar is wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen (sub a) en wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden ge ëist (sub b). Op grond van artikel 2:8 lid 1 BW moeten een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en statuten bij zijn organisatie zijn betrokken zich zodanig tegenover elkaar gedragen als naar redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Hieronder vallen in deze zaak dus de onderlinge verhoudingen tussen [eiser] en de RvT. Zij moeten bij hun handelen tegenover elkaar zorgvuldigheid betrachten ten aanzien van ieders gerechtvaardigde belangen. Deze zorgvuldigheidseis wordt ingekleurd door de omstandigheden van het geval. De rechter past terughoudendheid bij de beoordeling van de vraag of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in acht heeft genomen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Uit de aard van de rechtsbetrekking van de bestuurder tot de rechtspersoon volgt dat een besluit tot ontslag van een bestuurder niet snel in strijd is met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. Het geven van ontslag is immers een vergaande discretionaire bevoegdheid van de RvT. Tegen deze achtergrond oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.

4.12.

Het ontslagbesluit is genomen door de RvT, die daartoe op grond van artikel 5 lid 6 van de statuten van Stichting Ronduit bevoegd is. Artikel 10 lid 1 van de statuten bepaalt dat de RvT uit vijf personen bestaat, maar volgens artikel 10 lid 13 behoudt een niet voltallige RvT zijn bevoegdheden. Dat betekent in dit geval dat ook slechts twee nog in functie zijnde leden een dergelijke beslissing mogen nemen.

[lid 4] is al drie jaar lid van de RvT en heeft alle van belang zijnde ontwikkelingen meegemaakt. Ook [lid 5] wordt geacht voldoende op de hoogte te zijn van de situatie die tussen de RvT en de bestuurder is ontstaan. Dat de twee voormalige RvT leden, [lid 2] en [lid 3] , tijdens de vergadering op maandagavond 14 maart 2022 als “adviseur” aanwezig waren en deze beslissing kennelijk hebben beïnvloed, zoals ter zitting is gebleken, brengt in het voorgaande geen verandering.

Het ontslagbesluit is dus door een bevoegde RvT genomen.

4.13.

Artikel 5 van de statuten geeft onder meer bepalingen over de schorsing en het ontslag van de bestuurder. Daarbij worden geen termijnen genoemd. Er wordt slechts in de leden 5 en 6 bepaald dat de bestuurder in de gelegenheid wordt gesteld zich in een vergadering van de RvT te verantwoorden.

[eiser] heeft gelijk met zijn stelling dat niet is voldaan aan de in artikel 11 lid 4 van de statuten genoemde termijn voor bijeenroeping van de vergaderingen van de RvT van ten minste zeven dagen. Aan die stelling wordt echter voorbijgegaan. De bepaling is opgenomen onder het hoofdstuk, waarin de werkwijze van de RvT wordt omschreven en is dan ook met name bedoeld om de leden van de RvT in staat te stellen aanwezig te zijn op vergaderingen. Daarnaast heeft de RvT [eiser] de gelegenheid gegeven om zich voorafgaand aan het ontslag tegen het voornemen tot ontslag te verdedigen. [eiser] heeft daarvan ook gebruik gemaakt door een uitgebreide schriftelijke reactie te geven op dit voornemen. Hij had er ook voor kunnen kiezen om bij de vergadering van de RvT op 14 maart 2022 aanwezig te zijn. Dat heeft [eiser] niet gedaan. Hij heeft ook niet onderbouwd dat hij nog andere argumenten tegen zijn ontslag had willen aanvoeren, dan die hij in zijn schriftelijke reactie heeft aangevoerd.

4.14.

Het valt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter echter zeker niet uit te sluiten dat de rechter in een eventuele bodemprocedure zal oordelen dat het ontslag met onmiddellijke ingang van [eiser] als bestuurder geen stand houdt, omdat dit besluit in redelijkheid niet (op dat moment) genomen had kunnen worden. Dit geldt temeer nu [eiser] ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit al een kort geding aanhangig had gemaakt tegen het - vooruitlopend op een ontslag - door de RvT genomen schorsingsbesluit van 11 februari 2022. In deze zaak was al een mondelinge behandeling gepland op 17 maart 2022. De voorzieningenrechter licht zijn oordeel als volgt nader toe.

4.15.

De functie van de RvT is omschreven in artikel 10 lid 1 van de statuten: het toezicht houden op het beleid van het bestuur en de algemene gang van zaken in de stichting. Uit de in het geding gebrachte stukken blijkt dat [eiser] een vakinhoudelijk goede bestuurder is. Van enig probleem op het gebied van het beleid of de algemene gang van zaken in de stichting is niet gebleken. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat Stichting Ronduit financieel gezond is, dat de kwaliteit van het onderwijs op de bestuurde scholen in orde is, dat de leeropbrengsten goed zijn, ouders en personeel tevreden zijn en dat het aantal leerlingen stabiel is, met een kleine groei. Ter zitting is door de RvT, in de persoon van [lid 4] , erkend dat de wijze waarop [eiser] de functie van bestuurder heeft vervuld ook geen (doorslaggevende) rol heeft gespeeld bij het nemen van het ontslagbesluit. Vaststaat dat het gaat om een samenwerkingsprobleem tussen de RvT en [eiser] . [eiser] is niet ontslagen vanwege zijn functioneren als bestuurder. Alleen al daarom is het zeer de vraag of de RvT, die toezicht houdt op het college van bestuur, zich door het nemen van dit besluit heeft gericht naar het belang van de stichting, de scholen die door de stichting in stand worden gehouden en het belang van de samenleving, zoals artikel 10 lid 14 van de Statuten voorschrijft. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting volgt eerder het tegendeel. Daarnaast is niet gebleken dat de RvT het belang van [eiser] , die nu 64 jaar oud is en een lange en gewaardeerde staat van dienst heeft, bij het behoud van zijn baan voldoende in acht heeft genomen.

4.16.

Het enkele feit dat [eiser] heeft aangegeven dat het aanstellen van een tweede bestuurslid voor hem niet bespreekbaar is, maakt het voorgaande niet anders. Dat [eiser] voorafgaande aan zijn schorsing actief een politieke partij (OPA) en/of de voormalig voorzitter van de RvT heeft geïnformeerd over de situatie bij Stichting Ronduit, acht de voorzieningenrechter op voorhand niet voldoende onderbouwd. Daarbij is in aanmerking genomen dat er - zo heeft mr. Dijkstra terecht opgemerkt - genoeg andere personen op de hoogte waren van de problemen die er speelden binnen Stichting Ronduit, waaronder alle GMR en MR leden, personeelsleden en directieleden. Overigens is - zelfs als [eiser] de informatie zou hebben doorgespeeld - de vraag of een schorsing of ontslag een redelijke reactie is op het wereldkundig maken van problemen tussen bestuurder en RvT.

4.17.

Bij het voorgaande acht de voorzieningenrechter ook van belang dat de door partijen zo genoemde ‘stakeholders’ op onderwijsgebied in oktober 2021 - toen de RvT aandrong op een vertrekregeling - niet hebben aangegeven dat zij [eiser] als bestuurder niet meer zagen zitten, wat [lid 4] ter zitting heeft erkend. Uit de stukken blijkt dat de GMR op 13 december 2021 van mening was dat (de termijn van) het vertrek van de bestuurder schadelijk zou zijn voor de organisatie. Ook het directeurenteam heeft op 14 december 2021 steun uitgesproken voor [eiser] . In februari 2022 genoot [eiser] nog steeds het vertrouwen van de schooldirecteuren en van het bestuursbureau. Pas nadat het ontslagbesluit was genomen, heeft een aantal stakeholders kennelijk begrip getoond voor dit besluit.

4.18.

Een kort geding leent zich niet voor een integrale beoordeling van de uitvoerige standpunten van partijen over de vraag wie het gelijk aan zijn kant heeft wat betreft het ontslag van [eiser] en de overige verschillen van inzicht tussen RvT en [eiser] . De standpunten daarover zijn tegenstrijdig en vergen waarschijnlijk nadere bewijslevering.

Gelet op al het voorgaande staat niet op voorhand vast dat de visie van [eiser] over zijn ontslag onjuist is. Daarom dient hij de gelegenheid te krijgen zijn ontslag in een bodemprocedure aan te vechten. Het is allerminst denkbeeldig dat de bodemrechter tot vernietiging van dit ontslag over zal gaan.

schorsingsbesluit

4.19.

Door een eventuele definitieve vernietiging van het ontslagbesluit herleeft het verlengde schorsingsbesluit, dat onder meer inhoudt dat [eiser] de toegang tot alle locaties en gebouwen van de Stichting Ronduit is ontzegd. Schorsing van een bestuurder is een ingrijpende en diffamerende maatregel met verstrekkende gevolgen. Desondanks heeft de RvT [eiser] , die als bestuurder goed functioneert, met onmiddellijke ingang geschorst. Dit klemt temeer nu de RvT [eiser] op 20 december 2021 twee opties heeft geboden, te weten:

1) opnieuw onderhandelen over een vaststellingsovereenkomst of 2) mediation en het ontwikkeltraject voortzetten.

Stichting Ronduit heeft de voorzieningenrechter ter zitting desgevraagd niet kunnen overtuigen van de noodzaak om betrekkelijk kort daarna al over te gaan tot schorsing van [eiser] . Het had, mede gelet op de door [eiser] gemaakte keuze voor optie 2, voor de hand gelegen als partijen die met elkaar een samenwerkingsprobleem hebben eerst in onderling overleg onder begeleiding van een coach of een andere externe deskundige hadden geprobeerd om hun samenwerking te verbeteren en de relatie weer werkbaar te maken. Dat partijen een mediationtraject hebben gevolgd, brengt daarin geen verandering.

4.20.

Overigens merkt de voorzieningenrechter nog op dat het de vraag is of het schorsingsbesluit rechtsgeldig is genomen. Dit besluit is namelijk genomen door een RvT van vijf personen, waaronder [lid 2] en [lid 3] , van wie de herbenoeming op 17 februari 2022, zes dagen na de schorsing, met terugwerkende kracht is ingetrokken. Ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit waren dus uitsluitend [lid 5] en [lid 4] volwaardig lid van de RvT.

4.21.

Bij al het voorgaande is ook in aanmerking genomen dat [eiser] zich in de van belang zijnde periode terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij alleen in gesprek wilde gaan met een bevoegde RvT.

conclusie

4.22.

Uit al het vorenstaande volgt dat de gevorderde intrekking van het schorsingsbesluit zal worden toegewezen. De hiervoor onder 3.1. onder I sub 2, 3 en 4 weergegeven vorderingen zijn eveneens toewijsbaar. Als prikkel tot nakoming zal aan deze veroordelingen een dwangsom worden verbonden. In verband met de eisen van proportionaliteit zal deze dwangsom worden gemaximeerd.

4.23.

Daarnaast zal het ontslagbesluit van 14 maart 2022 worden geschorst, totdat in de nog aanhangig te maken bodemprocedure over de rechtsgeldigheid daarvan is beslist, waarbij aan [eiser] een salaris van € 9.554,- per maand zal worden toegekend, vermeerderd met vakantiebijslag en overige emolumenten vanaf 14 maart 2022, tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd.

vordering tot schorsing leden RvT

4.24.

[eiser] heeft ook gevorderd dat de voorzieningenrechter op grond van artikel 2:298 lid 4 BW de RvT leden schorst. Uitgangspunt daarbij is dat schorsing door een rechter in beginsel is voorbehouden aan de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam. Dat volgt uit artikel 2:349a lid 2 en 3 BW en artikel 2:355 j ° artikel 2:356 sub b BW. Dat geldt ook voor een schorsing bij wijze van onmiddellijke tijdelijke voorziening. Schorsing is volgens laatstgenoemde bepalingen aan de orde indien het door de Ondernemingskamer gelaste onderzoek wanbeleid aan het licht heeft gebracht.

4.25.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] onvoldoende gesteld om een spoedeisend belang bij dit onderdeel van zijn vordering te kunnen aannemen. Bovendien is de - voor zover vereist - gevorderde schorsing van de leden van de RvT door de voorzieningenrechter in de inleidende dagvaarding niet (voldoende) onderbouwd. [eiser] heeft, mede bezien in het licht van het door Stichting Ronduit gevoerde verweer, niet (voldoende) aannemelijk gemaakt dat de individuele leden van de RvT van Stichting Ronduit zich schuldig hebben gemaakt aan wanbeleid. Dit betekent dat deze vordering zal worden afgewezen.

kosten

4.26.

Stichting Ronduit zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- betekening dagvaarding € 125,03

- griffierecht 314,-

- salaris advocaat 1.016,-

Totaal € 1.455,03

slotoverweging

4.27.

De voorzieningenrechter realiseert zich dat er door de beslissingen over en weer nu een situatie ontstaat die vraagt om oplossingen voor de korte termijn. In het belang van de Stichting Ronduit en het onderwijs dat op de scholen van de stichting wordt gegeven geeft de voorzieningenrechter partijen sterk in overweging om zo spoedig mogelijk te gaan werken aan hun onderlinge samenwerkingsprobleem. Zoals hiervoor onder 4.19 is gesuggereerd, zou dat kunnen onder begeleiding van een coach of een andere externe deskundige. Het moet mogelijk zijn om de relatie in ieder geval weer in zoverre werkbaar te maken dat het onderwijs hiervan niet te lijden zal hebben. Daarbij kan het benoemen van drie nieuwe leden van de RvT ook een rol spelen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt Stichting Ronduit om binnen twee dagen na dit vonnis het schorsingsbesluit van 11 februari 2022 in te trekken,

5.2.

veroordeelt Stichting Ronduit om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis [eiser] toe te laten tot zijn werkzaamheden bij Stichting Ronduit, hem de toegang te verlenen tot alle gebouwen en terreinen van Stichting Ronduit en tot de digitale werkomgeving,

5.3.

veroordeelt Stichting Ronduit om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis [eiser] toe te staan dat hij zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid uitoefent en hem toe te staan om zijn taken als bestuurder uit te oefenen en ervoor zorg te dragen dat hij als zodanig bij de Kamer van Koophandel staat ingeschreven waarbij uit het handelsregister blijkt dat hij vertegenwoordigingsbevoegd is,

5.4.

veroordeelt Stichting Ronduit om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis binnen de organisatie van Stichting Ronduit aan ieder personeelslid van Stichting Ronduit een e-mail te zenden met de inhoud: “De Raad van Toezicht heeft de heer [eiser] niet rechtsgeldig geschorst en ontslagen als bestuurder van de Stichting Ronduit. De heer [eiser] zal weer als statutair bestuurder aan het werk gaan.”,

5.5.

veroordeelt Stichting Ronduit om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan één van de in de hiervoor onder 5.1. tot en met 5.4. uitgesproken hoofdveroordelingen voldoet, tot een maximum van € 150.000,- is bereikt,

5.6.

veroordeelt Stichting Ronduit om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis het ontslagbesluit van 14 maart 2022 te schorsen, totdat er in een (binnen twee maanden na 14 maart 2022 aanhangig gemaakte) bodemprocedure over de rechtsgeldigheid van het genomen ontslagbesluit bij eindvonnis is beslist,

5.7.

veroordeelt Stichting Ronduit om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] het salaris van € 9.554,- per maand te betalen, te vermeerderen met vakantiebijslag en overige emolumenten vanaf 14 maart 2022, tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd,

5.8.

veroordeelt Stichting Ronduit in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.455,03, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.9.

veroordeelt Stichting Ronduit in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Stichting Ronduit niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.10.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.11.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 31 maart 2022.

HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2713 en NJ 2005/838 en HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2030 en NJ 2005/484

HR 26 oktober 1984, ECLI:NL:HR:2005:AS2713 en NJ 1985/375

Gerechtshof Amsterdam 26 april 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BC6834 en JOR 2008/63, en Gerechtshof Leeuwarden 6 augustus 2008, ECLI:NL:GHLEE:2008:BD9776 en JAR 2008/242

Kamerstukken II 2015/16, 34 491, 3, p. 18

HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145

type: PY

coll:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature