< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Gedaagde, een vlogger, heeft op met name Instagram en YouTube diverse publicaties geplaatst die betrekking hebben op eiser en/of personen rondom eiser en/of producten van eiser. Met deze publicaties en de daarin gedane uitlatingen heeft hij de grenzen van het toelaatbare overschreden. Eiser is door de publicaties in zijn eer en goede naam aangetast. Gedaagde wordt daarom op straffe van een dwangsom veroordeeld tot het verwijderen en verwijderd houden van alle door hem omtrent eiser geplaatste publicaties. Eveneens op straffe van een dwangsom wordt het hem verboden om (nadere) negatieve uitlatingen te doen over eiser en wordt hij veroordeeld tot het plaatsen van een rectificatie. De vordering tot betaling van schadevergoeding wordt afgewezen bij gebrek aan voldoende onderbouwing van die vordering.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/292126 / KG ZA 19-554

Vonnis in kort geding van 14 oktober 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. F. Yildiz te 's-Gravenhage,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. I. L'Ghdas te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 13 augustus 2019 met de producties 1 tot en met 30, welke producties deels zijn aangeleverd op een door [eiser] nagezonden USB-stick,

de brief van de zijde van [gedaagde] van 26 september 2019, waarmee de producties 1 tot en met 19 (deels op een bijgesloten USB-stick) in het geding zijn gebracht,

de mondelinge behandeling op 30 september 2019,

de pleitnota van [gedaagde].

1.2.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 30 september 2019 zijn verschenen:

[eiser], bijgestaan door mr. Yildiz voornoemd,

[gedaagde], bijgestaan door mr. L’Ghdas voornoemd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is een influencer. Onder zijn artiestennaam [A.] houdt hij zich sinds een aantal jaren bezig met onder andere rappen, presenteren en het publiceren van video’s en vlogs op verschillende sociale media kanalen. [eiser] heeft op dit moment zo’n 220.000 volgers op Instagram.

2.2.

[gedaagde] publiceert onder de naam [B.] (toevoeging voorzieningenrechter: uit te spreken als ‘[B.]’) vlogs en video’s op onder andere Youtube en Instagram. [gedaagde] heeft momenteel ongeveer 50.000 volgers op Instagram.

2.3.

[eiser] is zich begin 2019 bezig gaan houden met de verkoop van zogenaamde ‘[C.]’, draadloze bluetooth oortjes, via de website www.[C.].nl.

De levering van de [C.] heeft vanwege productie,- c.q. leveringsproblemen vertraging opgelopen.

2.4.

[gedaagde] heeft op zowel Youtube als op Instagram verschillende berichten gepubliceerd over de [C.].

Zo is op Youtube de video met titel ‘WOLLAH MEH JE HEB [C.]!! PAS OP [A.] & [C.] (Scam)’ verschenen.

Op Instagram schrijft [gedaagde] onder het door hem geplaatste bericht met de titel ‘Wanneer je erachter komt dat je [C.] eigenlijk buttplugs zijn’ het volgende:

“Ga spelen met je Asspodz. Niemant wilt ze. Er zit zelfs een KNOPJE OP! (..) dat zijn echt ASSPODZ En de mensen die em binnenkort krijgen kunnen klachten bij mij indienen…”

2.5.

In [datum] is de woning van [eiser] beschoten. De aanleiding van deze beschieting is vooralsnog onduidelijk. Het politieonderzoek naar de toedracht loopt.

2.6.

[gedaagde] heeft op zowel Youtube als Instagram berichten geplaatst over de beschieting.

Het Instagram-bericht heeft de volgende ondertitel:

“(..)

WIL JE WETEN WAAROM ER IS GESCHOTEN OP [A.]?? aka (SNITCHBABY) LINK IN BIOOOOO. (..)”

De titel van de Youtube-video luidt:

“DE (D)ONDERGANG De reden waarom [A.] is beschoten (SNITCHBABY) je oogst wat je sait.”

2.7.

Op [datum] is er op de Instagrampagina van [gedaagde] een nieuw bericht over [eiser] verschenen, ditmaal met de volgende ondertitel:

“(..)

Nu ONLINE! de man met 2 gezichten de zahma goede moslim. Die tijdens ramadan op klaar lichte dag mensen probeert te saboteren en bedreigen. (..)”

Onder het bericht schrijft [gedaagde] verder onder andere:

“Bericht je naar snitchbaby de islam misbruiker! Je bent zwakker dan IEDEREEN! Je bent geen partij voor mij.

Next stop: [A.] VS [B.]

Dacht je dat ik klaar was met jou??

Broer ik heb zulke erge shit op jou dat ik zelfs over een maand zou kunnen zetten en je zou nog steeds huilen. je bent kkr dom ik heb een HEEL interview met je EIGEN bloed neef. HIJ HEEFT VORIGE WEEK AL ALLES VERTELD. Alles!! Dus ga door? Ik wou je nog genade tonen omdat de info zo erg was wat je neef gaf!!. Wij gaan elkaar zien [A.] en dan ga je ook op de cam, kinderlokker lokker islam misbruiken, Mensen je hoort [A.] wilt zich zelf weer verder kapot maken.”

2.8.

Op [datum] heeft [eiser] een iftar georganiseerd in Den Haag. Het daarvoor benodigde geld is (deels) opgehaald via online donaties.

2.9.

[eiser] heeft op [datum] aangekondigd een Fiat Stilo onder zijn volgers te verloten, ter compensatie van de opgetreden leveringsproblemen van de [C.].

2.10.

In een Youtube-video van onbekende datum met de titel “EXPOSED! [A.] EN de 12 FEITEN, Bonus track etc. De waarheid is hard #ARG” stelt [gedaagde] onder meer het volgende aan de orde:

“(..)

ik heb geen woorden voor zijn type of fakeness. En je kan hier gewoon zien dat de Fiat Stilo (..) die is uitgeloot naar een [C.]-koper is allemaal uit de duim gezogen verhaal. Die auto is voor het laatst 13-12-2018 tenaamgesteld. Zijn doelgroep is helaas niet slim genoeg om dit soort dingen te onderzoeken en te achterhalen. Maar hij maakt daar wel maximaal misbruik van. Jij bent door de fucking mand gevallen. (..)

Mensen mensen mensen, ik vind dat dit zo ver gaat dat ik niet eens mijn persoonlijke mening hierover ga geven en voor jullie nu alle feiten op een rijtje ga zetten. Van gokken tijdens ramadan (..) stelen van arme kinderen (..) bestelen tijdens de ramadan van het iftar geld (..) mensen voor de gek houden met fake giveaways (..) neppe donaties (..) mijn moeder uitschelden tijdens de ramadan (..) tot aan foto’s plaatsen dat hij alcohol aan het benuttigen is oké, terwijl hij zahma een moslim is en ten tweede weet dat heel veel kinderen hem volgen (..) mensen aanzetten tot snitchen (..) zijn eigen dood faken voor een videoclip-promotie en wat volgers (..) de jongeren intimideren en bedreigen wanneer ze iets naar jou roepen wat jou niet bevalt (..) backstabben toen je mij wou hacken en Sait ervoor wou laten opdraaien (..) en niet te vergeten de Fiat en de Citroën, begrijpen jullie die? Dit allemaal wat ik jullie net heb opgenoemd is feitelijk onderbouwd.”

2.11.

De iftar is (wederom) aan bod gekomen in een Youtube-video van [gedaagde] van [datum] met de titel “MUST SEE!! #STOP [A.], stelen van Fans? DE GROOTSTE IFTAR?”

2.12.

Op [datum] heeft [gedaagde] een Instagram-bericht gewijd aan de iftar. Dit bericht wordt vergezeld door een foto van [eiser] op een jetski, met een door [gedaagde] op zijn hoofd geplakte drol en een tekstwolkje met de tekst “bedankt voor de donaties”.

2.13.

In een Youtube-video van onbekende datum met de titel “MUST SEE! (..) ‘MEHE-FEHE” GESTOLEN van? [A.] is GEEN moslim? (..)” behandelt [gedaagde] onder meer de volgende [eiser]-gerelateerde onderwerpen:

“(..)

Het geloof misbruiken om je vieze zakken te vullen. [A.], na alle fouten wat jij hebt gemaakt in je leven, is dit het allerergste wat jij kon doen. Hierna is er geen weg terug meer. Jij gaat direct naar hel. Dit is de expose van mehe-fehelicious. [A.] heeft mehe-fehe gestolen, zoals hij met alles doet. En ik ga niet eens teveel praten en jullie gelijk bewijs tonen. (..) [A.] is ** dom. Want zoals jullie weten, zoekt [A.] altijd problemen op terwijl hij weet dat ie gepakt kan worden in zijn kleine sprinkhanus. (..)”

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde] beveelt om binnen 24 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis alle uitingen over [eiser] en/of producten van [eiser] en/of aan [eiser] gelieerde personen en/of activiteiten van het internet of enig ander openbaar medium met een vergelijkbare strekking te verwijderen en verwijderd te houden, een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per dag of gedeelte van de dag dat [gedaagde] niet volledig aan dit bevel voldoet;

2. [gedaagde] verbiedt om verder, in welke vorm dan ook, al dan niet door derden, publiekelijk negatieve uitlatingen te (laten) doen over [eiser], op straffe van een dwangsom van € 10.000,- ineens en voorts € 10.000,- per dag (gedeelte);

3. [gedaagde] gebiedt om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis een rectificatie te plaatsen op zijn Youtube en Instagram pagina en deze gedurende 90 dagen geplaatst te houden op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat [gedaagde] hiermee te laat is en voor iedere dag dat deze rectificatie minder dan 30 dagen op genoemde pagina’s heeft gestaan;

4. [gedaagde] veroordeelt om binnen 2x24 uur na betekening van het in dezen te wijzen vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen een voorschot op de in een bodemprocedure te verwachten toe te wijzen immateriële schadevergoeding ter grootte van € 50.000,- en een materiële schadevergoeding ter grootte van eveneens € 50.000,-;

5. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure waaronder salaris advocaat, tot op heden begroot op € 5.000,-.

3.2.

Aan zijn eerste drie vorderingen legt [eiser] - kort gezegd - ten grondslag dat hij door de uitingen en publicaties van [gedaagde] in zijn goede naam en eer wordt aangetast en dat [gedaagde] daarmee onrechtmatig jegens hem handelt. [gedaagde] verdraait stelselmatig feiten en zet deze naar zijn hand. Zijn berichten en/of video’s berusten op onjuiste of verdraaide beweringen en kunnen niet worden gezien als het aan de kaak stellen van misstanden, zoals [gedaagde] beweert. [gedaagde] scheldt [eiser] uit en beledigt hem stelselmatig. [eiser] stelt dat hij zich in 2011 is gaan distantiëren van zijn toen bestaande imago van ‘gangsterrapper’ en zich sindsdien beoogt neer te zetten als jongerenhelper en inspirator. [eiser] heeft aldus een zwaarwegend belang bij het behoud van zijn goede naam en imago en rectificatie van het door [gedaagde] in zijn publicaties gecreëerde beeld over [eiser].

Aan zijn vierde vordering legt [eiser] ten grondslag dat hij aanzienlijke schade lijdt door voornoemde acties. Deze acties tasten de eer en goede naam van [eiser] aan, terwijl hij voor het genereren van inkomsten juist afhankelijk is van zijn imago. Gezien de bekendheid van [eiser] en de mate en duur van de onrechtmatige uitlatingen door [gedaagde], acht [eiser] een voorschot op de immateriële schadevergoeding van € 50.000,- redelijk. Door de publicaties van [gedaagde] is onder meer de verkoop van [C.] sterk afgenomen en is ook het aantal volgers van [eiser] sterk verminderd. [eiser] acht daarom ook een voorschot op de materiële schadevergoeding van € 50.000,- gerechtvaardigd.

3.3.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer. Hij voert daartoe – samengevat - aan dat hij in zijn publicaties wel degelijk een evidente misstand aan de kaak stelt. Hij wil het publiek waarschuwen voor een (gangster)rapper die, gebruikmakend van zijn bekendheid, telkens weer geld afhandig maakt van zijn veelal jonge en daardoor makkelijk te beïnvloeden fans. De door [gedaagde] gedane uitingen vinden volgens hem voldoende steun in het feitenmateriaal. [gedaagde] vraagt zich voorts af wat het belang van [eiser] is bij het behoud van zijn goede naam. Volgens [gedaagde] is [eiser], als gangsterrapper, juist gebaat bij een imago als bad boy. Het belang van [eiser] om misstanden aan de kaak te stellen en een bijdrage te leveren aan het publieke debat prevaleert ook om die reden duidelijk boven het belang van [eiser] bij de bescherming van zijn eer en goede naam. Ten aanzien van de vordering tot betaling van voorschotten op de (im)materiële schadevergoeding voert [gedaagde] aan dat [eiser] de geclaimde schade niet heeft onderbouwd en dat het causaal verband tussen de uitlatingen van [gedaagde] en de vermeende schade ontbreekt. Verder wijst [gedaagde] erop dat er een restitutiegevaar bestaat indien de vorderingen zouden worden toegewezen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

beoordelingskader: recht op bescherming goede naam vs. vrijheid van meningsuiting

4.1.

In deze zaak is aan de orde de beoordeling van de gewraakte uitlatingen in het licht van artikel 7 van de Grondwet en de artikelen 8 en 10 EVRM. Het gaat hier om een botsing van twee fundamentele rechten. Aan de ene kant staat het recht van [eiser] op bescherming van zijn goede naam tegen kwetsende uitingen en lichtvaardig gepubliceerde beschuldigingen; daartegenover staat het belang van [gedaagde] om zijn mening te uiten over dat wat hij waarneemt in de maatschappij. Welke van deze rechten in dit geval de doorslag behoort te geven, hangt af van verschillende in onderling verband te beschouwen omstandigheden. Bij die afweging komt niet in beginsel voorrang toe aan het door artikel 7 Grondwet en artikel 10 EVRM gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting, noch aan de door artikel 8 EVRM beschermde rechten.

4.2.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij zich geroepen voelt om de misstanden waarvan hij met betrekking tot [eiser] op de hoogte raakt aan de kaak te stellen. Dat dwingt de voorzieningenrechter ertoe na te gaan of de aard van de door [gedaagde] gepubliceerde verdenkingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor [eiser] proportioneel is aan de ernst van de (beweerde) misstanden die [gedaagde] in zijn publicaties aan de kaak beoogt te stellen. In dat kader moet worden onderzocht in welke mate de berichtgeving omtrent deze misstanden steun vond in het ten tijde van de publicatie beschikbare feitenmateriaal. Bij het oordeel over de rechtmatigheid spelen tenslotte de inkleding van de mededelingen en de zorgvuldigheid van het daaraan ten grondslag liggende onderzoek een belangrijke rol. Omdat [gedaagde] een groot aantal volgers heeft op zijn social media accounts, is het potentiële effect van zijn berichtgeving groot. Er dienen om die reden (extra) hoge eisen te worden gesteld aan de feitelijke onderbouwing van de door hem gedane uitingen en aan het daaraan ten grondslag liggende onderzoek.

4.3.

De uitlatingen van [gedaagde] hebben met name betrekking op een vijftal onderwerpen, namelijk:

1. de door [eiser] op de markt gebrachte [C.],

2. een door [eiser] verlote auto,

3. de beschieting van de woning van [eiser],

4. een door [eiser] georganiseerde iftar,

5. het gebruik van de kreet ‘mehe fehe’ door [eiser].

Deze onderwerpen zullen hierna, met inachtneming van het in 4.1 en 4.2 beschreven kader, één voor één worden behandeld.

1. de [C.]

4.4.

[gedaagde] stelt dat [eiser] de kopers van [C.] oplicht. [eiser] zou het product wel verkopen, maar niet leveren. [gedaagde] voelt zich daardoor naar eigen zeggen geroepen het (veelal jonge) publiek te waarschuwen tegen deze praktijken van [eiser]. [gedaagde] heeft er voor gekozen om zijn overtuiging op dit punt op stellige wijze en in ongenuanceerde bewoordingen te uiten. Zo duidt hij de [C.] onder andere aan als ‘scam’ en ‘asspodz’.

4.5.

[gedaagde] heeft verschillende stukken ingebracht waaruit volgens hem blijkt dat [eiser] zich aan oplichtingspraktijken schuldig maakt. Zo heeft [gedaagde] drie screenshots van vermeende Instagram-reacties van [eiser] overgelegd. Uit die reacties kan volgens [gedaagde] worden afgeleid dat [eiser] klanten onheus bejegent. De voorzieningenrechter kan echter niet vaststellen of de drie reacties die in deze screenshots te zien zijn ook daadwerkelijk van [eiser] afkomstig zijn; dat is tegenover de gemotiveerde betwisting van die stelling door [eiser] in ieder geval onvoldoende aannemelijk geworden. [eiser] heeft bovendien gemotiveerd betwist dat de Instagrampagina ‘[C.]’, naar welke pagina de klachten zijn toegestuurd, ook daadwerkelijk door hem wordt beheerd. Verder is niet vast te stellen of de genoemde drie reacties representatief zijn voor de vele tientallen reacties die [gedaagde] naar eigen zeggen heeft ontvangen over de [C.]. Tot slot kunnen ook de overige door [gedaagde] overgelegde ‘bewijsstukken’ - tegenover de gemotiveerde betwisting door [eiser] van die stukken - niet leiden tot de vaststelling dat er enige feitelijke grondslag bestaat voor de beschuldigingen van [gedaagde] omtrent de [C.].

4.6.

[eiser] heeft ter zitting aangegeven dat zijn imago schade lijdt door de uitlatingen van [gedaagde] en dat de inkomsten uit de verkoop van de [C.] aanzienlijk zijn gedaald. De voorzieningenrechter acht deze stellingen gezien de stelselmatig laatdunkende uitlatingen van [gedaagde] over het product en de wijze waarop de berichtgeving is ingekleed niet onaannemelijk. Het belang van [eiser] om verstoken te blijven van de ongefundeerde aantijgingen aan zijn adres dienen gelet op al het voorgaande dan ook zwaarder te wegen dan de vrijheid van meningsuiting van [gedaagde].

2. verloting auto

4.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser], nadat bleek dat de levering van de [C.] ernstige vertraging had opgelopen, ter compensatie van die vertraging de verloting van een auto heeft aangekondigd onder zijn volgers. Volgens [gedaagde] heeft de verloting van de auto in kwestie, een Fiat Stilo, echter nooit plaatsgevonden. Dit was voor [gedaagde] aanleiding voor diverse publicaties over deze verloting (zie onder meer, maar niet uitsluitend hetgeen is opgenomen in 2.10). In de betreffende publicaties wijst [gedaagde] ter onderbouwing van zijn stelling onder meer op het feit dat de Fiat Stilo na de vermeende verloting gewoon nog bij de garage geparkeerd stond en voor het laatst in december 2018 is overgeschreven. Verder zou uit een geluidsfragment van een interview van [gedaagde] met de garagehouder – zo begrijpt de voorzieningenrechter – moeten blijken dat de betreffende garagehouder beaamt dat [eiser] een oplichter is.

4.8.

[eiser] heeft de feitelijke grondslag van de stellingen van [gedaagde] gemotiveerd weerlegd. [eiser] stelt dat kort na de verloting bleek dat de Fiat Stilo enige technische mankementen vertoonde en de winnaar bovendien liever een benzineauto wilde, waardoor uiteindelijk besloten is een andere auto mee te geven. [eiser] heeft daarvan een factuur overgelegd. [gedaagde] acht deze stelling niet aannemelijk. De blote betwisting van de stelling kan [gedaagde] echter niet baten. Op hem rust immers de bewijslast van zijn stelling dat de verloting nooit heeft plaatsgevonden. Dat deze verloting nooit heeft plaatsgevonden, blijkt ook niet uit het door [eiser] overgelegde volledige gesprek met de garagehouder. Evenmin blijkt uit dit gesprek dat de garagehouder beaamt dat [eiser] een oplichter is.

4.9.

De conclusie dient dan ook te zijn dat ook voor de uitlatingen omtrent de verloting van de auto door [gedaagde] een feitelijke grondslag ontbreekt. De voorzieningenrechter acht de vergaande, maar ongefundeerde beschuldigingen aan het adres van [eiser] schadelijk voor de reputatie van [eiser]. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat het recht van [eiser] op bescherming van zijn goede naam moet prevaleren boven het recht van [gedaagde] op diens vrijheid van meningsuiting.

3. beschieting woning

4.10.

Volgens [gedaagde] is de woning van [eiser] recent beschoten omdat [eiser] mensen zou hebben aangespoord om te ‘snitchen’ (verraden). Voor deze suggestie is in het voorhanden zijnde feitenmateriaal echter geen enkel aanknopingspunt te vinden. Tussen partijen is niet in geschil dat het politieonderzoek naar de beschieting nog loopt, waardoor de aanleiding voor de beschieting in objectieve zin nog onduidelijk is. [gedaagde] acht het feit dat hij naar eigen zeggen ‘van veel mensen heeft gehoord’ dat [eiser] een verrader is kennelijk voldoende reden om vooruitlopend op de resultaten van het onderzoek berichten en video’s met de onder 2.6 genoemde suggestieve titels op zijn Instagram- en Youtube-pagina te plaatsen. Gelet op het ontbreken van enige feitelijke grondslag voor de daarin gedane beweringen, acht de voorzieningenrechter deze uitspraken echter ver over de schreef. Dat geldt in het bijzonder voor de suggestieve uitlatingen die [gedaagde] doet over de kinderen van [eiser]. De enkele omstandigheid dat [eiser] in het verleden actief is geweest als zogenaamde ‘gangsterrapper’ vormt niet een toereikende rechtvaardiging voor de uitspraken die [gedaagde] doet over de achtergrond van de beschieting.

4.11.

De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat de onder 4.10 besproken beweringen schadelijk zijn voor de goede naam van [eiser]. Ook op dit punt dient het belang van [eiser] om verschoond te blijven van ongefundeerde beschuldigingen aan zijn adres daarom zwaarder te wegen dan de vrijheid van meningsuiting van [gedaagde].

4. iftar

4.12.

Ook de door [eiser] georganiseerde iftar is voor [gedaagde] aanleiding geweest tot het plaatsen van diverse berichten en/of video’s. De rode draad in die berichten is de suggestie dat [eiser] het gedoneerde geld in eigen zak heeft gestoken en daarvan op vakantie is geweest en/of het geld in het casino heeft vergokt. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [gedaagde] onder meer enkele screenshots van Tikkies in het geding gebracht, waaruit zou moeten blijken dat er veel meer geld is opgehaald dan [eiser] stelt. Verder zou uit een gespreksopname met de beheerder van het buurthuis waar de iftar heeft plaatsgevonden moeten blijken dat deze beheerder de iftar volledig uit eigen zak heeft voldaan en dat [eiser] daar dus helemaal niets aan heeft bijgedragen.

4.13.

[eiser] heeft de stellingen van [gedaagde] gemotiveerd weerlegd. Met [eiser] is de voorzieningenrechter van oordeel dat de lezing van [gedaagde] dat er 32 keer exact een bedrag van € 59,31 plus 53 keer exact een bedrag van € 102,26 is overgemaakt, niet serieus te nemen is. [gedaagde] heeft nog over nadere, hogere donaties via Tikkie gerept, maar heeft verzuimd bewijsstukken ter staving van die stelling in het geding te brengen. Het is dus niet aannemelijk geworden dat [eiser], zoals [gedaagde] stelt, bovenop de door [gedaagde] niet-betwiste donaties van € 1.005,- duizenden euro’s aan donaties via Tikkie heeft opgehaald.

4.14.

De voorzieningenrechter acht het op basis van de vele door [eiser] in het geding gebrachte en overigens grotendeels niet door [gedaagde] betwiste foto’s, verklaringen en bonnetjes verder aannemelijk dat de iftar daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en dat het ingezamelde geld ook daadwerkelijk aan die iftar is besteed. Bovendien zijn de stellingen van [gedaagde] omtrent de iftar intern tegenstrijdig; enerzijds zou de iftar helemaal niet hebben plaatsgevonden, anderzijds zou uit een gesprek moeten blijken dat de iftar (op kleine schaal) heeft plaatsgevonden, zonder dat [eiser] daar een (wezenlijke) bijdrage aan heeft geleverd. Het is of het één, of het ander.

4.15.

Het is voor iedereen duidelijk dat deze iftar niet de grootste iftar was die ooit in Nederland heeft plaatsgevonden. Dat enkele feit biedt echter geen enkele rechtvaardiging voor de vertekenende en schadelijke wijze waarop [gedaagde] zich in zijn publicaties over de iftar heeft uitgelaten. Ook ten aanzien van deze uitlatingen is de slotsom dat het recht van [eiser] op bescherming van zijn eer en goede naam voorrang dient te hebben boven het recht van [gedaagde] op de vrijheid van meningsuiting.

5. ‘mehe-fehe’

4.16.

[gedaagde] stelt tenslotte dat [eiser] de kreet ‘mehe-fehe’ heeft gestolen van rapper en voormalig mentor van [eiser], [D.], terwijl [eiser] nalaat om [D.] daarvoor de benodigde credits te geven. [gedaagde] beroept zich ter onderbouwing van die stelling op een verklaring van [D.] zelf. [D.] uit in die verklaring inderdaad zijn verbazing over de perceptie dat [eiser] het door hem, [D.], bedachte ‘mehe-fehe’ gebruikt zonder [D.] daarvoor credits te geven.

4.17.

[eiser] stelt dat hij [D.] in een radio-interview uit maart 2018 reeds de benodigde credits voor het gebruik van deze kreet heeft gegeven. De voorzieningenrechter stelt vast dat [gedaagde] dit niet heeft weersproken. Dat leidt tot de slotsom dat ook ten aanzien van de beschuldiging van het niet verlenen van credits de feitelijke grondslag ontbreekt. Ook ten aanzien van deze uitlating – die gedaan is met de kennelijke strekking [eiser] door het slijk te halen- dient het recht van [eiser] bij de bescherming van zijn eer en goede naam te prevaleren boven het recht van [gedaagde] op vrijheid van meningsuiting.

(tussen)conclusie; toewijsbaarheid van de eerste drie vorderingen

4.18.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter rechtvaardigt de handelwijze van [gedaagde] een algemeen geformuleerd verbod en een verplichting tot het plaatsen van een rectificatie. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft [gedaagde] met zijn uitlatingen over [eiser] de grenzen van het toelaatbare ruimschoots overschreden. Wat hij betitelt als “misstanden” zijn goeddeels eigen verzinsels, gebaseerd op het selectief winkelen in en bewust verdraaien van de feiten. Voor zover het betreft de [C.]-handel moet worden geconcludeerd dat [eiser] nogal heeft onderschat wat daarbij qua distributie en logistiek komt kijken, maar dat geeft [gedaagde] nog niet het recht om [eiser] als een oplichter af te schilderen. De veelheid aan uitingen en de manier waarop die zijn ingekleed, wekken de indruk dat [gedaagde] bezig is met een hetze tegen [eiser], mogelijk om mensen naar zijn eigen video-kanaal te trekken, een hetze waarvan het schadelijk effect aanzienlijk moet worden geacht. Zo zijn de door [gedaagde] gepubliceerde video’s voorzien van een onheilspellend achtergrondmuziekje en vervormde stemmen en gaan die video’s (onder andere) gepaard met beelden van bliksemschichten, het hellevuur en teksten als ‘jij gaat direct naar hel’. Verder wordt er gescholden en geschimpt en is de gebruikte taal in het algemeen niet erg geëigend voor consumptie door jongeren.

4.19.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de eerste drie vorderingen een proportionele reactie zijn op de onrechtmatige uitlatingen en daarom toewijsbaar zijn. Zij zullen worden toegewezen als vermeld onder de beslissing. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat [gedaagde] zich niet genegen zal voelen om vrijwillig aan deze veroordelingen te voldoen. De veroordelingen zullen om die reden worden versterkt met een dwangsom, eveneens toe te wijzen als onder de beslissing vermeld.

voorschot op (im)materiële schadevergoeding

4.20.

Wat betreft de vordering tot betaling van voorschotten op zowel de materiële als de immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 50.000,- stelt de voorzieningenrechter voorop dat bij een voorziening in kort geding, bestaande in een veroordeling tot betaling van een geldsom, terughoudendheid op zijn plaats is. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen zal de rechter ook de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling dienen te betrekken. Dit zogenaamde restitutierisico kan bijdragen aan het weigeren van de gevorderde voorziening.

4.21.

De vorderingen tot betaling van (immateriële) schadevergoeding zullen worden afgewezen omdat [eiser] deze vordering zowel wat betreft de gevorderde materiële als immateriële schadevergoeding onvoldoende heeft onderbouwd en niet is gebleken dat er met onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening tot betaling van de gevorderde bedragen is vereist.

proceskosten

4.22.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- griffierecht € 914,00

- dagvaarding 101,05

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.995,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

beveelt [gedaagde] om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis alle uitlatingen over [eiser] en/of producten van [eiser] en/of aan [eiser] gelieerde personen en/of activiteiten van het internet of enig ander openbaar medium met een vergelijkbare strekking te verwijderen en verwijderd te houden;

5.2.

bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van € 1.000,-- per uitlating als genoemd in 5.1 die na vijf werkdagen na betekening van dit vonnis nog op het internet of in enig ander openbaar medium met een vergelijkbare strekking wordt aangetroffen en van

€ 250,-- per dag dat die overtreding voortduurt, welke dwangsommen gaan lopen 24 uur nadat [gedaagde] per e-mail of WhatsApp onder verwijzing naar de desbetreffende uitlating(en) is gesommeerd om deze te verwijderen van alle plekken waarop deze naar zijn weten is/zijn geplaatst, en maximeert de op grond van deze veroordeling te verbeuren dwangsommen op € 20.000,-;

5.3.

verbiedt [gedaagde] om na betekening van dit vonnis, in welke vorm dan ook, al dan niet met inschakeling van derden, publiekelijk negatieve uitlatingen te doen over [eiser];

5.4.

bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van € 1.000,-- per uitlating als hiervoor onder 5.3 omschreven die voor het eerst is gedaan na betekening van dit vonnis en van € 250,-- per dag dat die overtreding voortduurt, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 20.000,-;

5.5.

gebiedt [gedaagde] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis een rectificatie te plaatsen op zowel zijn Youtube- als Instagrampagina, in Times New Roman, tenminste punt 14 lettergrootte, vet, zwarte kleur tegen een witte achtergrond, met de navolgende inhoud:

“RECTIFICATIE

Op deze website heb ik in diverse video’s en/of posts omtrent (rapper) [A.], geplaatst, waarin ik onder meer heb beweerd dat:

[A.] een oplichter is en/of dat [A.] kopers van ‘[C.]’ oplicht,

dat de (mede) door [A.] georganiseerde iftar nooit heeft plaatsgevonden en/of dat [A.] het geld met de iftar heeft opgehaald in eigen zak heeft gestoken,

dat de door [A.] georganiseerde autoverloting nooit heeft plaatsgevonden,

dat de woning van [A.] is beschoten omdat hij een ‘snitch’ is,

dat [A.] de kreet ‘mehe-fehe’ van [D.] heeft gestolen.

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 14 oktober 2019 geoordeeld:

dat voor deze beweringen onvoldoende feitelijke basis bestaat,

dat ik daarmee de eer en goede naam van [A.] heb aangetast, en

dat ik aldus onrechtmatig heb gehandeld.

De voorzieningenrechter heeft mij veroordeeld tot deze rectificatie.”

5.6.

gebiedt [gedaagde] om de onder 5.5 genoemde rectificatie gedurende 30 dagen op zowel zijn Youtube- als Instagrampagina geplaatst te houden;

5.7.

bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van € 1.000,- voor iedere dag dat [gedaagde] te laat is met het plaatsen van de onder 5.5 genoemde rectificatie en/of voor iedere dag dat voornoemde rectificatie minder dan 30 dagen op voornoemde pagina’s heeft gestaan, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 20.000,-;

5.8.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.995,05;

5.9.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.10.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Hensen op 14 oktober 2019.

type: 1467

coll:


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature