< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Verstek. ANWB. Tussenvonnis. In de winkel gesloten overeenkomst. Verzekeringsovereenkomst? Ambtshalve toetsing.

Uitspraak



RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8238855 CV EXPL 19-19781

Uitspraakdatum: 22 juli 2020

Verstekvonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap ANWB B.V.

te 's-Gravenhage

de eisende partij

gemachtigde: Gerechtsdeurwaarderskantoor De Klerk Vis Niekus

tegen

[gedaagde]

te [woonplaats]

de gedaagde partij

niet verschenen

1 De procedure

1.1.

De eisende partij heeft de gedaagde partij gedagvaard. Tegen de gedaagde partij is verstek verleend. Bij tussenvonnis van 29 januari 2020 heeft de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid gesteld haar vordering nader toe te lichten, hetgeen zij bij akte van 22 april 2020 heeft gedaan.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Zoals in het tussenvonnis al is aangegeven bevat de onderhavige dagvaarding onvoldoende informatie om aan de eisen van artikel 21 Rv te voldoen. Bovendien is sprake van een schending van artikel 111 lid 2 sub d Rv. Het had de eisende partij, als “repeat player”, inmiddels bekend moeten zijn dat zaken betreffende consumentenovereenkomsten, zoals de onderhavige, ambtshalve op veel onderdelen moeten worden getoetst en dat zij daarom niet kon volstaan met de beperkte informatie die in de dagvaarding is gesteld en verstrekt. Ondanks deze ontoereikende onderbouwing van de vordering, is de eisende partij in overeenstemming met landelijke afspraken omtrent ambtshalve toetsing in het tussenvonnis nog een gelegenheid gegeven de ontbrekende informatie in het geding te brengen. De eisende partij heeft daarop bij akte nadere informatie verstrekt.

2.2.

Een en ander neemt niet weg dat, mede gelet op de aard van de overeenkomst, in dit stadium nog steeds informatie ontbreekt die de kantonrechter nodig acht voor de verdere beoordeling van de vordering. De eisende partij zal daarom in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten over de later in dit vonnis op te nemen vragen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Verzekeringsovereenkomst

2.3.

Uit de dagvaarding, de akte en de overgelegde producties (waarbij ten aanzien van de toepasselijke algemene voorwaarden geldt dat deze niet zijn overgelegd, maar een link is opgenomen naar de digitale vindplaats van deze voorwaarden) begrijpt de kantonrechter dat de gedaagde partij in een ANWB-winkel een overeenkomst met de eisende partij heeft gesloten. De overeenkomst betreft het product/de dienst: lidmaatschap ANWB met Wegenwacht Nederland Standaard (hierna: wegenwacht service).

2.4.

Uit de algemene voorwaarden (2018 en 2019) leidt de kantonrechter het volgende af. Wegenwacht service houdt in dat de gedaagde partij tijdens de looptijd van de overeenkomst (gewoonlijk één contractjaar met stilzwijgende verlenging) tegen betaling van een premie (jaarlijks vooruit te voldoen) in het geval van pech de eisende partij kan bellen of appen en de eisende partij er dan alles aan doet om de gedaagde partij weer op weg te helpen. Het recht op volledige hulp ontstaat twee werkdagen na het afsluiten van de wegenwacht service en nadat de premie is ontvangen. Het afsluiten moet wel hebben plaatsgevonden voordat de pech ontstaat. Als binnen twee werkdagen na het afsluiten van de wegenwacht service toch hulp wordt ingeroepen bestaat alleen recht op sleutelhulp en transporthulp, dit tegen extra betaling. Wanneer nog geen wegenwacht service is afgesloten op het moment van pech wordt iemand ter plekke ingeschreven voor wegenwacht service (standaard) inclusief het tarief voor directe pechhulp. Er bestaat dan alleen recht op sleutelhulp en beperkte transporthulp. Daarnaast geldt dat als men recht heeft op hulp of vergoeding op basis van een andere verzekering, de eisende partij de kosten mag verhalen bij de andere verzekeringsmaatschappij.

2.5.

Op grond van het vorenstaande en gelet op het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:282, r.o. 4.2 en 4.3) is de kantonrechter van oordeel dat het hier om een verzekeringsovereenkomst gaat. Omdat de eisende partij zich nog niet over deze kwalificatie als verzekeringsovereenkomst heeft kunnen uitlaten, zal zij daartoe alsnog in de gelegenheid worden gesteld, mede om een verrassingsbeslissing op dit punt te voorkomen.

Gevolgen kwalificatie verzekeringsovereenkomst

Toepasselijkheid Wft

2.6.

In verband met hetgeen hierna nog wordt overwogen, is het van belang om vast te stellen of de Wet op het financieel toezicht (Wft) van toepassing is op de onderhavige overeenkomst. In beginsel is de Wft van toepassing op verzekeringsovereenkomsten. Op die toepasselijkheid bestaan echter uitzonderingen. Artikel 1:6 Wft geeft bijvoorbeeld aan op welke verzekeraars de Wft niet van toepassing is. In het bijzonder springt hier artikel 1:6 lid 1 aanhef en onder e Wft in het oog. De kantonrechter beschikt in dit stadium echter over onvoldoende gegevens om vast te kunnen stellen dat de Wft op grond van artikel 1:6 Wft of anderszins niet van toepassing is op de onderhavige verzekeringsovereenkomst of wellicht (deels) buiten toepassing moet worden gelaten op grond van bijvoorbeeld een vrijstellingsregeling. De eisende partij dient zich daarom ook uit te laten over de toepasselijkheid van de Wft op haar onderhavige dienstverlening.

2.7.

Voor het geval moet worden uitgegaan van de toepasselijkheid van de Wft, overweegt de kantonrechter nu reeds als volgt.

(Pre)contractuele informatieplichten

2.8.

De gedaagde partij is een consument. Uit de artikelen 6:230h lid 2 onder b jo 6:230g lid 1 onder o BW jo 1:1 Wft volgt dat op de onderhavige verzekeringsovereenkomst slechts paragraaf 1 van afdeling 6.5.2B van het BW van toepassing is.

Daarnaast is artikel 4:20 Wft van toepassing. Op grond van artikel 4:20 Wft rusten op de eisende partij (pre)contractuele informatieverplichtingen, welke zijn uitgewerkt in het eveneens toepasselijke Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen (hierna BGfo), waarvan in het bijzonder de paragrafen 8.1.1, 8.1.4 en 8.1.6 BGfo van belang zijn.

2.9.

De eisende partij wordt erop gewezen dat het enkel en alleen opnemen in de algemene voorwaarden van de (pre)contractuele informatie niet volstaat, omdat dergelijke informatie op een voor de gemiddelde consument duidelijke, begrijpelijke en ondubbelzinnige wijze moet worden verstrekt. Tijdens het sluiten van de overeenkomst moet de consument stap voor stap langs deze informatie worden geleid, zodat er geen misverstand kan ontstaan over de vraag of de gemiddelde consument deze informatie bewust onder ogen heeft gekregen.

Ambtshalve toetsing aan Wft en BGfo

2.10.

De hiervoor genoemde bepalingen, dus ook die uit de Wft en het BGfo, moeten naar het oordeel van de kantonrechter ambtshalve worden toegepast. Deze bepalingen zijn namelijk voortgevloeid uit, onder meer, Richtlijn 2002/65 betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten (hierna: Richtlijn 2002/65) en (de inmiddels vervallen) Richtlijn 2002/92/EG betreffende verzekeringsbemiddeling (hierna: Richtlijn 2002/92).

2.11.

Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) en de Hoge Raad volgt dat de rechter verplicht is om de nationale, consumentenbeschermende bepalingen waarin Richtlijn 2011/83/EU betreffende consumentenrechten en Richtlijn 2008/48/EG inzake kredietovereenkomsten voor consumenten zijn omgezet, ambtshalve toe te passen. Zie onder andere HvJ 16 november 2010 (ECLI:EU:C:2010:685), HvJ 21 april 2016 (ECLI:EU:C:2016:283, vanaf punt 62), HvJ 5 maart 2020 (ECLI:EU:C:2020:167, vanaf punt 18) en Hoge Raad 12 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:236). Naar het oordeel van de kantonrechter is het in lijn met deze rechtspraak dat ook aan artikel 4:20 Wft en het BGfo ambtshalve wordt getoetst. Ook hier betreft het immers op Europese richtlijnen gebaseerde en consumentenbeschermende bepalingen.

2.12.

Bovendien geldt dat artikel 4:20 Wft met zoveel woorden is genoemd in artikel 6:193 f onder e BW, zodat het niet of op - kort gezegd - onduidelijke wijze verstrekken van de informatie die in artikel 4:20 Wft is bedoeld een oneerlijke handelspraktijk is (artikel 6:193d jo 6:193b lid 3 onder a BW ) en een overeenkomst die als gevolg daarvan tot stand is gekomen vernietigbaar is (artikel 6:193j lid 3 BW). Deze bepalingen vloeien voort uit de Richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten. Gelet op het voorgaande moeten ook deze nationale bepalingen ambtshalve worden toegepast.

2.13.

Op dit moment beschikt de kantonrechter over onvoldoende informatie om tot de bedoelde ambtshalve toetsing over te gaan. De eisende partij heeft zich immers nog niet uitgelaten over de vraag in hoeverre zij heeft voldaan aan de informatieverplichtingen die voortvloeien uit artikel 4:20 Wft en het BGfo.

Ambtshalve toetsing algemene voorwaarden (ontbinding overeenkomst)

2.14.

Hoewel de eisende partij zich op het standpunt stelt dat haar vordering niet gebaseerd is op haar algemene voorwaarden, stelt zij daarentegen ook dat zij de overeenkomst in verband met de wanbetaling door de gedaagde partij heeft beëindigd op grond van haar algemene voorwaarden. Hoe dit zich tot elkaar verhoudt, heeft de eisende partij niet toegelicht.

Voorts is onduidelijk of met de gestelde beëindiging enkel het niet-verlengen van de overeenkomst is bedoeld of (ook) een tussentijdse beëindiging (ontbinding). Uit de als productie IV overgelegde brief volgt dit niet zonder meer. Evenmin blijkt daaruit duidelijk of verschil bestaat tussen het lidmaatschap enerzijds en daarmee samenhangende overeenkomsten voor producten / diensten van de eisende partij anderzijds en (als dat onderscheid bedoeld is) of het lidmaatschap en de overeenkomsten op verschillende wijze en/of tegen een ander moment beëindigd zijn.

2.15.

Indien (ten aanzien van het lidmaatschap en/of de overeenkomsten) sprake is van een tussentijdse beëindiging, geldt dat de eisende partij aanspraak maakt op de volledige premie (voor de wegenwacht service) en contributie (voor het lidmaatschap) over de hele contractsduur, dus ook over de periode na de ontbinding. De wet kent een dergelijk gevolg echter niet bij ontbinding (artikel 6:270 en 6:271 BW ), zodat aannemelijk is dat de vordering op dit onderdeel gebaseerd is op de algemene voorwaarden van de eisende partij. Als die aanname klopt, zal ambtshalve moeten worden beoordeeld of de betreffende algemene voorwaarde (on)eerlijk is.

Voor zover overigens bedoeld is de premie/contributie over de periode na ontbinding te vorderen bij wijze van ontbindingsschade (artikel 6:277 BW), is onvoldoende onderbouwd dat die schade zonder meer gelijk is aan de premie/contributie over de periode na ontbinding. In dat geval, maar ook als de vordering op dit punt gebaseerd is op een bepaling uit de algemene voorwaarden die oneerlijk blijkt, heeft de eisende partij slechts recht op de premie / contributie tot de datum van de ontbinding.

Verwijzing naar de rol voor akte uitlaten

2.16.

Alvorens een definitief oordeel te vormen over de vordering, zal de kantonrechter de eisende partij in de gelegenheid stellen over alle bovengenoemde punten informatie te verschaffen. Hierbij moet de eisende partij expliciet, gemotiveerd én onderbouwd met schriftelijke stukken, in ieder geval ingaan op de volgende vragen:

Is de onderhavige overeenkomst een verzekeringsovereenkomst?

Is de Wft van toepassing op de onderhavige overeenkomst of is de onderhavige overeenkomst op grond van artikel 1:6 Wft of anderszins geheel of gedeeltelijk uitgesloten of vrijgesteld van de Wft?

Is voldaan aan de informatieverplichtingen van artikel 4:20 Wft (zoals uitgewerkt in het BGfo) en/of afdeling 6.5.2B van het BW en zo ja, hoe en wanneer wordt welke informatie verstrekt?

Wordt met de gestelde beëindiging van de overeenkomst door de eisende partij een tussentijdse beëindiging bedoeld of een niet-verlenging van de overeenkomst (en dus een beëindiging per einde van de lopende contractperiode)?

a. Heeft de eisende partij daarbij onderscheid gemaakt tussen het lidmaatschap enerzijds en daarmee samenhangende overeenkomsten voor producten / diensten van de eisende partij anderzijds?

b. In alle gevallen: is de beëindiging gegrond op de algemene voorwaarden van de eisende partij?

c. Indien een tussentijdse beëindiging heeft plaatsgevonden: zijn de gevorderde bedragen over de periode na die beëindiging gegrond op de algemene voorwaarden van de eisende partij? Zo ja, op welk(e) artikel(en) en zijn deze bepalingen volgens de eisende partij oneerlijk in de zin van Richtlijn 93/13/EG?

2.17.

Als de eisende partij geen dan wel onvolledige informatie verschaft, zullen daaraan de gevolgen verbonden worden, die de kantonrechter geraden voorkomen.

Betekening

2.18.

Bij een verandering of vermeerdering van eis dan wel de gronden daarvoor moet de eisende partij die verandering of vermeerdering tijdig bij exploot aan de gedaagde partij kenbaar maken (artikel 130 lid 3 Rv).

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

verwijst de zaak naar de rol van 16 september 2020 zodat de eisende partij de hierboven bedoelde inlichtingen kan verstrekken;

3.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. de Greef en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature