< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bevoegdheidsincident. Arbitrageclausule in Handelsvoorwaarden voor de boomkwekerij in Nederland (HBN). Doorverwijzigingsbeding. Artikel 6:235 lid 3 BW . Arbitragebeding niet onredelijk bezwarend.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/302777 / HA ZA 20-303

Vonnis in incident van 12 augustus 2020

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

DAHLIAKWEKERIJ NELISSEN,

gevestigd te Deurne,

2. [eiser2], vennoot van eiseres sub 1,

wonende te [woonplaats],

3. [eiser3], vennoot van eiseres sub 1, wonende te [woonplaats],

eiseressen in de hoofdzaak, verweersters in het incident,

advocaat: mr. A.M.H.C. Coppens te Deurne,

tegen

1. de vennootschap onder firma

KWEKERIJ J. LODDER V.O.F.,

gevestigd te Hoofddorp,

2. [gedaagde2], vennoot van gedaagde sub 1,

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde3], vennoot van gedaagde sub 1,

wonende te [woonplaats],

gedaagden in de hoofdzaak, eiseressen in het incident,

advocaat: mr. E.C.N. Sweep te Haarlem.

Eiseressen in de hoofdzaak worden hierna gezamenlijk aangeduid als Nelissen c.s.. Gedaagden in de hoofdzaak zullen gezamenlijk worden aangeduid als Lodder c.s. Gedaagde sub 2 zal afzonderlijk [gedaagde2] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 28 april 2020 met producties 1 tot en met 25 van de zijde van Nelissen c.s.;

de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring met producties 1 tot en met 6 van de zijde van Lodder c.s.;

de conclusie van antwoord in het incident tot onbevoegdverklaring met productie 1 van de zijde van Nelissen c.s.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald in het incident.

2 Het geschil

2.1.

Nelissen c.s. vordert in de hoofdzaak - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Lodder c.s. veroordeelt tot vergoeding van de door Nelissen c.s. geleden schade in verband met het leveren van gemixte pioenrozen en het niet leveren van de soort ‘Bowl of cream’, waardoor niet aan de overeenkomst is voldaan, ten bedrage van € 72.627,64, te vermeerderen met de wettelijke (handels-)rente;

Lodder c.s. veroordeelt aan Nelissen c.s. te voldoen de buitengerechtelijke kosten van € 1.501,28, te vermeerderen met de wettelijke rente;

een en ander met veroordeling van Lodder c.s. in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.

2.2.

Lodder c.s. vordert in het incident dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van de vorderingen van Nelissen c.s., althans deze af te wijzen, met veroordeling van Nelissen c.s. in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.

2.3.

Hieraan legt Lodder c.s. in het incident - zakelijk weergegeven - ten grondslag, dat op de tussen [gedaagde2] en Nelissen c.s. gesloten overeenkomst de ‘Handelsvoorwaarden voor de boomkwekerij in Nederland’ (hierna: HBN) van toepassing zijn, althans dat de inhoud van de HBN moeten worden aangemerkt als tussen partijen geldend gewoonterecht in de zin van artikel 6:248 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW). In artikel 20 HBN is bepaald dat alle geschillen worden beslecht bij wijze van arbitrage door het Nederlands Scheidsgerecht voor de Boomkwekerij, zodat de rechtbank onbevoegd is op grond van artikel 1022 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), aldus steeds Lodder c.s.

2.4.

Nelissen c.s. voert verweer in het incident, dat hierna - voor zover van belang - zal worden besproken.

3 De beoordeling in het incident

toepasselijkheid van het reglement van FBT en de HBN

3.1.

Vooropgesteld wordt dat Lodder c.s. (althans [gedaagde2]) als verkoper, en Nelissen c.s. als koper, op 25 oktober 2016 een koopovereenkomst hebben gesloten met betrekking tot diverse soorten pioenrozen. Deze overeenkomst is tot stand gekomen met de bemiddeling van Facilitair Bedrijf Tuinbouw B.V. (hierna: FBT). De overeenkomst is vastgelegd in een schriftelijke “koopovereenkomst” (door partijen ook wel het koopbriefje genoemd) van dezelfde datum, waarin het navolgende is vermeld:

“(…) Op alle door FBT tot stand gekomen overeenkomsten, alsmede op de rechtsverhouding tussen FBT en Koper en Verkoper is het reglement van FBT van toepassing. Een exemplaar van het Reglement, de daarbij behorende voorwaarden kredietverzekering liggen ten kantore van FBT ter inzage en worden op verzoek om niet toegezonden. (…)”

3.2.

In het reglement van FBT is in hoofdstuk III (“Voorwaarden van toepassing op de overeenkomst tussen verkoper en koper”) in artikel 13 lid 2 bepaald dat op overeenkomsten die betrekking hebben op boomkwekerijproducten en vaste planten (waar de verkochte pioenrozen volgens de onbetwiste stelling van Lodder c.s. onder vallen), de HBN van toepassing zijn (hierna ook: het doorverwijzingsbeding).

3.3.

In de HBN is in artikel 20 lid 1 het navolgende bepaald (hierna: het arbitragebeding):

“Alle geschillen, ook die welke slechts door één van beide partij als geschil worden beschouwd met betrekking tot een overeenkomst, waarop deze handelsvoorwaarden van toepassing zijn, de daaruit voortvloeiende overeenkomsten of deze handelsvoorwaarden zelf, worden beslecht bij wijze van arbitrage door het Nederlands Scheidsgerecht voor de Boomkwekerij.”

3.4.

Partijen twisten over de vraag of de toepasselijkheid van het reglement van FBT is overeengekomen. Volgens Nelissen c.s. is daarvan geen sprake, omdat pas in het koopbriefje van 25 oktober 2016 voor het eerst melding is gemaakt van het reglement van FBT. Hierin wordt Nelissen c.s. echter niet gevolgd. Nelissen c.s. heeft zelf betoogd (zie bijvoorbeeld nr. 4 dagvaarding) dat de overeenkomst met Lodder c.s. tot stand is gekomen door middel van het koopbriefje van 25 oktober 2016. Derhalve is de verwijzing naar het reglement van FBT in het koopbriefje tijdig gedaan. Voor zover Nelissen c.s. in de conclusie van antwoord in het incident betoogt dat de koopovereenkomst op een eerder moment is gesloten dan in het koopbriefje, en dat de verwijzing naar het reglement van FBT in het koopbriefje dus te laat is gedaan, heeft Nelissen c.s. dit onvoldoende concreet gesteld. Zij heeft immers niet toegelicht op welk moment en op welke wijze de koopovereenkomst volgens haar dan wel tot stand is gekomen.

3.5.

De stelling van Nelissen c.s. dat het koopbriefje niet door haar is ondertekend, slaagt evenmin. Vast staat immers dat Nelissen c.s. het koopbriefje heeft ontvangen, en aan de daarin gemaakte afspraken uitvoering heeft gegeven. Daarbij heeft Nelissen c.s. geen bezwaar of voorbehoud gemaakt ten aanzien van de toepasselijkheid van het reglement van FBT. Hieruit leidt de rechtbank af dat Nelissen c.s. de gelding van het reglement van FBT heeft aanvaard. De ondertekening van het koopbriefje is daarvoor geen vereiste (vgl. artikel 6:231 sub c BW ).

3.6.

Lodder c.s. heeft voorts gesteld dat vanwege het doorverwijzigingsbeding in artikel 13 lid 1 van het reglement, ook de toepasselijkheid van de HBN is overeengekomen. Lodder c.s. heeft daartoe toegelicht dat in de onderhavige branche doorverwijzingsbedingen dermate gebruikelijk zijn, dat alle branchegenoten, waaronder ook Nelissen c.s., met het gebruik van die doorverwijzingsbedingen bekend zijn, en Nelissen c.s. daarmee dus rekening had moeten houden. Nelissen c.s. heeft dit betoog over het doorverwijzingsbeding niet, althans onvoldoende concreet weersproken. Daarom gaat de rechtbank er in dit incident van uit dat Nelissen c.s. ook de toepasselijkheid van de HBN via het doorverwijzingsbeding in het reglement van FBT heeft aanvaard, zodat de HBN van toepassing zijn op de overeenkomst. De vraag of het doorverwijzingsbeding en het arbitragebeding onredelijk bezwarend zijn, zoals Nelissen c.s. betoogt, komt aan de orde in 3.13 e.v. van dit vonnis.

mogelijkheid tot kennisnemen regelement van FBT en HBN

3.7.

Nelissen c.s. heeft zich beroepen op de vernietigbaarheid van het reglement van FBT en de HBN, omdat Lodder c.s. Nelissen c.s. onvoldoende gelegenheid heeft geboden om daarvan kennis te nemen. Volgens Nelissen c.s. zijn het reglement van FBT en de HBN nimmer aan haar overhandigd.

3.8.

Lodder c.s. betoogt dat het reglement van FBT in 2012 per e-mail aan Nelissen c.s. is verstrekt. Voorts stelt Lodder c.s. dat de HBN door alle branchegenoten worden gehanteerd bij de handel in vaste planten, en bij hen algemene bekendheid genieten, zodat ook Nelissen c.s. geacht moet worden bekend te zijn met die voorwaarden. Ook heeft Lodder c.s. aangevoerd dat Nelissen c.s. zelf bij andere transacties als verkoper (via de bemiddeling van FBT) herhaaldelijk de HBN heeft gebruikt, zodat Nelissen c.s. geen beroep toekomt op deze vernietigingsgrond van artikel 6:233 sub b BW.

3.9.

De rechtbank is van oordeel dat Lodder c.s. met het overleggen van een transactieoverzicht van 11 juni 2020 voldoende heeft onderbouwd dat Nelissen c.s. in de periode van 2012 tot en met 2020 (dus zowel voor, als na de onderhavige overeenkomst met Lodder c.s., althans [gedaagde2] van 25 oktober 2016) via FBT honderden overeenkomsten met derden heeft gesloten, waarbij Nelissen c.s. optrad als verkoper. Nelissen c.s. heeft het betoog van Lodder c.s. dat daarbij altijd het standaard koopbriefje van FBT wordt gebruikt, niet weersproken. Wel heeft Nelissen c.s. betwist dat op de overeenkomsten die zij sloot via FBT, het reglement van FBT van toepassing is verklaard, omdat FBT haar daar nimmer op heeft gewezen. Dat geldt volgens Nelissen c.s. ook voor de overeenkomst met Lodder c.s., althans [gedaagde2] van 25 oktober 2016. De rechtbank is echter van oordeel dat uit het overgelegde koopbriefje van FBT tussen Nelissen c.s. en Lodder c.s. (althans [gedaagde2]) van 25 oktober 2016, voldoende duidelijk volgt dat in het standaard koopbriefje van FBT het reglement van FBT van toepassing wordt verklaard. De omstandigheid dat FBT daar kennelijk niet (nogmaals) uitdrukkelijk op heeft gewezen, maakt dat niet anders.

3.10.

Dit betekent dat in dit incident voldoende is gebleken dat Nelissen c.s. (als verkoper) in andere transacties zelf meermalen het reglement van FBT en (dus) de HBN heeft gebruikt. Dat deze eerdere transacties van Nelissen c.s. niet plaatsvinden met Lodder c.s., maar met derden, is daarbij niet relevant. Nelissen c.s. heeft verder aangevoerd dat haar eerdere transacties via FBT betrekking hadden op dahlia’s en niet op pioenrozen, maar ook dat is niet doorslaggevend. Ook dahlia’s zijn immers vaste planten, zodat op grond van artikel 13 lid 2 van het reglement van FBT de HBN worden gebruikt voor zowel pioenrozen, als dahlia ’s.

3.11.

Dat de door Nelissen c.s. in andere transacties gebruikte voorwaarden ook inhoudelijk hetzelfde zijn als de voorwaarden waarop Lodder c.s. nu een beroep doet, blijkt reeds uit het feit dat het reglement van FBT voor het laatst is gewijzigd op 1 januari 2012, en de HBN in 2008.

3.12.

Op grond van artikel 6:235 lid 3 BW kan Nelissen c.s. op de vernietigingsgrond bedoeld in artikel 6:233 sub b BW daarom geen beroep doen. Aan de verdere beoordeling van de vraag of Nelissen c.s. voldoende gelegenheid heeft gekregen om kennis te nemen van het reglement van FBT en de HBN (hetgeen overigens wel voor de hand ligt aangezien Nelissen c.s. de voorwaarden zelf ook gebruikt) wordt daarom niet toegekomen.

onredelijk bezwarend

3.13.

Nelissen c.s. heeft verder aangevoerd dat een arbitragebeding in algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:233 sub a BW, omdat het fundamentele recht van toegang tot de rechter wordt uitgesloten, en daarbij verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 23 maart 1990 (RvdW 1990, 71). Daarbij heeft Nelissen c.s. aangevoerd dat het koopbriefje slechts verwijst naar het reglement van FBT, waarin geen arbitragebeding is opgenomen, en dat de toepasselijkheid van het arbitragebeding in de HBN uitsluitend is gebaseerd op het doorverwijzingsbeding. Volgens Nelissen c.s. heeft zij dus niet (uitdrukkelijk) afstand gedaan van haar recht op toegang tot de rechter.

3.14.

Overwogen wordt dat Nelissen c.s. geen beroep toekomt op de vernietigingsgrond van artikel 6:233 sub a BW, omdat in het voorgaande is vastgesteld dat zij herhaaldelijk dezelfde algemene voorwaarden heeft gebruikt (artikel 6:235 lid 3 BW).

3.15.

Daarbij komt dat het betoog van Nelissen c.s. dat een arbitragebeding in algemene voorwaarden per definitie onredelijke bezwarend is, niet wordt gevolgd. Weliswaar staat het arbitragebeding op de zwarte lijst van artikel 6:236 sub n BW, maar die zwarte lijst geldt niet voor Nelissen c.s., omdat zij niet kan worden aangemerkt als consument. Derhalve moet worden getoetst aan de algemene norm van artikel 6:233 sub a BW. In een arrest van 21 september 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW6135) heeft de Hoge Raad in dat kader beslist dat het enkele feit dat een arbitragebeding is opgenomen in algemene voorwaarden, nog niet meebrengt dat dat beding onredelijk bezwarend is. Een dergelijk oordeel moet steunen op een specifieke motivering waarin zijn betrokken de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval.

3.16.

Het enkele feit dat de HBN (met het arbitragebeding) van toepassing zijn verklaard via het doorverwijzingsbeding in het reglement in het FBT, is in dit geval onvoldoende om het arbitragebeding als onredelijk bezwarend aan de merken, gelet op de overige omstandigheden van het geval. Lodder c.s. heeft immers onweersproken aangevoerd dat het toepassen van de HBN bij branchegenoten (waaronder Nelissen c.s.) dermate gebruikelijk is, dat het gebruik van de HBN en de inhoud van de HBN (waaronder het arbitragebeding) bij hen bekend moet worden geacht. Het betoog van Nelissen c.s. dat zij geen ervaring had met pioenrozen, maar slechts bekend was met de handel in dahlia’s, maakt dit niet anders. Dahlia’s zijn immers (net zoals pioenrozen) vaste planten, zodat de HBN ook gelden voor dahlia’s (mits de HBN van toepassing zijn verklaard, zoals gebeurt in het standaard koopbriefje van FBT en het reglement van FBT). Dat het er in de ‘pioenrozenbranche’ heel anders aan toe gaat dan in de ‘dahliabranche’ is door Nelissen c.s. onvoldoende concreet toegelicht. Nelissen c.s. had er daarom - gezien haar onbetwiste ruime ervaring met de handel in dahlia’s - rekening mee kunnen houden dat ook voor de handel in pioenrozen de HBN inclusief het arbitragebeding zouden worden gebruikt.

3.17.

Bij de beoordeling van de vraag of het arbitragebeding onredelijk bezwarend is, weegt de rechtbank tevens mee dat de HBN volgens Lodder c.s. tot stand zijn gekomen in overleg met (onder meer) de branche-, ondernemers- en werkgeversorganisaties, en dat het arbitragebeding in de HBN is opgenomen, omdat het scheidsgerecht beschikt over vakspecifieke kennis, waarbij de goede rechtsbedeling is gebaat. Nelissen c.s. heeft dit niet weersproken, zodat de rechtbank van de juistheid daarvan uit zal gaan.

3.18.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat niet is gebleken dat het arbitragebeding in dit geval moet worden aangemerkt als een onredelijk bezwarend beding in de zin van artikel 6:233 sub a BW. Het beroep op de vernietiging van Nelissen c.s. slaagt ook daarom niet.

slotsom en proceskosten

3.19.

Gezien het arbitragebeding in artikel 20 lid 1 HBN dient de rechtbank zich onbevoegd te verklaren om van de vorderingen van Nelissen c.s. in de hoofdzaak kennis te nemen (artikel 1022 Rv), nu die vorderingen voortvloeien uit de koopovereenkomst waarop de HBN van toepassing zijn.

3.20.

Nelissen c.s. wordt in het incident als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Tevens zal Nelissen c.s. worden veroordeeld in de proceskosten in de hoofdzaak, nu zij nodeloos kosten heeft veroorzaakt door de hoofdzaak bij de verkeerde rechter aanhangig te maken. De kosten aan de zijde van Lodder c.s. worden begroot op € 543 (tarief II x 1 punt) aan salaris advocaat in het incident, en € 2.042 aan griffierechten in de hoofdzaak, derhalve in totaal € 2.585. De gevorderde rente en de nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals hieronder vermeld.

4 De beslissing

De rechtbank

in het incident en in de hoofdzaak

4.1.

verklaart zich onbevoegd van de vorderingen van Nelissen c.s. in de hoofdzaak kennis te nemen;

4.2.

veroordeelt Nelissen c.s. in de proceskosten in het incident en in de hoofdzaak, tot op heden aan de zijde van Lodder c.s. begroot op in totaal € 2.585, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis, en te vermeerderen met de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157 aan salaris advocaat, vermeerderd met een bedrag van € 82 in geval van betekening van de uitspraak;

4.3.

verklaart de proceskostenveroordeling in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2020.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature