< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak




U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Mishandeling partner. Vrijspraak zware mishandeling en poging tot zware mishandeling.

Uitspraak



RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/001812-21 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 31 augustus 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1980] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:

[adres 1] , [postcode 1] te [plaatsnaam 1] ,

wonende aan de [adres 2] , [postcode 2] [woonplaats 2] ,

hierna: verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 augustus 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.P. Altena en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. L.C. de Lange, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair:

op 30 december 2020 te Maarssen [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere blauwe plekken, een gekneusde vinger, een gescheurde lip en een losse tand heeft toegebracht;

subsidiair:

op 30 december 2020 te Maarssen heeft geprobeerd om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

meer subsidiair:

op 30 december 2020 te Maarssen [slachtoffer] heeft mishandeld.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde en heeft daartoe aangevoerd dat er te weinig bewijs is, omdat de foto’s van het letsel hooguit bevestiging bieden voor het bestaan van het letsel, maar deze ondersteunen de aangifte niet voor wat betreft de wijze en het tijdstip waarop het letsel is ontstaan en wie daarvoor verantwoordelijk is. Enig ander steunbewijs ontbreekt, waardoor het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Daarnaast lijkt de verklaring van de aangeefster onder invloed van alcohol, emoties en (negatieve) beïnvloeding door de buurvrouw tot stand te zijn gekomen waardoor er vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de betrouwbaarheid van deze verklaring. Aangeefster heeft later haar aangifte ook willen intrekken.

Voorts is weinig tot niets bekend over het letsel, waardoor niet kan worden vastgesteld dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Daarnaast kunnen de ten laste gelegde gedragingen geenszins een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel opleveren, waardoor het voorwaardelijk opzet ontbreekt en er ook geen sprake kan zijn van een poging tot zware mishandeling.

Bij een bewezenverklaring van de ten laste gelegde handelingen refereert de raadsman zich ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde aan het oordeel van de rechtbank.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Bewijsmiddelen

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] staat onder meer het volgende:

Op woensdag 30 december 2020 te 22:38 kregen wij (…) de opdracht om te gaan naar de [adres 3] te [plaatsnaam 1] (…).

Op die dag omstreeks 22:42 uur kwamen wij ter plaatse op het genoemde adres.

Wij zagen dat één vrouw, welke later bleek te zijn [slachtoffer] , hevig geëmotioneerd was.

Wij zagen dat [slachtoffer] letsel op haar hoofd had. Wij zagen dat zij een bult en een verwonding op haar voorhoofd had. Wij zagen dat haar onderlip gescheurd was en haar tanden onder het bloed zaten. Wij zagen dat zij op beide armen krassen en striemen had. Foto’s van dit letsel worden bij dit proces-verbaal gevoegd.

[slachtoffer] verklaarde ons verbalisanten het volgende:

- [verdachte (voornaam)] heeft mij geslagen;

- [verdachte (voornaam)] sloeg mij meermaals in mijn gezicht;

- Door deze slagen heb ik een gescheurde lip en mijn tanden zitten los;

- Ik heb ook een bult op mijn voorhoofd;

Aangeefster [slachtoffer] heeft onder meer het volgende verklaard:

Op 30 december 2020, omstreeks 22:30 uur was ik thuis samen met [verdachte (voornaam)] (…).

Ik weet nog dat hij mijn rechterwijsvinger vastpakte (…) en deze naar achteren duwde. Dit deed erg veel pijn. Mijn vinger is hier dik door geworden en is volgens mij gekneusd.

Ik zei dat het erg pijn deed en schreeuwde dat hij mij los moest laten. Daarna pakte hij mij bij mijn keel. Dit was met één hand bij mijn keel. Ik kon hierdoor geen adem meer halen. Ik heb blauwe plekken rondom mijn borst.

Ik weet nog dat hij mij naar de grond werkte en ik weet dat ik pijn voelde.

Ik weet dat ik nog een erg harde klap voelde op mijn mond. Ik hield gelijk mijn hand voor mijn mond, want ik was bang dat mijn tanden eruit zouden vallen, zo’n pijn deed het. Ik zag dat het erg bloedde.

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] staat onder meer het volgende:

FOTOBLAD

Op donderdagochtend 31 december 2020 ging ik (…) ter plaatse en spraken wij er onder meer met [slachtoffer] , die aangifte deed en haar letsel liet fotograferen.

Ik zag een gescheurde onderlip, welke in een ziekenhuis zou zijn gehecht.

Een van haar voortanden van haar bovengebit zat los. Ik zag dat die bewoog als er tegen werd gedrukt.

Blauwe plekken aan de buitenzijde van haar linker bovenbeen.

Ik zag blauwe plekken, in haar hals en op haar kin.

Verdachte heeft ter terechtzitting onder meer het volgende verklaard:

Ik was die avond inderdaad met [slachtoffer (voornaam)] . Er heeft zich een situatie voorgedaan waardoor een discussie uitloopt op ruzie.

4.3.2

Bewijsoverwegingen

4.3.2.1 Vrijspraak van het primair ten laste gelegde

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde is vereist dat aangeefster [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. ECLI:NL:HR:2018:1051) kunnen als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van zwaar lichamelijk letsel, in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.

De rechtbank stelt op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte aangeefster [slachtoffer] op 30 december 2020 te [plaatsnaam 1] meerdere blauwe plekken, een gekneusde vinger, een gescheurde lip en een losse tand heeft toegebracht. De rechtbank concludeert bij een gebrek aan objectieve medische gegevens dat onvoldoende duidelijk is geworden wat de precieze aard en omvang van het letsel en van het medisch ingrijpen is geweest alsook de eventuele duur van het herstel. Gelet hierop kwalificeert de rechtbank het letsel van [slachtoffer] niet als zwaar lichamelijk letsel in de zin van de wet en jurisprudentie.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken.

4.3.2.2 Vrijspraak van het subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank stelt op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte de ten laste gelegde handelingen heeft gepleegd, met uitzondering van het (meermaals) stompen in het gezicht van aangeefster. De vraag is of daarmee gezegd kan worden dat verdachte door dit handelen heeft beoogd aangeefster [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Niet kan worden gezegd dat verdachte door deze handelingen opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, ook niet in voorwaardelijke zin. Verdachte heeft met zijn handelswijze dan ook niet de aanmerkelijke kans op dat gevolg willens en wetens aanvaard.

De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken.

4.3.2.3 Bewezenverklaring van het meer subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, het meer subsidiair ten laste gelegde, te weten de mishandeling van aangeefster [slachtoffer] door verdachte, wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster, overweegt de rechtbank dat zij op twee momenten (op de avond van 30 december 2020 en een dag later bij het doen van de aangifte) consistent heeft verklaard met betrekking tot wat er is gebeurd op 30 december 2020 in haar woning. Verder heeft zij bij de rechter-commissaris en in haar brief aan de officier van justitie weliswaar aangegeven dat het een en ander berust op een misverstand en dat zij samen verder wil met verdachte, maar zij heeft niet verklaard dat wat zij in haar eerste verklaringen heeft gezegd niet de waarheid is. De rechtbank ziet daarom geen reden om de verklaringen van de aangeefster als onbetrouwbaar terzijde te schuiven en niet te gebruiken als bewijsmiddel. Daarnaast wordt haar verklaring ondersteund door de verklaring van verdachte dat hij die avond ruzie had met aangeefster en de bevindingen van verbalisanten die het voornoemde letsel (dat past bij de door aangeefster beschreven geweldshandelingen) bij de aangeefster hebben waargenomen, waarmee voldoende steunbewijs aanwezig is.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 30 december 2020 te [plaatsnaam 1] , [slachtoffer] heeft mishandeld door

- die [slachtoffer] bij haar keel te grijpen,

- de vinger van die [slachtoffer] vast te pakken en naar achter te buigen,

- die [slachtoffer] naar de grond te werken, en

- die [slachtoffer] met kracht op het gezicht te slaan.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op:

mishandeling

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en de plicht om mee te werken aan middelencontroles.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht geen langere gevangenisstraf op te leggen dan het reeds ondergane voorarrest.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn vriendin. Daarmee heeft hij een ernstige inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat dit plaatsvond in haar eigen woning, bij uitstek een plek waar zij zich veilig zou moeten kunnen voelen. De rechtbank typeert de mishandeling dan ook als huiselijk geweld. Ook dienen veiligheid, vertrouwen en lichamelijke integriteit juist binnen de relationele sfeer gerespecteerd te worden. Voorts weegt de rechtbank mee dat verdachte gedurende het onderzoek geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen, onvoldoende inzicht lijkt te hebben in het kwalijke karakter van zijn eigen handelen en de schuld van het incident bij het slachtoffer lijkt te leggen.

Persoon van verdachte

Uit een de verdachte betreffend uittreksel van de justitiële documentatie van 22 juli 2021 blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaren eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Ook liep verdachte ten tijde van de onderhavige feiten in een proeftijd. Het voornoemde heeft verdachte er echter niet van weerhouden zich wederom schuldig te maken aan een geweldsdelict. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van een advies van [instelling 4] , opgemaakt door [A] , reclasseringswerker. Hieruit volgt dat bij verdachte sprake is van middelenmisbruik, impulsiviteit, een beperkte coping, beperkt probleeminzicht en psychische problematiek, welke omstandigheden als belangrijkste risicofactoren worden gezien. Verdachte is sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis in behandeling bij de forensische polikliniek van [instelling 1] en hij wordt gecontroleerd op middelengebruik. Hij werkt mee aan alle begeleiding en behandeling. Naast systeemgesprekken ziet de reclassering psychodiagnostiek als noodzakelijk om de behandeling effectief af te stemmen. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld. Bij een veroordeling wordt een voorwaardelijke straf geadviseerd met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en de plicht om mee te werken aan middelencontrole.

Ter terechtzitting heeft mevrouw [B] , reclasseringswerker, toegelicht dat verdachte en zijn vriendin samen verder willen, maar dat dit moeilijk is vanwege het geldende contactverbod. Over het contactverbod is nader gesproken en de reclassering heeft ter zitting haar advies gewijzigd in die zin dat zij het contactverbod niet langer wenselijk acht gelet op het mogelijke herstel van de relatie tussen verdachte en het slachtoffer. Inmiddels is er eveneens hulpverlening van [instelling 2] en [instelling 3] bij het gezin betrokken.

Straf

Gelet op de hiervoor omschreven ernst van het feit en de recidive, is de rechtbank van oordeel dat in beginsel geen andere strafmodaliteit dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. Vanwege het in het vooronderzoek aangevangen hulpverleningskader zal de rechtbank geen gevangenisstraf opleggen die ten aanzien van het onvoorwaardelijke deel langer is dan het reeds ondergane voorarrest, maar de rechtbank stelt daar wel tegenover dat een forse voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf opgelegd dienen te worden, zodat verdachte de gevolgen van zijn handelen ondervindt en daarnaast gedurende de proeftijd zich niet wederom schuldig maakt aan een strafbaar feit. Aan de voorwaardelijke straf zullen de voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd worden verbonden. Het contactverbod zal de rechtbank in navolging van het advies van de reclassering ter zitting niet opnemen.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 73 dagen, met aftrek van het reeds ondergane voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals gevorderd door de officier van justitie en een taakstraf voor de duur van 80 uren passend en geboden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen dan wel gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten het hiervoor bewezen verklaarde feit. Gelet op de persoon van verdachte en het advies van de reclassering, zoals ter terechtzitting besproken, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zonder behandeling opnieuw een dergelijk misdrijf zal begaan. In die beoordeling heeft de rechtbank eveneens betrokken dat het contactverbod tussen verdachte en het slachtoffer is komen te vervallen. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de bijzondere voorwaarden die verdachte zullen worden opgelegd en het toezicht door de reclassering, dadelijk uitvoerbaar zijn.

9 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart het primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 73 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 60 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

- als voorwaarden gelden dat verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- als bijzondere voorwaarden gelden dat:

* verdachte zich binnen één werkdag na het ingaan van de proeftijd meldt bij [instelling 4] op het adres [adres 4] , [postcode 3] [plaatsnaam 2] , waar verdachte zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

* verdachte zich psychodiagnostisch laat onderzoeken en behandelen door de forensische polikliniek van [instelling 1] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, waarbij de behandeling gericht zal zijn op systeemgesprekken en het vergroten van het probleeminzicht en de coping, waarbij verdachte zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling en het innemen van medicijnen onderdeel kan zijn van de behandeling;

* verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en/of drugs om het middelengebruik te beheersen, waarbij de reclassering urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) kan gebruiken voor de controle, de reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd en indien uit de controles blijkt dat het middelengebruik overmatig is en derhalve als risico wordt gezien, dan kan verdachte verplicht worden om mee te werken aan interventies op dit gebied;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 80 uren;

- beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40 dagen hechtenis;

Voorlopige hechtenis

- heft op het – reeds geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door J.A. Spee, voorzitter, mrs. E.W.A. Vonk en P.M. Leijten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Jaâter, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 augustus 2021.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 30 december 2020 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht aan [slachtoffer]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere blauwe plekken, een gekneusde vinger, een gescheurde lip en/of een losse tand, heeft toegebracht door

- die [slachtoffer] bij haar keel te grijpen,

- de vinger van die [slachtoffer] vast te pakken en naar achter te buigen,

- die [slachtoffer] naar de grond te werken, en/of

- die [slachtoffer] een of meerdere malen met kracht op het gezicht te slaan en/of te stompen;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 december 2020 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- die [slachtoffer] bij haar keel heeft gegrepen,

- de vinger van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en naar achter gebogen,

- die [slachtoffer] naar de grond heeft gewerkt, en/of

- die [slachtoffer] een of meerdere malen met kracht op het gezicht heeft geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 december 2020 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht [slachtoffer] heeft mishandeld door

- die [slachtoffer] bij haar keel te grijpen,

- de vinger van die [slachtoffer] vast te pakken en naar achter te buigen,

- die [slachtoffer] naar de grond te werken, en/of

- die [slachtoffer] een of meerdere malen met kracht op het gezicht te slaan en/of te stompen;

( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )

Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 4 januari 2021, genummerd PL0900-2020424702, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 51. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 3.

Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pagina 13.

Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pagina 14.

Een proces-verbaal van bevindingen, pagina 16.

Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , pagina 17.

Een proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 17 augustus 2021.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature