< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Ontbindingsverzoek werknemer toegewezen. Werkgever is, na een eerder afgewezen ontbindingsverzoek, blijven aansturen op einde dienstverband. Billijke vergoeding van € 50.000,- wegens ernstig verwijtbaar handelen werkgever.

Uitspraak



RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

locatie Haarlem

Zaaknr./rolnr.: 8240262 \ AO VERZ 19-167

Uitspraakdatum: 4 maart 2020

Beschikking in de zaak van:

[werkneemster] ,

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

verder te noemen: [werkneemster]

gemachtigde: mr. B. Wernik

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EUROPEAN PORTWELL TECHNOGLOGY B.V.

gevestigd te Nieuw-Vennep

verwerende partij

verder te noemen: EPT

gemachtigde: mr. D.W. Giltay Veth

1 Het procesverloop

1.1.

[werkneemster] heeft een verzoek gedaan tot ontbinding van haar arbeidsovereenkomst met ingang van 1 april 2020 en onder toekenning van een billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen door EPT. EPT heeft een verweerschrift ingediend met een zelfstandig tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met toekenning van de transitievergoeding.

1.2.

Op 13 februari 2020 heeft een zitting plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunt aan de hand van een pleitnota toegelicht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [werkneemster] 30 januari 2020 nog aanvullende producties toegezonden.

2 De feiten

2.1.

EPT is een onderneming die zich richt op de verkoop van computers, speciale computerplatforms, communicatie-apparatuur en mens-machine-interfaces. Naast het hoofdkantoor in Nederland heeft EPT vestigingen in Europa, Amerika en Azië.

2.2.

[werkneemster] (geboren [in 1976] ) is op 1 januari 2009 als accountmanager in dienst getreden bij EPT, tegen een laatstelijk salaris van € 3.200,- bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag.

2.3.

Bij e-mail van 11 februari 2016 heeft [werkneemster] bij haar toenmalige manager [manager] (hierna: [manager] ) geprotesteerd tegen het aanmerken van ziektedagen als (wettelijke) vakantiedagen.

2.4.

Op 8 september 2017 is [werkneemster] door [manager] op non-actief gesteld omdat zij volgens [manager] al langere tijd onder de maat presteerde. Diezelfde dag is haar per e-mail een beëindigingsvoorstel gestuurd, waarop [werkneemster] niet is ingegaan.

2.5.

Bij e-mail van 15 november 2017 heeft [manager] het team geïnformeerd dat [werkneemster] , ‘due to the optimiation of EPT’, had besloten de organisatie te verlaten.

2.6.

In een vervolgens door EPT gestarte ontbindingsprocedure, is het ontbindingsverzoek van EPT bij beschikking van 13 maart 2018 afgewezen, omdat onvoldoende was gebleken van disfunctioneren of van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding (6532010\AO VERZ 17-166).

2.7.

Op 11 april 2018 vond een mediation gesprek plaats met een door EPT gekozen mediator . [manager] was bij dit gesprek niet aanwezig.

2.8.

[werkneemster] heeft haar werkzaamheden op 16 april 2018 hervat. Diezelfde dag heeft zij met [manager] een gesprek gehad over de werkhervatting.

2.9.

Op 17 april 2018 heeft [werkneemster] zich ziek gemeld.

2.10.

Bij e-mail van 23 april 2018 heeft [werkneemster] bij [manager] verslag gedaan van het gesprek van 16 april 2019.. Zij beklaagde zich hierbij onder andere over onprofessioneel agressief gedrag van [manager] en zij heeft geschreven dat zij zich door hem onder druk gezet had gevoeld om documenten te ondertekenen voor aanpassingen in haar arbeidsovereenkomst.

2.10.

In de probleemanalyse van 26 april 2018 heeft de arbo-arts vastgesteld dat [werkneemster] niet belastbaar is voor eigen/passend werk, maar dat de herstelprognose gunstig is, mits het conflict wordt opgelost. Verder is door de arbo-arts de inzet van een andere, onafhankelijke mediator geadviseerd.

2.11.

Op 14 juni 2018 heeft EPT aangekondigd dat zij het salaris van [werkneemster] zou terugbrengen naar 70% omdat er bij vergissing volledig was doorbetaald tijdens ziekte. [werkneemster] heeft hiertegen geprotesteerd, waarna is besloten het loon toch volledig te blijven betalen.

2.12.

Na twee mediation sessies met een andere mediator op 11 juni en 17 juli 2018, liet EPT op 20 juli 2018 weten dat zij [werkneemster] een beëindigingsvoorstel zou doen, omdat er geen toekomst voor haar was binnen EPT.

2.13.

In augustus 2018 is het mediation traject ‘on hold’ gezet wegens een toename van de medische beperkingen van [werkneemster] .

2.14.

Nadat de mediation op 11 maart 2019 was hervat, liet [manager] op 12 maart 2019 aan de mediator en [werkneemster] weten: ‘We’d like to proceed to seek a separation option with mediation involved. We believe it’s fair for every parties. We’d be open to make next appointment to discuss this topic’.

2.15.

[werkneemster] heeft bij e-mail van 15 maart 2019 aan [manager] en de mediator twee oplossingsrichtingen voorgesteld (‘reintegration and settlement’) en daarbij een beëindigingsvoorstel gedaan, waarbij zij aangaf de voorkeur te geven aan re-integratie binnen EPT.

2.16.

In reactie daarop heeft EPT 15 maart 2019 laten weten dat zij niet verder wilde onderhandelen over een beëindigingsregeling, maar de mediaton wilde voortzetten gericht op re-integratie.

2.17.

Op 6 mei 2019 vond een volgende mediation gesprek plaats, waarin onder andere is gesproken over de mogelijkheid tot re-integratie vanuit huis.

2.18.

In diezelfde periode is door EPT de salarisbetaling teruggebracht van 100% naar 70%, is zij gestopt met de vergoeding van medische kosten van [werkneemster] en is het loon opgeschort geweest, nadat [werkneemster] had aangegeven dat zij vanwege toegenomen klachten niet op de afspraak voor een arbeidsdeskundig onderzoek kon komen.

2.19.

Op 5 juli 2019 is [werkneemster] bij de arbo-arts geweest, die aangaf dat het ‘ontbreken van een oplossing en de ontwikkelingen (opschorten loon etc) bij [werkneemster] een forse toename hebben gegeven van de gezondheidsklachten’. Verder stelde de arbo-arts vast dat [werkneemster] op medische gronden niet geschikt was om deel te nemen aan het arbeidsdeskundig

onderzoek en werd twee weken volledige rust geadviseerd.

2.20.

Op 12 augustus 2019 heeft de ingeschakelde arbeidsdeskundige na onderzoek geconcludeerd dat [werkneemster] niet in staat is haar eigen werk uit te voeren, dat andere functies binnen de eigen organisatie niet aan de orde zijn en dat [werkneemster] niet zal terugkeren bij EPT. De arbeidsdeskundige adviseerde onder andere zo snel mogelijk een extern re-integratie traject op te starten.

2.21.

Vervolgens is door EPT re-integratie bureau Volzin ingeschakeld om de re-integratie tweede spoor te ondersteunen. Door een discussie tussen [werkneemster] enerzijds en Volzin c.q. EPT anderzijds over de inhoud van het plan van aanpak, kwam dit traject niet van de grond.

2.22.

Op 4 november 2019 is het mediation traject afgesloten zonder dat een oplossing was gevonden.

2.23.

Nadat EPT een loonstop had aangekondigd wegens niet meewerken aan de re-integratie tweede spoor, heeft [werkneemster] eind december 2019 een ontbindingsverzoek ingediend.

3 Het verzoek

3.1.

[werkneemster] heeft verzocht:

a. de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden met ingang van 1 april 2020 op grond van ernstig verwijtbaar handelen van EPT met toekenning van een billijke vergoeding aan [werkneemster] van € 250.000,- bruto;

b. EPT te veroordelen om aan [werkneemster] te betalen vanaf mei 2019 tot het tijdstip waarop het dienstverband tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd, 100% van het salaris van € 3.200,- bruto per maand;

c. 8% vakantietoeslag over het loon, te betalen op de bij de wet aangegeven tijdstippen;

d. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het sub b gevorderde;

e. de wettelijke rente over de sub b tot en met d gevorderde bedragen vanaf mei 2019 tot de dag der algehele voldoening.

f. EPT te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

Aan het verzoek legt [werkneemster] – samengevat – het volgende ten grondslag.

De problemen zijn ontstaan na een woordenwisseling met de manager in februari 2016 over het ten onrechte aanmerken van ziektedagen als vakantiedagen. Vanaf dat moment was er kritiek op het functioneren en volgde in 2017 een onterechte non-actiefstelling. Nadat op 13 maart 2018 het ontbindingsverzoek van EPT was afgewezen, heeft EPT het mediation traject gefrustreerd en haar op een zeer intimiderende manier benaderd. Verder heeft EPT, na de ziekmelding van [werkneemster] als gevolg van het intimiderende handelen van EPT, helemaal niets aan re-integratie gedaan en uitsluitend aangestuurd op een beëindiging van het dienstverband. Ook heeft EPT ten onterechte de vergoeding van medische kosten stopgezet, de salarisbetaling teruggebracht van 100% naar 70% en het loon opgeschort. Door deze ernstig verwijtbare handelwijze van EPT heeft [werkneemster] chronische psychische klachten ontwikkeld waardoor zij volledig arbeidsongeschikt is. [werkneemster] wordt daardoor geconfronteerd met een jaarlijkse inkomensachteruitgang van circa €10.000,- en medische kosten van circa € 8.000,- netto per jaar, en maakt derhalve aanspraak op een billijke vergoeding. De verwachting is dat [werkneemster] de komende 10 tot 15 jaar met deze inkomensachteruitgang en de extra medische kosten geconfronteerd zal worden, zodat een billijke vergoeding van € 250.000 in de rede ligt, aldus [werkneemster] .

4 Het verweer en het tegenverzoek

4.1.

EPT verweert zich tegen het verzoek en verzoekt tot afwijzing van het ontbindingsverzoek, althans, bij toewijzing, de billijke vergoeding te bepalen op nihil. Zij voert – samengevat – aan dat zij steeds heeft gehandeld als goed werkgever en zij heeft nooit de intentie gehad [werkneemster] dwars te zitten. EPT erkent dat zij fouten heeft gemaakt met de hoogte van het loon bij ziekte en de vergoeding voor medische kosten. De fouten zijn inmiddels hersteld. EPT heeft na het afgewezen ontbindingsverzoek mediation ingezet, maar [werkneemster] heeft zich na de eerste gesprekken over terugkeer ziekgemeld. Vanaf dat moment heeft EPT alle adviezen van de arbo-arts opgevolgd; er is een nieuwe mediator, een casemanager, een arbeidsdeskundige en een extern re-integratie bureau ingeschakeld. Onder leiding van de nieuwe mediator zijn zowel de optie van re-integratie als vertrek onderzocht, maar telkens als er concrete stappen gezet moesten worden in het kader van de terugkeer kwamen van de zijde van [werkneemster] grote bezwaren op tafel. Omdat [werkneemster] niet wilde meewerken aan het tweede spoor traject moest zij door EPT aangemaand worden. Dat kan EPT niet verweten worden. Voor toekenning van een billijke vergoeding bestaat geen aanleiding, aangezien EPT niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Subsidiair voert EPT aan dat de verzochte billijke vergoeding disproportioneel is, aangezien [werkneemster] zelf een belangrijke rol gespeeld heeft bij het mislukken van de mediation en re-integratie en het irreëel is ervan uit te gaan dat zij 10-15 jaar niet zal kunnen deelnemen aan het arbeidsproces.

4.2.

Ten aanzien van het verzoek tot loondoorbetaling refereert EPT zich aan het oordeel van de kantonrechter, met dien verstande dat verzocht wordt de gevorderde wettelijke verhoging te matigen.

4.3.

EPT kan niet ontkennen dat de verhoudingen tussen partijen duurzaam verstoord zijn geraakt. Zij verzoekt daarom, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zelfstandig tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3 sub g Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), per de vroegst mogelijke datum en onder toekenning aan [werkneemster] van de transitievergoeding van € 13.248,- bruto.

5 De beoordeling

Het verzoek

5.1.

Uit de stukken en uit wat partijen tijdens de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht, maakt de kantonrechter op dat de arbeidsverhouding tussen partijen inmiddels al enige tijd zodanig is verstoord dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve behoort te eindigen. Partijen verschillen op dit punt ook niet van mening. Gelet hierop zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen met toepassing van artikel 7:671c lid 2 sub a BW ontbinden per 1 april 2020.

5.2.

[werkneemster] heeft verzocht om toekenning van een billijke vergoeding van € 250.000,- bruto, uitgaande van een inkomensachteruitgang van € 10.000,- bruto per jaar en extra medische kosten van € 8.000,- netto per jaar gedurende een periode van 10 tot 15 jaar.

5.3.

Op grond van artikel 7:671c lid 2 sub b BW kan de kantonrechter een billijke vergoeding toekennen indien de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van EPT. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde is, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst of zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte ernstig heeft veronachtzaamd, en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34).

5.4.

Een dergelijke situatie doet zich hier voor. Van belang is allereerst dat EPT in 2017 zonder goede gronden tot non-actiefstelling en het starten van een ontbindingsprocedure is overgegaan. Nadat zij hiervoor in maart 2018 door de kantonrechter ‘op de vingers was getikt’, had EPT zich alle inspanningen moeten getroosten om de arbeidsrelatie te normaliseren en een succesvolle werkhervatting te bewerkstelligen. Dat heeft EPT echter niet, althans onvoldoende gedaan.

5.5.

Uit de stukken blijkt dat EPT vanaf de non-actiefstelling vooral uit is geweest op beëindiging van het dienstverband. De kantonrechter leidt dit af uit het feit dat de persoon op wiens instignatie het eerste ontbindingsverzoek was ingediend, niet bij de eerste mediation sessie aanwezig was en dat EPT tijdens de lopende mediation trajecten meermaals (eind juli 2018 en 12 maart 2019) heeft aangegeven dat zij het dienstverband met [werkneemster] wilde beëindigen. Hoewel EPT heeft aangevoerd dat zij de adviezen van de bedrijfsarts steeds heeft opgevolgd, is uit de stukken niet gebleken dat EPT daadwerkelijk de intentie had zich serieus en actief voor de re-integratie van [werkneemster] te willen inzetten. Zo is door [manager] op diverse momenten geuit dat alleen werd meegewerkt, omdat hij daartoe door de rechter was gedwongen (‘ explains that the only reason that [werkneemster] can come back in its function is because Dutch law tells you to. The judge has indicated that at present there is no reason to terminate the employment relationship. He suggested that parties would negotiate further’. En: ‘[manager] explains that the reintegration will be accompanied from the MT of Portwell. This because a friendly solution is not worked out’). Dit beeld wordt bevestigd door het door [werkneemster] opgestelde verslag van 23 april 2018 van haar eerste werkdag na de non-actiefstelling. Daaruit valt op te maken dat [manager] zich die eerste werkdag vijandig en op zijn zachtst gezegd weinig gastvrij en begripvol heeft opgesteld. De inhoud van dit verslag is door EPT niet gemotiveerd weersproken, anders dan dat [manager] heeft aangevoerd dat hij het gesprek anders heeft ervaren. Tot slot hebben ook het - foutief en in strijd met eerder gemaakte afspraken - stopzetten van de vergoeding voor medische kosten en de salarisverlaging, precies op momenten dat met de re-integratie gestart kon worden, niet bijgedragen aan herstel van de situatie. Bij [werkneemster] is door dit alles begrijpelijkerwijs de indruk ontstaan dat EPS niets anders wilde dan een beëindiging van het dienstverband. EPS heeft nog aangevoerd dat [werkneemster] een keer voor de koffie is uitgenodigd maar niet wilde komen, en dat de keuze voor een ‘separation’ op verzoek van de mediator is gedaan, maar deze omstandigheden werpen naar het oordeel van de kantonrechter geen ander licht op de zaak. De mediator zal zich ook gerealiseerd hebben dat het met onwillige honden slecht hazen vangen is.

5.6.

De conclusie van het bovenstaande is dat de inspanningen van EPT om de verhoudingen te normaliseren na het afgewezen ontbindingsverzoek, niet voldoen aan de hoge eisen die daaraan gesteld worden. EPT heeft met haar handelwijze de verhoudingen steeds verder op scherp gezet en daarmee een terugkeer van [werkneemster] naar de werkvloer onmogelijk gemaakt. Het verzoek van [werkneemster] om toekenning van een billijke vergoeding zal dan ook worden toegewezen. Over de hoogte daarvan overweegt de kantonrechter het volgende.

5.7.

Voor de begroting van de billijke vergoeding zijn in het New Hairstyle arrest (zie HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR: 2017:1187) de volgende gezichtspunten door de Hoge Raad geformuleerd: i) de mate van verwijtbaarheid van het handelen of nalaten door de werkgever, ii) eventueel ander werk in de inkomsten daaruit, iii) het perspectief op toekomstige inkomsten en iv) de hoogte van de transitievergoeding. Het gaat erom dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, maar de billijke vergoeding heeft geen specifiek punitief karakter.

5.8.

Tegen de achtergrond van dit toetsingskader is allereerst van belang dat de verstoorde arbeidsverhouding overwegend het gevolg is geweest van het laakbaar handelen van EPT eruit bestaande dat zij, zelfs nadat haar ontbindingsverzoek was afwezen, bleef aansturen op een beëindiging van het dienstverband in plaats van zich ten volle in te zetten voor een succesvolle terugkeer van [werkneemster] .

5.9.

Verder is van belang dat [werkneemster] thans arbeidsongeschikt is en dat uit de adviezen van de bedrijfsarts blijkt dat de oorzaak grotendeels gerelateerd is aan het slepende conflict met EPT en dat volledig herstel van de belastbaarheid voor werk nog geruime tijd zal duren. De kantonrechter kan zich vinden in de inschatting van [werkneemster] dat zij als gevolg hiervan een zekere tijd geconfronteerd zal worden met een inkomensachteruitgang van circa € 10.000,- bruto per jaar. [werkneemster] heeft evenwel onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze situatie de komende 10 tot 15 jaar zal voortduren. In de verklaring van de psycholoog is deze inschatting weliswaar gemaakt, maar die prognose is mede gebaseerd op de aanhoudende conflictsituatie met de werkgever, stress over de juridische en financiële gevolgen en angst voor agressieve uitlatingen van de werkgever. Juist deze factoren, die volgens de psycholoog het herstel in negatieve zin beïnvloeden, komen door ontbinding van de arbeidsovereenkomst onder toekenning van een ontslagvergoeding (grotendeels) te vervallen. De kantonrechter acht het evenwel realistisch dat [werkneemster] gedurende een periode van 2 tot 3 jaar met een inkomensachteruitgang geconfronteerd wordt. Uitgaande van een periode van 2,5 jaar komt de inkomensschade neer op circa € 30.000,- bruto (30% inkomensverlies), vermeerderd met een bedrag van € 20.000,- voor de eventueel misgelopen vergoeding voor medische kosten gedurende een periode van 2,5 jaar.

5.10.

Alles overwegend, is de kantonrechter van oordeel dat een billijke vergoeding van € 50.000,- bruto een adequate en voldoende compensatie is voor het verwijtbaar handelen van EPT. Nu een lagere vergoeding wordt toegewezen dan door [werkneemster] verzocht, zal [werkneemster] op grond van artikel 7:686a lid 7 BW in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken binnen de hierna genoemde termijn.

5.11.

Het verzoek om EPT te veroordelen tot betaling van het 100% salaris en vakantietoeslag met ingang van mei 2019, zal worden toegewezen nu EPT zich hiertegen niet verzet. De door [werkneemster] gevorderde wettelijke verhoging over het loon, en wettelijke rente over het loon, de vakantietoeslag en de wettelijke verhoging worden eveneens toegewezen. De kantonrechter ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen aanleiding de wettelijke verhoging te matigen, zoals door EPT verzocht.

Het tegenverzoek

5.12.

Voor het geval [werkneemster] haar ontbindingsverzoek intrekt, ontbindt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst op verzoek van EPT op grond van hiervoor overwogene op grond van een verstoorde arbeidsrelatie ex artikel 7:669 lid 2 sub g BW.

5.13.

De kantonrechter stelt de ontbindingsdatum vast op 1 juni 2020. Daarbij is – gezien de ernstige verwijtbaarheid van EPT - ex artikel 7:671b lid 9 sub a BW geen rekening gehouden met (aftrek van) de proceduretijd.

5.14.

Aan [werkneemster] zal, zoals door EPT verzocht, een transitievergoeding van € 13.248,- bruto worden toegewezen. De hoogte van de transitievergoeding is immers door [werkneemster] niet betwist.

Proceskosten

5.15.

De proceskosten komen voor rekening van EPT, omdat sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten door EPT. Indien [werkneemster] het verzoek intrekt, komen de proceskosten voor haar rekening.

6 De beslissing

De kantonrechter:

Het verzoek

6.1.

bepaalt dat de termijn, waarbinnen [werkneemster] het verzoek kan intrekken (door middel van een schriftelijk mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de gemachtigde van de wederpartij, zal lopen tot en met 18 maart 2020;

Voor het geval [werkneemster] het verzoek niet binnen die termijn intrekt:

6.2.

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 april 2020;

6.3.

veroordeelt EPT om aan [werkneemster] een billijke vergoeding te betalen van € 50.000,- bruto;

6.4.

veroordeelt EPT tot betaling van het salaris van € 3.200,- bruto per maand, zijnde 100% van het loon, met ingang van mei 2019 tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst eindigt, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente tot de dag der algehele voldoening;

6.5.

veroordeelt EPT tot betaling van 8% vakantietoeslag over het loon, te betalen op de bij de wet aangegeven tijdstippen, vermeerderd met de wettelijke rente tot de dag der algehele voldoening;

6.6.

veroordeelt EPT in de kosten van deze procedure die de kantonrechter aan de kant van [werkneemster] vaststelt op € 720,-;

Voor het geval [werkneemster] het verzoek binnen die termijn intrekt:

6.7.

veroordeelt [werkneemster] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van EPT vaststelt op € 720,-;

6.8.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

Het tegenverzoek

6.9.

indien [werkneemster] haar ontbindingsverzoek intrekt, ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 juni 2020;

6.10.

veroordeelt EPT tot betaling aan [werkneemster] van een transitievergoeding van € 13.248,- bruto;

6.11.

veroordeelt EPT in de kosten van deze procedure die de kantonrechter aan de kant van [werkneemster] vaststelt op € 720,-;

6.12.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

Deze beschikking is gewezen door mr. W. Aardenburg, kantonrechter en op 4 maart 2020 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature