< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Ontbinding huurovereenkomst, ontruiming gehuurde, betaling huurachterstand.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/292633 / KG ZA 19-590

Vonnis in kort geding van 17 oktober 2019

in de zaak van

de stichting

STICHTING PRÉ WONEN,

gevestigd te Velserbroek,

eiseres,

advocaten mr. M. Scheeper en mr. E.M. de Bie,

tegen

1 [gedaagde1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. H. Temel.

Eiseres zal hierna Pré Wonen genoemd worden. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk [gedaagde1] c.s. (in mannelijk enkelvoud) en afzonderlijk van elkaar respectievelijk [gedaagde1] en [gedaagde2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding

de mondelinge behandeling

de pleitnota van Pré Wonen

de pleitnota van [gedaagde1] c.s.

1.2.

Bij de mondelinge behandeling van donderdag 3 oktober 2019 waren aanwezig:

[A.], medewerkster incasso bij Pré Wonen en [B.] en [C.], consulentes bewonerszaken bij Pré Wonen, bijgestaan door mr. De Bie, voornoemd,

[gedaagde1] en [gedaagde2], bijgestaan door mr. Temel, voornoemd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen (de rechtsvoorganger van) Pré Wonen en [gedaagde1] bestaat sinds 16 september 1996 een huurovereenkomst voor de zelfstandige woonruimte, staande en gelegen aan de [adres] (hierna: de woning).

De laatst verschuldigde huurprijs van de woning bedraagt € 420,27 per maand. In de huurovereenkomst is bepaald dat het gehuurde bestemd is om te worden gebruikt als woonhuis. [gedaagde1] huurt daarnaast een garagebox van Pré Wonen.

2.2.

Van de huurovereenkomst ten aanzien van de woning maakt tevens deel uit het huurreglement van januari 1993, vastgesteld door (de rechtsvoorganger van) Pré Wonen. Voor zover relevant is daarin het volgende bepaald:

Artikel 1 4

De verplichtingen van de huurder zijn de volgende:

hij dient het gehuurde als een goed huurder overeenkomstig zijn bestemming te gebruiken.

hij dient het gehuurde zelf te bewonen en daarin zijn hoofdverblijf te hebben.

hij mag het gehuurde zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de verhuurster niet onderverhuren of wederverhuren;

(…)

2.3.

Sinds 1 mei 2018 wordt de huur voor de woning betaald vanaf een rekeningnummer op naam van [gedaagde2]

2.4.

Op 22 mei 2018 heeft [gedaagde2] bij Pré Wonen geklaagd over overlast door zijn buurman. In de belnotitie, opgenomen in een interne e-mail van 9 mei 2018, is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“1e belletje: Dhr. [gedaagde2] belde, geeft aan overlast te hebben van zijn buren. Geeft aan dat het gaat om een gevluchte asielzoeker (gaat dan vervolgens heel lelijk over hem spreken). Hij zegt dat iedereen een sleutel heeft van die woning en zij te pas en te onpas daar binnen komen met veel kabaal. Wat ik interessanter vindt is dat dhr [gedaagde2] is geboren op 13/10/74. Huis staat op naam [gedaagde1] geb datum 02/03/1944. In het gesprek vraag ik hem of hij alleen woont en hij bevestigd dat, tevens zegt hij dat zijn vader in Turkije woont. Onderverhuur ? Ik zet dit door naar [D.] voor onderzoek.

2e belletje: Meneer [gedaagde1] belt weer over die zwarten van 18-2. Er wonen een aantal mensen daar die daar niet horen. En er wordt ook constant aangebeld bij de ATD omdat deze zwarten geen sleutel hebben….

Meneer [gedaagde1] is zelf Turks, maar als er nog meer aangebeld wordt gaat hij zo’n roetzwarte ouderwets in elkaar slaan… huh?

Deze belnotitie is van ons klachtencentrum… wil jij even voor mij kijken of dit jou iets zegt, want ik vind zijn manier van communiceren wel merkwaardig.”

2.5.

Pré Wonen heeft daarop [gedaagde1] c.s. in juni 2018 uitgenodigd voor een gesprek op kantoor. [gedaagde1] c.s. is niet verschenen.

2.6.

Uit de Basisregistratie Personen (BRP) blijkt dat zowel [gedaagde1] als [gedaagde2] staan ingeschreven op het adres van de woning. [gedaagde1] staat ingeschreven op het adres sinds 16 september 1996. [gedaagde2] heeft sinds 2004 af en aan ingeschreven gestaan op het adres van de woning (te weten van 25 november 2004 t/m 13 juli 2006, van 9 maart 2010 t/m 10 december 2010 en van 10 februari 2012 t/m 9 oktober 2013). Wanneer [gedaagde2] niet in de woning woonde, woonde hij - naar zijn eigen zeggen ter zitting - bij zijn broer of zijn moeder of was hij gedetineerd. Sinds 20 maart 2014 staat [gedaagde2] onafgebroken ingeschreven op het adres van de woning.

2.7.

Bij verstekvonnis van 1 augustus 2018 heeft de kantonrechter van deze rechtbank de huurovereenkomst tussen Pré Wonen en [gedaagde1] ontbonden, hem veroordeeld om de woning te ontruimen alsmede om de achterstallige huurpenningen ter hoogte van € 1.886,14, vermeerderd met de wettelijke rente, te voldoen. Daarnaast is [gedaagde1] daarbij tevens veroordeeld in de proceskosten.

2.8.

Bij brief van 13 augustus 2018 heeft Pré Wonen [gedaagde1] c.s. wederom uitgenodigd voor een gesprek op kantoor. Doel van dat gesprek was om de onderzoeken of [gedaagde2] recht had op medehuurderschap ten aanzien van de woning. Daarbij is blijkens een ter zitting voorgelezen e-mailbericht van de deurwaarder een afspraak gemaakt ten aanzien van de betaling van de achterstallige huurpenningen. Blijkens dat e-mailbericht zou [gedaagde2] bij tijdige en volledige betaling medehuurderschap worden toegekend. [gedaagde1] was bij het gesprek niet aanwezig omdat hij op dat moment in Turkije verbleef en pas eind september 2018 zou terugkeren.

2.9.

Aan de gemaakte betalingsafspraken is niet volledig voldaan. Aan [gedaagde2] is door Pré Wonen niet de status van medehuurder toegekend.

2.10.

Op 26 september 2018 hebben twee medewerkers van Pré Wonen een huisbezoek gebracht aan de woning. [gedaagde1] was op dat moment niet thuis omdat hij nog in Turkije verbleef.

2.11.

Op 18 februari 2019 heeft Pré Wonen wederom een bezoek gebracht aan de woning om te praten over het medehuurderschap en de huurachterstand. Zowel [gedaagde2] als [gedaagde1] waren daarbij aanwezig. In het gespreksverslag van dat huisbezoek is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“Vader verklaart in dit gesprek aan ons dat hij eind april weer naar Turkije teruggaat. Hij wil daar graag permanent blijven. [D.] heeft gezegd dat hij de aankomende 2 jaar niet mag emigreren naar Turkije, dit omdat zoon dan niet in de woning kan en mag blijven. Dit zijn de regels voor medehuurderschap.

Vader verklaart dat hij niet meer in Nederland wil blijven wonen maar permanent naar Turkije.

Wij vragen ons af waarom zoon nu opeens medehuurderschap wil aanvragen, terwijl hij al vanaf 2014 bij zijn vader woont.

Vader verklaart dat hij definitief naar Turkije wil emigreren en dan komt zoon opeens op de proppen met medehuurderschap. Dit is volgens ons met voorbedachten rade om snel hoofdhuurderschap te krijgen. Dit is niet volgens de regels van het aanvragen van medehuurderschap.

Waarom geen medehuurderschap verleent terwijl dat beloofd is?!

[B.] heeft aangegeven dat als meneer [gedaagde1] elke maand keurig zijn huur zou betalen zij medehuurderschap zal verlenen. Helaas betaald meneer niet volgens afspraak en verlenen wij geen medehuurderschap. Daar komt nog bij dat wij alleen het medehuurderschap verlenen als de heer [gedaagde1] zijn hoofdverblijf in het gehuurde zou houden. Dit is niet het geval.”

2.12.

Op 1 augustus 2019 heeft Pré Wonen een brief ontvangen van de gemeente Haarlem, waarin is gerelateerd dat de [gedaagde2] op 25 juni 2019 in de woning is aangehouden door de politie voor het bezit van een verboden vuurwapen en dat door het Openbaar Ministerie in verband daarmee strafrechtelijke vervolging wordt ingesteld. Naast het verboden vuurwapen zijn in de woning een lege huls en twee kogelwerende vesten aangetroffen. In de bestuurlijke rapportage van de politie van 22 juli 2019 wordt, voor zover van belang, het volgende opgemerkt:

“1. AANLEIDING

Op zondag 17 mei 2019, om 10.00 uur, ontvingen de politie een anonieme schriftelijke melding. In deze melding werd uiteengezet dat op zondag 17 juni 2019, tussen 02:00u en 0:500 u afkomstig uit een portiekflat gelegen aan de [adres] een ruzie tussen een man en een vrouw hoorbaar was. Er werd expliciet verwezen naar de hoofdbewoner, de heer [gedaagde2] en diens vriendin. Er werd gegooid met spullen, hetgeen eveneens hoorbaar was. Vervolgens werd meermalen met een vuurwapen geschoten. Uit angst voor represailles werd niet direct melding gedaan. Hier werd bij vermeld dat omwonenden bang zijn om de politie te bellen. Naar aanleiding van deze anonieme melding werd door ons een onderzoek ingesteld,

(…)

3. BEVINDINGEN

(…)

REPUTATIE [gedaagde2]:

De heer [gedaagde2] is bij de politie bekend en heeft een (interne) gevarenclassificatie, te weten ‘vuurwapengevaarlijk’. Omwille van vorenstaande wordt de inhoud van de onder de aanleiding omschreven melding ten aanzien van mogelijk vuurwapengebruik als zeer aannemelijk geacht.

(…)

VERKLARING [gedaagde2]:

De heer [gedaagde2] verklaarde ruzie met zijn vriendin te hebben gehad. Voorts verklaarde hij niets te weten van de aangetroffen revolver. Hij ontkende het gebruik als ook het bezit. Over de kogelwerende vesten verklaart hij dat hij die gebruikte toen hij als gastheer/portier werkte.

(…)

5. MAATSCHAPPELIJKE RELEVANTIE

Panden waar sprake is van bezit van wapens veroorzaken ernstige verstoring van de openbare orde en zorgen voor ernstige onrust bij omwonenden waardoor het veiligheidsgevoel in ernstige mate wordt aangetast. Daarbij trekt de aanwezigheid van criminele personen in en om een pand andere criminele activiteiten aan. Dit zorgt voor nog meer verstoring, onrust en onveiligheid onder omwonenden.

6. AANBEVELINGEN/GEWENSTE MAATREGELEN

Op grond van bovengenoemde informatie geeft de politie Noord-Holland de gemeente Haarlem in overweging om het bestuurlijk instrumentarium te gebruiken met betrekking tot hetgeen is geconstateerd.”

2.13.

Bij brief van 12 augustus 2019 heeft Pré Wonen [gedaagde1] c.s. aangeschreven, waarbij [gedaagde1] wordt verweten zich – gelet op de vondst van het verboden vuurwapen – niet te hebben gedragen als een goed huurder en de woning bovendien onrechtmatig in gebruik te hebben gegeven aan derden. [gedaagde2] wordt verweten zonder recht of titel te verblijven in de woning. [gedaagde1] wordt verzocht de huurovereenkomst binnen 7 dagen op te zeggen tegen 1 oktober 2019 en de woning ontruimd op te leveren aan Pré Wonen.

2.14.

[gedaagde1] c.s. hebben niet aan de sommatie voldaan.

2.15.

Ten tijde van dagvaarding bestond er een betalingsachterstand ter zake de huur van de woning van 2 maanden (juli en augustus 2019). De huidige huurachterstand bedraagt € 840,54. Ten aanzien van de door [gedaagde1] gehuurde garage bestaat een achterstand van € 308,52 (vier maanden).

3 Het geschil

3.1.

Pré Wonen vordert – na eiswijziging ter zitting, waarmee door [gedaagde1] c.s. is ingestemd – bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij wege van een voorziening:

gedaagden te veroordelen de woning aan de [adres] binnen drie dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis met de daarin vanwege gedaagde aanwezige goederen en personen te verlaten, met overgifte aan eiseres van de sleutels en al hetgeen tot het gehuurde behoort ter vrije en algehele beschikking van eiseres te stellen op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor elke dag of gedeelte daarvan dat gedaagde hiermee in gebreke blijft, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie nader te bepalen dwangsom;

gedaagde sub 1 te veroordelen om de huur € 420,27 per maand te betalen vanaf 1 september 2019 tot aan de dag van de ontruiming;

gedaagde sub 1 te veroordelen de huurschuld van € 1.149,06, althans een door u in goede justitie nader te bepalen bedrag, te voldoen aan eiseres, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf de dag der dagvaarding, althans een door u in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening;

gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding daaronder uitdrukkelijk mede begrepen de na de uitspraak nog vallende kosten (…)

3.2.

Pré Wonen legt, samengevat en voor zover van belang, het volgende aan haar vordering ten grondslag.

Uit onderzoek blijkt dat de woning niet wordt bewoond door [gedaagde1] De woning wordt geheel of gedeeltelijk onderverhuurd of afgestaan in gebruik aan [gedaagde2] terwijl [gedaagde1] kennelijk zelf in Turkije verblijft. Hierdoor wordt gehandeld in strijd met artikel 14 van het huurreglement alsmede met artikel 7:244 BW. Op grond van artikel 7:213 BW dient een huurder zich als een goed huurder te gedragen en op grond van artikel 7:219 BW is hij op gelijke wijze aansprakelijk voor het handelen van derden die zich met zijn goedvinden in de woning bevinden. Tenslotte laat [gedaagde1] na op tijd en volledig de huurprijs te voldoen. [gedaagde1] heeft in strijd gehandeld met de bepalingen uit de huurovereenkomst en de wet en is derhalve tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst met Pré Wonen. Deze tekortkoming kan niet meer ongedaan gemaakt worden, zodat Pré Wonen het recht heeft om de huurovereenkomst op grond van artikel 6:265 BW te ontbinden. Bovendien is [gedaagde1] sr aansprakelijk voor de gedragingen van zijn onderhuurder of gebruiker [gedaagde2] Deze heeft gehandeld in strijd met de Wet Wapens en Munitie. Ook dat levert grond voor ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming op.

3.3.

[gedaagde1] c.s. voert, samengevat en voor zover van belang, het volgende verweer.

De vordering is ongeschikt om in kort geding te worden behandeld en daarnaast ontbreekt een spoedeisend belang. Ontruiming is een zeer ingrijpende maatregel is, zodat een belangenafweging zal moeten worden gemaakt. [gedaagde1] betwist dat hij niet zijn hoofdverblijf heeft in de woning en dat sprake is van niet toegestane ingebruikgeving dan wel van onderhuur van de woning. Ten aanzien van het aangetroffen wapen merkt [gedaagde1] c.s. op dat dit wapen door de ex-vriendin van [gedaagde2] in de woning is neergelegd uit wraak, zodat [gedaagde2] in de problemen zou komen. [gedaagde1] c.s. had daarvan geen kennis. Daarbij komt dat het aanwezig hebben van een wapen nog niet automatisch betekent dat sprake is van wanprestatie. De huurachterstand ter zake de verschuldigde huurpenningen voor de woning en de garage is door [gedaagde1] c.s. niet betwist.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Uit het bepaalde in artikel 254 lid 1 Rv vloeit voort dat de gevorderde voorziening kan worden toegewezen (1) als Pré Wonen daarbij een zodanig spoedeisend belang heeft dat van haar niet kan worden gevergd een beslissing in bodemprocedure af te wachten, (2) als zodanig waarschijnlijk is dat een (nagenoeg) gelijkluidende vordering ten gronde zal worden toegewezen, dat het gerechtvaardigd is om daarop met het treffen van een onmiddellijke voorziening bij voorraad vooruit te lopen en (3) als afweging van de gerechtvaardigde belangen van partijen er niet toe noopt om – ook al is aan criteria (1) en (2) voldaan – de voorziening achterwege te laten. Deze criteria kunnen niet strikt onderscheiden worden en vloeien in elkaar over. Zo worden bij een vordering die ten gronde zonder meer toewijsbaar is nauwelijks eisen gesteld aan de spoedeisendheid. Bij een vordering waarvan de toewijsbaarheid in een bodemprocedure twijfelachtig is, dient daarentegen de spoedeisendheid concreet vast te staan om een voorlopige voorziening te verkrijgen. Bij zo’n vordering speelt ook (3) het belang van de gedaagde bij het achterwege blijven van een voorziening waarvan de gevolgen niet kunnen worden teruggedraaid en handhaving van de bestaande situatie – in dit geval: de huurovereenkomst – een voorname rol.

4.2.

[gedaagde1] c.s. heeft aangevoerd, dat bij de beantwoording van de vraag of, op grond van een gestelde tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst een zeer ingrijpende maatregel als een vordering tot ontruiming in kort geding kan worden toegewezen, grote terughoudendheid dient te worden betracht, gelet op de waarborgen waarmee de wet de rechten van huurders van woonruimte omkleedt. De voorzieningenrechter onderschrijft dit. Van belang hierbij is dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een diepgaand onderzoek naar de bestreden feiten. Daarom kan voor toewijzing van een dergelijke vordering dan ook slechts plaats zijn indien in hoge mate waarschijnlijk is dat de bodemrechter, zo het geschil aan hem wordt voorgelegd, tot toewijzing van die vordering zal komen.

Het niet houden van ‘hoofdverblijf’ in het gehuurde

4.3.

[gedaagde1] heeft onweersproken aangevoerd dat hij sinds zijn pensionering (circa 10 jaar geleden) jaarlijks van april tot en met eind september in Turkije verblijft.

Het betreft een verblijf van steeds maximaal 180 dagen, in verband de eisen die de Sociale Verzekeringsbank (SVB) stelt aan doorbetaling van AOW-pensioen bij verblijf in het buitenland. Het is dan ook niet zo dat hij niet langer in de woning woonachtig is en voor onbepaalde tijd is vertrokken naar Turkije, aldus [gedaagde1] c.s. Hij verblijft jaarlijks nog tenminste 185 dagen in de woning, staat daar ook ingeschreven en heeft er zijn meubels en overige voorzieningen.

4.4.

Bij de beoordeling van een en ander wordt vooropgesteld dat het begrip ‘hoofdverblijf’ niet wettelijk is gedefinieerd. Ook is in de huurovereenkomst en in het huurreglement niet omschreven wat Pré Wonen onder ‘hoofdverblijf’ verstaat.

In de jurisprudentie is aan dit begrip wel nadere invulling gegeven. Bij de beoordeling van de vraag of iemand in een woning zijn hoofdverblijf houdt spelen diverse, met name feitelijke omstandigheden een rol, waaronder de feitelijke aanwezigheid van de huurder, het ingeschreven zijn in de gemeentelijke basisadministratie, de plaats waar de huurder de nacht doorbrengt, de aanwezigheid van meubilair en de aansluiting op voorzieningen.

4.5.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat Pré Wonen, tegenover de gemotiveerde betwisting van [gedaagde1] onvoldoende heeft gesteld om in dit kort geding zonder nader onderzoek aan te nemen dat dat [gedaagde1] niet langer zijn hoofdverblijf heeft in de woning. Voor zover dat standpunt wordt onderbouwd met een beroep op het sub 2.11 geciteerde verslag van een onaangekondigd huisbezoek, is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit onvoldoende basis vormt om de verstrekkende gevolgtrekkingen van Pré-Wonen te rechtvaardigen. In het slordig geredigeerde verslag is niet meer te lezen dan dat vader de wens koestert om zich permanent in Turkije te vestigen.

Bij dit alles is van belang dat het hier gaat om een Turkse gastarbeider van de 1e generatie (naar Nederland gekomen in de zestiger jaren van de vorige eeuw) die reeds jaren een deel van het jaar in zijn land van herkomst verbleef. Niet weersproken is dat de duur van dit verblijf is afgestemd met de Sociale Verzekeringsbank. Onder die omstandigheden is de duur van het verblijf in het buitenland, voor zover die spoort met de afspraken, op zichzelf niet concludent voor de gevolgtrekking dat het hoofdverblijf is verplaatst naar het buitenland.

De voorzieningenrechter acht verder van belang dat Pré Wonen in ieder geval sinds oktober 2018 wist dat [gedaagde1] van tijd tot tijd voor langere tijd in Turkije verblijft. Voor zover Pré Wonen van opvatting was dat [gedaagde1] aldus tekort schoot in de nakoming van de huurovereenkomst had zijn hem minst genomen moeten waarschuwen.

Gesteld noch gebleken is dat dit is gebeurd.

Niet toegestane (gedeeltelijke) onderverhuur of ingebruikgeving

4.6.

Niet in geschil is dat [gedaagde1] [gedaagde2] in de woning laat verblijven en ook is niet betwist dat de huur sinds mei 2018 wordt afgeschreven van een bankrekening op naam van [gedaagde2] Pré Wonen weet hier dan ook reeds meer dan een jaar vanaf. Pré Wonen heeft niet gesteld en dit is ook niet gebleken, dat zij [gedaagde1] c.s. heeft gewaarschuwd dat [gedaagde2] de woning in verband hiermee diende te verlaten. Blijkens de gespreks-/belnotities is slechts ter sprake gekomen dat [gedaagde2] de woning zou moeten verlaten wanneer [gedaagde1] permanent zou vertrekken naar Turkije omdat hij geen status heeft als medehuurder. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde1] onder die omstandigheden niet kan worden verweten dat hij de woning onbevoegd in gebruik heeft gegeven of onderverhuurd aan [gedaagde2] Ook deze grond voor ontruiming is in onderhavig kort geding dan ook onvoldoende aannemelijk geworden.

Verboden wapenbezit

4.7.

Vast staat dat in het gehuurde een verboden vuurwapen, een lege huls en twee kogelwerende vesten zijn aangetroffen. [gedaagde2] heeft gesteld dat dit wapen, zonder zijn medeweten, door zijn ex-vriendin uit wraak in de woning is neergelegd om hem in de problemen te brengen en dat [gedaagde1] daarvan geen kennis had.

4.8.

In artikel 7:219 BW is bepaald dat een huurder jegens de verhuurder op gelijke wijze als voor eigen gedragingen, aansprakelijk is voor de gedragingen van hen die met zijn goedvinden het gehuurde gebruiken of zich met zijn goedvinden daarop bevinden. In zijn arrest van 20 juni 2007 (ECLI:NL:HR:2007:AZ8743) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat artikel 7:219 BW geen risicoaansprakelijkheid vestigt voor alle gedragingen van personen die met goedvinden van de huurder in of rond het gehuurde aanwezig zijn. Als er geen schade aan het gehuurde is aangebracht, is beslissend of de huurder, handelend of nalatend zoals hij heeft gedaan, zich al dan niet als een goed huurder heeft gedragen. Bij de beantwoording van deze vraag dienen alle omstandigheden van het geval te worden meegenomen, waaronder de vraag of er voldoende verband bestaat tussen de gedragingen en het gebruik van het gehuurde. Volgens de Hoge Raad is daar in ieder geval sprake van als de huurder van de (voorgenomen) gedragingen op de hoogte was, of daarmee ernstig rekening had te houden maar heeft nagelaten de in verband daarmee redelijkerwijs te treffen maatregelen te treffen.

4.9.

In casu is geen schade aan het gehuurde toegebracht. Door Pré Wonen is voorts niet gesteld en dit is ook niet gebleken dat [gedaagde1] wist of had moeten weten van het verboden wapenbezit. [gedaagde2] heeft zelf bovendien gemotiveerd betwist op de hoogte te zijn geweest van de aanwezigheid van het vuurwapen. Onder die omstandigheid kan in onderhavig kort geding voorshands niet worden aangenomen dat [gedaagde1] daarvoor aansprakelijkheid kan worden gehouden. Ook dit kan daarom geen grond opleveren om tot toewijzing van de ontruimingsvordering in kort geding over te gaan.

Achterstand huurbetalingen woning en garage

4.10.

Door [gedaagde1] c.s. is de achterstand in de huurbetalingen voor de woning en de garage van in totaal € 1.149,06 niet betwist. De vordering tot betaling van deze achterstand zal daarom worden toegewezen.

4.11.

Het niet (tijdig) betalen van de huurpenningen vormt een tekortkoming in de nakoming van zijn verplichting door [gedaagde1] Een tekortkoming van een huurder kan de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen, tenzij de tekortkoming zo gering is dat deze de ontbinding niet rechtvaardigt. De omvang van de hiervoor vermelde huurachterstand is naar het oordeel van de voorzieningenrechter te gering om in het onderhavige geval de ontbinding van de huurovereenkomst te kunnen rechtvaardigen. Daarbij weegt de voorzieningenrechter het volgende mee:

er is sprake van een zeer langdurige huurrelatie met een weinig zelfredzame huurder die op hoge leeftijd is;

ontbinding van de huurovereenkomst zou ernstige gevolgen zal hebben voor [gedaagde1], die dan niet alleen zijn woning in Nederland verliest maar wellicht ook zijn uitkering in gevaar ziet komen.

De voorzieningenrechter wijst er in dit kader overigens op dat [gedaagde1] er onverstandig aan doet de huur te laten betalen door [gedaagde2], die daarmee slordig omspringt, en kennelijk onvoldoende oog heeft voor die risico’s waaraan hij zijn vader aldus bloot stelt.

4.12.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de ontruimingsvordering van Pré Wonen zal worden afgewezen en dat de vordering ten aanzien van de achterstallige huurpenningen zal worden toegewezen. Omdat partijen over en weer deels in het gelijk zijn gesteld, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren als hierna weer te geven.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde1] tot betaling van de openstaande huurschuld van € 1.149,06, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag van af de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling.

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt,

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 17 oktober 2019.

Conc.: 1289


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature