< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vervolging. De beslissing van het Openbaar Ministerie om in deze zaak de vervolging van verdachte voort te zetten is, gelet op alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd, in strijd met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging.

Uitspraak



RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Lelystad

Parketnummer: 07/620206-09 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer van 21 april 2021

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [1956] te [geboorteplaats] ,

wonende aan de [adres] te [woonplaats] ,

nader te noemen: verdachte.

1 ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg, nadat de zaak door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 15 april 2014 in hoger beroep is teruggewezen naar de rechtbank.

Het onderzoek ter terechtzitting is, na terugwijzing, aangevangen op 3 februari 2021 en vervolgens hervat op 24 maart 2021. Op beide zittingen is de verdachte verschenen, bijgestaan door mrs. G. Spong en S.F.J. Smeets, advocaten in Amsterdam. Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens hervat op 21 april 2021, op welke datum het onderzoek ter terechtzitting is gesloten.

De rechtbank heeft kennis genomen van het door de verdediging opgeworpen preliminaire verweer en van het standpunt van het Openbaar Ministerie, ter terechtzitting op 3 februari 2021 naar voren gebracht door officieren van justitie mrs. R.J.J.S. Visser en P.P.A.M. Notenboom en ter terechtzitting op 24 maart 2021 door officieren van justitie

mrs. R.J.J.S. Visser en A. Lodder.

2 TENLASTELEGGING

Aan verdachte is, kort samengevat, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 september 2008 en/of 12 juni 2009 in Almere, samen met een ander of anderen, althans alleen, meermalen opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verstrekt en/of vervoerd en/of afgeleverd en/of verkocht, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad 58793 gram en/of 51059 gram hennep en/of 10778 gram en/of 10339 gram hasjproducten en/of 4960 joints en/of 6720 joints.

3 VOORVRAGEN

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

3.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege overschrijding van de redelijke termijn en/of wegens het handelen in strijd met het beginsel van een evenredige, billijke en zorgvuldige belangenafweging.

Daarnaast is, voor zover het de aan verdachte ten laste gelegde overtreding van de Opiumwet betreft, sprake van verjaring, zodat het Openbaar Ministerie in de (voortzetting van de) vervolging van dat feit (ook) op die grond niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

3.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hij ontvankelijk is in de (voortzetting van de) vervolging. Uit vaste rechtspraak blijkt dat overschrijding van de redelijke termijn niet tot een niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie kan leiden, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Van een schending van het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging is geen sprake. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen is plaats voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie op die grond en dat is in deze zaak niet aan de orde.

Ten slotte heeft de officier van justitie gesteld dat van verjaring van het ten laste gelegde Opiumwetdelict geen sprake is, omdat het gaat om een 'grote hoeveelheid' drugs, waarvoor op grond van artikel 11, lid 5, van de Opiumwet een gevan genisstraf van maximaal zes jaar kan worden opgelegd, zodat een verjaringstermijn van 12 jaren geldt.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

Vooraf

Door het Openbaar Ministerie is ten aanzien van een aantal door de verdediging naar voren gebrachte standpunten gesteld dat het daarbij niet zou gaan om preliminaire verweren, zodat deze al om die reden niet (in dit stadium) tot niet-ontvankelijkheid kunnen leiden. De rechtbank volgt het Openbaar Ministerie daarin niet. De rechtbank begrijpt het standpunt van de verdediging aldus dat niet-ontvankelijkheid wordt bepleit vanwege een overschrijding van de redelijke termijn en/of schending van het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging en/of vanwege verjaring. Dat is een preliminair verweer. Aan dit verweer heeft de verdediging ter onderbouwing verschillende feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd.

De van belang zijnde feiten

Op 10 mei 1998 is de coffeeshop, plaatselijk bekend als de ‘ [coffeeshop] ’, nadat een gedoogbeschikking voor het verkopen van softdrugs was verleend, geopend. Sindsdien heeft het bedrijf altijd over een geldige gedoogbeschikking beschikt, waarbij vast staat dat het bedrijf zich (een enkel niet noemenswaardig incident daargelaten) strikt aan de in de beschikking genoemde voorwaarden – de zogenaamde AHOJ-G criteria – heeft gehouden.

Op 19 september 2018 is de politie binnengetreden in een bedrijfspand aan de [adres] in [woonplaats] , waar een hoeveelheid van ongeveer 69 kg hennep en hasjproducten en 4960 joints werden aangetroffen. Dit bleek de bedrijfsvoorraad voor de [coffeeshop] te zijn. Daarna is een strafrechtelijk financieel onderzoek gestart.

Op 12 juni 2009 heeft er vervolgens onder meer in een woning aan de [adres] in [woonplaats] een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij een hoeveelheid van ongeveer 61 kg hennep en hasjproducten en 6720 joints werden aangetroffen. Ook dit bleek de bedrijfsvoorraad voor de [coffeeshop] te zijn.

Daarna is (onder meer) verdachte strafrechtelijk vervolgd, wat in eerste instantie heeft geleid tot een uitspraak van deze rechtbank van 4 april 2012. De rechtbank heeft de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vervolging vanwege schending van het vertrouwensbeginsel.

Bij arrest van 15 april 2014 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de rechtbank vernietigd en geoordeeld dat de officier van justitie wel ontvankelijk is in zijn vervolging en de zaak teruggewezen naar de rechtbank.

Op 25 augustus 2016 heeft het Openbaar Ministerie contact gelegd met de verdediging om de mogelijkheid van een eventuele buitengerechtelijke afdoening van de zaak te onderzoeken. Op 15 juni 2017 heeft het Openbaar Ministerie aan de verdediging bericht niet te kunnen instemmen met een door de verdediging geformuleerde preambule en nog met een voorstel te zullen komen.

Bij brief van 16 oktober 2020 heeft het Openbaar Ministerie de verdediging geschreven dat een buitengerechtelijke afdoening toch niet mogelijk zal zijn en dat de zaak alsnog zal worden aangebracht bij de rechtbank. Dat is daarna ook gebeurd.

Verjaring

Aan verdachte is onder meer overtreding van artikel 2 van de Opiumwet ten laste gelegd. Wanneer daarbij sprake is van een 'grote hoeveelheid' van een middel, dan kan op grond van artikel 11, lid 5, van de Opiumwet een gevan genisstraf van maximaal zes jaren worden opgelegd. Artikel 1 van het Opiumwetbesluit bepaalt wanneer sprake is van een 'grote hoeveelheid'. Dat is het geval als het gaat om 500 gram hennep, 200 hennepplanten of 500 eenheden van een ander middel als bedoeld in lijst II van de Opiumwet. Uit vaste rechtspraak blijkt dat het bestanddeel 'een grote hoeveelheid van de middelen' niet met zo veel woorden in de tenlastelegging hoeft te staan, maar dat in de tenlastelegging besloten kan liggen dat het feit betrekking heeft op een dergelijke grote hoeveelheid. Dat is ook hier het geval.

Uit de tenlastelegging blijkt immers dat het feit betrekking heeft op ongeveer 58793 gram en/of 51059 gram hennep en/of ongeveer 10778 gram en/of 10339 gram hasjproducten en/of 4960 joints en/of 6720 joints. Dit is evident meer dan de in artikel 1 van het Opiumwetbesluit omschreven hoeveelheden. Op grond van artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedraagt de verjaringstermijn voor dit feit dan ook 12 jaren, zodat van verjaring geen sprake is.

Door de verdediging is betoogd dat de hoeveelheden middelen die zijn afgeleverd en/of verkocht aan de individuele bezoekers van de [coffeeshop] (ver) beneden de 500 gram lagen, zodat sprake is van partiële niet-ontvankelijkheid. Of dat het geval is zou tijdens een eventuele inhoudelijke behandeling van de strafzaak moeten blijken. Zonder onderzoek van de zaak zelf kan op dit verweer niet inhoudelijk worden beslist. In zoverre is het verweer ontijdig en zal de rechtbank daar op dit moment geen oordeel over geven.

Redelijke termijn

Vast staat dat in dit geval sprake is van een extreme overschrijding van de redelijke termijn.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit vaste rechtspraak volgt dat overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkverklaring van het

Openbaar Ministerie kan leiden, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Dit wordt door de

Hoge Raad ook uitdrukkelijk overwogen in rechtsoverweging 3.5.1. van het arrest van

17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578), waar de algemene uitgangspunten worden weergegeven die gelden bij een overschrijding van de redelijke termijn. De hoofdregel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de opgelegde straf onderscheidenlijk het vastgestelde ontnemingsbedrag. In rechtsoverweging 3.6.1. tot en met 3.6.4. van dat arrest worden door de Hoge Raad uitgangspunten genoemd die dan moeten worden gehanteerd. De Hoge Raad maakt daarbij onderscheid tussen een overschrijding van de redelijke termijn met minder dan zes maanden, een overschrijding met meer dan zes maar met minder dan twaalf maanden en een overschrijding met meer dan twaalf maanden. Voor de eerste twee categorieën worden door de Hoge Raad vaste percentages genoemd, maar voor de laatste categorie geldt volgens de Hoge Raad dat dan naar bevind van zaken wordt gehandeld. Met andere woorden, in dat geval hoeven niet de vaste percentages voor strafvermindering te worden gehanteerd, maar is het aan de feitenrechter om te bepalen of en in welke mate strafvermindering moet volgen.

Door de verdediging is aangevoerd dat compensatie in dit geval niet meer mogelijk is, omdat het Openbaar Ministerie al heeft aangekondigd voornemens te zijn om toepassing van artikel 9a Sr te vorderen. Voor zover de verdediging daarmee heeft bedoeld dat daardoor toch een niet-ontvankelijkheidverklaring moet volgen vanwege schending van de redelijke termijn, kan dit verweer niet slagen. Zoals hiervoor overwogen kan schending van de redelijke termijn ook in uitzonderlijke gevallen niet leiden tot een niet-ontvankelijkverklaring. Ook geldt dat het uiteindelijk aan de rechtbank is om, in het geval zij tot een (gedeeltelijke) bewezenverklaring van het ten laste gelegde zou komen, te beoordelen of en op welke wijze bij het bepalen van de strafmaat rekening zou moeten worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Dat is een eigen oordeel van de rechtbank, zodat compensatie nog mogelijk is. Bovendien is compensatie ook mogelijk in het kader van een eventuele ontnemingsbeslissing. Dat het Openbaar Ministerie heeft aangekondigd voornemens te zijn om, alle omstandigheden meewegend, te requireren tot een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf, doet daaraan niet af.

Redelijke en billijke belangenafweging?

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. Uit vaste rechtspraak volgt dat de beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan zich slechts in zeer beperkte mate leent voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Zo’n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd.

De verdediging heeft er in dit verband destijds op gewezen dat het voor iedereen duidelijk was dat in de coffeeshop dagelijks veel meer hasj werd verkocht dan de op basis van de gedoogbeschikking toegestane voorraad van 500 gram en dat de politie wist dat de voorraad van de coffeeshop elders lag opgeslagen en met grote regelmaat naar de coffeeshop werd gebracht. Desalniettemin hebben de politie en het Openbaar Ministerie jarenlang niet ingegrepen, maar hebben zij de ogen gesloten voor deze zogenoemde ‘achterdeur-problematiek’ van het coffeeshopbeleid, aldus de verdediging. Bij arrest van 15 april 2014 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden overwogen dat, op basis van deze door de verdediging aangevoerde feiten en omstandigheden, niet kon worden geoordeeld dat sprake was van schending van het vertrouwensbeginsel. Kort gezegd, omdat het enkele niet-ingrijpen (door het Openbaar Ministerie) niet gelijk valt te stellen met een door het Openbaar Ministerie gedane uitlating die bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. De rechtbank constateert dat het gerechtshof aan de vaststelling door de rechtbank van de feiten en omstandigheden in haar vonnis van 4 april 2012 op zich niets af heeft gedaan, zodat ook nu van die feiten en omstandigheden nog kan en zal worden uitgegaan.

Een uitzonderlijk geval zoals hierboven is genoemd, doet zich ook voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur, ook wel: het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. Aan het oordeel dat het Openbaar Ministerie om deze reden in de vervolging van een verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard, worden zware motiveringseisen gesteld.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of in deze zaak sprake is van een uitzonderlijk geval zoals hiervoor bedoeld. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

De gemeente Almere heeft er eind jaren negentig bewust voor gekozen om de bij de inwoners levende behoefte aan softdrugs te kanaliseren en – (onder meer) om eventuele overlast zoveel mogelijk te beperken – te lokaliseren op één plek. Dat heeft geleid tot de exploitatie van coffeeshop de [coffeeshop] , wat in zoverre een initiatief van de overheid was.

Nadat de [coffeeshop] op 10 mei 1998, na ontvangst van een gedoogbeschikking, haar deuren heeft geopend, heeft het bedrijf jarenlang – telkens met een geldige gedoogbeschikking en tot op de dag van vandaag – softdrugs verkocht. Van belang is daarbij dat sprake was van een deugdelijke bedrijfsvoering in die zin dat het bedrijf zich aan de aan de gedoogbeschikking verbonden voorwaarden heeft gehouden. Verder is van belang dat het volkomen duidelijk was dat in de coffeeshop dagelijks veel meer hasj werd verkocht dan de op basis van de gedoogbeschikking toegestane voorraad van 500 gram. Aldus was het eveneens voor een ieder (meer specifiek: ook voor het Openbaar Ministerie) duidelijk dat de voorraad van de coffeeshop elders lag opgeslagen en met grote regelmaat naar de coffeeshop werd gebracht, dit betreft de zogenoemde ‘achterdeur-problematiek’ van het coffeeshopbeleid.

Vast staat dat de politie en het Openbaar Ministerie deze situatie jarenlang, namelijk tot

19 september 2008 (de datum van de eerste doorzoeking), in stand hebben gelaten en niet (strafrechtelijk) hebben ingegrepen. Pas op die dag heeft de strafrechtelijke vervolging van verdachte een aanvang genomen. Inmiddels is sprake van een extreme overschrijding van de redelijke termijn van vervolging en berechting. Verdachte gaat aldus al meer dan twaalf en een half jaar gebukt onder de spanning van strafrechtelijke vervolging. Dat is een omstandigheid waarmee, indien de rechtbank zou komen tot een (gedeeltelijke) bewezenverklaring, rekening kan worden gehouden bij het bepalen van de (hoogte van de) straf(maat), maar is op zichzelf niet een omstandigheid die de rechtbank meeweegt bij haar oordeel dat sprake is van strijd met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. Het navolgende draagt wel bij aan dat oordeel.

De voornoemde (extreme) termijnoverschrijding is voor een groot gedeelte toe te schrijven aan de tijd die gemoeid is geweest met de schikkingsonderhandelingen die tussen partijen hebben plaatsgevonden nadat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 15 april 2014 arrest heeft gewezen. Anders dan door de verdediging bepleit, is de rechtbank van oordeel dat verdachte uit het enkele gegeven dat sprake was van schikkingsonderhandelingen niet heeft kunnen en mogen afleiden dat geen voortzetting van de vervolging meer zou volgen als partijen niet tot een buitengerechtelijke afdoening zouden komen. Het enkele gegeven dat onderhandelingen spaak lopen, betekent niet dat het Openbaar Ministerie het recht om te vervolgen verliest, sterker: (alsnog) dreigende strafvervolging fungeert doorgaans als aanjager van schikkingsonderhandelingen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat in de onderhavige zaak de gang van zaken rondom de schikkingsonderhandelingen omstandigheden vormen die – in onderlinge samenhang beschouwd met de overige in deze overwegingen genoemde feiten en omstandigheden – zwaar meewegen bij de beoordeling van de vraag of sprake is van strijd met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. In dat verband is het volgende relevant.

Het initiatief voor de schikkingsonderhandelingen ging uit van het Openbaar Ministerie.

Dat initiatief is bijna 2,5 jaar na het arrest van het gerechtshof, namelijk op

25 augustus 2016, genomen. Het Openbaar Ministerie heeft er op dat moment – nadat de zaak erg lang stil had gelegen – voor gekozen om de zaak niet opnieuw bij de rechtbank aan te brengen, maar om met de verdediging te bezien of een schikking van de zaak mogelijk zou zijn. De rechtbank constateert dat de officier van justitie dus afwoog dat enig door strafrechtelijke handhaving te beschermen belang dat met een voortzetting van de vervolging ter openbare terechtzitting gediend kon zijn, kennelijk minder zwaar woog dan het (financiële) belang om de zaak buitengerechtelijk af te doen. Na 15 juni 2017, het moment waarop het Openbaar Ministerie aangaf met een nieuw voorstel te zullen komen, is het (wederom) zeer lang stil gebleven aan de zijde van het Openbaar Ministerie, namelijk tot de dag van de brief van 16 oktober 2020. Er is op geen enkele wijze toegelicht waarom het meer dan 3 jaar heeft geduurd, voordat duidelijk was dat op het voor het Openbaar Ministerie “vereiste niveau” geen akkoord kon worden verkregen voor de afwikkeling die partijen voor ogen stond, en waardoor een schikking niet mogelijk bleek te zijn. De verdediging heeft aangegeven hierover in het duister te tasten. Dat is extra opmerkelijk, omdat het Openbaar Ministerie zelf in 2016 het initiatief heeft genomen tot die schikkingsonderhandelingen. Van het Openbaar Ministerie had verwacht mogen worden dat zij, voordat zij deze onderhandelingen startte, zich ervan had vergewist dat er ook daadwerkelijk voldoende ruimte was om tot een schikking te kunnen komen. Het tijdsverloop dat gemoeid is geweest met de schikkingsonderhandelingen is dan ook volledig toe te rekenen aan het Openbaar Ministerie.

Het Openbaar Ministerie heeft zich nog op het standpunt gesteld dat van een langere duur van de redelijke termijn mag worden uitgegaan, als sprake is van bijzondere omstandigheden, in dit geval de complexiteit van de zaak. Daarin kan zij echter niet worden gevolgd. De zaak is reeds eerder inhoudelijk behandeld en nadien is er geen nieuwe of nadere complexiteit geweest die tot verdere vertraging kon leiden. Dat de complexiteit van de zaak de schikkingsonderhandelingen mogelijkerwijs niet heeft vergemakkelijkt, maakt nog niet dat dit een dergelijke lange termijn rechtvaardigt. Bovendien heeft het Openbaar Ministerie niet toegelicht wat er in die tussenliggende periodes is gebeurd en waarom het telkens zo lang heeft geduurd voordat zij weer contact zocht met de verdediging.

Uiteraard staat het het Openbaar Ministerie op zichzelf vrij om schikkingsonderhandelingen af te breken op het moment dat partijen – wat daaraan dan ook ten grondslag ligt – niet tot een regeling kunnen komen. Gelet echter op de hele gang van zaken rondom de schikkingsonderhandelingen, zoals hiervoor omschreven, mocht wel van het Openbaar Ministerie worden verlangd dat zij vervolgens gemotiveerd aangeeft welk door strafrechtelijke vervolging te beschermen belang dan nu (alsnog) is gediend met voortzetting van die vervolging in 2021 ter zake strafbare feiten die zouden zijn gepleegd in de periode van 2007 tot en met 2009. Strafbare feiten, ter zake van welke het Openbaar Ministerie eerder juist overwoog dat met een buitengerechtelijke afdoening kon worden volstaan.

In dat verband is ook relevant dat de rechtspolitieke en maatschappelijke opvattingen ten aanzien van coffeeshops de afgelopen jaren verder zijn veranderd, wat mede tot uitdrukking komt in de Wet gesloten coffeeshopketen. Van belang daarbij is dat medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (die coffeeshop de [coffeeshop] exploiteerden) door de overheid, dezelfde overheid die de exploitatie van coffeeshop de [coffeeshop] heeft geïnitieerd en jarenlang, ook hangende het onderhavige strafproces, heeft gedoogd, zijn geselecteerd en geaccepteerd als deelnemer aan het wiet-experiment zoals bedoeld in die Wet gesloten coffeeshopketen. Zulks ondanks dat er tegen hen een strafrechtelijke vervolging liep ter zake van onder meer een in de Opiumwet strafbaar gesteld feit, gerelateerd aan de exploitatie van diezelfde coffeeshop.

Het Openbaar Ministerie heeft op geen enkele wijze gemotiveerd welk door strafrechtelijke handhaving te beschermen belang er op dit moment nog is bij voortzetting van de vervolging van verdachte, terwijl dat – bezien in het licht van het voorgaande – wel op haar weg lag. Evenmin is inzichtelijk gemaakt op welke wijze dat belang is meegewogen bij de beslissing om alsnog tot aanbrenging van de zaak bij de strafrechter over te gaan. Van een redelijke en billijke belangenafweging die tot deze vervolgingsbeslissing heeft geleid is aldus geen sprake geweest.

De conclusie van de rechtbank is dat de beslissing van het Openbaar Ministerie om in deze zaak de vervolging van verdachte voort te zetten, gelet op alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd, in strijd is met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. De rechtbank zal de officier van justitie daarom

niet-ontvankelijk verklaren in zijn vervolging.

4 BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vervolging.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. den Haan, voorzitter, mrs. W.S. Ludwig en N. van Esch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 april 2021.

Bijlage: de tenlastelegging

Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat:

hij (respectievelijk) op of omstreeks 19 september 2008 en/of 12 juni 2009 te Almere, (althans) in de gemeente Almere, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verstrekt en/of vervoerd en/of afgeleverd en/of verkocht, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] en/of de [adres] ) een hoeveelheid van (respectievelijk in totaal) ongeveer 58793 gram en/of 51059 gram hennep en/of ongeveer 10778 gram en/of 10339 gram hasjproducten en/of (respectievelijk) 4960 joints en/of 6720 joints, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachten artikel 3a, vijfde lid van die wet.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde jurisprudentie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature