< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Veroordeling voor moord en wapenbezit. ‘Voorwaardelijke’ voorbedachte raad: verdachte heeft uitvoering gegeven aan zijn eerder genomen besluit het slachtoffer te doden indien het gesprek niet zou lopen zoals hij wenste. 14 jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging.

Uitspraak



RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/156156-20 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 16 juli 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1982] te [geboorteplaats] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

thans gedetineerd in PI Lelystad.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 23 september 2020, 14 december 2020, 8 maart 2021, 2 juni 2021 en 2 juli 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.M. Lobregt en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam, alsmede mr. S. Diekstra, advocaat te Leiden, namens de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] , naar voren hebben gebracht.

2 TENLASTELEGGING

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

op 13 juni 2020 te De Meern, al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer ] van het leven heeft beroofd door met een vuurwapen meerdere kogels in de richting van het (achter)hoofd, de zij en de rug van [slachtoffer ] te schieten;

Feit 2:

in de periode van 13 juni 2020 tot en met 14 juni 2020 te De Meern een pistool (categorie III) en scherpe patronen (categorie III) voorhanden heeft gehad;

Feit 3:

in de periode van 13 juni 2020 tot en met 14 juni 2020 te De Meern een pistool (categorie III), een nabootsing van een gasdrukgeweer (categorie I) en scherpe patronen (categorie III) voorhanden heeft gehad.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 WAARDERING VAN HET BEWIJS

4.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 1 ten laste gelegde moord, nu er geen wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het slachtoffer met voorbedachte rade heeft gedood. Daartoe heeft de raadsman een aantal contra-indicaties naar voren gebracht. Deze zullen hierna, voor zover relevant, worden besproken.

Ten aanzien van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman geen opmerkingen gemaakt.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1:

Bewijsmiddelen

Situatie ter plaatse

Op 13 juni 2020, omstreeks 23:38 uur, werd de politie gestuurd naar de [adres] te [woonplaats] . Op dit adres zouden geschreeuw en schoten gehoord zijn. Aanrijdend hoorden de verbalisanten dat de meldkamer telefonisch contact had met een verdachte in de woning.

Het geluidsbestand tussen de verdachte en de 112-politiecentralist is beluisterd en letterlijk uitgewerkt.

112-centralist: “Met wie spreek ik?”

Verdachte: “U spreekt met [verdachte] . Ik heb mijn ex-vriendin doodgeschoten.”

Verbalisant [verbalisant 1] zag in de woonkamer het slachtoffer op de grond liggen. Hij zag dat het slachtoffer niet meer in leven was.

Pathologieonderzoek

Uit het pathologieonderzoek door het NFI aan het lichaam van [slachtoffer ] bleek dat er schotletsels zijn waargenomen:

- Links zijwaarts aan de behaarde hoofdhuid was er een min of meer ronde huidperforatie met rondom oppervlakkige huidbeschadiging (B, inschotverwonding). Aan het voorhoofd rechts was er een stervormige huidperforatie (A, uitschotverwonding).

- Rechts zijwaarts aan de rug was er een min of meer ronde huidperforatie met rondom oppervlakkige huidbeschadiging (N, inschotverwonding). Hoog aan de borst links was er een onregelmatige huidperforatie (E, uitschotverwonding).

De patholoog concludeert dat het overlijden van [slachtoffer ] wordt verklaard door de gevolgen van één doorschot van het hoofd. Het doorschot aan de romp kan een substantiële bijdrage aan het overlijden hebben geleverd.

Gebeurtenissen voorafgaand aan de dood van [slachtoffer ]

Een telefoon werd gevonden tijdens een doorzoeking van de camper, die in gebruik was bij [verdachte] . Uit onderzoek van deze telefoon is gebleken dat het telefoonnummer [telefoonnummer] aan deze telefoon is gekoppeld.

Op de telefoon is het volgende WhatsApp-bericht aangetroffen:

[telefoonnummer] : “I’m free now. Her familie was pushing her to sell everything and screw me over.”

Participant: [A] .

Delivered: 22-5-2020

Verdachte heeft op de zitting van 2 juli 2021 verklaard dat het klopt dat hij op 22 mei 2020 een WhatsApp-berichtje naar [A] heeft gestuurd waarin stond: “I’m free.”

In de fouillering van verdachte werd ook een mobiele telefoon aangetroffen. De laatste berichten met contact [slachtoffer ] zijn hieronder toegevoegd:

12 juni 2020

15:51: [verdachte] : 4 weken zijn voorbij. Had jij nog behoefte om te praten?

17:23: [slachtoffer ] : We hebben nog het eea nog openstaande zoals de garage, sleutels, wat wil je daar mee doen?

17:34: [verdachte] : Jij hebt mij verteld dat ik mijn gereedschap moest pakken. Dit heb ik gedaan, dezelfde dag nog. Dus garage? Wat heb jij in je hoofd? Welke sleutels wil je het over hebben?

17:41: De zender van de garage, en sleutels van het huis.. en ben je verder klaar met de garage?

13 juni 2020

05:18: [verdachte] : Tuin set? Kast in de slaapkamer? Televisie? Potten/pannen? Serviesgoed? Electra materiaal? Heb ook de bon gevonden van de fietsen die ik contant betaald heb op mijn naam zelfs. En nog even die 1300 die jij hebt gehaald bij [B] .

Getuige [getuige 1] heeft het volgende verklaard:

Rond 19:00 uur kwam er iemand aanrijden, dat was [verdachte] . [verdachte] zei dat hij zijn spullen ging ophalen. [verdachte] zei ook dat als ik vanavond gerinkel van glas zou horen, dat hij het dan was omdat hij hoe dan ook zijn spullen terug wilde. Dat was onder andere een tv die hij had gekregen van Marokkaanse vrienden. Hij liet mij ook zijn telefoon zien waarop berichtjes van hem naar [slachtoffer ] stonden over het ophalen van de spullen. Hij had geen reactie gehad van haar op zijn berichtjes en daarom was hij boos. Ik wilde er verder ook niks van weten want hij werd weer boos.

De buurman van [slachtoffer ] , genaamd [getuige 2], heeft verklaard dat [verdachte] bij hem in de tuin wat kwam drinken en die avond heel normaal op hem over kwam en geen verandering in het gedrag van [verdachte] zag toen [verdachte] [slachtoffer ] zag. [verdachte] is tegen 21.55 uur weggegaan naar de woning van [slachtoffer ] . [verdachte] is niet meer (eerst) naar zijn auto gelopen en maakte een normale indruk.

Verdachte heeft op de zitting van 2 juli 2021 het volgende verklaard.

[slachtoffer ] en ik zouden vier weken geen contact met elkaar hebben. Daarna zouden we alles gaan uitpraten. Op 13 juni 2020 ben ik met een geladen vuurwapen in mijn broek naar de buren van [slachtoffer ] gegaan om koffie te drinken. Toen ik daar was, heb ik met [slachtoffer ] mondeling afgesproken om alles uit te gaan praten.

Geluidsopname

In de woning van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer ] , werd een mobiele telefoon aangetroffen. De mobiele telefoon betrof een Samsung Galaxy S7. Op de Samsung Galaxy S7 werd een audiobestand aangetroffen. Het audiobestand was aangemaakt op 13 juni 2020, 20:22:08 UTC+0 en stopt op 13 juni 2020, 22:27:26 UTC+0. Bij de tijd moet twee uur opgeteld worden om overeen te komen met de tijdzone van Amsterdam. Verbalisant [verbalisant 2] heeft het audiobestand beluisterd en letterlijk uitgewerkt. Waar “ [slachtoffer ] ” staat betreft hetgeen wat [slachtoffer ] zegt. Waar “ [verdachte] ” staat betreft hetgeen wat [verdachte] zegt.

Hieronder volgt een aantal passages uit dat uitgewerkte proces-verbaal.

(…)

[verdachte] : Daarmee ben ik nu ook mee in discussie. Jouw moeder. Ik ben helemaal niet met [slachtoffer ] aan het praten. Ik ben met je moeder aan het praten. (…) Die heeft geprobeerd verkoop mijn gereedschap verkoop mijn auto’s. [slachtoffer ] ik zat hier voor de deur, met een doorgeladen pistool, te hopen dat jij geen domme fout zou maken. Want ik heb niks meer te verliezen en ik schiet je zo door je kanus heen. Dat is allemaal

[slachtoffer ] : Je hoeft mij niet bang te maken.

[verdachte] : Ik probeer je niet bang te maken. Maar die dag was ik zo bang dat je zou luisteren naar je moeder en een domme, domme keus zou maken.

(…)

[verdachte] : Je had gewoon naar je moeder geluisterd. Je moeder zei: “Verkoop zijn gereedschap verkoop zijn auto’s.” (…) Ik heb die avond heel zwaar in de stress gezeten. Ik was heel bang dat je de foute keuze had gemaakt. (…) Als je de foute keuze had gemaakt had ik meteen afgerekend, meteen.

(…)

[verdachte] : [slachtoffer ] , jij bent van de rang vriend afgestapt

[slachtoffer ] : Dat weet ik maar jij bent ook mij vriend niet meer geweest. Dat jij die porno gehad had in de kamer en weet ik veel allemaal, gadverdamme sorry hoor, maar dat doet mij heus ook wel wat. En dan nog met mij proberen die ene nacht in bed te liggen, nou sorry hoor maar eeh.

[verdachte] : Nee, nee, nee, nee, nee

[slachtoffer ] : Jawel, je hebt toen die ene nacht nog bij mij in bed gelegen. En ik heb een wasje gedraaid omdat ik vieze handen had weet ik veel wat voor rotsmoes. Allemaal smoesjes waren er de laatste tijd.

[verdachte] : Tuurlijk dat zou jij ook doen

[slachtoffer ] : Nee. Dat is niet tuurlijk nee.

[verdachte] : (ntv)

[slachtoffer ] : Ik ben een beetje klaar met dit gesprek eerlijk gezegd.

Waarneming verbalisant:

01.13.03: Ik hoor dat er een (1) stap gezet wordt.

01.13.04: Ik hoor op de achtergrond dat er twee delen over elkaar heen gaan. Ik kan het geluid omschrijven als het overhalen van een slede van een vuurwapen.

Weergave gesprek

01.13 06:

[slachtoffer ] : Doe normaal [verdachte]

Waarneming verbalisant:

01.13.07: Ik hoor een harde knal. Ik kan het geluid beschrijven als een schot van een vuurwapen. Direct hierna hoorde ik dat [slachtoffer ] schreeuwde en begon te kreunen.

01.13.08: Ik hoor nog een knal (schot) Tevens hoor ik een voorwerp op de grond vallen het voorwerp stuitert een aantal keer.

01.13.09: Ik hoor nog een voorwerp op de grond vallen en hoor het een aantal keer stuiteren. Ik hoor dat er iets scheurt.

01.13.10: Ik hoor tevens een knal (schot).

01.13.11: Ik hoor een voorwerp op de grond vallen en hoor het een aantal keer stuiteren.

01.13.12: Ik hoor een knal (schot) Ik hoor een voorwerp op de grond vallen en hoor het een aantal keer stuiteren.

01.13.26: Ik hoor dat er een zwaar voorwerp neergelegd wordt. (...)

01.22.34: Ik hoor op de achtergrond dat er “Politie” geroepen wordt.

Verdachte heeft op de zitting van 2 juli 2021 het volgende verklaard.

Het klopt dat ik in het gesprek van 13 juni tegen [slachtoffer ] heb gezegd: “ [slachtoffer ] , ik zat hier voor de deur, met een doorgeladen pistool, te hopen dat jij geen domme fout zou maken. Want ik heb niks meer te verliezen en ik schiet je zo door je kanus heen.” Die opmerking ging over 21 mei. Ik heb toen bij haar voor de deur gezeten en ik had mijn pistool toen bij me.

Ik had op 13 juni geen afspraak vooraf met [slachtoffer ] gemaakt. Dat gesprek met [slachtoffer ] was voor mij een verrassing. Ik had wel een afspraak bij de buren staan om koffie te drinken. De afspraak met [slachtoffer ] is met haar mondeling gemaakt toen ik daar koffie aan het drinken was.

Het gesprek daarna bij [slachtoffer ] thuis op 13 juni was het eerste diepgaande gesprek over onze relatie en de spullen. Aan het einde van het gesprek op 13 juni was [slachtoffer ] van plan om weg te gaan rennen. Ik wilde haar tegenhouden. Het eerste schot was in haar zij, dat was niet fataal. Daarna ben ik het gaan afmaken, het voelde als genade. Ik heb haar doodgeschoten. Normaal gesproken nam ik geen vuurwapen mee naar haar huis. Er mochten namelijk van haar geen dingen in haar huis die strafbare feiten konden opleveren.

Bewijsoverwegingen

Inleiding

De 30-jarige [slachtoffer ] (hierna ook: [slachtoffer ] ) is op 13 juni 2020 om het leven gekomen. Zij is die avond door verdachte doodgeschoten in haar woning te [woonplaats] . De verdachte heeft bekend [slachtoffer ] te hebben doodgeschoten.

In de hierna volgende bewijsoverwegingen draait het vooral om de vraag of dit moord of doodslag is, dus of er bij verdachte sprake is geweest van voorbedachte raad.

Juridisch kader

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Voorts heeft de Hoge Raad overwogen dat de vraag of de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven zich moeilijk leent voor strafrechtelijk bewijs. Dat geldt zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen of geen eenduidig inzicht geven in wat voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid tot nadenken en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval, zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan, alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.

Beoordeling

De rechtbank komt op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen tot het oordeel dat verdachte [slachtoffer ] met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

Uit de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat verdachte al een aantal weken voor de schietpartij op 13 juni 2020 voornemens was [slachtoffer ] te doden als zij de spullen van verdachte had verkocht, en (bijvoorbeeld) daarmee – in de woorden van verdachte - ‘de foute keuze’ had gemaakt. Verdachte was toen immers ook met een doorgeladen pistool in zijn auto naar [slachtoffer ] gegaan en in zijn woorden bereid haar voor de kanis te schieten. Dat [slachtoffer ] volgens verdachte die dag niet ‘de foute keuze’ had gemaakt, volgt uit het WhatsApp-bericht dat verdachte de volgende dag naar zijn nieuwe vriendin [A] heeft gestuurd. In dat bericht heeft verdachte namelijk gezegd dat de familie van [slachtoffer ] haar heeft aangezet om zijn spullen te verkopen, maar dat hij nu ‘vrij’ is. Er is toen verder niets gebeurd.

Verdachte en [slachtoffer ] hebben vervolgens afgesproken om vier weken geen contact met elkaar te hebben. Op 12 juni 2020 heeft verdachte weer via WhatsApp contact met [slachtoffer ] opgenomen en haar gevraagd of zij nog wilde praten. In het gesprek dat daarop volgt gaat het wederom over de spullen. Op 13 juni 2020 heeft verdachte vroeg in de ochtend nog een WhatsApp-berichtje naar [slachtoffer ] gestuurd, maar [slachtoffer ] heeft daar niet meer op gereageerd.

De verdeling van de spullen en het negeren van verdachte door [slachtoffer ] lijken de aanleiding te zijn geweest dat verdachte opnieuw boos op [slachtoffer ] was geworden. Dit blijkt ook uit de verklaring van de buurvrouw van [slachtoffer ] , getuige [getuige 1] , die heeft verklaard dat zij verdachte die dag omstreeks 19:00 uur aan zag komen rijden en dat hij tegen haar had verteld dat hij zijn spullen bij [slachtoffer ] kwam ophalen. Verdachte heeft ook zijn telefoon aan de buurvrouw laten zien waarop berichtjes stonden van hem naar [slachtoffer ] over het ophalen van de spullen. Omdat hij daarop geen reactie van [slachtoffer ] had ontvangen, was hij boos. En zelfs bereid om een ruit in te slaan. Een buurvrouw werd op voorhand voorbereid op de mogelijkheid van glasgerinkel.

Uit het feit dat verdachte die dag bewust een geladen vuurwapen heeft meegenomen, terwijl hij normaal gesproken nooit een vuurwapen op zak heeft, hij eerst nog met [slachtoffer ] in gesprek is gegaan over de spullen en hun relatie, en hij haar pas heeft neergeschoten, nadat [slachtoffer ] hem afwees door het gesprek te beëindigen, leidt de rechtbank af dat verdachte, toen het hem duidelijk was dat [slachtoffer ] ‘de foute keuze’ had gemaakt, zijn voornemen verder heeft uitgevoerd. Het naar binnen meenemen van een reeds geladen pistool, in kleding waarin het pistool niet zichtbaar was, wijst op het bij verdachte bestaande voornemen haar van het leven te beroven als het gesprek niet zou lopen, zoals hij wenste. Kennelijk waren er door verdachte twee vooraf uitgedachte scenario’s.

Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit door verdachte om [slachtoffer ] dood te schieten indien zij ‘de verkeerde keuze’ zou maken, in elk geval genomen op het moment dat hij met een geladen vuurwapen in zijn auto is gestapt en naar haar toe is gereden. Nu de fatale schietpartij een aantal uur later heeft plaatsgevonden, heeft verdachte zich ruimschoots kunnen beraden op zijn ‘voorwaardelijk’ genomen besluit en heeft hij kunnen nadenken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap kunnen geven. Van een gemoedstoestand die het hem onmogelijk heeft gemaakt dit te doen, is niet gebleken. Verdachte heeft bij de buren in de tuin rustig zitten praten en wat gedronken. Er is hen niets bijzonders opgevallen. Verdachte is vervolgens ingegaan op het verzoek van [slachtoffer ] om nog even met haar mee te gaan om wat te bespreken en met haar meegegaan, maar ook daar is sprake van een aanwijsbaar keuzemoment. Volgens verdachte was geen sprake van een vaste afspraak die nagekomen moest worden. Verdachte had eenvoudigweg ook naar zijn eigen huis kunnen gaan.

Bij haar oordeel heeft de rechtbank acht geslagen op de uiterlijke verschijningsvorm van het fatale handelen van verdachte, mede in het licht van zijn verklaring. Verdachte heeft in een tijdsbestek van vijf seconden op [slachtoffer ] geschoten, waarbij het eerste schot niet fataal was omdat hij haar in haar zij had geraakt. Vervolgens heeft verdachte het na het eerste schot, in zijn eigen woorden, ‘ uit genade afgemaakt’. Dit heeft bijgedragen aan het oordeel van de rechtbank dat verdachte [slachtoffer ] met voorbedachte raad om het leven heeft gebracht. In de bij de politie afgelegde verklaring legt verdachte sterk de nadruk op één doorlopende beweging, waarbij het pistool snel achter elkaar vuurde. “Het schieten ging achter elkaar door, er was geen pauze.” Dat past niet bij het gedocumenteerde tijdsverloop tussen de schoten. Juist de (weliswaar beperkte) pauzes tussen de schoten wijst op uitvoering van een voornemen. Dat tijdsverloop sluit aan bij wat verdachte ook heeft verklaard: “Ik heb daarna waarschijnlijk nog twee keer raak geschoten in haar hoofd vanaf de achterkant. Want ik wou het snel afhebben. Genade.”

Bespreking opgeworpen contra-indicaties

De rechtbank stelt voorop dat – anders dan door verdachte en de raadsman is gesteld – er in deze geen contra-indicaties zijn voor het aannemen van de voorbedachte raad, dan wel geen indicaties van een gewicht die zouden moeten leiden tot het oordeel dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

Verdachte heeft verklaard dat hij niet met [slachtoffer ] had afgesproken op 13 juni 2020. Hij was daar alleen in de buurt om koffie te drinken met haar buren. Pas toen zij thuiskwam heeft [slachtoffer ] aan hem gevraagd om te gaan praten, aldus verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank laat dit echter onverlet dat verdachte er die dag rekening mee hield dat het kon komen tot een confrontatie met [slachtoffer ] , waarbij hij haar zou doden indien zij ‘de foute keuze’ zou maken. Er is geen enkele verklaring voor het meenemen van een geladen pistool naar alleen een afspraak met de buren. Dát het zou kunnen komen tot een confrontatie was te verwachten, omdat de afspraak met de buren in de directe nabijheid van de woning van [slachtoffer ] was en er een afspraak was na een aantal weken over de resterende spullen in gesprek te gaan. Verdachte heeft haar door zo te handelen bewust opgezocht. Dat verdachte de uitvoering van zijn ‘voorwaardelijk’ genomen besluit afhankelijk heeft gesteld van een daadwerkelijke confrontatie met [slachtoffer ] doet daaraan – hoewel het thuiskomen van [slachtoffer ] voor verdachte niet geheel onverwacht was of kon zijn – niet af. Immers, voor een bewezenverklaring van de voorbedachte raad is niet vereist dat vast komt te staan dat verdachte vooraf heeft besloten om het slachtoffer op een precies moment en exacte plaats om het leven te brengen. Dat verdachte op verzoek van [slachtoffer ] met haar mee naar binnen is gegaan, beschouwt de rechtbank daarom niet als een contra-indicatie voor het aannemen van voorbedachte raad.

Voorts heeft verdachte verklaard dat hij het vuurwapen bij zich had omdat hij suïcidale gedachten had. Nog daargelaten dat dat de mogelijkheid van een plan om (ook) [slachtoffer ] te doden onverlet laat, is de rechtbank van oordeel dat die verklaring van verdachte niet aannemelijk is geworden, nu die verklaring op geen enkele manier wordt ondersteund door het dossier. In tegendeel zelfs. Verdachte had met Irina een nieuwe vriendin met wie hij mogelijkheden zag een toekomst op te bouwen. Hierbij overweegt de rechtbank ook dat verdachte pas ruim een maand na zijn arrestatie met dit scenario is gekomen.

De raadsman heeft bij pleidooi verder nog een aantal contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachte raad naar voren gebracht. Dit zijn, voor zover het aangevoerde ook als zodanig is te classificeren en in het voorgaande niet is besproken:

er ontbreekt een kenbaar motief;

er was sprake van een enorme geweldsexplosie;

de lange duur van het gesprek voorafgaand aan het doodschieten van het slachtoffer en de inhoud van dat gesprek, waaruit volgt dat verdachte en het slachtoffer meermalen over de toekomst hebben gesproken;

e inhoud van het rapport van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC-rapport), met name de passage waarin cruciale betekenis wordt toegekend aan het beëindigen van het gesprek door het slachtoffer. Nu dat moment vlak voor het moment ligt waarop verdachte heeft geschoten, is dat een doorslaggevende contra-indicatie voor het aannemen van voorbedachte raad.

Ad a:

De rechtbank leidt uit het dossier af dat de relatie tussen verdachte en [slachtoffer ] rustig was verlopen en dat [slachtoffer ] zeer conflictvermijdend was. Toen [slachtoffer ] tijdens het gesprek op 13 juni 2020 (voor het eerst) haar keuzes maakte, het gesprek afkapte en verdachte confronteerde met zijn tekorten, heeft verdachte, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, uitvoering gegeven aan zijn eerder genomen besluit [slachtoffer ] te doden. In zijn ogen maakte zij immers op dat moment ‘de verkeerde keuze’. Dat niet ondubbelzinnig vast is komen te staan wat moeten worden verstaan onder ‘de verkeerde keuze’ doet daar niet aan af. Anders dan de raadsman, is de rechtbank dus van oordeel dat het motief van verdachte wel kenbaar is geworden.

Ad b:

De raadsman heeft aangevoerd dat de ruzie tussen verdachte en [slachtoffer ] zodanig uit de hand was gelopen dat sprake was van een enorme geweldsexplosie en dat daarmee – zo begrijpt de rechtbank – sprake was van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De rechtbank leidt echter uit de geluidsopname af dat het gesprek tussen verdachte en [slachtoffer ] , niet alleen lang heeft geduurd, maar ook qua inhoud en toonzetting rustig is verlopen.

Ad c:

Anders dan de raadsman, is de rechtbank van oordeel dat de duur en de inhoud van het gesprek juist steun geven aan het oordeel dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Immers, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft verdachte al eerder het besluit genomen [slachtoffer ] van het leven te beroven indien [slachtoffer ] ‘de foute keuze’ zou maken, namelijk in ieder geval vanaf het moment dat hij met een geladen vuurwapen in zijn broek naar de woning van [slachtoffer ] is gereden. Hetgeen de raadsman heeft gesteld over de duur en de inhoud van de geluidsopname beschouwt de rechtbank dus niet als een indicatie van enig gewicht die in de weg staat aan het aannemen van voorbedachte raad.

Ad d:

De rechtbank is van oordeel dat de inhoud van het PBC-rapport juist past bij de aanwezigheid van voorbedachte raad bij verdachte. Uit het rapport, dat hieronder uitgebreid wordt weergegeven (onder het kopje 8 ‘Oplegging van straf en maatregel’), volgt dat het feit dat verdachte (ogenschijnlijk) kalm was voorafgaand aan de schietpartij verklaard kan worden doordat verdachte integreert wanneer hij haat: “Hiervan was naar alle waarschijnlijkheid al sprake toen hij bewapend in Duits uniform naar het slachtoffer ging en ook ogenschijnlijk kalm was”, aldus de gedragsdeskundigen. Hieruit kan worden afgeleid dat, zoals hiervoor ook is overwogen, verdachte uitvoering heeft gegeven aan zijn eerder genomen besluit [slachtoffer ] te doden indien zij ‘de verkeerde keuze’ zou maken. Dat het volgens de gedragsdeskundigen de druppel lijkt te zijn geweest dat [slachtoffer ] het gesprek heeft beëindigd, doet daaraan dan ook niet af en levert naar het oordeel van de rechtbank geen contra-indicatie op voor het aannemen van voorbedachte raad bij verdachte. Voor het aannemen van voorbedachte raad is het niet per se noodzakelijk dat het moment van handelen vaststaat, maar het gaat om de omstandigheden waaronder tot het doden is besloten.

Feit 2 en 3:

Bewijsmiddelen

De feiten zijn door verdachte begaan. Verdachte heeft de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten bekend. De raadsman heeft geen vrijspraak voor deze feiten bepleit. De rechtbank volstaat onder deze omstandigheden met een opsomming van de volgende bewijsmiddelen:

Feit 2:

- het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek plaats delict [adres] [woonplaats] van 18 juni 2020;

- het proces-verbaal vooronderzoek lab van 18 augustus 2020

- het proces-verbaal categorisering van 17 juni 2021;

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 2 juli 2021;

Feit 3:

- het proces-verbaal forensisch onderzoek [adres] [woonplaats] van 17 juni 2020

- het proces-verbaal categorisering van 17 juni 2021;

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 2 juli 2021.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Feit 1:

op 13 juni 2020 te de Meern, opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer ] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, met een vuurwapen, meerdere kogels geschoten en afgevuurd in de richting van het (achter)hoofd en de zij en de rug, van voornoemde [slachtoffer ] , ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer ] is overleden;

Feit 2:

in de periode van 13 juni 2020 tot en met 14 juni 2020 te De Meern, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet Wapens en Munitie te weten, een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3° van die wet in de vorm van een pistool, van het merk Glock, model 19, kaliber 9x19mm, en munitie in de zin van 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten scherpe patronen van het merk S &B, kaliber 9x19mm voorhanden heeft gehad;

Feit 3:

in de periode van 13 juni 2020 tot en met 14 juni 2020 in Nederland, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet Wapens en Munitie te weten, een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3° van die wet in de vorm van een pistool, van het merk Ekol, model Volga, kaliber 9mm P.A.K.,

en

een wapens van categorie I onder 7°, te weten een nabootsing van een gasdrukgeweer, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, namelijk een gasdrukgeweer merk Crosman, model SNR.357, kaliber 4.5mm

en

munitie in de zin van 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten:

- scherpe patronen van het merk Ozkursan, kaliber 6.35

- scherpe patronen van een onbekend merk, kaliber 9x19mm en 0.22 en 9mm P.A.K.,

voorhanden heeft gehad.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.

6 STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

Feit 1: moord;

Feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie , meermalen gepleegd;

Feit 3: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie , meermalen gepleegd.

7 STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

8 OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 15 jaren, met aftrek van het voorarrest, en aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met dwangverpleging op te leggen.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Verdachte is een first offender en er is geen sprake van strafverzwarende omstandigheden. Daarnaast is de verwachting dat verdachte langdurig zal worden opgenomen in het kader van de door de deskundigen geadviseerde tbs-maatregel met dwangverpleging, nu verdachte niet openstaat voor behandeling.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft op 13 juni 2020 zijn 30-jarige ex-vriendin in haar woning vermoord. Hij is met een geladen vuurwapen samen met het slachtoffer haar woning binnengegaan. Nadat het gesprek volgens verdachte op niets uitliep, heeft hij meermalen op het slachtoffer geschoten. Zij is eerst in haar zij geraakt, waarna op de geluidsopname te horen is dat zij begon te schreeuwen en te kreunen. Vervolgens heeft verdachte het, zoals hij zelf heeft verklaard, ‘afgemaakt’ door haar onder meer in haar achterhoofd te schieten, waardoor zij terstond is overleden. Het slachtoffer moet in de laatste seconden van haar leven in doodsangsten hebben verkeerd. Extra wrang is dat, zoals de zus van het slachtoffer heeft verwoord, verdachte al voor een ander leven had gekozen. Zowel verdachte als het slachtoffer hadden besloten niet meer met elkaar verder te gaan. Verdachte had al een andere vriendin. En toch besloot hij zijn ex-vriendin om het leven te brengen.

Verdachte heeft het meest fundamentele recht – het recht op leven – van het slachtoffer ontnomen. Moord is niet voor niets één van de feiten in het Wetboek van Strafrecht waarop de zwaarst mogelijke straf is gesteld. Door het handelen van verdachte is aan de nabestaanden van het slachtoffer niet in woorden te vatten en onherstelbaar leed toegebracht. Hun [slachtoffer ] is in haar eigen huis, waar zij haar veiligheid zocht, bruut om het leven gebracht. Leed dat zonder twijfel hun verdere bestaan zal blijven overschaduwen. Ook voor de samenleving is dit een schokkend en zeer ernstig feit. Een feit als het onderhavige brengt sterke gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg. Dit neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk.

Verder heeft verdachte een geladen vuurwapen op de openbare weg in een woonwijk voorhanden gehad. Daarnaast zijn er een pistool, een nabootsing van een gasdrukgeweer en munitie aangetroffen in de camper waar hij verbleef. Het ongecontroleerde bezit daarvan leidt, zoals uit de onderhavige zaak ondubbelzinnig en schokkend is gebleken, niet zelden tot het plegen van gruwelijke misdrijven. Dat is waarom streng wordt opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van dergelijke wapens en munitie.

De persoon van verdachte

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie (‘strafblad’) van 19 augustus 2020. Daaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Verdachte is gedurende zes weken opgenomen geweest en onderzocht in het Pieter Baan Centrum. De rechtbank heeft kennisgenomen van de hierover opgemaakte Rapportage Pro Justitia van het NIFP van 9 april 2021, ondertekend door H.T.J. Boerboom, psychiater, en A.J. de Groot, GZ-psycholoog.

Hoewel verdachte niet volledig heeft meegewerkt aan het onderzoek, hebben de gedragsdeskundigen kunnen vaststellen dat verdachte lijdt aan een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met borderline en narcistische trekken. Hiervan was ten tijde van het ten laste gelegde sprake.

Verdachte heeft de wens om een normaal leven op te bouwen, maar zijn emotionele en sociale coping schiet tekort. Het lukt hem niet om een werkelijk wederkerige relatie aan te gaan. In een relatie komt hij namelijk veel ambivalenties tegen. Zijn wijze van oplossen is dat hij ver over zijn grenzen heen gaat, de ander idealiseert, maar bij tegenslag, teleurstelling en verlating de ander resoluut kan devalueren. Hij blijkt niet in staat de nuance en ambivalente gevoelens te verdragen. De ontwikkeling van de emotie- en agressieregulatie is gestoord verlopen en verdachte herkent zijn agressie onvoldoende. In de relatie met het slachtoffer werd hij lange tijd gerespecteerd en met rust gelaten. Dat was een situatie waarin verdachte niet of weinig geconfronteerd werd met zijn tekorten. Echter, toen het slachtoffer haar keuzes maakte, hem frustreerde in zijn toekomst, voelde verdachte zich afgewezen en verlaten.

De ruzie voorafgaand aan het ten laste gelegde lijkt van buitenaf niet in verhouding te hebben gestaan tot het ten laste gelegde, maar waarschijnlijk heeft hij zijn haat uit het verleden geprojecteerd op het slachtoffer. Hij werd ook gefrustreerd in het niet krijgen wat hij wilde hebben, zoals kinderen, en dat zij het gesprek beëindigde. Er blijven vragen over de dag van het ten laste gelegde, maar verdachte desintegreert en fragmenteert op gevoelens van angst die hij ervaart als hij wordt geconfronteerd met verlating, onduidelijkheid, ambivalenties en afwijzing. Hij reageert vervolgens niet op genuanceerde wijze, maar met het voor hem duidelijke denken, namelijk met vernietigende en massieve haat. Dat verdachte kort voorafgaand en ten tijde van het ten laste gelegde bevreemdend rustig en ogenschijnlijk gecontroleerd overkwam (zoals beluisterd kan worden in de geluidsopname van het slachtoffer) kan verklaard worden doordat hij, zoals hiervoor reeds is gezegd, integreert wanneer hij haat. Hiervan was naar alle waarschijnlijkheid al sprake toen hij bewapend in Duits uniform naar het slachtoffer ging en ook ogenschijnlijk kalm was. Het ontbreken of verdwijnen van ambivalentie geeft emotioneel duidelijkheid. De druppel lijkt het beëindigen van het gesprek door het slachtoffer te zijn geweest. Dat lijkt het moment van afwijzing en de mobilisatie van de haat in het ten laste gelegde. Het ogenschijnlijk gecontroleerde gedrag van verdachte rondom het ten laste gelegde zou de indruk kunnen geven dat hij overwogen tot het ten laste gelegde zou zijn gekomen. Echter, vanuit de persoonlijkheidsstoornis van verdachte komt de onmogelijkheid naar voren ambivalenties te verdragen, waaruit voortvloeit dat zijn agressie in alles of niets tot uiting komt, in de zin van het vernietigen van de ander. De gedragsdeskundigen adviseren daarom verdachte het ten laste gelegde in een verminderde mate toe te rekenen.

Het risico op recidive wordt door de gedragsdeskundigen als matig tot hoog ingeschat. Gezien de aard en omvang van het recidiverisico, de ernst en complexiteit van de pathologie en het benodigde zorg- en beveiligingsniveau om de behandeling veilig vorm te kunnen geven, zijn de gedragsdeskundigen van mening dat het alleen mogelijk is verdachte te behandelen in het kader van de tbs-maatregel met dwangverpleging.

De rechtbank is van oordeel dat de genoemde rapportage op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de bevindingen van de gedragsdeskundigen worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank maakt deze bevindingen en de daaruit getrokken conclusies daarom tot de hare.

De strafoplegging

Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft de rechtbank ook gelet op de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. In strafverminderende zin heeft de rechtbank de hiervoor vastgestelde verminderde toerekeningsvatbaarheid meegewogen. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet , dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

De oplegging van een maatregel

De rechtbank neemt het advies over van de deskundigen tot behandeling van verdachte binnen het kader van een tbs-maatregel met dwangverpleging. De rechtbank is, gelet op de persoon van verdachte, het ingeschatte matige tot hoge recidivegevaar alsmede de aard en de ernst van de bewezen verklaarde moord, van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen behandeling van verdachte in het kader van de tbs-maatregel met dwangverpleging noodzakelijk maakt.

De rechtbank overweegt dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betreft het onder 1 bewezen verklaarde feit. De maatregel kan daarom langer duren dan vier jaren.

9 BENADEELDE PARTIJEN

Vijf partijen hebben zich als benadeelde partij in deze procedure gevoegd en een vordering ingesteld.

- Mevrouw [benadeelde 1] (moeder van het slachtoffer)

Zij heeft een vordering ingediend ter grootte van € 25.065,88 aan materiële schade. Daarnaast vordert zij € 17.500,00 aan affectieschade en € 40.000,00 aan (immateriële) shockschade.

- De heer [benadeelde 2] (broer van het slachtoffer)

Hij heeft een vordering ingediend ter grootte van € 885,00 aan materiële schade. Daarnaast vordert hij € 30.000,00 aan (immateriële) shockschade.

- Mevrouw [benadeelde 3] (zus van het slachtoffer)

Zij heeft een vordering ingediend ter grootte van € 4.489,84 aan materiële schade. Daarnaast vordert zij een bedrag van € 30.000,00 aan (immateriële) shockschade.

- De heer [benadeelde 4] (zwager van het slachtoffer)

Hij vordert een bedrag van € 30.000,00 aan (immateriële) shockschade.

- Mevrouw [benadeelde 5] (vriendin van de moeder / “peetmoeder”)

Zij vordert € 17.500,00 aan affectieschade en een bedrag van € 30.000,00 aan (immateriële) shockschade.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de materiële schade van mevrouw [benadeelde 1] , de heer [benadeelde 2] en mevrouw [benadeelde 3] . Ook de affectieschade van mevrouw [benadeelde 1] komt voor toewijzing in aanmerking. De immateriële shockschade dient gelet op hetgeen in vergelijkbare gevallen wordt toegewezen voor alle drie vastgesteld te worden op € 20.000,00 en voor het meerdere niet ontvankelijk verklaard te worden.

De vorderingen van de heer [benadeelde 4] en mevrouw [benadeelde 5] dienen niet ontvankelijk verklaard te worden. Door het ontbreken van een voldoende nauwe band of het ontbreken van een familierechtelijke relatie kunnen hun vorderingen niet zonder meer worden toegewezen.

9.2

Het standpunt van de verdediging

Tegen de gevorderde materiële schade is geen verweer gevoerd. Datzelfde geldt voor de gevorderde affectieschade door mevrouw [benadeelde 1] . Voor wat betreft de (immateriële) shockschade wijst de verdediging er op dat er geen sprake is geweest van een plotselinge confrontatie met het strafbare feit of de gevolgen daarvan. De gang naar het mortuarium om aldaar afscheid te nemen kan daaraan niet gelijk gesteld worden. Als er al shockschade wordt toegewezen, dan dient deze vastgesteld te worden op een lager bedrag dan het gevorderde. De vorderingen van de heer [benadeelde 4] en mevrouw [benadeelde 5] dienen niet ontvankelijk verklaard te worden en deze zijn overigens ook onvoldoende onderbouwd.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

De rechtbank realiseert zich dat een formeel juridische beoordeling en een discussie over “schade” zich slecht verdraagt met het leed dat en de pijn die aan alle partijen die zich in deze procedure gevoegd hebben, is aangedaan. Op de zitting is het grote verdriet om het verlies van [slachtoffer ] zichtbaar en invoelbaar geworden, met name door de zeer indringende slachtofferverklaringen. Dat ontslaat de rechtbank echter niet van de verplichting de discussie over schadevergoeding in zakelijkheid te behandelen.

De vorderingen van de benadeelde partijen zijn civiele vorderingen waarop het materiële burgerlijk recht van toepassing is. De behandeling daarvan via art. 51f Sv binnen de strafprocedure is een eenvoudige en laagdrempelige procedure waarmee benadeelde partijen op eenvoudige wijze schadeloos gesteld kunnen worden. Indien echter partijen binnen de strafprocedure onvoldoende in staat zijn geweest om hun vordering goed te onderbouwen en/of daarvan bewijs te leveren dan wel onvoldoende in staat zijn om nader deugdelijk inhoudelijk hun standpunt te onderbouwen, dan dient op grond van artikel 361 lid 3 Sv de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard te worden met de mogelijkheid die vordering alsnog aan te brengen bij de civiele rechter. Datzelfde geldt als de behandeling van de vorderingen een te grote belasting voor het strafproces oplevert.

Materiële schade

Art. 51f Sv, tweede lid, geeft in samenhang met de artikelen 6:106 en 6:108 BW een regeling voor kosten die nabestaanden kunnen vorderen als benadeelde partij in het strafproces bij het overlijden van iemand als gevolg van een strafbaar feit. Artikel 6:108 BW geeft een limitatieve (uitputtende) opsomming van wat gevorderd kan worden. Alleen de kosten die in dit artikel worden genoemd, kunnen voor vergoeding in aanmerking komen. Het gaat dan bijvoorbeeld om de kosten van de begrafenis. Daarnaast komen de vorderingen die de erfgenamen door vererving onder algemene titel hebben verkregen voor vergoeding in aanmerking.

Shockschade

Voor vergoeding van shockschade is op grond van artikel 6:106 lid 1 onder b van het BW vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarbij moet komen vast te staan dat dit geestelijk letsel is ontstaan als gevolg van het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, waardoor een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond (ECLI:NL:HR:2002:AD5356 en ECLI:NL:HR:2014:528).

Affectieschade

Shockschade dient onderscheiden te worden van affectieschade. De wet geeft als affectieschade, wegens verdriet door het verlies, een apart recht op smartengeld aan (kort gezegd) partners, ouders, kinderen en aan degene die duurzaam door het slachtoffer werd verzorgd of die duurzaam de zorg voor het slachtoffer had. De wetgever heeft er voor gekozen om broers en zussen van het slachtoffer niet op te nemen in de kring van gerechtigden. Er is een uitzondering voor de persoon die in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de gekwetste staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van de regeling voor affectieschade als naaste wordt aangemerkt.

De gevorderde materiële schade

De gevorderde materiële schade van mevrouw [benadeelde 1] , de heer [benadeelde 2] en mevrouw [benadeelde 3] is inhoudelijk niet betwist. Dat betekent dat deze schade kan worden toegewezen, tenzij deze schade de rechtbank onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De kosten van de uitvaart en daarmee samenhangende kosten komen op grond van artikel 6:108 BW voor vergoeding in aanmerking. Er is echter geen wettelijke grondslag voor de kosten van het eigen risico van mevrouw [benadeelde 1] (€ 385,00) en de heer [benadeelde 2] (€ 885,00) in verband met hun psychologische behandeling, zodat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. De kosten die mevrouw [benadeelde 3] heeft gemaakt in verband met de uitvaart (notariskosten erfenis van € 538,34 en de rouwbloemen van € 275) komen voor vergoeding in aanmerking. Dat geldt ook voor de doorlopende kosten van het slachtoffer, die door mevrouw [benadeelde 3] voldaan zijn. Dat zijn de maandlasten van de auto (€ 1.505,92) en het telefoonabonnement (€ 250,38). Voor de overige kosten die gevorderd worden ontbreekt de noodzakelijke wettelijke grondslag. Dat betekent dat de kosten voor de opslag (€ 1.820,00) niet toegewezen kunnen worden. Voor mevrouw [benadeelde 1] is een totaal bedrag van € 24.680,88 toewijsbaar. Voor mevrouw [benadeelde 3] is dat € 2.669,84.

De gevorderde affectieschade

De affectieschade zoals die door mevrouw [benadeelde 1] is gevorderd (€ 17.500,00) kan worden toegewezen. Er is geen verweer tegen gevoerd en op grond van de wet behoort mevrouw [benadeelde 1] tot de kring van gerechtigden. Het gevorderde bedrag is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade.

De vordering van mevrouw [benadeelde 5] voor affectieschade kan niet worden toegewezen. Zij behoort als vriendin van de moeder niet tot de kring van gerechtigden zoals die in wet is bepaald. Wel is er door haar advocaat een beroep gedaan op de redelijkheid en billijkheid die gelijkstelling aan een naaste zou rechtvaardigen. De rechtbank vindt hetgeen daarvoor is aangevoerd onvoldoende. Mevrouw [benadeelde 5] is kenbaar zeer bij het gezin van mevrouw [benadeelde 1] betrokken. Er kan ook zonder meer van uitgegaan worden dat zij het slachtoffer goed gekend heeft en veel verdriet heeft. Maar nergens blijkt dat deze relatie zoveel verder gaat dan een normale intensieve vriendenrelatie, bijvoorbeeld door het dragen van concrete zorgtaken voor het slachtoffer, dat van gelijkstelling aan een naaste moet worden uitgegaan. Daarbij heeft de rechtbank gewicht toegekend aan het gegeven dat zelfs broers en zussen van de regeling voor vergoeding van affectieschade zijn uitgesloten. De rechtbank leidt daaruit af dat uitbreiding van de regeling op grond van de redelijkheid en billijkheid slechts bij uitzondering aan de orde zal kunnen zijn en dat dit een degelijke en uitvoerige onderbouwing van de stellingen daarover vereist. Die ontbreekt in dit geval.

De gevorderde shockschade

De rechtbank is van oordeel dat de stellingen van de benadeelde partijen en de onderbouwing met medische stukken onvoldoende is om toewijzing van de gevorderde shockschade te kunnen rechtvaardigen. De medische stukken zijn zeer summier en geven nauwelijks inzicht in de omvang van de schade. De stukken geven ook geen antwoord op de vraag of en in hoeverre de schade is veroorzaakt door de shock of het overlijden van het slachtoffer als zodanig (terwijl schade die door het overlijden is ontstaan niet als shockschade voor vergoeding in aanmerking komt). Er wordt ook geen onderscheid gemaakt tussen de eventuele problematiek bij verdachten die het gevolg kan zijn van de confrontatie met het stoffelijk overschot van het slachtoffer in het mortuarium en problematiek die is ontstaan door de wijze waarop de verschillende leden van de familie de dood van hun dochter of (schoon)zus verwerken en de invloed daarvan op hun onderlinge verhoudingen. Dat laatste blijkt uit de stukken en de gegeven toelichting van meer dan geringe betekenis te zijn. Ook heeft te gelden dat de confrontatie met het stoffelijk overschot in het mortuarium niet zonder meer gelijk gesteld kan worden aan een directe confrontatie met de gevolgen van het strafbare feit, omdat het in het mortuarium veelal niet om een onverwachte confrontatie zal gaan en ook niet duidelijk is waarom alle verdachten in het mortuarium aanwezig moesten zijn en op welke wijze zij toen met het stoffelijk overschot van de verdachte geconfronteerd zijn. Door de advocaat van de benadeelde partijen is onder verwijzing naar jurisprudentie (gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 januari 2021 ecli nl:gharl:2021:159) naar voren gebracht dat ook in het mortuarium sprake kan zijn van een confrontatie die toewijzing van shockschade rechtvaardigt. Dat kan onder omstandigheden zo zijn, maar daarover en over de schade die juist daardoor is ontstaan, moet wel een debat mogelijk zijn. Bij het ontbreken van essentiële gegevens om een goed beeld van de feitelijke situatie en de omvang van de schade te krijgen, is het voor de verdediging ook niet goed mogelijk daartegen afdoende verweer te voeren. Dat maakt dat de vorderingen voor zover die zien op shockschade niet ontvankelijk verklaard moeten worden, zodat benadeelde partijen in een eventuele civiele procedure alles wat er zake dienend is alsnog naar voren kunnen brengen en de verdediging daarop zal kunnen reageren.

Dit is anders voor mevrouw [benadeelde 1] . Zij heeft de opname gehoord van het laatste gesprek van haar dochter en verdachte. Daarop is ook te horen dat haar dochter vijf keer is beschoten en dat het schieten is doorgegaan, ook toen het slachtoffer in doodsangst verkeerde en schreeuwde. Mevrouw [benadeelde 1] is daardoor direct met de gewelddadige dood van haar dochter geconfronteerd. Uit de - in haar geval - zeer uitgebreide verklaring van haar therapeut wordt een directe link gelegd met het horen van deze opname. Verder beschrijft haar behandelaar indringend de gevolgen voor het dagelijks leven, haar veranderde identiteit, het slecht thuis kunnen zijn en de noodzaak van in de toekomst nog verdere intensieve behandelingen. Extra complicerend is dat haar dochter om het leven is gebracht door de man die zij, ook ter zitting nog, als haar schoonzoon betiteld heeft en die bij haar in huis gewoond heeft. Hoewel in haar geval ook andere factoren mogelijk een rol spelen, lijken die ondergeschikt aan de problematiek voortvloeiend uit de directe confrontatie. De rechtbank oordeelt dat in dit geval een vergoeding van € 20.000,00 passend is.

Samenvattend

Mevrouw [benadeelde 1] krijgt aan materiele schade toegewezen € 24.680,88; aan shockschade € 20.000,00 en affectieschade € 17.500,00. Voor het meerdere wordt zij in haar vordering niet ontvankelijk verklaard.

Mevrouw [benadeelde 3] krijgt aan materiële schade toegewezen € 2.669,84 en voor het overige wordt zij in haar vordering niet ontvankelijk verklaard.

De heer [benadeelde 2] , de heer [benadeelde 4] en mevrouw [benadeelde 5] zullen in hun vordering volledig niet ontvankelijk verklaard worden.

De wettelijke rente

De wettelijke rente over de schadeposten die worden toegewezen, wordt toegekend vanaf de pleegdatum, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan.

De kosten van de procedure

Alle benadeelde partijen hebben zich door dezelfde advocaat laten bijstaan die de vorderingen grotendeels op dezelfde wijze en met dezelfde bewoordingen heeft onderbouwd. Gelet op het feit dat in alle gevallen in elk geval een deel van de vordering niet ontvankelijk verklaard wordt en anderzijds niet blijkt van bijzondere kosten aan de zijde van de verdachte ziet de rechtbank aanleiding om in alle gevallen de kosten van de procedure te compenseren en wel zo dat ieder de eigen kosten dient te dragen. Ook daar waar de vordering volledig niet ontvankelijk wordt verklaard ziet de rechtbank geen aanleiding voor een kostenveroordeling.

De schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van elke benadeelde partij van wie de vordering (gedeeltelijk) is toegewezen aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met het toepasselijke aantal dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de desbetreffende benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen

36f, 37a, 37b, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en

13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld;

- verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar;

Oplegging straf en maatregel

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 14 jaren;

- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet , dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is;

- gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd;

Benadeelde partij [benadeelde 1]

wijst de vordering van [benadeelde 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 62.180,88, bestaande uit € 24.680,88 aan materiële schade, € 20.000,- aan shockschade en € 17.500,- aan affectieschade;

veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2020 tot de dag van volledige betaling;

verklaart [benadeelde 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;

legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat een bedrag van € 62.180,88 te betalen, bestaande uit € 24.680,88 aan materiële schade, € 20.000,- aan shockschade en € 17.500,- aan affectieschade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2020 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 325 dagen gijzeling;

bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Benadeelde partij [benadeelde 3]

wijst de vordering van [benadeelde 3] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 2.669,84 aan materiële schade;

veroordeelt verdachte tot betaling aan [benadeelde 3] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2020 tot de dag van volledige betaling;

verklaart [benadeelde 3] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;

legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde 3] aan de Staat

€ 2.669,84 aan materiële schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2020 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 36 dagen gijzeling;

- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

Benadeelde partij [benadeelde 2]

verklaart [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;

Benadeelde partij [benadeelde 4]

verklaart [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt;

Benadeelde partij [benadeelde 5]

verklaart [benadeelde 5] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

compenseert de proceskosten van de benadeelde partij en verdachte, in die zin dat ieder haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Gerritse, voorzitter, mrs. J.O. Zuurmond en A.J. Reitsma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.P. Versluis, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 juli 2021.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 13 juni 2020 te de Meern, in elk geval in Nederland, opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer ] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, (van korte afstand) met een vuurwapen, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, een of meerdere kogels geschoten en/of afgevuurd in (de richting van) het (achter)hoofd en/of de zij en/of de rug, althans het lichaam van voornoemde [slachtoffer ] , tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer ] is overleden;

( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 289 Wetboek van Strafrecht )

2 hij in of omstreeks de periode van 13 juni 2020 tot en met 14 juni 2020 te De Meern, in elk geval in Nederland, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet Wapens en Munitie te weten, een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3° van die wet in de vorm van een pistool, van het merk Glock, model 19, kaliber 9x19mm, en/of munitie in de zin van 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten een of meer scherpe patro (o)n(en) van het merk S&B, kaliber 9x19mm voorhanden heeft gehad;

( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )

3 hij in of omstreeks de periode van 13 juni 2020 tot en met 14 juni 2020 te De Meern, in elk geval in Nederland, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1° van de Wet Wapens en Munitie te weten, een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3° van die wet in de vorm van een pistool, van het merk Ekol, model Volga, kaliber 9mm P.A.K.,

en/of

een of meer wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een nabootsing van een gasdrukgeweer, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn/hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, namelijk een gasdrukgeweer merk Crosman, model SNR.357, kaliber 4.5mm

en/of

munitie in de zin van 1 onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III, te weten:

- een of meer scherpe patro(o)n(en) van het merk Ozkursan, kaliber 6.35

- een of meer scherpe patro(o)n(en) van een onbekend merk, kaliber 9x19mm en/of 0.22 en/of 9mm P.A.K.,

voorhanden heeft gehad;

( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )

Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 19 februari 2021, genummerd PL0900-2020185941, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 813. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 14 juni 2020, p. 52.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 19 juni 2020, p. 34.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] van 19 juni 2020, p. 35.

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] van 14 juni 2020, p. 52.

Een geschrift, inhoudende pathologieonderzoek door het NFI van 18 juni 2020, p. 409.

Een geschrift, inhoudende pathologieonderzoek door het NFI van 18 juni 2020, p. 410.

Een geschrift, inhoudende pathologieonderzoek door het NFI van 18 juni 2020, p. 413.

Het proces-verbaal onderzoek Samsung S5 van 12 juli 2020, p. 476.

Het proces-verbaal onderzoek Samsung S5 van 12 juli 2020, p. 480.

Een geschrift, inhoudende een WhatsApp-bericht, p. 485.

Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek Samsung S20 van 9 juli 2020, p. 520.

Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek Samsung S20 van 9 juli 2020, p. 522.

Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] op 16 juni 2020, p. 138.

Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] op 16 juni 2020, p. 139.

Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] op 9 juli 2020, p. 156

Het proces-verbaal van de zitting van 2 juli 2021.

Het proces-verbaal van bevindingen uitwerking audiobestand gesprek [verdachte] en [slachtoffer ] , p. 568.

Het proces-verbaal van bevindingen uitwerking audiobestand gesprek [verdachte] en [slachtoffer ] , p. 577.

Het proces-verbaal van bevindingen uitwerking audiobestand gesprek [verdachte] en [slachtoffer ] , p. 589.

Het proces-verbaal van bevindingen uitwerking audiobestand gesprek [verdachte] en [slachtoffer ] , p. 594.

Het proces-verbaal van de zitting van 2 juli 2021.

Het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek plaats delict [adres] [woonplaats] van 18 juni 2020, p. 340-346.

Het proces-verbaal vooronderzoek lab van 18 augustus 2020, p. 451-459.

Het proces-verbaal van bevindingen (categorisering) van 17 juni 2021, los, p. 1/34-7/34.

Het proces-verbaal forensisch onderzoek [adres] [woonplaats] van 17 juni 2020, p. 422-425.

Het proces-verbaal van bevindingen (categorisering) van 17 juni 2021, los, p. 1/34-7/34.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature