< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Megazaak Himalaya. Beslissingen op onderzoekswensen.

Namens twee verdachten zijn onderzoekswensen ingediend met betrekking tot "de observatie van twee advocaten in Dubai". De rechtbank wijst deze verzoeken af, omdat onvoldoende onderbouwd is dat de observatie in het onderzoek Himalaya heeft plaatsgevonden.

Uitspraak



RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locaties Haarlemmermeer en Haarlem

Meervoudige strafkamer

Megazaak “Himalaya”

Datum beslissing: 13 oktober 2020

Beslissing naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 september 2020 in de strafzaken tegen verdachten

[verdachte 1] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1] ,

thans gedetineerd in de [penitentiaire inrichting 1] ,

raadsman: mr. L.J.B.G. van Kleef, advocaat te Amsterdam

(parketnummers: 15/860205-19 en 15/860071-20 (niet gevoegd))

en

[verdachte 2] ,

geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] ,

thans gedetineerd in de [penitentiaire inrichting 2] ,

raadsman: mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam

(parketnummers: 15/870566-18 en 15/871938-18 (gevoegd))

1 Procesverloop

Op 16 september 2020 heeft in de bovengenoemde strafzaken – die onderdeel zijn van de megazaak “Himalaya” – een pro forma zitting plaatsgevonden.

Verdachte [verdachte 1] is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. Van Kleef.

Verdachte [verdachte 2] is eveneens verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. I.N. Weski, die waarnam voor de raadsman van verdachte.

Als officieren van justitie waren aanwezig: [zaaksofficier 1] en [zaaksofficier 3] .

Voorafgaand aan deze zitting heeft de raadsman van verdachte [verdachte 1] , mr. Van Kleef, bij e-mails van 14 en 15 september 2020 een aantal stukken aan de rechtbank toegezonden, namelijk:

- een (kopie van een) handgeschreven, ongedateerde, verklaring van verdachte [verdachte 1] ;

- een publicatie in het Algemeen Dagblad van 21 augustus 2020, getiteld “Politie volgde advocaten in klopjacht op Taghi, advocatuur woedend”;

- een reactie op deze publicatie van het Openbaar Ministerie, in de persoon van officier van justitie mr. E. Harderwijk, verbonden aan het Landelijk Parket.

Ter terechtzitting van 16 september 2020 hebben de raadslieden van verdachten [verdachte 1] en [verdachte 2] – overeenkomstig de inhoud van de door hen overgelegde pleitaantekeningen (met bijlagen) – verschillende onderzoekswensen ingediend, ten aanzien van het onderwerp dat hierna (onder 2) zal worden geschetst.

De officieren van justitie hebben ter terechtzitting – overeenkomstig de inhoud van de door hen overgelegde schriftelijke reactie – op die wensen gereageerd.

Vervolgens heeft de rechtbank – in overleg met partijen – besloten dat alleen de raadslieden een tweede, zij het schriftelijke, termijn krijgen, waarin zij op de reactie van de officieren van justitie kunnen reageren, waarna de rechtbank zal beslissen.

Op 27 september 2020 hebben beide raadslieden een schriftelijke reactie ingediend.

De raadsman van verdachte [verdachte 1] , mr. Van Kleef, heeft daarbij het volgende stuk als bijlage toegezonden:

- een gedeelte van een schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie in de megazaak “Marengo” (pagina’s 13-19 van 56).

2 Aanleiding tot de onderzoekswensen

Op 21 augustus 2020 is op de site van het Algemeen Dagblad een artikel verschenen met als titel: “Politie volgde advocaten in klopjacht op Taghi, advocatuur woedend”. Dit artikel, geschreven door journalisten Koen Voskuil en Yelle Tieleman, houdt onder meer het volgende in:

“In de jacht op de toen nog voortvluchtige topcrimineel Ridouan Taghi heeft de politie advocaten Nico Meijering en Leon van Kleef gevolgd op Schiphol en in Dubai. Dat blijkt uit onderzoek van deze site. Advocaten zijn woedend over de observaties en zeggen dat de politie hen hiermee ernstig in gevaar brengt.

Terwijl Ridouan Taghi zich schuilhield in de oliestaat Dubai, ontving de politie in juni 2019 een tip dat advocaat Nico Meijering hem daar hoogstwaarschijnlijk zou ontmoeten. De politie nam daarop de ongebruikelijke beslissing de Amsterdamse advocaat te volgen.

Tijdens een observatie op Schiphol zag de politie dat Meijering samen met zijn kantoorgenoot Leon van Kleef op 19 juni 2019 het vliegtuig nam naar Dubai. Daar werden de advocaten door lokale rechercheurs gevolgd. Die rapporteerden aan Nederland dat Meijering en Van Kleef niet afspraken met Taghi, maar met hun eigen cliënt Khalid J. De operatie leverde niets op.”

en

“Op 18 juni 2019 ontvangt het TCI, de geheime dienst van de Nederlandse politie, een belangrijke tip. De Amsterdamse strafpleiter Nico Meijering zou in juni 2019 naar Dubai reizen om daar Taghi te ontmoeten. Meijering is niet de advocaat van Taghi, maar staat samen met een aantal kantoorgenoten verschillende verdachten in het Marengoproces bij.

Voor de politie is het een uitgelezen kans om Taghi in het vizier te krijgen, maar het volgen van een advocaat is omstreden. Het tast de vertrouwelijke relatie aan tussen advocaat en cliënt. Toch neemt de politie deze uitzonderlijke stap. Een bron zegt daarover: „Alles is uit de kast getrokken. Alles was geoorloofd in de jacht op Taghi.”

De politie vraagt vluchtgegevens op en stelt vast dat Meijering een ticket heeft geboekt. Een dag later staan observanten van de Nederlandse politie op luchthaven Schiphol klaar om Meijering te schaduwen. Hij blijkt niet alleen te zijn, zijn kantoorgenoot Leon van Kleef vergezelt hem. De Nederlandse politie geeft de informatie door aan de politie in het emiraat, met het verzoek de twee te volgen en hun ontmoetingen vast te leggen.

Met behulp van de lokale politie in Dubai worden Meijering en Van Kleef geobserveerd als zij in een hotellobby gesprekken voeren. Maar Taghi komt niet opdagen. Wel zien de agenten dat de advocaten een ontmoeting hebben met iemand anders: de Amsterdamse crimineel Khalid J., die door de politie tot Taghi’s netwerk wordt gerekend. Khalid J. is een klant van het kantoor van de twee advocaten.”

Naar aanleiding van deze publicatie heeft het Openbaar Ministerie (Landelijk Parket) een persbericht uitgegeven, met als kop: “Reactie aan AD en andere media over het observeren van advocaten in zoektocht naar Ridouan T.”. Dit persbericht luidt als volgt:

“Medio 2019 was de opsporing van Ridouan T., hoofdverdachte in het Marengo-proces, in volle gang. Hij stond op de Nationale Opsporingslijst en was de meest gezochte verdachte voor de Nederlandse politie en justitie.

Het achterhalen van zijn verblijfplaats en zijn aanhouding hadden de hoogste prioriteit, gelet op de zeer ernstige verdenkingen tegen hem. Hij wordt verantwoordelijk gehouden voor het geven van opdracht tot een groot aantal liquidaties. Voor informatie die zou leiden tot zijn aanhouding was een uitzonderlijk hoge beloning van 100.000 euro uitgeloofd. Bovendien ging een ernstige dreiging van T. uit die zou kunnen leiden tot nieuwe moordopdrachten.

Op 18 juni 2019 ontving het politieteam dat de zoektocht naar T. uitvoerde van het Team Criminele Inlichtingen (TCI) informatie, die mogelijk zou kunnen leiden tot het achterhalen van de verblijfplaats van T. Volgens deze informatie zou hoogstwaarschijnlijk in Dubai een ontmoeting plaatsvinden tussen advocaat mr. N. Meijering en T.

Om deze informatie te verifiëren is destijds besloten tot het opvragen van vluchtgegevens en een kortdurende observatie van mr. Meijering op Schiphol om vast te stellen of hij naar Dubai zou vertrekken. Ook is een verzoek gedaan aan de politie in Dubai om hem na aankomst te volgen. In deze beslissing gaf de doorslag dat mr. Meijering niet de advocaat was van T.

Dat gold ook voor zijn kantoorgenoot mr L. van Kleef, die hem op 19 juni bleek te vergezellen op de vlucht naar Dubai. Door hen te observeren zou daarom geen inbreuk worden gemaakt op de vertrouwelijke relatie van een advocaat met zijn cliënt. T. werd in deze fase van het Marengo-proces al vertegenwoordigd door zijn huidige advocaat.

De observatie van beide advocaten in Dubai leidde overigens niet tot het vaststellen van een ontmoeting met T. of het achterhalen van diens verblijfplaats.”

De in de publicatie in het Algemeen Dagblad genoemde Khalid J. betreft verdachte [verdachte 1] .

3 Onderzoekswensen

3.1

Inzake verdachte [verdachte 1]

De raadsman van verdachte [verdachte 1] heeft de volgende verzoeken ingediend, onderverdeeld naar een drietal thema’s.

Ad A: Het observeren

De raadsman wenst zowel de hoofdofficier van justitie als de rechercheofficier van justitie van het Landelijk Parket, de teamleider van het onderzoek naar de verblijfplaats van [T.] , en de liaison officer in Dubai (Verenigde Arabische Emiraten (hierna: VAE)) als getuige ter terechtzitting te horen.

De raadsman wenst hen vragen te stellen over de besluitvorming, voorbereiding, uitvoering en de verwerking van informatie en verantwoording.

Ad B: Het ‘als vreemdeling uitzetten’ van verdachte

De raadsman wenst met betrekking tot dit thema onder meer de zogenoemde counterpart van de Nederlandse liaison officer in de VAE te horen, alsmede “Captain Majid” – over wie verdachte in zijn handgeschreven verklaring heeft geschreven – en de persoon die verantwoordelijk was voor de informatiedeling met de VAE.

Daarnaast wenst de raadsman een overzicht van de ingezette dwangmiddelen in de VAE en verstrekking van bepaalde communicatie en informatie.

Ter onderbouwing heeft de raadsman – onder verwijzing naar een overgelegd proces-verbaal uit het onderzoek 13Orinus – gesteld dat de Nederlandse politie en justitie al bekend waren met een vermeende link tussen verdachte en [T.] en dat het (kort samengevat) niet anders kan zijn dan dat de Nederlandse politie en justitie de autoriteiten van de VAE met deze en andere (onjuiste) informatie over verdachte hebben gevoed, in de hoop dat verdachte hen naar [T.] zou leiden.

Daarbij heeft de raadsman erop gewezen dat verdachte pas door de VAE ‘als vreemdeling is uitgezet’ nadat [T.] kort daarvoor eveneens door de VAE was uitgezet.

Ad C: Het vermeende vluchtgevaar van verdachte

De raadsman wenst met betrekking tot dit thema onder meer de zaaksofficieren van justitie, de teamleider van het onderzoek Himalaya, en de opsteller van het proces-verbaal omtrent de ‘uitzetting’ van verdachte te horen.

Daarnaast wenst de raadsman ook in dit verband bepaalde communicatie verstrekt te krijgen.

Ter onderbouwing heeft de raadsman gesteld dat hij niet gelooft dat de van de VAE verkregen informatie, dat tijdens de observatie van mr. Meijering en hemzelf in Dubai (verdachte) [verdachte 1] is gezien, niet is gedeeld met het onderzoeksteam Himalaya en de zaaksofficieren van justitie.

Naar de overtuiging van de raadsman is dit wel gebeurd en moet hetgeen in het strafdossier is opgenomen omtrent de inzet van zogenoemde BOB-middelen in het najaar van 2019 om de verblijfplaats van verdachte te achterhalen, worden gezien als ‘window dressing’.

Voorts heeft de raadsman nog verzocht om de teamleider te horen van de groep die verdachte in januari 2020 uit Dubai heeft opgehaald, in verband met het door verdachte gestelde maken van foto’s van hem. De verdediging wenst die foto’s, aangeduid als trofeeën, ook toegevoegd te zien aan het strafdossier.

3.2

Inzake verdachte [verdachte 2]

De raadsvrouw van verdachte [verdachte 2] heeft zich aangesloten bij de onderzoekswensen inzake [verdachte 1] .

In aanvulling hierop heeft de raadsvrouw op pagina 8 (boven) en pagina’s 11-12 van haar pleitaantekeningen vragen geformuleerd, die zij door het Openbaar Ministerie beantwoord wenst te zien, en verzoeken gedaan tot het voegen in het strafdossier van bepaalde stukken, althans tot het geven van gelegenheid aan de verdediging om van die stukken kennis te nemen.

Onder verwijzing naar het Zwolsmancriterium, het Karmancriterium en artikel 6 EVRM , heeft de raadsvrouw betoogd dat het bovenstaande onderzoek ook van belang is in de zaak van verdachte [verdachte 2] , ter beantwoording door de rechtbank van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

4 Reactie van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie – bij monde van de zaaksofficieren van justitie [zaaksofficier 1] en [zaaksofficier 3] – heeft zich op het standpunt gesteld dat de onderzoekswensen integraal moeten worden afgewezen. Het heeft daartoe aangevoerd, hetgeen is vermeld in de schriftelijke reactie die is uitgesproken op de terechtzitting van 16 september 2020, onder meer inhoudende:

“Het komt het Openbaar Ministerie voor dat de verdediging in de zaak [verdachte 1] op gekunstelde wijze tracht een strafrechtelijk relevant verband te leggen tussen de observatie in een ander onderzoek en de uitzetting en aanhouding van [verdachte 1] in Himalaya.

Dat verband is er naar het oordeel van het Openbaar Ministerie volstrekt niet.

(…)

Het Himalaya/Dollar/Theezeef OM is (…) niet gekend in of betrokken bij het onderzoek naar de verblijfplaats van [T.] . Evenmin is het Openbaar Ministerie in onderzoek Himalaya/Dollar/Theezeef op enig moment geïnformeerd over de observatie van juni 2019.

(…)

(…) dat de observatie van [verdachte 1] op geen enkele wijze relevant is geweest voor het voorbereidend onderzoek in de zaak Himalaya/Dollar/Theezeef, simpelweg omdat het onderzoeksteam er geen weet van had.”

Specifiek ten aanzien van de onderzoekswensen inzake [verdachte 2] , heeft het Openbaar Ministerie opgemerkt dat het door de verdediging aangehaalde Karman-arrest zag op een specifieke situatie, en dat er voor gewaakt moet worden het Karmancriterium te projecteren op situaties waarop het niet van toepassing is.

5 Beoordeling

5.1

Megazaak “Himalaya”

De onderhavige strafzaken tegen de verdachten [verdachte 1] en [verdachte 2] maken onderdeel uit van de megazaak “Himalaya”. In deze megazaak staan – voor zover van belang – de volgende verdenkingen centraal:

de liquidatie van [slachtoffer 1] op 20 februari 2014 (Himalaya);

de voorbereiding van de liquidatie van [naam] in de periode van juli 2014 – september 2014 (Tienshan);

de liquidatie van [slachtoffer 2] op 13 juli 2014 (Dollar);

de liquidatie van [slachtoffer 3] op 3 september 2014 (Theezeef);

het deelnemen aan een criminele organisatie, zoals die organisatie is omschreven in de tenlasteleggingen.

De persoon [T.] is in deze megazaak niet als verdachte aangemerkt.

5.2

Kader van artikel 359a Sv

De rechtbank begrijpt dat de raadslieden hun onderzoekswensen hebben ingediend met het oog op een eventueel later in de onderhavige strafzaken te doen beroep op het bepaalde in artikel 359a Sv . Die bepaling geeft de strafrechter de bevoegdheid om, indien er in het voorbereidend onderzoek onherstelbaar vormen zijn verzuimd, daaraan bepaalde rechtsgevolgen te verbinden, zoals strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging.

In zijn arrest van 30 maart 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AM2533) overwoog de Hoge Raad omtrent de toepassing van deze bepaling:

3.4.1.

Uit de bewoordingen en de geschiedenis van de totstandkoming van art. 359a Sv alsmede uit het systeem van de wet volgt dat aan de toepassing van dit artikel beperkingen zijn gesteld.

3.4.2.

De toepassing van art. 359a Sv is allereerst beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek. Ingevolge art. 132 Sv moet daaronder worden verstaan het onderzoek dat voorafgaat aan het onderzoek ter terechtzitting. Onder die vormverzuimen zijn blijkens de wetsgeschiedenis met name ook begrepen normschendingen bij de opsporing.

"Het voorbereidend onderzoek" uit art. 359a Sv heeft uitsluitend betrekking op het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte terzake het aan hem tenlastegelegde feit waarover de rechter die in art. 359a Sv wordt bedoeld, heeft te oordelen. Art. 359a Sv is dus niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek. Dat doet zich onder meer voor als het vormverzuim is begaan in het voorbereidend onderzoek inzake een ander dan het aan de verdachte tenlastegelegde feit.

Op 1 juli 2014 heeft de Hoge Raad zijn overzichtsarrest arrest gewezen inzake het oproepen en horen van getuigen op verzoek van de verdediging (ECLI:NL:HR:2014:1496). In dit arrest is onder meer het volgende overwogen:

2.4.

In beginsel heeft de verdachte het recht om ter terechtzitting alle getuigen te doen horen wier verhoor hij in het belang van zijn verdediging acht. Volgens het tegenwoordige Nederlandse stelsel van strafvordering kan de verdachte dat recht effectueren door zelf getuigen mee te brengen naar de terechtzitting. Voor het overige is hij aangewezen op het openbaar ministerie tot wiens taak het behoort getuigen op te roepen. Het openbaar ministerie kan weigeren te voldoen aan een door of namens de verdachte gedaan verzoek tot oproeping van getuigen. Door of namens de verdachte kan vervolgens ter terechtzitting het oordeel van de rechter over die weigering worden ingeroepen. Het openbaar ministerie - en in geval van diens weigering of verzuim de opgegeven getuigen op te roepen: de rechter - kan die oproeping weigeren op onder meer de grond dat de verdachte daardoor redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad (hierna ook aan te duiden als "verdedigingsbelang").

2.5.

In de rechtspraak en de doctrine wordt aangenomen dat die maatstaf het openbaar ministerie onderscheidenlijk de rechter ertoe noopt een verzoek tot oproeping van getuigen te beoordelen vanuit de gezichtshoek van de verdediging en met het oog op het belang van de verdediging bij de inwilliging van het verzoek. Dit brengt mee dat alleen dan kan worden gezegd dat de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, indien de punten waarover de getuige kan verklaren, in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren.

(…)

2.7.

Daaraan kan met het oog op het in de praktijk vaak voorkomende geval dat wordt verzocht om het horen van getuigen ter onderbouwing van een beroep op een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv, nog het volgende worden toegevoegd. Bij zo een verweer wordt van de verdediging verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in die bepaling genoemde factoren wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden, want alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven. In lijn hiermee mag van de verdediging die met het oog op de onderbouwing van zo een verweer getuigen wenst te doen horen aan de hand van wier verklaringen de verdediging de vraag naar de rechtmatigheid van het voorbereidend onderzoek aan de orde wil stellen, worden gevergd dat zij gemotiveerd uiteenzet waarom daartoe getuigen dienen te worden gehoord. Daarbij kan worden aangetekend dat in de regel het verdedigingsbelang zal ontbreken en afwijzing van het verzoek dus voor de hand ligt, indien het vormverzuim waarover de opgegeven getuigen zouden kunnen verklaren, niet kan leiden tot een in art. 359a Sv genoemd rechtsgevolg, bijvoorbeeld omdat het gaat om een vormverzuim dat niet onherstelbaar is of dat niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit.

5.3

Beoordeling onderzoekswensen

Met inachtneming van het hiervoor geschetste kader, komt de rechtbank tot de volgende beoordeling van de ingediende onderzoekswensen.

Begaan in het voorbereidend onderzoek tegen verdachte(n)?

Gezien het strafdossier en gelet op de inhoud van de thans overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat (i) het observeren van de advocaten mr. Meijering en mr. Van Kleef in zowel Nederland als de VAE, inclusief hun ontmoeting(en) met verdachte [verdachte 1] , en (ii) het gestelde nadien verstrekken van (onjuiste) informatie, door de Nederlandse politie en/of justitie aan de lokale autoriteiten van de VAE, en het vervolgens door die autoriteiten (laten) volgen van [verdachte 1] , heeft plaatsgevonden in het voorbereidend onderzoek tegen [verdachte 1] , verdachte [verdachte 2] of enige andere verdachte in de megazaak “Himalaya”.

Het lijkt erop dat een en ander heeft plaatsgevonden in het onderzoek naar (de verblijfplaats van) [T.] , een persoon die in de onderhavige megazaak geen verdachte is.

Het is de rechtbank bekend dat [T.] wél verdachte is in de megazaak “Marengo”.

Het is de rechtbank ook bekend dat de rechtbank Amsterdam, die deze megazaak behandelt, onlangs, op 29 september 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:4764), heeft beslist op onderzoeks-wensen die in meerdere strafzaken die onderdeel uitmaken van de megazaak “Marengo” zijn ingediend met betrekking tot de zogenoemde Dubai-observatie.

Zoals vermeld, is onvoldoende onderbouwd dat dit (tevens) zou hebben plaatsgevonden in het onderzoek naar een of meer van de verdachten in de megazaak “Himalaya”, laat staan dat dit in verband met de onder 5.1 vermelde verdenkingen zou zijn geweest.

Betrokkenheid van ambtenaren verbonden aan de megazaak “Himalaya”?

De rechtbank is verder van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat de met de opsporing en vervolging van de in de megazaak “Himalaya” te berechten feiten en verdachten belaste ambtenaren – in het bijzonder het onderzoeksteam van de politie en de zaaksofficieren van justitie – van de Dubai-observatie, en het gestelde vervolg daarvan, wisten. Daarbij is het volgende van belang.

Op 1 oktober 2019 heeft verbalisant [verbalisant] , op ambtsbelofte, het proces-verbaal van “verdenking van artikel 140 Wetboek van Strafrecht t.a.v. [verdachte 1] ” opgemaakt (map 6, pagina 369 e.v.). Volgens het dossier is verdachte [verdachte 1] naar aanleiding van dit proces-verbaal, op diezelfde datum, als verdachte aangemerkt in de megazaak “Himalaya” (zie onder meer map 50, pagina 155).

In de schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie aan de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank tot het uitvaardigen van een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) tegen verdachte [verdachte 1] , gedateerd 6 november 2019 (map 51, pagina 89), is weergegeven, dat de officier van justitie ( [zaaksofficier 1] ) op 1 oktober 2018

(de rechtbank begrijpt: 2019) een (mondeling) bevel tot aanhouding (buiten heterdaad) tegen verdachte [verdachte 1] heeft uitgevaardigd. Dit laatste is ook in het EAB zelf vermeld (Bundel documenten uitzetting [verdachte 1] , pagina 5, onder b1).

In het dossier zijn verder verschillende processen-verbaal tot de aanvraag van de inzet van zogenoemde BOB-middelen opgenomen, teneinde de verblijfplaats van verdachte [verdachte 1] te achterhalen (zie map 50, pagina 145 e.v.). Deze processen-verbaal, telkens opgemaakt op een datum ná 1 oktober 2019, houden onder andere in:

“Uit onderzoek is gebleken dat de verdachte [verdachte 1] zich mogelijk niet in Nederland bevindt. Waar hij zich dan wel bevindt, is tot op heden niet bekend. Gelet op de ernst van de onderzochte feiten, is het van belang de verdachte zo snel mogelijk op te sporen, aan te houden en voor te geleiden.”

(map 50, pagina’s 146, 160, 166 en 171)

“De verblijfplaats van [verdachte 1] is onbekend. In het GBA (Gemeentelijk Basis Administratie) staat [verdachte 1] per 11 november 2014 geregistreerd als niet ingezetene in verband met emigratie. Gelet op de ernst van de onderzochte feiten, is het van belang de verdachte zo snel mogelijk op te sporen, aan te houden en voor te geleiden.”

(map 50, pagina 151)

(De rechtbank merkt op dat volgens het dossier verdachte [verdachte 1] naar Spanje zou zijn geëmigreerd.)

Er zijn ook daadwerkelijk BOB-middelen ingezet om de verblijfplaats van verdachte [verdachte 1] te achterhalen.

Voorts is, zoals hiervoor al is vermeld, een EAB – een Europees (en dus niet wereldwijd) aanhoudingsbevel – tegen verdachte [verdachte 1] uitgevaardigd.

Dit alles duidt er niet op dat de in de megazaak “Himalaya” met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren weet hadden van het verblijf van verdachte [verdachte 1] in Dubai (VAE).

De hiervoor onder 3.1 (Ad C) vermelde stelling van de raadsman van verdachte [verdachte 1] dat deze ambtenaren dat wél wisten en dat hetgeen in het dossier is opgenomen omtrent de inzet van voornoemde BOB-middelen moet worden gezien als ‘window dressing’, is naar het oordeel van de rechtbank volstrekt onvoldoende onderbouwd.

Deze stelling impliceert dat politie en justitie bewust meerdere stukken, processen-verbaal en (BOB-)vorderingen, onjuist dan wel valselijk hebben opgemaakt, teneinde de rechtbank en de verdediging te misleiden. Voor die vergaande stelling bevat het huidige dossier geen aanwijzingen.

In de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie op de onderzoekswensen is vermeld dat het onderzoeksteam en het ‘Himalaya/Dollar/Theezeef OM’ niet is gekend, niet is betrokken en niet is geïnformeerd in/bij/over de Dubai-observatie.

Deze reactie is uitgesproken ter terechtzitting van 16 september 2020, op welke zitting als zaaksofficieren van justitie aanwezig waren [zaaksofficier 1] en [zaaksofficier 3] .

Naast deze twee officieren van justitie is er nog een derde zaaksofficier van justitie, te weten [zaaksofficier 2] , verbonden aan het parket Amsterdam.

De rechtbank ziet aanleiding – omdat [zaaksofficier 2] niet ter zitting aanwezig was en om hierover geen misverstand te laten bestaan – deze officier van justitie een proces-verbaal te laten opmaken, waarin zij relateert of, en zo ja op welke wijze en wanneer, zij is gekend, betrokken en/of geïnformeerd in/bij/over de Dubai-observatie.

Voorts acht de rechtbank het van belang dat deze officier van justitie daarnaast relateert of, en zo ja per wanneer, zij bekend is (geraakt) met (i) het ter terechtzitting van 16 september 2020 door de raadsman van verdachte [verdachte 1] overgelegde proces-verbaal van bevindingen uit het onderzoek 13Orinus, gedateerd 10 december 2018, en (ii) het al eerder, ter zitting van 7 april 2020, door de raadsman van verdachte [verdachte 1] overgelegde (LIRC) proces-verbaal betreffende internationale politieinformatie, gedateerd 23 mei 2018.

Indien deze officier van justitie reeds in een vroeg stadium bekend was met eerdergenoemd proces-verbaal uit het onderzoek 13Orinus, verzoekt de rechtbank haar tevens in te gaan op de vraag, hoe dit zich verhoudt tot het gegeven dat volgens het dossier verdachte [verdachte 1] niet eerder dan op 1 oktober 2019 als verdachte in de megazaak “Himalaya” is aangemerkt.

Afgezien hiervan, ziet de rechtbank, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, thans geen reden nader onderzoek te gelasten zoals door de raadslieden is verzocht.

Immers, onvoldoende is onderbouwd dat hetgeen volgens de raadslieden nader moet worden onderzocht heeft plaatsgevonden in het voorbereidend onderzoek tegen verdachten [verdachte 1] , [verdachte 2] of enige andere verdachte in de megazaak “Himalaya”.

Voorts is – althans op dit moment – onvoldoende onderbouwd dat het onderzoeksteam en de zaaksofficieren van justitie van de onderhavige megazaak op de hoogte waren van de Dubai-observatie en dat zij op enigerlei wijze daarbij betrokken zijn geweest.

Dit leidt tot de slotsom dat, niet alleen kijkend naar artikel 359a Sv , maar ook naar artikel 6 EVRM , het verzochte onderzoek niet van belang is voor enige in de megazaak “Himalaya” door de rechtbank te nemen beslissing.

Uitzetting verdachte [verdachte 1] uit Dubai

Wat betreft de feitelijke uitzetting van verdachte [verdachte 1] uit Dubai (VAE) voegt de rechtbank hier nog het volgende aan toe.

Op 23 januari 2020 heeft de rechtbank de officieren van justitie opgedragen een (aanvullend) proces-verbaal op te (laten) maken over de precieze gang van zaken rond de feitelijke overdracht van verdachte [verdachte 1] door Dubai aan Nederland.

Op 4 mei 2020 heeft het Openbaar Ministerie de “Bundel documenten uitzetting [verdachte 1] ” aan de rechtbank en de raadsman verstrekt. De rechtbank heeft deze bundel op 2 juli 2020 aan het dossier toegevoegd.

Bij beslissing van 10 juli 2020 heeft de rechter-commissaris beslist op de onderzoekswensen van de raadsman van verdachte [verdachte 1] . Een aantal van die wensen zag op dit onderwerp.

Ter terechtzitting van 16 september 2020 heeft de raadsman geen opmerkingen over deze beslissing gemaakt.

De rechtbank acht zich op dit punt voldoende voorgelicht en ziet geen noodzaak op dit punt, dat eerder onderwerp van debat is geweest, nader onderzoek te gelasten.

6 Beslissing

De rechtbank:

Wijst de onderzoekswensen in de strafzaken van verdachten [verdachte 1] en [verdachte 2] – voor zover die wensen zien op de Dubai-observatie – af.

Draagt de officier van justitie [zaaksofficier 2] op een proces-verbaal op te maken zoals op pagina 9, tweede alinea, bedoeld.

Stelt de stukken in handen van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank teneinde al datgene te doen wat de rechter-commissaris, in overleg met de officieren van justitie en de verdediging, noodzakelijk of wenselijk acht.

Bepaalt dat deze beslissing ook zal worden gevoegd in de dossiers van de strafzaken van de verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , de raadslieden van welke verdachten zich bij de onderhavige wensen hebben aangesloten.

Samenstelling rechtbank

Deze beslissing is gegeven door

mr. S. Jongeling, voorzitter,

mr. C.A.M. van der Heijden en mr. M.E. Allegro, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Z.T. Pronk,

ondertekend door de voorzitter en de griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2020.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature