< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Tussenvonnis. Ambtshalve toetsing. Kredietovereenkomst. Titel 7:2A van toepassing. Voornemen vernietiging.

Uitspraak



RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8953509 \ CV EXPL 21-16

Uitspraakdatum: 4 augustus 2021

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

Kedin Consumenten Financieringen B.V.

gevestigd te Rotterdam

de eisende partij

gemachtigde: Legalsteps

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

de gedaagde partij

niet verschenen

1 De procedure

1.1.

De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend.

2 De beoordeling

2.1.

De eisende partij heeft gevorderd de gedaagde partij te veroordelen tot betaling van € 39,60 te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten.

2.2.

De gedaagde partij is een consument, althans wordt vermoed consument te zijn.

2.3.

De eisende partij stelt dat partijen een kredietovereenkomst zonder rente of kosten zijn overeengekomen.

Krediet

2.4.

Op grond van artikel 7:58 lid 2 onder e van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn de bepalingen van titel 7:2A BW niet van toepassing als er geen rente of kosten of slechts onbetekenende kosten in rekening worden gebracht.

2.5.

Het doel van de Richtlijn consumentenkrediet, die aan de bepalingen van titel 7:2A BW ten grondslag ligt, is een hoge bescherming waarborgen voor de consument en te voorkomen dat kredietgevers zich inlaten met onverantwoordelijke leningspraktijken.

Kosten van het krediet

2.6.

Om een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen heeft de Europese wetgever in artikel 3, onder g, van de Richtlijn consumentenkrediet het begrip “totale kosten van het krediet voor de consument” heel ruim omschreven. Het begrip “geen of onbetekenende kosten” houdt om diezelfde reden in dat er hooguit sprake kan zijn van een kleine vergoeding.

2.7.

Op grond van artikel 7:57 lid 1 onder g BW wordt onder “totale kosten van het krediet voor de consument” verstaan: alle kosten die de consument moet maken voor een consumptief krediet, bijvoorbeeld de rente, commissielonen, administratiekosten, vergoedingen voor bemiddelaars en de kosten voor nevendiensten die een consument verplicht in combinatie met het krediet moet afnemen, waaronder verzekeringspremies, bijbehorende assurantiebelasting en de kosten voor betaalmiddelen waarmee kredietopnemingen kunnen worden verricht.

2.8.

De naam die aan de kosten wordt gegeven is niet relevant. Het gaat erom of de kosten samenhangen met het krediet en of de verschuldigdheid van deze kosten onderdeel uitmaakte van het kredietaanbod. Het omvat de kosten in verband met de kredietverkrijging en de kosten in verband met het gebruik ervan in de tijd. Alleen notariskosten vallen expliciet buiten de definitie van totale kosten.

2.9.

Op grond van artikel 7:74 sub h BW en vaste jurisprudentie (HvJ EU 8 december 2016, C-127/15, ECLI:EU:C:2016:934, en conclusie Advocaat-Generaal, ECLI:EU:C:2016:584 punt 41) vallen ook de kosten uit hoofde van het kredietrisico (dat wil zeggen risico van wanbetaling door kredietnemer) onder het begrip kredietvergoeding. Deze zijn dus aan te merken als kosten van het krediet. Dit houdt in dat de door de eisende partij bij de gedaagde partij in rekening gebrachte niet-nakomingskosten, dat wil zeggen de bedongen rente, tot de kosten van het krediet moeten worden gerekend.

2.10.

Dit betekent dat het door de eisende partij aangeboden krediet niet kosteloos is. De bedongen rente die in rekening is gebracht, is niet als onbetekenend aan te merken. Dat deze bij aanmaning in rekening gebrachte kosten vervolgens bij dagvaarding niet worden gevorderd, maakt dat niet anders.

2.11.

Voorts blijkt uit de voorwaarden dat de eisende partij een pandrecht op alle vorderingen tot vergoeding van de met het krediet gekochte telefoon heeft bedongen, maar de eisende partij licht dat niet toe.

Consumentenkrediet

2.12.

Uit het voorgaande volgt dat op grond van artikel 7:58 BW de bepalingen van titel 7:2A BW op deze overeenkomst van toepassing zijn.

(Pre)contractuele informatieverplichtingen kredietovereenkomst

2.13.

De door de eisende partij op dit moment toegelichte wijze van contracteren voldoet naar het oordeel van de kantonrechter niet aan de wettelijke vereisten van een kredietovereenkomst.

2.14.

Dat de gedaagde partij voor het sluiten van de overeenkomst op duidelijke en begrijpelijk wijze is geïnformeerd over de afbetalingstermijn, de kosten van het krediet en zijn herroepingsrecht is niet komen vast te staan. Het enkel verplicht aanvinken van een link naar de algemene voorwaarden van de eisende partij volstaat in ieder geval niet.

2.15.

Bovendien heeft de eisende partij de gedaagde partij, voordat hij gebonden was aan de overeenkomst, onjuist geïnformeerd. In het overgelegde ESIC-formulier staat namelijk dat voor wanbetaling geen kosten worden aangerekend. Maar uit de algemene voorwaarden genaamd “aflopend consumentenkrediet zonder rente en kosten” blijkt dat de eisende partij in artikel 7 kosten bij niet-tijdige betaling heeft bedongen. Het gaat dan om rente over de vervallen en niet-betaalde termijnen. Het verstrekken van onjuiste informatie met betrekking tot de kosten van het krediet is op grond van artikel 6:193j lid 3 BW een oneerlijke handelspraktijk.

Kredietwaardigheidstoets

2.16.

Voorts is niet gesteld of gebleken dat de eisende partij de kredietwaardigheid van de gedaagde partij heeft getoetst. Uit de summiere stellingen van de eisende partij en de geciteerde algemene voorwaarden blijkt dat er kennelijk een acceptatietoets wordt gedaan. De eisende partij licht deze toets niet toe.

2.17.

De kredietwaardigheidstoets heeft als doel de consument te beschermen tegen overkreditering en te voorkomen dat kredietgevers zich inlaten met onverantwoordelijke leningspraktijken. Dit risico is voor kleine leningen zoals in deze zaak aanwezig, omdat de door de eisende partij aangeboden kredieten worden afgesloten ter financiering van aankopen, zoals in dit geval een telefoon van (afgerond) € 128,80, die door een consument met voldoende kredietwaardigheid in beginsel zonder lening kunnen worden aangeschaft.

Conclusie

2.18.

Op basis van de overgelegde stukken kan op dit moment niet worden vastgesteld dat de eisende partij haar wettelijke (pre-)contractuele informatieverplichtingen is nagekomen en de kredietwaardigheidstoets heeft verricht.

2.19.

De eisende partij wordt opgedragen een nadere toelichting te geven ten aanzien van de

kredietwaardigheidstoets en de (pre)contractuele informatieverplichtingen met inachtneming van wat hiervoor daarover is overwogen. De eisende partij dient haar stellingen te motiveren en te onderbouwen. Indien aan bedoelde opdrachten niet of niet volledig wordt voldaan, zal de kantonrechter daaraan op grond van de artikelen 22 en 139 Rv de gevolgen verbinden die geraden voorkomen. Ambtshalve vernietiging van de kredietovereenkomst op grond van artikel 3:40 lid 2 BW ligt hierbij in de rede. De eisende partij dient zich ook uit te laten over deze mogelijke sanctionering.

Gevolgen van eventuele vernietiging

2.20.

De eisende partij heeft zich, (uiterst) subsidiair, beroepen op ongerechtvaardigde verrijking. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 12 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:236, r.o. 3.16) komt de vordering niet op die grondslag voor toewijzing in aanmerking.

2.21.

Ingevolge artikel 3:53 jo. 6:203 BW moet de gedaagde partij bij vernietiging van de overeenkomst in beginsel het geleende geld terugbetalen aan de eisende partij en moet de eisende partij de reeds betaalde krediet- en vertragingsvergoeding terugbetalen aan de gedaagde partij. De kantonrechter stelt echter vast dat de eisende partij niet (mede) onverschuldigde betaling aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, zodat deze gevolgen zich op dit moment niet voordoen. Nu onderhavige overeenkomst een goederenkrediet betreft kan vernietiging ook gevolgen hebben voor de door de gedaagde partij gekochte mobiele telefoon.

2.22.

Indien de eisende partij meent dat daartoe aanleiding bestaat, dient zij een wijziging van (de grondslag van) haar vordering in het geding te brengen die voldoet aan de eisen van artikel 130 lid 3 Rv .

2.23.

Iedere verdere beslissing wordt in dit stadium van het geding aangehouden.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

beveelt de eisende partij haar stellingen nader toe te lichten door de inlichtingen te verstrekken zoals onder de beoordeling onder 2.19. is uiteengezet, bij akte, te nemen op de rol van 1 september 2021;

3.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Greef en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature